dossier - Page 6

Verbindend koningschap in de Republiek

Verbindend koningschap in de Republiek.

Advies van de commissie ad hoc ‘Actualisatie toekomst Koningshuis’ van de Partij van de Arbeid

Amsterdam, 24 augustus 2011.

Samenstelling commissie: Joop van den Berg (voorzitter), Martin van Haeften, Pierre Heijnen, Hayte de Jong (secretaris), Ton Langenhuyzen, Jaap van der Ploeg, Lilianne Ploumen, Peter Scheffer, Willem Witteveen.

[1] Aanleiding tot instelling commissie.
Een aantal ontwikkelingen en gebeurtenissen heeft het de moeite waard gemaakt na te denken over de toekomst van het koningschap in Nederland en van het Koninklijk Huis in ruimere zin. In de eerste plaats is dat de herhaaldelijk gestelde vraag naar de verhouding tussen Koning en regering en de betekenis van de grondwettelijke formulering dat ‘de regering bestaat uit Koning en ministers’. Die vraag is in 2000 voor het eerst gesteld door de toenmalige fractievoorzitter van D66 in de Tweede Kamer, De Graaf, en op zichzelf adequaat beantwoord door de toenmalige minister-president, Wim Kok. Nadien is zij in de politieke discussie niettemin enige malen teruggekomen. In 2010 is zij zelfs in verband gebracht met de kabinetsformatie en de rol die daarin door de Koning wordt vervuld. Sinds de grondwettelijke opname van de Koning in de regering in 1983 lijkt de interpretatie van dit grondwetsartikel te zijn verschoven.
Een tweede reden is gelegen in de geneigdheid minder terughoudend te discussiëren over het koningschap en zijn plaats in de Nederlandse samenleving. Voor een deel heeft dat te maken met een gedurende de laatste decennia veel onbekommerder geworden publiciteit inzake koningschap, Koninklijk Huis en koninklijke familie. Ook in de Tweede Kamer worden met aanzienlijk minder terughoudendheid dan weleer vragen rond het koningschap en Koninklijk Huis aan de orde gesteld. Omgekeerd zoekt het Koninklijk Huis ook gemakkelijker dan vroeger actief de publiciteit. Dit alles roept de vraag op naar het blijvende belang van een koningschap dat in staat is mensen en partijen in Nederland met elkaar te verbinden.
Onmiskenbaar wordt het debat ook bevorderd door de in brede kring gedeelde aanname dat een troonswisseling nabij is. Indien er behoefte zou zijn aan verandering en modernisering van het koningschap en de plaats van koning en Koninklijk Huis in de Nederlandse samenleving, dan is het nu een geschikt moment om daarover politiek het gesprek te voeren.
Dit alles is reden geweest voor de Partij van de Arbeid een kleine commissie van deskundigen aan het werk te zetten om over de constitutionele plaats van het koningschap in de democratie, maar ook over de rol van het koningschap in de Nederlandse samenleving in bredere zin te adviseren. Is er behoefte aan verandering en vernieuwing en zo ja, waarin zou die moeten bestaan? Vraagt dat bij voorbeeld ook om herziening van de grondwettelijke bepalingen inzake ‘de Koning’ en het ‘Koninklijk Huis’, of bestaat daartoe geen noodzaak? Is het ten slotte mogelijk om daarover een opvatting te vormen die kan rekenen op brede steun in politiek en samenleving? Als er immers één institutie is die zich niet leent voor politisering, omdat die het verbindende karakter ervan in de kern zou aantasten, dan is dit het koningschap.
De commissie heeft haar opdracht aanvaard in het besef dat alleen indien volstrekt onvermijdelijk, een pleidooi zou moeten worden gevoerd voor herziening van de Grondwet. De kans dat zulk pleidooi kan rekenen op brede publieke en parlementaire steun moet immers als onrealistisch worden beschouwd. Voorts heeft de commissie voor ogen gehouden dat zij haar werk niet is begonnen, omdat er rond koningschap en Koninklijk Huis ernstige problemen zouden bestaan. Als de Nederlandse democratie worstelt met een aantal problemen, dan zijn er voldoende voorbeelden te geven die de vragen rond het koningschap verre in de schaduw stellen. Dat hoeft de Partij van de Arbeid er echter niet van te weerhouden, een kwart eeuw na de laatste grondwetsherziening en wellicht kort vóór het aantreden van een nieuwe vorst, haar gedachten over het koningschap nog eens zorgvuldig te bepalen.

[2] Koningschap en democratie.
De sociaal-democratie spreekt niet zonder ongemak over het koningschap en zijn plaats in de democratische rechtsstaat.
Het publieke ambt wordt in de democratie immers gelegitimeerd door zijn verkiezing of tenminste de verplichting zich te verantwoorden, zoal niet in een democratisch forum dan toch door de motiveringsplicht die met zijn optreden is verbonden. Met andere woorden, wij kennen niet alleen verkozen ambtsdragers, maar ook vele en diverse benoemde ambtsdragers, zoals ministers, burgemeesters en rechters. Daarnaast kennen wij particuliere instellingen met hun directeuren en toezichthouders die publieke taken uitoefenen. Steeds is er sprake van periodieke en openbare verantwoording. Dat kan gebeuren ten overstaan van een gekozen vergadering, zoals Tweede Kamer of gemeenteraad. Dat kan ook gebeuren, zoals bij de rechterlijke macht, door een plicht tot motivering, die door deskundigen en anderszins betrokkenen kan worden bekritiseerd. Ook als de praktijk gebreken vertoont, is het beginsel van controleerbaarheid en verantwoording vastgelegd.
Het koningschap past niet in deze rationele visie op het publieke ambt. Dat leidt ook tot de begrijpelijke aanname – in Nederland breed gedeeld, tot in de koninklijke familie zelf toe – dat als wij nu ‘vanaf nul’ een nieuwe constitutie zouden scheppen het koningschap daar niet in zou voorkomen. Het past immers, door zijn karakter van erfelijk over te dragen ambt, niet in de democratische rationaliteit.
Niettemin zijn een achttal van de meest stabiele en historisch meest effectieve democratieën in Europa tegelijk een ‘constitutionele monarchie’, zoals het doorgaans wordt genoemd. Bovendien hechten de bewoners van die democratieën doorgaans in grote meerderheid aan het koningschap. Een verschijnsel waar sociaal-democraten, maar zij niet alleen, met een zeker ongemak naar kijken, omdat zij vanuit beginsel republikeins denken. Het gaat immers over zulke ongrijpbare begrippen als ‘traditie’ en ‘historische verbondenheid’, ‘ritueel’ en ‘symboliek’ en die passen weer niet erg in een democratisch denkpatroon dat het moet hebben van conflict, partij kiezen en zo nodig strijd om het algemeen belang en dat dus sterk hecht aan verantwoording, controle en liefst verkiezing.
Toch, zo meent de commissie, zijn die zo verschillende zienswijzen wel met elkaar te verzoenen. Een democratische samenleving bestaat immers niet alleen bij de gratie van geordende verdeeldheid en gecontroleerde macht in staatkundige instellingen, zij bestaat ook bij de gratie van verbondenheid, van moreel gezag en van het besef deel uit te maken van een gemeenschappelijke ‘vaderlandse geschiedenis’ zoals H.W. Wiardi Beckman de sociaal-democratie in ons land heeft geleerd. Kent ook de sociaal-democratie zelf niet haar rituelen en tradities?
Het gaat niet alleen om de staat, maar ook om de natie die wij, als deelnemers eraan, zichtbaar willen maken, zodat wij in staat zijn om bij alle onderlinge onenigheid ons ook met elkaar verbonden te weten. In een tijd van snelle mondialisering en Europese integratie is die behoefte misschien wel sterker dan ooit, omdat de natie bezig is haar vanzelfsprekendheid te verliezen. Deze verbondenheid met elkaar en met de geschiedenis vragen om hun eigen symbolen en rituelen, die niet toevallig een ouder karakter hebben dan de democratie. Die vragen ten slotte om een ‘plek’ waar natie en samenleving enerzijds en staat en democratie anderzijds samenkomen.
Hoewel het daar in oorsprong niet voor was bedoeld heeft het koningschap die plek in de loop van de negentiende en twintigste eeuw weten in te nemen en behouden. Daarmee voegde het zich in een oude liberale politieke conceptie, voor het eerst uitgesproken door Benjamin Constant, die het constitutionele koningschap zag als bij uitstek in staat maatschappelijk te verbinden en tegelijk, hoe paradoxaal ook, te dienen als wachter bij de constitutie. Die laatste rol zou de koning bij uitstek kunnen spelen in een constellatie waarin hij geen macht meer heeft maar wel gezag.
De Duitse socioloog Max Weber zag, aan het begin van de twintigste eeuw, nog een andere kwaliteit die het erfelijk koningschap kan verzoenen met de democratie. Hij erkende het belang maar ook het gevaar van charisma in de politiek, de democratie in het bijzonder. Door dat charisma, waarover koningen en koninklijke families traditioneel beschikken, ‘op te sluiten’ in het constitutionele koningschap en daardoor de staatsman als het ware te beletten charismatisch leiderschap voor zich op te eisen, leek hem de republiek bij uitstek gediend. Koningschap en democratie mogen van nature niet zonder meer bij elkaar horen, zij zijn wel met elkaar te verzoenen.
Dat kan overigens uitsluitend onder strikte voorwaarden. Die luiden dat de koning niet over enige politieke macht beschikt; dat al zijn doen en laten valt onder de verantwoordelijkheid van ministers; dat zijn politieke invloed, voor zover aanwezig, is gericht op naleving van de constitutie en dat hij in zijn uitingen – in woord en daad – zoekt naar wat mensen in de samenleving verbindt en met elkaar verzoent. Politieke keuzes en bijbehorende uitoefening van macht dient hij aan verantwoordelijke ambtsdragers over te laten.
Geen macht, wel invloed, zoals die werd omschreven in het beroemde adagium van de negentiende-eeuwse journalist Walter Bagehot: ‘The right to be consulted, to encourage and to warn.’
Daarmee komt de ‘taakomschrijving’ van de moderne koning dicht bij die van een president in een parlementair stelsel, zoals in de Duitse of Italiaanse Republiek. Ook daar heeft de president niet of nauwelijks politieke macht en is zijn opdracht, als staatshoofd, om zich los te maken van partijkeuze en als bewaker op te treden van de constitutie. Voorts zal hij in woord en daad de verbondenheid van de natie koesteren en bevorderen. Daartoe worden hem (of haar natuurlijk) een aantal specifieke taken toevertrouwd. Zulk ‘presidentieel’ koningschap ziet de commissie als de beste omschrijving van de plaats en rol van de koning in ons staatskundig bestel.
De sociaaldemocratie is en blijft republikeinse politieke beweging; zij beseft echter het maatschappelijke en historische belang van het koningschap in de Nederlandse democratie, dat in staat is over grenzen van partij, klasse, godsdienstige en etnische herkomst heen mensen te verbinden en aldus de Nederlandse bevolking naar binnen en naar buiten te vertegenwoordigen.
De koning representeert de bevolking echter op een ander niveau dan de volksvertegenwoordiging zoals die door de Staten-Generaal wordt gevormd. De koning representeert het volk in symbolische zin, in dat wat het tot een eenheid maakt; de volksvertegenwoordiging representeert het volk in reële staatsrechtelijke zin. Daarom komt aan de laatste ook de macht toe en ontleent de koning zijn kracht aan zijn gezag.

[3] De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.
Gegeven deze visie op het koningschap adviseert de commissie de politieke leiding van de Partij van de Arbeid strikt vast te houden aan de combinatie van koninklijke onschendbaarheid en ministeriële verantwoordelijkheid voor het spreken en handelen door de Koning, zoals geregeld in art. 42 tweede lid van de Grondwet. Het is dit artikel dat waarborgt dat de Koning enerzijds geen politieke macht uitoefent en dat anderzijds de ruimte voor zijn spreken en handelen door de ministers wordt bepaald. Door tegelijk in de praktijk een adequate communicatie te onderhouden tussen ministers, de minister-president in het bijzonder, en de Koning, kan worden voorkomen dat de Koning, al dan niet opzettelijk, partijpolitiek uit te leggen uitspraken doet, maar kan hem tevens ruimte worden verschaft zijn rol van wachter bij de constitutie naar behoren uit te oefenen.
De commissie is derhalve geen aanhangster van het ‘Zweedse model’, zoals dat wel wordt gepropageerd, waarbij zij zich overigens afvraagt of de pleitbezorgers ervan een juist begrip hebben van dit ‘Zweedse model’. Daarin is weliswaar de onschendbaarheid van de koning alsmede de ministeriële verantwoordelijkheid voor zijn doen en laten inderdaad opgeheven. Wat overigens niet betekent dat hij geen politieke taken zou hebben, noch dat het geregelde contact tussen regering en koning zou zijn verbroken.
Voor zover het gaat om internationale vergelijking neigt de commissie er eerder toe te sympathiseren met de Spaanse Grondwet (1978), die de ‘staatshoofdelijke’ taken van de Koning expliciet en limitatief opsomt. Tegelijkertijd is hij, zonder deel uit te maken van de regering, onschendbaar en de ministers zijn verantwoordelijk voor zijn handelen. Op het Spaanse ‘model’ komt de commissie verderop terug, al was het slechts om duidelijk te maken dat en waarom zij ook dat niet zal bepleiten.
Daarnaast en in verband daarmee behoort de verantwoordelijkheid te blijven gehandhaafd voor het optreden van leden van het Koninklijk Huis, voor zover hun doen en laten het openbaar belang raakt. Dat houdt in dat voort wordt gegaan op de weg die oud-premier W. Drees en oud-partijleider P.J. Oud (VVD) in 1964 hebben gewezen. De Prins van Oranje en zijn eventuele echtgenoot zullen, hoewel niet onschendbaar, in veel opzichten zijn onderworpen aan ministeriële verantwoordelijkheid en toezicht, doordat zij dicht bij de troon staan en geacht mogen worden te zijner tijd de Koning op te volgen.
Andere leden van het Koninklijk Huis zullen in het algemeen vrij zijn in hun doen en laten, tenzij op de relatief spaarzame momenten dat ook hun handelen het openbaar belang raakt. Dat zal het geval zijn, indien zij worden betrokken in de ‘koninklijke functie’, dus meewerken aan de representatietaak van de Koning. In het belang van hun handelingsvrijheid is het wijs deze leden van het Huis zo beperkt mogelijk met koninklijke representatietaken en ministerieel toezicht te belasten.
Aldus zijn de leden van het Koninklijk Huis maar eerst en vooral de Koning, dankzij het bepaalde in art. 42.2 van de Grondwet, niet alleen verbonden met een instantie die verantwoording kan geven van hun handelen, maar beschikken zij ook over een klankbord dat het hen mogelijk maakt de verbindende rol te vervullen jegens alle groepen en segmenten van de Nederlandse bevolking; een opdracht van vitaal belang maar ook een gecompliceerde taak.

[4] Koning, regering en Raad van State.
Krachtens art. 42, eerste lid van de Grondwet wordt de regering gevormd door de Koning en de ministers. Het is dit artikel dat opnieuw in recente jaren ter discussie is gekomen. Voorts is het door deze en gene, vooral in 2010, in verband gebracht met de vorming van het kabinet, alsof dit artikel aan de Koning een bijzondere staatsrechtelijke taak zou toekennen bij de kabinetsformatie.
Om met het laatste te beginnen, er is geen enkele staatsrechtelijke relatie tussen het koninklijke lidmaatschap van de regering en de rol die de Koning vervult bij de kabinetsformatie. Zijn rol bij de formatie is vrucht van de politieke traditie en heeft slechts een vage band met art. 43 van de Grondwet dat bepaalt : ‘De minister-president en de ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen’. Tot 1983 stond er nog wat explicieter dat de Koning de ministers benoemde en hen ‘naar welgevallen’ kon ontslaan. Dat ‘welgevallen’ diende om duidelijk te maken dat ministers tegen hun ontslag geen verweer bij de rechter konden zoeken. In een ver negentiende-eeuws verleden koos de Koning ook daadwerkelijk zelf zijn ministers.
Het koninklijk benoemingsbesluit ex art. 43 houdt tegenwoordig in het geheel niet in dat daarom de formatie dient te worden geleid door de Koning. Hij benoemt formeel wel meer ambtsdragers zonder de personele keuze zelf te hebben gemaakt. Wie leiding geeft aan de kabinetsformatie laat de Grondwet dus geheel onbepaald. Daarop komen wij in het vijfde hoofdstukje terug.
Het koninklijk lidmaatschap van de regering is daarnaast weer ter discussie gekomen, omdat het misverstanden blijkt op te roepen. Voor sommige lezers van de grondwetstekst wekt het blijkbaar de suggestie dat de Koning daardoor een levendig aandeel heeft in de politieke besluitvorming. Alleen ‘weten wij daar niets van’, omdat dat aandeel door de ministeriële verantwoordelijkheid aan het zicht wordt onttrokken. Voorts wekt deze tekst blijkbaar de indruk dat de Koning de mogelijkheid, zoal niet de bevoegdheid heeft, om wetsvoorstellen niet te ondertekenen als die strijden met zijn overtuiging.
Beide interpretaties van art. 42.1 zijn onjuist. Het artikel beoogt niet meer en niet minder te zeggen dan dat regeren in Nederland twee elementen bevat: enerzijds de ‘staatshoofdelijke’ taak die elders door de president wordt uitgeoefend en anderzijds de vorming van het regeringsbeleid, die overal wordt uitgeoefend door de ministers. Dat laatste wordt nog eens met zoveel woorden bepaald in art. 45, derde lid, dat zegt dat ‘de ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid’. Niet de regering besluit daarover en dus ook niet de Koning, maar de ministerraad.
Weliswaar dient de Koning door de ministers te worden geconsulteerd, wanneer die daarvoor voldoende reden aanwezig achten, en kan hij van zijn opvatting blijk geven met vermaan en zelfs waarschuwing, maar het zijn de ministers die besluiten. Dat zij daarbij het volste recht hebben, gegeven hun verantwoordelijkheid, van de adviezen van de Koning (sterk) af te wijken, is zowel aan de Koning als aan de ministers bekend.
Dat houdt dus ook in – dit betreft het tweede misverstand – dat de Koning zijn handtekening onder een door kabinet en Staten-Generaal aanvaard wetsvoorstel niet kan weigeren. De vraag of hij het met de inhoud van het wetsvoorstel eens is of niet is daarvoor irrelevant. De betekenis van koninklijk ‘seign’ (handtekening) en ministerieel ‘contraseign’ is dus volledig omgekeerd aan de situatie in de negentiende eeuw. Destijds was het de Koning die politiek handelde en stond het ministerieel contraseign voor de (grond)wettelijke correctheid van het besluit. Nu is het de minister, of het kabinet, dat politiek handelt en staat de handtekening van de Koning voor de correcte (grond)wettelijke totstandkoming van het besluit; niet meer en niet minder.
De commissie heeft dus geen zwaarwichtige redenen om wijziging van het artikel 42.1 te bepleiten. Het geeft de Koning immers geen recht om zich politiek te mengen in de besluitvorming van ministers en staatssecretarissen en daartoe enige vorm van instructie te geven, noch ontleent hij daaraan het recht om enig besluit, ook al heeft dit de vorm van een ‘voordracht’, van kabinet of minister niet te ondertekenen. Zijn opdracht is die van het staatshoofd dat daartoe een beperkt aantal taken uitoefent, zoals de formele benoeming van ministers en staatssecretarissen en van een aantal andere publieke ambtsdragers, alsmede de ambassadeurs die ons in het buitenland vertegenwoordigen. Daarnaast ondertekent hij de wetten en algemene maatregelen van bestuur en hij vertegenwoordigt het koninkrijk bij staats- en andere bezoeken aan het buitenland en bij soortgelijke bezoeken van buitenlandse staatshoofden en regeringsleiders aan Nederland.
Die taken alleen al vereisen dat hij concreet op de hoogte is van wat er in binnen- en buitenland politiek aan de hand is en daar met enig gezag over kan spreken. Mede daartoe dient het regelmatige gesprek van de premier met de Koning. Zulke, al dan niet wekelijkse contacten tussen premier en Koning zijn overigens internationaal gebruikelijk.
Toch acht de commissie misverstanden omtrent art. 42.1 niet helemaal toevallig en pleidooien om ‘de Koning uit de regering te halen’ niet onbegrijpelijk. Internationaal wordt de term ‘regering’ (of ‘government’ en de varianten daarvan) geassocieerd met beleidsvorming en met politieke beslissingen. Het beroemde motto van de Franse negentiende-eeuwse staatsman Adolphe Thiers, ‘Le roi règne mais il ne gouverne pas’ duidt daar al op. ‘De koning heerst maar hij regeert niet’, betekent het letterlijk. Als wij onze grondwetstekst terwille willen blijven, moeten wij die tekst echter als volgt vertalen: ‘De Koning regeert, maar hij voert geen beleid’.
Vandaar dat de commissie wel enige sympathie voelt voor de gedachte art. 42.1 in tweeën te delen, zodanig dat het koningschap met zoveel woorden wordt gedefinieerd als de opdracht van het staatshoofd en de bijbehorende taken limitatief worden opgesomd, zoals dat ook in de Spaanse Grondwet gebeurt. De term ‘regering’ kan dan worden gereserveerd voor beleidsvorming en dus politieke besluitvorming. Daarmee wordt aangegeven dat het koningschap zijn eigen betekenis heeft en niet louter ceremoniële trekken. Het is en blijft een ambt met politieke betekenis, niet in de beleidsvormende zin van het woord, maar door zijn constitutionele wachtersrol en in bredere zin door zijn verbindende opdracht.
Toch adviseert de commissie, om de hiervoor al genoemde reden, niet tot een pleidooi voor grondwetsherziening. Wel is het van belang, zo meent de commissie, dat de fracties van de Partij van de Arbeid in de Staten-Generaal, indien de gelegenheid zich voordoet, expliciet uitspreken hoe zij de plaats van de Koning in de regering interpreteren, zodat ook op parlementair niveau duidelijk is dat de Partij van de Arbeid het koningschap ziet als het ambt van het staatshoofd (zo men wil: een ‘presidentieel’ ambt) en in geen enkel opzicht als dat van een regeringsleider.
Dan blijft overigens nog één inconsequentie over: de Koning die, zonder bemoeienis met de beleidsvorming, jaarlijks niettemin ‘een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid’ geeft, zoals de Troonrede in de Grondwet (art. 65) wordt genoemd. Op zichzelf zou het, zo meent de commissie, voor de hand liggen zulke uiteenzetting niet te doen geven door de Koning, maar namens het kabinet door de minister-president, in tegenwoordigheid van de Koning. Oud-voorzitter van de Tweede Kamer en partijgenoot, Anne Vondeling, heeft dit ooit voorgesteld, zonder enig succes overigens.
Hoe dan ook wordt daarmee gemorreld aan het vaste ritueel en de intussen tweehonderd jaar oude traditie van Prinsjesdag, die de Koning namens zijn ministers in de hoofdrol plaatst. Er is in Nederland voorts niemand te vinden, die niet weet dat de tekst van de Troonrede door de koningin slechts wordt voorgedragen, maar door de ministers is geschreven. Aan het bureaucratenproza van de meeste Troonredes is ook wel te horen dat het blijkbaar niet door de vorst zelf kan zijn bedacht. De commissie ziet geen reden om de tradities van Prinsjesdag te doorbreken; zij vraagt zich hooguit af of er geen middelen zijn te vinden om de Troonrede tot een wat dragelijker stuk proza te transformeren.
Ongemakkelijker voelt de commissie zich bij het voorzitterschap door de Koning van de Raad van State, krachtens art. 74 van de Grondwet. Zij beseft dat de Koning slechts in naam voorzitter is van de Raad en het feitelijk voorzitterschap wordt uitgeoefend door de vicepresident. Zij blijft het echter een anomalie vinden, hoezeer ook historisch verklaarbaar, dat de Koning een orgaan voorzit dat wordt geacht de regering en dus mede de Koning te adviseren en dat voorts in het bestuursrecht optreedt als hoogste rechter. Het ongemak wordt er niet minder op, als de commissie vaststelt dat krachtens datzelfde art. 74 de troonopvolger, zodra hij achttien jaar oud is, van rechtswege lid wordt van de Raad, zij het zonder stemrecht. Ook andere leden van het Koninklijk Huis kunnen volgens dit Grondwetsartikel als lid tot de Raad worden toegelaten.
Intussen ontwikkelt zich de Raad meer en meer van een adviseur van de regering tot een adviseur van de wetgever, dus ook van de Staten-Generaal. Het Grondwetsartikel 74 laat dit ook toe. Dat maakt het des te vreemder dat de Koning blijft opereren als de (ceremoniële) voorzitter.
Daarom adviseert de commissie om, als zich daartoe de gelegenheid voordoet, een wijziging van de Grondwet te bevorderen die het voorzitterschap van de Raad van State tot een zaak maakt van benoeming door de regering, zoals nu gebeurt bij de vicepresident, al dan niet op voordracht van de Tweede Kamer.

[5] Koning en kabinetsformatie.
Sinds 1971 heeft de Tweede Kamer met enige regelmaat gesproken over de gang van zaken tijdens kabinetsformaties in ons land en de rol daarbij van de verschillende spelers. Dit heeft in de afgelopen veertig jaar niet geleid tot wezenlijke veranderingen. De commissie adviseert de Partij van de Arbeid een nieuwe poging te wagen. De rol van de Koning dient te worden beperkt tot het benoemingsbesluit ex art. 43 van de Grondwet. De rol van de Tweede Kamer wordt de beslissende. In een parlementaire democratie behoort het kabinet zichtbaar het ‘product’ te zijn van het parlement, meer precies: van de Tweede Kamer.
De Tweede Kamer debatteert dus over de gewenste coalitie en kiest vervolgens een formateur. De Kamer houdt daarna de controle over het verloop van de formatie en de wijze waarop de opdracht wordt uitgevoerd.
Tevens is de commissie van mening dat de procedure bij het begin van de formatie moet worden aangepast. Hierbij gaat zij er van uit dat kan worden volstaan met het wijzigen van het Reglement Orde van de Tweede Kamer (art 139a en 139b).
Doel is om het formatieproces transparanter en toegankelijker te maken en vlotter te laten verlopen. De kiezer krijgt hierdoor meer zicht op wat er met zijn stem gebeurt.
Vertaald in een stappenplan leidt dat, zo adviseert de commissie, tot het volgende resultaat:
1. Verkiezingen worden in ons land, als bekend, altijd gehouden op woensdag. De donderdag en vrijdag daaraanvolgend hebben de fracties intern beraad over de vertaling van de voorlopige verkiezingsuitslag. In het weekend raadplegen de fracties daartoe hun achterban. In de eerste dagen van de week daarna beslissen de fracties over de wenselijke coalitie. Uiteraard kan deze korte periode ook gebruikt worden voor informeel overleg met andere fracties.
2. Na de beëdiging van de nieuwe Kamerleden, acht dagen na de Kamerverkiezingen, volgt een plenair debat waarbij de fractievoorzitters hun vertaling geven van de verkiezingsuitslag en hun visie op de door hen gewenste coalitie. Tijdens dat debat moet duidelijk worden wat volgens de meerderheid de gewenste coalitie is. Vervolgens kiest de Kamer met behulp van een motie de formateur, met de daarbij behorende opdracht. Als de Kamer niet aanstonds in meerderheid overeenstemming kan bereiken over de gewenste formateur benoemt zij de voorzitter van de grootste fractie tot formateur.
3. De formateur, tevens kandidaat-premier, onderhandelt met de door hem (of haar) beoogde coalitiepartners, schrijft op basis daarvan het regeerakkoord en vormt het door de Tweede Kamer gewenste kabinet. Tijdens het debat over de regeringsverklaring legt hij verantwoording af over de kabinetsformatie.
Indien de voorzitter van de grootste fractie formateur is geworden, omdat geen andere kandidaat heeft kunnen rekenen op een meerderheid, brengt deze fractievoorzitter-formateur verslag uit aan de Tweede Kamer van zijn bevindingen, waarna de Kamer besluit wat de gewenste coalitie moet worden en wie van dat kabinet de formateur dient te zijn.
4. De formateur overlegt met de Kamer zo vaak als de Kamer dat wenst. Reeds als formateur is hij haar verantwoording verschuldigd.
Door bovengeschetste gang van zaken ontstaat er een ander type kabinetsformatie. Partijen moeten eerder en publiekelijk kleur bekennen en het partijkader kan in een eerdere fase zijn voorkeur voor coalitievorming kenbaar maken. Door aanstonds een formateur te benoemen, komt er meer druk op de ketel en dat kan de duur van de formatie aanzienlijk bekorten. Een formateur gaat recht op zijn doel af op basis van het mandaat dat hij van de Kamermeerderheid heeft gekregen.
Mocht de formateur tijdens zijn werkzaamheden niettemin tot de conclusie komen dat hij de opdracht van de Kamer niet kan uitvoeren, dan moet hij terug naar de Kamer, die een nieuwe formateur dient aan te wijzen.
Een andere situatie ontstaat, zodra wegens een conflict met de Tweede Kamer dan wel door een intern conflict, de minister-president zich gedwongen ziet het ontslag van zijn kabinet aan te bieden. Mogelijk is ook dat hij ermee volstaat zijn portefeuille en die van een aantal collegae ter beschikking te stellen, nadat de ministers van één of meer partijen hun ontslag hebben ingediend. Dan is er nog de diffuse situatie dat weliswaar slechts één of twee ministers ontslag aanvragen, maar niettemin moet worden gesproken van een kabinetscrisis. In 1951 trad één minister (Stikker) af, maar viel daardoor de VVD uit het kabinet; in 1972 vertrokken twee ministers (Drees jr. en De Brauw) en ontviel daarmee DS’70 aan het kabinet. In het tweede geval trachtte de premier het voor te stellen als een ministerscrisis, terwijl van een kabinetscrisis sprake was. Het was toen koningin Juliana die de dienstdoende premier constitutioneel bij de les heeft gehouden. Bij crises is dus niet bij voorbaat aan iedereen duidelijk van welke aard die zijn.
Het hier gedane voorstel zou dus als volgt dienen te worden aangevuld.
Zodra er sprake is van ontslagaanvrage van een of meer ministers, wordt daarvan mededeling gedaan aan de Tweede Kamer en wordt de premier standaard naar de Kamer geroepen om daar een verklaring te leveren over de redenen voor de ontslagaanvrage. Vervolgens beslist de Tweede Kamer of er sprake is van een ministerscrisis dan wel van een kabinetscrisis. In het eerste geval verzoekt zij de minister-president zorg te dragen voor zo spoedig mogelijke vervanging. In het tweede geval kan zij diverse besluiten nemen.
Zij kan besluiten dat de crisis niet op te lossen valt en de premier verzoeken Kamerontbinding te bevorderen. In de meeste gevallen zal de Kamer daartoe geneigd zijn te besluiten. Het past ook in de intussen gegroeide conventie, dat niet van coalitie wordt gewisseld zonder eerst verkiezingen te hebben gehouden.
Zij is staatsrechtelijk echter eveneens bevoegd de premier voor te dragen als formateur van een alternatief kabinet, indien hij heeft aangegeven daartoe de mogelijkheden te zien. De Kamer kan ten slotte in meerderheid zelf een formateur aanwijzen, dan wel terugvallen op de constructie waarbij de voorzitter van de grootste fractie in de Kamer optreedt als formateur. Het RvOTK zou in elk geval ook voor zulke gevallen een regeling moeten geven, al was het maar omdat in de toekomst van de conventie inzake coalitiewisseling weer kan worden afgeweken. Conventies zijn immers geen ongeschreven recht.
Deze aanpak vergt van de politieke partijen dat zij zich eerder beraden over de vraag naar de gewenste coalitie na de verkiezingen en daartoe, zo nodig, in een eerder stadium politieke allianties aangaan om aldus hun kansen op regeringsdeelname na de verkiezingen te vergroten.
De Partij van de Arbeid moet, aldus de commissie, laten zien dat zij als gevestigde en tegelijk radicaal democratische partij op het punt van de kabinetsformatie in ons land wezenlijke vernieuwing nastreeft. Een formatie die ‘de bal legt’ waar die moet worden gelegd: bij de gekozen volksvertegenwoordiging.

[6] Koninklijk Huis: lidmaatschap en bekostiging.
De Wet lidmaatschap Koninklijk Huis is voor de laatste keer gewijzigd tijdens het optreden van het tweede kabinet-Kok (Stsbl. 2002.275). Daarbij is het aantal leden dusdanig geregeld, dat zodra de huidige Prins van Oranje koning wordt, het Huis bestaat uit de koning en zijn echtgenote, de voormalige koningin, de drie kinderen van de Koning en hun eventuele toekomstige echtgenoten, alsmede prins Constantijn en zijn echtgenote. Voorts blijven prinses Margriet en mr. P. van Vollenhoven lid, in hoofdzaak uit courtoisie.
Dit is en blijft aanzienlijk meer dan wat de Tweede Kamer, destijds op voorstel van het D66-lid L.J. Brinkhorst, in 1971 nastreefde, al is het minder dan was opgenomen in de wet van het eerste kabinet-Van Agt (1977 – 1981). Ironie van de geschiedenis: volgens de doctrine-Brinkhorst had zijn dochter nooit lid kunnen worden van het Koninklijk Huis, maar zij is het intussen wel en volgens de huidige wet blijft zij het ook.
De commissie is echter van mening dat het lidmaatschap van het Koninklijk Huis alsnog dient te worden beperkt tot diegenen die, na de inhuldiging van de huidige Prins van Oranje, van staatswege een uitkering ontvangen. Dat zullen zijn de Koning en zijn echtgenoot, de afgetreden Koning en de vermoedelijke troonopvolger en diens eventuele (toekomstige) echtgenoot. De ministeriële verantwoordelijkheid beperkt zich tot het optreden van deze leden van het Koninklijk Huis, in zoverre als hun optreden het openbaar belang raakt. Alle andere leden van de koninklijke familie vallen buiten de ministeriële verantwoordelijkheid, ontvangen geen uitkering van rijkswege en zijn dus vrij hun eigen maatschappelijke loopbaan te kiezen. Aldus vallen lidmaatschap, recht op uitkering van Rijkswege en ministeriële verantwoordelijkheid samen.
Gegeven hun verdiensten als langdurig lid van het Koninklijk Huis zou het onhoffelijk zijn aan prinses Margriet en haar echtgenoot het lidmaatschap alsnog te ontnemen. Zij blijven op persoonlijke titel lid.
De financiering van het Koninklijk Huis is nog betrekkelijk kort geleden (in 2009) aangepast bij een wijziging van de Wet financieel statuut Koninklijk Huis. De financiële consequenties daarvan zijn inzichtelijk bijeen gebracht in het ‘Jaaroverzicht 2010’ dat de Dienst Koninklijk Huis onlangs, voor het eerst, heeft uitgebracht. Dit laat zien dat op dit moment de koningin, prins Willem-Alexander en prinses Maxima een uitkering van rijkswege ontvangen, die ten dele kan worden gezien als een persoonlijke uitkering, waarover krachtens art. 40.2 van de Grondwet geen inkomstenbelasting is verschuldigd. Ten dele is zij daarnaast een vergoeding van de (personele en organisatorische) kosten die moeten worden gemaakt om de ondersteuning van de leden bij de uitoefening van hun functie te bekostigen.
De kosten van de paleizen (onderhoud), beveiliging en staatsbezoeken vallen daarbuiten, omdat die zijn ondergebracht bij departementale begrotingen. Voor zover de familie beschikt over grond dan wel huizen in eigendom, wordt daarover de normale OZB voor huiseigenaren betaald.
De commissie ziet geen reden voor wijziging van het beleid op dit punt. Dit te minder, nu een commissie onder voorzitterschap van oud-minister G. Zalm nog recent alle verspreide kosten van Koninklijk Huis en ondersteunende diensten in kaart heeft gebracht, gereorganiseerd en gesaneerd.

[7] Ten slotte: verbindend koningschap in de een en twintigste eeuw.
Het koningschap zelf in Nederland heeft gedurende de jaren van de ambtsuitoefening van koningin Beatrix wel heel wat modernisering doorgemaakt, vooral als het gaat om de hoforganisatie, maar het ambt zelf heeft in grote lijnen zijn verbindende karakter weten te bewaren. Geen koningin heeft zo scrupuleus de constitutionele vereisten ervan nageleefd, misschien ook omdat zij er zoveel inzicht in had.
De maatschappij om koningin Beatrix heen is in de jaren sedert 1980 echter heel sterk veranderd: zij is enerzijds veel opener en openhartiger geworden in haar wijze van communiceren, anderzijds is zij minder geneigd consideratie te hebben met publieke ambtsdragers of hun gezag als vanzelfsprekend te aanvaarden. Dat heeft het koningschap onmiskenbaar kwetsbaarder gemaakt en het gedwongen ook zelf opener te zijn in zijn optreden. Kwetsbaarder helaas ook voor bedreiging van zijn veiligheid, terwijl het toegankelijk wil en moet blijven voor zijn burgers.
Het koningschap als symbool van nationale eenheid is voorts voortdurend onderworpen aan verschuivingen in de publieke opinie. Wil het zijn verbindende karakter en betekenis behouden, dan moet het tot op zekere hoogte meebuigen met de gevoelens in de bevolking om niet van een deel ervan, hoe onwillekeurig ook, te vervreemden.
Van het koningshuis wordt niet meer verdragen dat het ‘Dynasty-achtige’ trekken vertoont. Handelwijzen als die van prins Bernhard tot in de jaren zeventig, zowel op financieel terrein als in zijn liefdesleven, zouden vandaag niet meer worden geaccepteerd. De problemen met de bouw van een verblijf in Mozambique onder leiding van het kroonprinselijk paar laten zien, hoe gevoelig de zaken intussen liggen en hoe scherp er naar het gedrag van leden van het Koninklijk Huis wordt gekeken. Prudentie past dus ook het deskundig personeel van het Hof, bij voorbeeld bij het vermogensbeheer van de koninklijke familie. Dit moge behoren tot het privédomein van de familie; niettemin dient het te beantwoorden aan hoge maatstaven van maatschappelijke moraal. Dit alles vraagt temeer aandacht, omdat de kritiek daarop luid en duidelijk wordt uitgesproken, in en buiten de Tweede Kamer, in tegenstelling tot de situatie in de jaren zeventig.
Er is intussen geen reden om te geloven, zo meent de commissie, dat het koningschap in Nederland zijn langste tijd zou hebben gehad. Dat zou wel het geval zijn, als aan de Koning een louter ceremoniële taak werd toebedeeld, bestaande uit beleefdheidsbezoeken en ‘linten knippen’ her en der in het land. Het is een misverstand om te denken dat republikeinse aanvaarding van het koningschap zou vereisen dat daarvoor het koningschap wordt geminimaliseerd, daarbij schade toebrengend aan de taak die elk staatshoofd, of hij nu koning is of president, in een moderne staat dient uit te oefenen. Dat zou de bevolking niet lang aanvaarden; onderzoek suggereert dan ook dat de bevolking in zo’n ‘ceremonieel’ koningschap niets ziet. Terecht, want het zou erdoor worden gedenatureerd.
Republikeinse aanvaarding van het koningschap vraagt integendeel om een koningschap dat weliswaar geen politieke macht bekleedt, maar dat wel een rol vervult als wachter bij de constitutie en dat burgers en hun aspiraties met elkaar verbindt. Van de Koning vergt dat veel in termen van alertheid en aandacht voor wat er in de samenleving gebeurt; van de verantwoordelijke minister-president vereist het dat hij de Koning stimuleert tot maatschappelijke nieuwsgierigheid en tot de voortdurende zoektocht naar wat mensen verbindt voorbij alle legitieme tegenstellingen. Het vergt voorts van hem en zijn collega-ministers dat zij het koningschap beschermen tegen ongerechtvaardigde kritiek en dat zij op beslissende momenten het ongeschonden voortbestaan van het koningschap belangrijker vinden dan hun eigen politieke leiderschap. Het charisma kunnen zij aan de Koning overlaten, als zij zichzelf maar kwijten van hun politieke plichten.
Ministeriële verantwoordelijkheid voor de onschendbare Koning betekent daarom niet alleen controle uitoefenen maar ook ruimte bieden. Onder die voorwaarde kon het koningschap nog wel eens een heel lang leven beschoren zijn.

Amsterdam, 24 augustus 2011.

Op veilige afstand: Drees, Den Uyl en Wim Kok als redders van Oranje

Sinds november 1918 was de relatie tussen ‘rood’ en ‘oranje’ een delicate aangelegenheid. Een sociaaldemocratische premier kon het zich niet veroorloven bij te dragen aan beëindiging van het koningschap, legt oud-PvdA-senator Joop van den Berg uit. Daardoor konden zowel de sociaaldemocratische premiers Drees, Den Uyl als Wim Kok optreden als redders van Oranje in tijden van nood.

Tekst: Joop van den Berg

Als het gaat over de waardering van het koningschap in de sociaaldemocratie ligt het voor de hand onderscheid te maken tussen de SDAP vóór 1940 en de Partij van de Arbeid na 1945. De SDAP was immers de oude, klassieke arbeiderspartij die haar boodschap ontleende aan het grote Duitse voorbeeld, de SPD, en die hadden beide een uitgesproken republikeins karakter. De Partij van de Arbeid daarentegen was de partij van de ‘Doorbraak’: dat wil zeggen, een fusie van SDAP, vrijzinnig democraten (VDB) en radicale christenen (CDU). De laatste twee hadden geen anti-monarchale traditie; in feite aanvaardden verreweg de meeste doorgebroken socialisten het koningschap.
Een tweede reden voor de PvdA om zich niet tegen de constitutionele monarchie te verzetten was gelegen in de algemene herinnering na de Tweede Wereldoorlog aan het optreden van koningin Wilhelmina gedurende haar Britse ballingschap voor Radio Oranje in Londen. Zij had de bewondering van de meeste Nederlanders gewekt met haar speeches die opriepen tot verzet en tot volhouden totdat de Duitse bezetter zou zijn verslagen. Het koningschap was in en na 1945 geruime tijd boven elke publieke twijfel verheven. Dat gold dus ook voor de Partij van de Arbeid. Zelfs de CPN zou het niet in haar hoofd halen zich tegen het koningschap te keren, onder meer dankzij haar verzetsverleden.

Historisch keerpunt
Toch ligt het historisch keerpunt in sociaaldemocratische opvattingen over het koningschap niet werkelijk bij de transformatie van SDAP tot PvdA, net zo min als dat het geval is met de omvorming van de sociaaldemocratie van klassepartij tot volkspartij. Al vóór 1940 had de SDAP zich neergelegd bij de constitutionele monarchie en dat ook tot officieel beleid verklaard. Maar, laat ons eerst kijken naar het begin van de SDAP en haar aanvankelijke gezindheid ten opzichte van koningshuis en Oranje, voordat wij ons met die omvorming van de jaren dertig bezighouden.
Hoewel het begin van de SDAP een heel wat minder ordelijk karakter heeft gekend dan de eigen mythologie heeft doen geloven, was er weinig twijfel mogelijk aan het republikeinse sentiment van haar leden en aanhang, na de breuk van de twaalf oprichters onder Troelstra met de Sociaal-Democratische Bond van Domela Nieuwenhuis in 1894. Als bekend, wilde de SDAP in tegenstelling tot de Bond geen afstand doen van parlementaire middelen om politieke macht te verwerven, ook al gaf zij de gedachte aan revolutie als ultieme hervormingsmogelijkheid niet op. Daarin hoorde geen monarchie thuis, zoals heel de heersende klasse er niet in thuis hoorde.
Niettemin, toen de SDAP haar eerste ‘politieke program’ in 1895 vaststelde, grotendeels overgenomen van het Erfurter Programm van de SPD van vier jaar eerder, kwam daar het woord ‘monarchie’ of ‘koning’ niet in voor. Het inzicht had zich al doorgezet, dat het niet erg mobiliserend zou werken om expliciet het koningschap te willen opblazen. De SDAP voelde er niets voor om mee te maken dat de ‘klassenvijand’ de aandacht van haar idealen zou afleiden door vooral te wijzen op het gevaar van een rode koningsmoord. Het programma was wel voor afschaffing van de Eerste Kamer en haar vervanging door het referendum; hervormingen waar veel minder opwinding van was te verwachten en die, in termen van democratische zeggenschap, heel wat meer te betekenen hadden. Daarbij kwam, dat ook zonder uitgesproken republikeinse uitingen, zoals bij de SDB van Domela wel het geval was geweest – hij had er nog een half jaar voor moeten logeren bij Justitie – iedereen ervan uitging dat de SDAP republikeins gezind was. Daarvan werd ook gebruik gemaakt om de bevolking tegen de sociaaldemocratie op te hitsen.

Prinsessedag
Al aan het einde van de jaren tachtig, na het Palingoproer, was burgemeester Van Tienhoven van Amsterdam begonnen met het organiseren van een Prinsessedag op 31 augustus (de verjaardag van prinses Wilhelmina), waarin ‘het hele volk’ boven politieke verdeeldheid uit moest worden verenigd rond het jonge prinsesje, tevens de toekomstige koningin. (Daaruit is later de huidige Koningsdag voortgekomen als dé nationale feestdag bij uitstek.) In die jaren moest dat allemaal ook dienen om de kleine rode beweging klein en onmachtig te houden. Met andere woorden, het was de georganiseerde aanhang van Oranje die de rode beweging opzocht als haar dearest enemy en niet andersom. Van de weeromstuit sterkte dat de jonge sociaaldemocratische beweging zowel in haar republikeinse gezindheid als in de voorzichtigheid waarmee zij die in haar programma’s hanteerde. Je kon het Huis van Oranje maar beter op veilige afstand houden; ook dan had je er alleen maar leed van.
Daar kwam geen verandering in toen het programma in 1912 werd vernieuwd. Over de monarchie werd niet gerept en in zekere zin hoefde dat ook niet. Wel was de sensatie groot, toen in 1913 de SDAP aanvankelijk zeventien zetels haalde in een Tweede Kamer van honderd leden en dus was opgehouden een klein irrelevant partijtje te zijn. Intussen was ook het sociaaldemocratisch gezinde NVV tot wasdom gekomen en de sociaaldemocratie vormde nu een macht van betekenis. Het meest zichtbare symbool daarvan: de reis met de trein van Troelstra naar Apeldoorn en daar met het koetsje, onder grote en lichtelijk onrustige belangstelling, naar paleis Het Loo. Daar moest koningin Wilhelmina hem ontvangen in verband met de vorming van een nieuw kabinet. Hoewel het er wel naar heeft uitgezien, kwam het uiteindelijk niet tot deelname van de SDAP aan het nieuwe kabinet. Als bekend wees het partijcongres die deelname af. In dit opzicht volgde de SDAP nog immer de lijn van de Duitse vrienden: de SDAP weigerde vanuit een minderheidspositie deel te nemen aan een door burgerlijke partijen overheerste regering. Vanuit de oppositie werkte zij overigens hard mee aan de grondwettelijke totstandkoming van het algemene kiesrecht en de gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs in 1917.

Politiek isolement
Als er al kans was geweest dat daardoor de SDAP en het koningschap dichter tot elkaar zouden komen, dan werd die kans effectief vernietigd als gevolg van de ‘vergissing’ van Troelstra, zijn aankondiging in 1918 aan het rumoerige einde van de Eerste Wereldoorlog dat de revolutie in Duitsland niet bij de Nederlandse grens zou stoppen en dat ook hier de burgerlijke krachten opzij moesten voor de revolutie. Het kwam er niet van, maar vooral leidde het tot een enorme demonstratie op het Haagse Malieveld waarin de koningin, op initiatief van het kabinet, een centrale rol speelde. Opnieuw werd ‘Oranje’ ingezet tegen ‘Rood’. De schrik van het Malieveld hakte er diep in. Maar ook, zulke actie van oranje tegen rood leidde in de praktijk voornamelijk tot politiek isolement van de SDAP en onmachtig – en steeds wanhopiger – optreden in de parlementaire oppositie. Het werd haar streven uit dit isolement te breken.
Daar was nog een tweede goede reden voor: de orthodoxe marxistische leer was niet erg geschikt om in de Grote Depressie van de jaren dertig als heilmiddel te dienen. Zij veroordeelde de SDAP tot wachten op de grote ‘Kladeradatsch’ – de economische ineenstorting van het kapitalisme – terwijl zij juist in die jaren van massawerkloosheid en armoede doelgericht wilde handelen. Er moest iets beters worden bedacht om de intellectuele kracht en het mobilisatievermogen van de sociaaldemocratie effectief te maken. Het leidde tot het Plan van de Arbeid in 1935, na soortgelijke bewegingen in Groot-Brittannië, Zweden en België. Het leidde daarnaast in 1937 tot een nieuw beginselprogramma waar mannen als Banning, Van der Goes van Naters en Wiardi Beckman een beslissende rol bij speelden. De parlementaire democratie werd niet langer als louter instrument maar ook als doelstelling van politieke activiteit beschouwd. Daarbij hoorde de aanvaarding van de constitutionele monarchie en dus de aanwezigheid van SDAP-Kamerleden op Prinsjesdag in de Ridderzaal bij het uitspreken van de Troonrede. W. H. Vliegen, medeoprichter, jarenlange partijvoorzitter en oud gediend Kamerlid, mocht als eerste ‘rooie’ een koninklijke onderscheiding aanvaarden. Het was de SDAP zelf die zich, onder leiding van J.W. Albarda, doelbewust transformeerde van een klassegebonden partij tot een brede volkspartij voor alle lagen van de bevolking die haar programma wilden onderschrijven. Zij gaf de klassenstrijd niet op, maar verplaatste die naar een verre, voornamelijk theoretische toekomst.
Daarmee werd in feite de grondslag gelegd voor de naoorlogse vernieuwing van de sociaaldemocratie, bestaande in een samengaan met de vooroorlogse VDB en CDU en, niet te vergeten, een aantal politici afkomstig uit de vooroorlogse RK Staatspartij (Willems, Tans, van Lier) en de Christelijk Historische Unie (Van Walsum, Patijn, Lieftink). Electoraal werd de nieuwe PvdA (die zich niet op de SPD maar op het Britse Labour oriënteerde) geen succes, maar haar karakter veranderde er wel door en in die nieuwe constellatie werd tot 1958 een langdurig en productief bondgenootschap mogelijk met de KVP.
In die nieuwe doorbraakpartij paste geen republikeinse gezindheid, tenzij onder kleine groepen dissidenten. Dat werd met enige moeite gedoogd, niet echt begrepen. In de beginselprogramma’s van 1947 en 1959 werd in het kader van de democratische rechtsstaat als doel en als middel tegelijk ook met zoveel woorden de constitutionele monarchie onder het Huis van Oranje aanvaard. Onder het kader mag die oranjegezindheid zich redelijk breed hebben gemaakt, de politieke leiding – met inbegrip van premier Drees – hield het koninklijk huis toch liever op veilige afstand. Die had de onrijpe ideeën van Wilhelmina in Londen over het bestuur na de bevrijding en vooral die van schoonzoon Bernhard nog goed in het geheugen, ook al wist ze ook dat aan de democratische gezindheid van koningin Juliana (na 1948) minder te twijfelen viel.

Redders van Oranje
Misschien maakte juist die afstandelijkheid het mogelijk dat uitgerekend zowel Drees zelf als Den Uyl én Kok daarna als redders konden optreden van een uit de rails lopende Oranjefamilie. Daarin leken sociaaldemocratische premiers op de ministers uit het tijdvak Thorbecke in de negentiende eeuw, die niet veel moesten hebben van ‘aanhankelijkheid aan het Huis van Oranje’ maar wisten dat ze een constitutioneel instituut in leven moesten houden. Die reddingsacties waren ook in het belang van de PvdA zelf, want een sociaaldemocratische premier kon het zich niet veroorloven bij te dragen aan beëindiging van het koningschap of zelfs maar bedreiging van zijn positie. Het zou ongetwijfeld ouderwetse ‘oranjefuries’ tegen ‘rood’ hebben opgeroepen met ongewisse uitkomst.
Even leek alles te veranderen, toen in 1977 voor het eerst per beginselprogramma alsnog de ‘republiek werd uitgeroepen’. Het zal te maken hebben gehad met het feit dat het daartoe strekkende amendement op de voorstellen van het partijbestuur werd besproken op de vrijdagmiddag. Een congres van die jaren strekte zich uit over drie dagen en op vrijdagmiddag werden de congresgangers doorgaans bokkig en rebels en dan wilden zij graag de kont tegen de krib gooien. Zo ook nu. Hoe partijvoorzitter Ien van den Heuvel ook haar best deed het congres van de republiek af te houden, het wilde haar niet lukken. Het congres koos voor ‘een parlementair systeem met een gekozen staatshoofd’. Het was overigens niet daardoor dat de PvdA in dat jaar uiteindelijk buiten het kabinet bleef.
Het Beginselmanifest van de partij in 2005 drukte zich behoedzamer uit: ‘Alle politieke macht moet gebaseerd zijn op een mandaat van de kiezers (…)’. Alleen wie gelooft dat de koning nog daadwerkelijk over macht beschikt, zal er een ‘revolutionaire’ zin in zien. In een tijd waarin wij worden geteisterd door zelfstandige bestuursorganen en controlerende ‘autoriteiten’ zijn er heel wat erger verschijnselen van machtsuitoefening zonder kiezersmandaat dan de koning. Daaraan heeft nog een ‘commissie actualisatie toekomst koninklijk huis’ uit 2011 kunnen bijdragen door in haar rapport ‘Verbindend koningschap in de Republiek’ sterk aan te dringen op aanwijzing van de kabinetsformateur door de Tweede Kamer en niet, ook niet zuiver formeel, door de koning. Een jaar later was het zo ver.

Prof.dr. J.Th.J. (Joop) van den Berg (Maastricht, 1941) is emeritus hoogleraar aan de Universiteit Leiden (parlementaire geschiedenis) en de Universiteit Maastricht (parlementair stelsel). Eerder was hij directeur van de Wiardi Beckman Stichting. Gedurende enige jaren was hij lid van de Eerste Kamer. In 2011 was hij voorzitter van de commissie ‘actualisatie toekomst Koninklijk Huis’, ingesteld door het partijbestuur van de PvdA.

Arie van der Zwan: ‘Troelstra heeft op het beslissende moment geaarzeld’

[
In november 1918 vergiste SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra zich niet in de machtsverhoudingen van Nederland, maar in de gezagsgetrouwheid van zijn eigen partij. In de ogen van voormalig PvdA-ideoloog Arie van der Zwan had Troelstra wel degelijk gelijk met het idee dat Nederland rijp was voor de Grote Omwenteling.

Tekst: René Zwaap

Noem alleen maar de naam van Pieter Jelles Troelstra en er ‘begint iets te trillen’ bij Arie van der Zwan, zo zegt hij zelf. De gewezen hoogleraar en topman bij de Nederlandse Investeringsbank en Vendex was in 1966 een van de opstellers van 10 over Rood, het radicale hervormingsprogramma van de Nieuw Links-factie binnen de PvdA, waarin de knuppel in het sociaaldemocratische hoenderhok werd gegooid door een pleidooi voor ‘de weg van de geleidelijke afschaffing’ van het Nederlandse koningshuis. Voor de partij bleek dit een brug te ver. Van der Zwan (1935) nam al eens afscheid van de PvdA, keerde daarna weer terug op het honk, en tegenwoordig – zo vertelt hij – slaat hij de ontwikkelingen binnen de noodlijdende partij ‘van grote afstand gade. Ik voel me er niet meer bij betrokken’. Wat bleef is zijn diepe verbondenheid met de figuur van Troelstra, over wiens poging tot revolutie hij in 1994 een nog altijd belangwekkend artikel schreef in Socialisme & Democratie, het tijdschrift van de Wiardi Beckmanstichting, het wetenschappelijke bureau van de PvdA.
Van der Zwan schreef bij die gelegenheid: ‘Het door de Eerste Wereldoorlog aangerichte bloedbad heeft natuurlijk zijn weerga niet gekend. En op een man als Troelstra, met zijn ontvankelijk gemoed en sterk ontwikkeld gevoel van medeleven, moeten die gebeurtenissen diepe indruk hebben gemaakt. Die werd nog versterkt door de “morele kater” die hij opliep. Want niet alleen bleken de parlementaire democratieën in Frankrijk en Engeland onmachtig om een eind aan die bloedige oorlog te maken, evenzeer zijn eigen Socialistische Internationale. Het mislukken van het Socialistisch Congres in Stockholm in 1917, waarbij hij nauw betrokken was, heeft hem diep aangegrepen. Welk politiek bewust levend mens moet toen bij zichzelf niet de pijnlijke vraag hebben voelen opkomen of een politiek systeem dat zulke oorlogen mogelijk maakt, in de kern eigenlijk wel deugt.’

Romantische inslag
Dat de revolutiepoging mislukte, lag volgens Van der Zwan niet zozeer aan de instigator, maar veel meer aan de beweging waarvan hij de aanvoerder was: ‘Wanneer wij Troelstra verwijten een te romantische inslag te hebben gehad om in november 1918 überhaupt in actie te komen, dan slaat die romantiek niet op de illusies die Troelstra over Nederland koesterde. Wel op het gebrek aan gedecideerdheid van zijn eigen moderne arbeidersbeweging, wiens grote inspirator en geestelijk leider hij is geweest. De aspiraties van het grootste deel van zijn beweging lagen op het kritieke moment niet het in veranderen van de maatschappij, maar in het zelf deel willen uitmaken, mee aan tafel zitten, en functies bekleden in die bestaande maatschappij.’
Anno 2018, 100 jaar na Troelstra’s onfortuinlijke coup, zit Van der Zwan nog altijd op die lijn. In tegenstelling tot het algemeen heersende historische beeld dat Troelstra zich in 1918 hopeloos heeft vergaloppeerd, acht hij Troelstra’s toenmalige inschatting dat ook in Nederland de tijd gekomen was voor een fundamentele omwenteling volkomen juist en ook gerechtvaardigd. Van der Zwan verwijst hier naar de Akte van Verlatinghe, het basisdocument van de Nederlandse onafhankelijkheid ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog, dat nog niet zo lang geleden als ‘Nationaal Pronkstuk’ werd uitverkoren. Van der Zwan: ‘Volgens de opstellers van dat document is een regime change gerechtvaardigd als de heersende macht niet meer in staat is zorg te dragen voor het welzijn van de bevolking en de rechten en vrijheden van de bevolking worden geschonden. Wel, dat was in 1918 zeer zeker het geval, namelijk het recht op een menswaardig bestaan. De koopkracht van de bevolking was dramatisch uitgehold met deels kunstmatige prijsopdrijvingen, terwijl een happy few zich exorbitant wist te verrijken met oorlogswinsten. Massale huisuitzettingen waren aan de orde van de dag, er was een schrijnend gebrek aan kolen voor de verwarming, de mensen gingen gebukt onder een bittere armoede die nu nauwelijks voorstelbaar is in Nederland. Vanuit die achtergrond was het volkomen te begrijpen dat Troelstra tot zijn oordeel kwam dat het zo niet verder kon. De Staat had haar verantwoordelijkheid voor het welzijn van de burger op schandelijke manier veronachtzaamd’. .

Vrees voor chaos
Troelstra voelde de druk en spanning toenemen in de loop van het jaar 1918, de ontknoping naderde en in november was het zover. Van der Zwan: ‘Hij stond daarin niet alleen, binnen een groot deel van de achterban van de SDAP heerste de stemming dat het uur van de waarheid had geslagen. Ook in verlichte kringen buiten de socialistische beweging leefde deze notie sterk. De NRC, doorgaans toch de spreekbuis van de Rotterdamse havenbaronnen, kwam met een geruchtmakend hoofdartikel dat de deur wagenwijd openzette voor een omwenteling, ook de Telegraaf zat helemaal op die toer.
De gevestigde macht was bevreesd voor plundering en chaos die zouden uitbreken als het proletariaat ongeleid in opstand zou komen en wilde die dreiging voor zijn door alle ruimte te bieden aan leiding door de SDAP. De liberale burgemeester Zimmerman van Rotterdam liet de lokale voormannen van de SDAP weten dat hij niet van plan was zijn repressieve apparaat in te zetten als de SDAP een greep naar de macht zou doen. Nu kwam het aan op de vraag wie het initiatief daartoe durfde te nemen, zonder twijfel een zware verantwoordelijkheid om de teerling te werpen. Als er een man was die de uitstraling bezat om die stap te zetten, was het Troelstra, en als er een plek was die het in zich had om het centrum van de opstandige beweging te vormen, dan was het Rotterdam, dat tot een bolwerk van de SDAP was uitgegroeid’.
Geen wonder dat Troelstra geen weerstand meer kon bieden aan de zuigkracht om in actie te komen, aldus Van der Zwan. ‘Zijn gloedvolle redevoering op de historische avond van 11 november voor een massaal opgekomen gehoor was wat inhoud en meeslependheid betreft uniek in de Nederlandse politiek. Hij sprak uit het hart en liet zich meevoeren door de grootsheid van het moment. Later zou hij erover schrijven dat hij, toch bekendstaand als een begaafd spreker, “een eenheid met zijn gehoor ondervond die hij niet eerder had gekend”.’
En toch ging het mis. Van der Zwan: ‘Een revolutie behoeft een symbolische daad, Ik ben ervan overtuigd dat Troelstra had kunnen slagen als hij aansluitend op zijn redevoering had uitgeroepen: En nu op naar het stadhuis! Zijn roerige achterban in Rotterdam zou hem zijn gevolgd en tegen zo’n ontvlambare menigte zou het gezag machteloos hebben gestaan. Daar had de rode vlag in top gehesen moeten worden en zou Troelstra vanaf het balkon het volk toesprekend, moeten hebben opgeroepen tot een algemene staking’.
‘Een omwenteling heeft een daad nodig die haar zichtbaar en reëel maakt, denk aan de bestorming van de Bastille die de Franse revolutie inluidde of die van het Winterpaleis die het einde markeerde van het feodale Rusland. Troelstra heeft op een beslissend moment geaarzeld maar je kunt geen revolutie maken met alleen een gloedvolle redevoering daarop moet iets tastbaars volgen’.

Innerlijke onzekerheid
Dat het daar niet van kwam is in de ogen van Van der Zwan te wijten aan Troelstra’s innerlijke onzekerheid, die nog werd versterkt door de kille afwijzing die hij bij de kopstukken van zijn partij ondervond bij zijn sonderingen over wat er stond te gebeuren. Zoals hij schreef in Socialisme & Democratie: ‘De aspiraties van het grootste deel (van de leiding) van zijn beweging lagen op het kritieke moment niet in het veranderen van de maatschappij maar in het zelf willen deel uitmaken, mee aan tafel zitten en functies bekleden in de huidige maatschappij. Troelstra’s tekort is geweest dat hij gemeend heeft dat de arbeidersbeweging waaraan hij leiding gaf, bezield was met het idealisme dat hij zelf bezat’.
Van der Zwan nu: ‘Door niet door te bijten maakte Troelstra zichzelf en zijn beweging weerloos, voor zijn tegenstanders was het nu een koud kunstje om het machtsapparaat in stelling te brengen. Dat de contrarevolutie zeer effectief op gang kwam was mede te danken aan de Bataafse Oliemaatschappij, waarvan het directiesecretariaat het brein achter de tegencoup vormde, ook bij dat zogenaamd “spontane” huldeblijk aan het koninklijk huis op het Haagse Malieveld’.

De afkeer van Drees

De sociaaldemocraten na Troelstra zagen de gebeurtenissen van november 1918 als een zwarte bladzijde en deden vooral hun best die in het grote vergeetboek bij te schrijven, zo constateert Van der Zwan. ‘De partij onderging een ingrijpende heroriëntatie, ze richtte zich voortaan bij voorkeur op de geschoolde arbeiders en wendde zich af van het proletariaat, ze zwoer elke vorm van omwenteling in de machtsverhoudingen als in strijd met de democratie af en voor haar gouvernementele aspiraties koos ze, mede noodgedwongen, lange tijd voor de op harmonie gerichte lokale politiek’.
Drees stond in zijn naoorlogse leiderschap van de PvdA welhaast model voor deze heroriëntatie, stelt hij. ‘Diens afkeer van het (Rotterdamse) proletariaat kwam in 1945 wel heel scherp tot uitdrukking toen hij als minister van sociale zaken in de noodregering besloot de havenstaking met inzet van militair machtsvertoon te onderdrukken en de stakingsleiding ervan te beschuldigde zichzelf te willen bevoordelen. Premier Schermerhorn heeft er zich later in zijn memoires over beklaagd dat hij zich door misleidende informatie had laten verleiden zich tegen de stakers te keren. Op dat moment werd wel duidelijk gemaakt hoe de verhoudingen lagen in de PvdA ,die demonstratief afscheid nam van de politieke erfenis van Troelstra’.

Dylan’s Nobelprijs is het contrapunt van het Trump-tijdperk

Terwijl Donald Trump zich opmaakte voor de overname van het Witte Huis werd Bob Dylan in 2016 geëerd met de Nobelprijs voor de Literatuur. De Zweedse Academie bracht daarmee een huldeblijk aan de meest lyrische stem van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. En eerde met hetzelfde gebaar een traditie waar ze zelf geen weet van lijkt te hebben.

Tekst: Katarina Holländer

Uitgerekend in de tijd dat de Amerikaanse democraten in de race naar het presidentschap onder leiding Hillary Clinton campagne voerden tegen Donald Trump, die als de blauwogige ruiter van de Apocalyps, vast in het zadel van genadeloze demagogie en potsierlijke leugens, zijn sporen van samengebald racisme in de flanken zette van zijn witte renpaard, en met het verbreken van de zeven zegels van waarheidsliefde, fatsoen, educatie, mensenrechten, rechtvaardigheid, vertrouwen en verstand de highway van de American Dream veranderde in een road to hell, kwam uit Stockholm het nieuws dat Bob Dylan, de meest beduidende dichter onder de zingende woordvoerders van de burgerrechtenbeweging van de twintigste eeuw, was onderscheiden met de Nobelprijs voor de Literatuur.
In die beslissende fase van de Amerikaanse verkiezingsstrijd, toen leugens en lege beloftes ons om de oren vlogen, herinnerde deze Nobelprijs ons aan de ongewone kracht van het instrument dat ons in staat stelt de menselijke beschaving te creëren: de taal.
Terwijl Trump op het schild werd geheven en de heerscharen van zijn lege woorden over zijn reusachtige land en over het wereldwijde dorp kon uitstrooien, kwam uit Zweden een voetnoot:

‘Come gather ’round people
Wherever you roam
And admit that the waters
Around you have grown
And accept it that soon
You’ll be drenched to the bone
If your time to you is worth savin’
Then you better start swimmin’ or you’ll sink like a stone
For the times they are a-changin’

Tegenkrachten
Die Zweedse voetnoot verwees met Dylan naar de bard in de arena, die met zijn gezang tegenkrachten mobiliseert. Ze verwees naar het levenswerk van Dylan, die zelf, driekwart eeuw oud, terwijl hij onophoudelijk de wereld afreist, afziet van welk politiek statement dan ook. De prijs verwees naar veel, zeker ook naar die vroege jaren van Dylan‘s legendarische woord- en stemkracht, die hem in de tijd dat men nog geloofde in de Power van de Flower, in de ogen van velen maakte tot niet minder dan een baken.
Met zijn krachtige songs, die plotseling hymnes van de opstand werden, verzamelde Bob Dylan hele naties van jongeren om zich heen en met zijn pijnlijk actuele, onvergelijkbare poëzie, diep verankerd in de traditie van de folk, leverde hij een tegengeluid voor welke eendimensionale politieke slogan dan ook.
Hij trof zijn toehoorders in de actualiteit maar, leidde hen daar tegelijkertijd aan voorbij om daar tegenover zijn kunst te stellen, die geen panklare antwoorden leverde.
Hoewel Dylan zich buiten het domein van zijn eigen kunst al vroeg onthield van iedere directe politieke uitspraak, weerklonk zijn stem wel op het inauguratiefeest van Bill Clinton met ‘Chimes Of Freedom’. Hij uitte zich ten gunste van de kandidatuur van Barack Obama, op wiens uitnodiging hij in 2010 uiteindelijk ‘The Times They Are A-Changin’ ten gehore zou brengen in het Witte Huis. Dat iets van Dylans tegenstem resoneerde toen op 20 januari 2017 Donald Trump‘s benoeming tot president van de Verenigde Staten plaatsvond, daarvoor zorgde de Zweedse Academie door Dylan te eren met misschien wel de hoogste literaire onderscheiding.

Felle strijd

Aan ons is het, betekenis te geven aan die prijs. Want bij iedere laureaat kan men eindeloos voor of tegen argumenteren, deze keer is de strijd wel bijzonder fel. De in 1941 in Duluth, Minnesota, geboren Robert Allen Zimmerman, alias Bob Dylan, heeft namelijk geen gedichtenbundel, romans of toneelstukken geschreven die in de regel met deze prijs worden onderscheiden. Bob Dylan toert jaar na jaar rond met zijn band. Wat hij is, wordt gewoonlijk omschreven als ‘singer-songwriter’ , alsof men er niet helemaal uit is wat zo’n zingend en dichtend wezen nu eigenlijk is.
Zoals te verwachten viel vroegen niet weinigen zich af, waarom de hoog gedoteerde prijs niet naar een ‘echte’ schrijver is gegaan, zodat de boekhandel tenminste ook een opkontje zou krijgen.

Homerus en Sappho

De laatste Amerikaanse winnaar van de prijs was Toni Morrison in 1993, voorgegaan door onder anderen Ernest Hemingway, John Steinbeck, Saul Bellow en Isaac Bashevis. De prijsdrager van 2016 werd door de Zweedse Academie gelauwerd ‘voor nieuwe poëticale expressies binnen de grote traditie van net Amerikaanse lied’, zo verklaarde Sara Danius, secretaris van de Academie, die, aangesproken op de buitengewone keuze, verwees naar de Antieken, in het bijzonder Homerus en Sappho. Ook hun dichtwerk was bedoeld om te worden voorgedragen, niet gemaakt voor stille kamertjes, en ook nu lezen we hun werk nog met plezier. En zo, aldus Danius, is het ook gesteld met Bob Dylan, van wiens werk de lectuur doorgaans ook is aan te bevelen.
De literatuurwetenschapper stuurde ons terug naar voor het tijdperk van het christendom, naar de begintijd van het alfabet, toen men begon teksten met letters te neer te schrijven. Daar vervagen de feiten en betreden we het domein van de mythologie: we weten niet eens of Homerus als de maker van zijn ‘werken’ daadwerkelijk heeft bestaan, zoals we ook niet precies weten wanneer hij zou hebben geleefd.

Mondelinge Thora

Danius sprak van 2500 jaren geleden. En nu de Academie toch naar zo lang geleden wilde verwijzen, zou een andere referentie wellicht beter op haar plek zijn geweest. Want in die tijd werd ook de Thora schriftelijk vastgelegd. En die Joodse teksttraditie staat Dylan, zoon van Abraham Zimmerman en Beatrice Stone, kleinkind van Benjamin Solemovitz en Florence Edelstein, immigranten uit Litouwen. Die traditie onderscheidt zich onder meer doordat het gesproken woord niet zo radicaal verstoten is als in het overgrote deel van de westerse cultuur het geval is. Die zogeheten mondelinge Thora geldt hier nog immer als een aanvulling op de schriftelijke, en de mondelinge voordracht is tot op de dag van vandaag ten nauwste verbonden met de melodie. Dat een tekst gezongen wordt en dat de kleine tekens van de tekst melodielijnen in zich herbergen, is iedereen die weleens een synagoge heeft bezocht, een zeer vertrouwd gegeven. Als Dylans werk in een traditie staat, moet deze toch zeker worden genoemd.

Lyrics en lyriek
De discussie die met Dylans prijs ontbrandde, wordt hartstochtelijk gevoerd. Het gaat met deze beslissing om meer dan alleen een kwestie van smaak. Hier is een vraag opgeworpen die iedere goede literatuur zou moeten opwerpen. De vraag naar zichzelf.
Zijn ‘lyrics’ fundamenteel iets anders dan lyriek? Een te complex vormgegeven gedicht is veel liedjesschrijvers een doorn in het oog én in de keel, en juist een simpele tekst kan muziek meer betekenis geven, terwijl lyriek in de regel puur als woordkunst wordt beschouwd.
Tot Dylan zaten songteksten ook meestal volgens dat principe in elkaar en zo worden de meeste pop- en rocksongs ook vandaag nog gefabriceerd. Met zijn verrassend veelzijdige teksten en soms onsamenhangend lijkende klanktapijten van woordassociaties bereikte Dylan een echt literair effect. Naast zijn waaghalzerige assemblages schreef hij ook lange ballades, min of meer gesproken liederen of juist meeslepende hymnes hits met actuele thematiek. Zijn persoonlijke en emotioneel beroerende liederen zitten vol taalkundige vondsten, ontleend aan de omgangstaal of vol oorspronkelijke literaire allure. Dylan heeft het songschrijven veranderd.
En helemaal niet zoveel anders dan in de traditie van de Joodse tekstinterpretatie gebruikelijk is, interpreteert hij zijn eigen teksten sinds jaar en dag telkens weer opnieuw, zingt hij ze anders en voorziet hen aldus van een nieuwe betekenis.
Zoals in ‘The Times They Are A-Changin’ (1963) muntte Dylan niet weinig uitdrukkingen ‘die hun weg vonden naar de dagelijkse omgangstaal’, vermeldt de Zweedse Academie bij de prijsverlening. Hij voegde een ongehoord poëtische noot toe aan de politiek gespannen tijd van de burgerrechtenbeweging door de protestsong naar voren te schuiven en daarmee de jeugd mobiliseerde. Zijn liederen worden tot de dag van vandaag gezongen bij het kampvuur.

Ontzetting
Maar Dylan past in geen enkel kader en in geen enkel hokje. Het hoeft ook geen verrassing te zijn dat de prijsuitreiking aan hem heeft geleid tot een zekere ontzetting. Maar een prijs die, om zijn doel te bereiken, zijn eigen definitie in de waagschaal werpt, dat is precies de prijs die bij Dylan past. Hij is een kunstenaar die voortdurend grenzen overschrijdt. Weliswaar functioneert hij binnen het domein van de popmuziek, maar een entertainer is hij niet.
Ook wanneer hij ergens wortel lijkt te schieten, zorgt deze nomade er zelf telkens weer voor dat hij alle verwachtingen in de wind slaat, voordat hij zich vastlegt. Verandering is zijn wezenskenmerk. Telkens opnieuw toont hij ‘Another Side of Bob Dylan’, zoals zijn in 1964 verschenen vierde album heette. Hij is niet alleen een folkzanger, maar ook een rocker, hij werd beroemd als protestzanger, waarna hij surrealistische stukken begon te schrijven, hij zingt de blues maar geldt niet als een blueszanger, hij was de beroemdste singer-songwriter van zijn generatie, van wie wordt gezegd dat hij nauwelijks kan zingen, hij schreef gospels en predikte over Jezus terwijl hij Joods is, hij trad op in meerdere speelfilms en had als schilder vele tentoonstellingen. Hij schreef meerdere boeken maar staat niet bekend als auteur, en hoewel hij voor zijn ‘lyrische composities‘ een speciale Pullitzer Prijs ontving, wordt er nog altijd over hun literaire relevantie getwist.

Gestolde spraak
Literatuur – zijn dat stomme letters in een ademloze ruimte, in druk samengeperst op versplinterde bomen? Literatuur – is het dat brakke goedje dat je op school als het droge zaagsel van zandgebak onder protest in de mond moet nemen?
Nee. Literatuur is gestolde spraak. Literatuur zingt altijd. Ieder woord, iedere zin, heeft een eigen melodie en een eigen ritme. Literatuur is iets anders dan de gesproken omgangstaal door de bewuste vormgeving van de taal, die met de inhoudelijke woordbetekenis en de klank samen datgene creëren wat we zoeken in de literatuur: die wonderlijke macht te verrassen door schoonheid en de mogelijkheid de diepte los te woelen.
Nog altijd experimenteert Dylan met zijn stem. Van daverende meezingers tot gesproken zang, van woedend geschreeuw tot bitterzoete voordracht, van beneveld gejank tot monotoon reciteren, zingt hij zich door alle registers heen. Van het begin af aan was het deze stem die men niet vergat. Dylan zong niet bepaald mooi, zijn zang was – en is – lichtelijk ongemakkelijk. Als jongeman klonk hij als een grijsaard, toen hij instortte begon hij zijn eigen songs te deconstrueren, en altijd leek hij op zoek naar een manier om zijn eigen teksten een doorleefde presentie te geven.

Kafka’s Bijl
Franz Kafka schreef dat een boek zich zou moeten laten lezen ‘als een ongeluk dat ons ten diepste pijn doet (..), als een zelfmoord, een boek moet de bijl zijn voor het ijs van de bevroren zee die zich in onszelf bevindt’. Kafka’s bijl is de verzinnebeelding van de verandering die tot Dylans instrument geworden is, die Bijl van de Kunst die Kafka van de literatuur verlangde: Bob Dylan brengt de zelfmoord van de ontreddering en de vernieuwing als geen ander in de praktijk.
Zijn oeuvre omvat honderden songs. Dylans optredens zijn gebeurtenissen waarbij hij exegese pleegt op zijn eigen werk. Ver voorbij de gebruikelijke muzikale ‘interpretatie’ transformeert Dylan zijn eigen stukken keer op keer; hij moduleert het arrangement, de melodie, het ritme, het tempo, de stemming, de begrijpelijkheid. De constante is de tekst, die slechts zelden met opzet wordt veranderd. De essentie van Dylans latere werk vindt plaats op de bühne, niet op zijn cd’s.
Zoals de Zweedse Academie heeft opgetekend, is Bob Dylans kunst niet alleen te zien in ‘de grote traditie van de Amerikaanse liedkunst’, maar in een nog veel grotere. Een traditie die tekstuitleg in het centrum van haar cultuur heeft geplaatst. Menselijke taal zonder melodie bestaat niet. De overgang van literatuur naar muziek verloopt vloeiend.

Verafgelegen bronnen
Er zijn in onze tijd maar weinig schrijvers wier werk niet alleen op universiteiten, maar boven alles door alle mensen die men fans noemt zo onophoudelijk en zo intensief wordt geïnterpreteerd, van de kleinste details tot aan de kosmische dwarsverbanden. Hun interpreterende werk omspant de hele aarde, zij zoeken naar de meest verafgelegen bronnen, ze analyseren overgangen en ritmes en de verbuigingen in de parafrasering, registreren de kleine veranderingen en discussiëren over beeld, boodschap en betekenis.
Iets dat woorden zo kan opladen, dat kan alleen maar literatuur zijn.

Katarina Holländer (Bratisalava, 1964) is een Tsjechisch-Zwitserse publiciste, kunsthistorica en curator. Haar meest recente boekpublicatie over het werk van Dylan was in 2015 in de bundel ‘Jukebox. Jewkbox! Ein jüdisches Jahrhundert auf Schellack & Vinyl’, naar de gelijknamige tentoonstelling van het Oostenrijkse Jüdischen Museums Hohenems in samenwerking met het Jüdischen Museum München, curator Hanno Loewy.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in De Republikein, nr 4/2016

Zijn jullie allemaal daar? De macht van de stem

De helft van alle referenda wereldwijd komt voor rekening van Zwitserland. Maar de afgelopen jaren ging de rechts-populistische SVP daar steeds weer mee aan de haal. Totdat het soevereine stemvolk terugsloeg. Katarina Holländer over de zonzijde van directe democratie.

Tekst: Katarina Holländer
Illustratie: Ruedi Widmer

Ik was trots. `Tri-tra-trallala’, las ik. ‘Tri-tra-trallala!’, neuriede Kasper, en dan vroeg hij: ‘Zijn jullie allemaal daar?’ En ik was daar. Voor het eerst had ik een heel boek alleen uitgelezen, en het bracht me in een soort van trance. Ik had mijzelf bevrijd van voorlezers en kon nu voortaan zelf in boeken duiken om te ontdekken wat in hen verborgen lag. Die boeken – volgepakte doosjes waarin hele werelden en verre avonturen staken, die kunstig op hun smalle kant balanceerden en zich tegen elkaar aan drukten, schijnbaar om zich te verstoppen – ze waren voor mij niet langer gesloten.
‘Seid ihr alle da’ was een boek over Kasper, de Duitse versie van Jan Klaassen, maar dan zonder Katrijn. Op het onbezorgd hemelsblauw gekleurde omslag stond Kasper, een onnozele vent, met zijn puntmuts en zijn grote neus, en dat de schrijver ervan Guggenmos heette, kon ik me ook tientallen jaren later nog herinneren. De verhalen zelf herinner ik me niet meer. Maar des te meer het gevoel dat het zelfstandige volbrengen van de lectuur mij bracht: onafhankelijkheid. De eerste smaak van het feit dat ik alleen in de wereld stond. Deze doorbraak bleef mij met dezelfde intensiteit bij als het moment toen ik enkele jaren later, ergens in de tram, me er als bij donderslag van bewust werd dat ieder mens daarbuiten de wereld bezag vanuit zijn eigen hoek, en dat niemand de wereld op dezelfde manier zou kunnen zien als ik, en dat het ook voor mij niet mogelijk was de wereld te bezien vanuit de ervaringen van de anderen: dat de wereld zo gemaakt was.

Wereld van scheuren

De wereld was gemaakt van scheuren. Ik was afgescheurd. Toen ik het Kasper-boek ontcijferde, begreep ik de woorden die daar stonden nauwelijks. Ik las het niet in mijn moedertaal. Dat gaf mijn overwinning zijn bijzondere glans. Was ik niet zelfs de eerste in onze hele familie die een boek in het Duits van het begin tot het eind gelezen had? Mijn moeder las me uit boeken in onze moedertaal de sprookjes uit haar jeugd voor. Maar ik zou in die vreemde taal lezen, want ik zou niet aan die wereld blijven kleven waaruit wij in 1968 de troepen van het Warschau Pact gevlucht waren. Ik moest me richten op de Zwitserse realiteit. ‘Tri-tra-trallala’, spelde ik.

Veel wist ik niet van de wereld waarin we vluchtend waren beland. Maar één ding wist ik: we waren vluchtelingen. We mochten ons hier van ambtswege niet uiten over politieke aangelegenheden. Dat was mij verteld. Ik was een verstandig kind. Maar hoe had ik dat moeten begrijpen? Wat is ‘Politiek’? Was voor mij, de vijf-, zes- , zevenjarige, ‘politiek’ alles wat daarbuiten, met uitzondering van de familie, gebeurde? Was alles dat Zwitsers was ‘politiek’? Was de hele wereld niet voor ons, maar alleen voor de daartoe gerechtigde inheemsen, die in deze geheimen van die wereld waren ingewijd? Maar waren wij niet ‘politieke vluchtelingen’? Mochten we daarom ook van onszelf niets verraden? Was de hele wereld voor ons gesloten? Moesten wij afstand van haar houden? Want daar, waar wij vandaan kwamen, konden wij niet terugkeren. En hier werden we op een of andere manier geduld, als gasten zonder pas hadden we niet dezelfde rechten, en zelfs de grensbeambte scheen niet te weten, of we eigenlijk het recht hadden om op vakantie te gaan, wanneer hij onthutst in onze ‘Statelozendocumenten’ staarde. Met ons was iets niet helemaal in orde.
Wij waren stateloos. De staat waarvan we ons hadden losgemaakt, hoewel die ons had verboden uit te reizen, was voor ons gesloten, en de staat waarin we leefden, was niet de onze. Wij waren voor hem geen factor, hij functioneerde zonder ons, we hadden daar niets over te vertellen, want de staat is met zekerheid politiek. De vrijheid was voor ons geen uitgemaakte zaak. In de CSSR – zoals Tsjechoslowakije toen werd genoemd – waren we bij verstek veroordeeld omdat we het land hadden verlaten, zo leerde ik als kind. Met ons was iets niet helemaal in orde.

Willekeur

Niet in orde was de wens gelijkberechtigd te zijn en niet weerloos overgeleverd te zijn aan de willekeur van de heersers van het moment. En wel in de mate dat deze plotseling wetten van kracht konden proclameren die bestemden dat bepaalde mensen – misschien wel toevallig wij – moesten worden omgebracht. Of dat besloten werd, dat ze naar het buitenland konden worden gestuurd, in de hoop dat men er daar voor zou zorgden dat ze nooit meer terugkwamen. Onze familie had dat meegemaakt: de staat, waar mijn grootouders en ouders hadden geleefd, had besloten ze voor dit doel aan het buitenland uit te leveren. Beide grootouders kwamen van dat Duitse buitenland niet terug, omdat ze daar, geheel volgens plan, werden vermoord.

Gelijke rechten

Voordat we in 1984 in Zwitserland werden ingeburgerd hadden we 16 jaar stateloos te leven. Toen in 1971 de Zwitserse staat zelfs vrouwen stemrecht toebedeelde, zagen wij dat als een curiositeit. Dat gebeurde via een volksraadpleging, waarbij het ‘stemvolk’ exclusief bestond uit mannen met een Zwitsers paspoort. De toekenning van het vrouwenstemrecht speelde zich af in een wereld waarin we weliswaar leefden maar waar we niet volwaardig toe behoorden, en dat riep bij mij de vraag op of we sowieso wel ergens toe konden behoren. Bij ons, zo leek het mij als kind, had de moeder het voor het zeggen en de gedachte dat zij voor het gelden van haar stem zou moeten vechten kwam mij als belachelijk voor. Anders dan bijna alle Zwitserse vrouwen was mijn moeder een werkende vrouw die voor electro-ingenieur had gestudeerd. Dat laatste weigerde men te geloven toen dat Zwitserse paspoort er eindelijk van kwam. Beroep van vader ingenieur in de chemie – dat werd zonder commentaar ingevuld. Beroep van moeder electro-ingenieur – ‘Kunt u dat bewijzen?’
Daarbij kwam dat om ons heen de vrouwen helemaal niet zo bijzonder gelukkig leken te zijn met hun wel erg verlate verworvenheid en het moest nog tot de val van het IJzeren Gordijn duren, voor wiens ongenaakbaarheid we waren gevlucht, tot in 1990 ook het laatste kanton, Appenzell Innerrhoden, gedwongen werd zijn vrouwen hun politieke stem toe te staan en het laatste mannelijke bastion in Europa dan eindelijk was geslecht.

Argwanend tegen vernieuwing

Al snel las ik ‘Asterix’ van René Goscinny en Albert Uderzo, en in het Gallische dorp dat men aan het begin van de strip onder de loep zag, en waarvan werd gezegd ‘We bevinden ons in het jaar 50 v. Chr. Heel Gallië is bezet. Heel Gallië? Nee!’, kon ik niet alleen vanwege de verwoede weerstand tegen de Romeinse indringers in het dorp van de onbuigzame Galliërs iets van Zwitserland herkennen. Hier ging het er altijd een beetje slomer aan toe, grote vernieuwingen werden eerst argwanend bekeken, en het kon wel honderd jaren duren eer men de moed kon opbrengen om deze ondoorgrondelijke wezens met wie men de echtelijke sponde deelde het recht toestond mee te praten in de politiek.
Alles leek afgemeten, euforie was duidelijk een vreemd woord, en van die ontzaglijke rijkdom was er ook niet veel te zien. Tegenover de nieuwkomer presenteerde Zwitserland zich als een gesloten boek in goed leer gebonden, een hardcover met blinddruk – van gouddruk werd afgezien. Het goud, waarmee Zwitserland zo’n faam had vergaard, lag opgestapeld in onderaardse bunkers. Waarom zou het ook zo opzichtig moeten rondglinsteren in de buurt?

Observeren op afstand

Ik groeide op en observeerde wat er om mij heen gebeurde op afstand. De politieke bühne nam ik alleen vaag waar. Geheel volgens de voorschriften was ik ‘onpolitiek’. Dat wij ons als vluchtelingen niet politiek mochten uiten, had in mij niet de begeerte gewekt om, zoals de jongeren om mij heen, politiek actief te worden. Het bezorgde mij alleen het diepgewortelde gevoel buitengesloten te zijn. Daarbij kwam dat de ‘politiek’ in mijn kinderlijke verbeelding de oorzaak was van het verlies van mijn vaderland, mijn moedertaal en de band met de mensen om mij heen. ‘Politiek’ had op die manier niets aantrekkelijks. De ‘demo’s’, die prikkelend emotionele optochten waarbij men elkaar ontmoette en die een hit waren onder de actieve jeugd, stonden voor mij in de kwade reuk van de opgelegde 1 Mei-demonstraties van het reëel existerende socialisme aan wiens onvrijheid we waren ontkomen en waarvoor we ons in het onbekende hadden gestort – het onbekende dat uiteindelijk de gestalte van Zwitserland had aangenomen.

Hier zaten in de bus en op de universiteit mensen naast me die van dit alles nauwelijks weet hadden en zich natuurlijk (zoals niemand die niet het ongeluk had het te moeten beleven) niet voorstellen konden wat het betekende om van je rechten beroofd uitgeleverd te zijn aan een leugenachtige en moordzuchtige dictatuur.
In hun door directe democratie bestuurde land plaatsten zij een woordje of een kruisje op een briefje en zo bestemden ze op mysterieuze wijze de loop der dingen. Met hun stem bepaalden ze welke Kasper wat moest doen in het theater van de politiek: de krokodil slaan, een streek leveren aan de agent of een bos bloemen geven aan de mogelijk onwillige jongedame. Zij, de mensen om mij heen, waren met hun stem de vingers die, verenigd als de hand van het stemvolk, als vox populi onzichtbaar leiding gaven aan de handpoppen van de macht. Het gebeurde niet alleen in hun naam , maar ook volgens hun wil – op grond waarvan ze om de haverklap werden opgeroepen – wanneer de Polit-Kaspers op de wereldbühne hun machtswoorden spraken, wanneer zij manhaftig weigerden, wanneer zij humanitaire hulp verzekerden, wanneer ze zich belachelijk maakten of wanneer ze juist indruk maakten, wanneer ze de duivel de hand schudden of goede raad gaven aan de wachtmeester van dienst. Uiteindelijk waren er goedbedoelde porren en applaus.

De fabel van de directe democratie

Aldus in ieder geval de fabel van de directe democratie. Maar ook Zwitserland was in werkelijkheid niet een sprookjesland, ondanks al die fabelachtige chocolade en hoewel het gras hier werkelijk groener is. De vingers van het stemvolk staken niet altijd in de juiste plaatsen. En die vredigheid en rust waren ook hier vaak geen natuurlijke verschijnselen maar knalhard gekocht. Zo kwam een dezer weken aan het licht dat, in de tijd dat wij hier rust en vrede zochten, het Zwitserse Bundesrat-lid Pierre Graber in het grootste geheim in 1970 een deal met het Palestijnse Bevrijdingsfront PLO had gesloten, terwijl op de achtergrond Jean Ziegler aan de touwtjes trok. In die tijd stapelden de terreurdaden van het PLO in het nabije en verre buitenland zich op. Dankzij de deal bleven de gerenommeerde Zwitserse luchtvaartmaatschappij Swissair en het land van aanslagen verschoond; de internationaal als terroristische organisatie gekenmerkte PLO kreeg in ruil ondersteuning in haar streven naar erkenning door de Verenigde Naties. ‘In feite bevond de Zwitserse diplomatie zich aan de leiband van Palestijnse functionarissen’, oordeelt de Neue Zürcher Zeitung. Zo snel hangen volksvertegenwoordigende handpoppen als marionetten aan dubbele draden.

Vlijtig stemvolk

Niettemin zijn de Zwitsers een vlijtig stemvolk. Naar schatting vindt de helft van alle referenda die wereldwijd worden gehouden plaats in Zwitserland. Meerdere malen per jaar heeft men zich te uit te spreken, op lokaal en nationaal niveau, niet alleen wanneer de volksvertegenwoordigers worden gekozen, de Polit-Kaspers die een tijd lang het theater met het wereldpubliek mogen spelen, maar ook over kinderspeelplaatsen, landbouwkwesties, vakantieperiodes, bouw van tunnels, openingstijden, loonschalen, jachtvliegtuigen, kanalen, slachtverboden, boekprijzen, wegbewijzering of minarettenbouw – eigenlijk louter vragen waarvoor de vereiste vakkennis bij de meeste mensen totaal ontbreekt. Deze stemrondes zijn vaste rituelen van het burgerlijke jaar, net als het een uur naar voren en later een uur naar achteren zetten van de klok. Ieder jaar weer.

Ook na de inburgering voelde ik me nog altijd geen kiezer. Na zovele bepalende jaren van stateloosheid, dat ik me noodgedwongen thuis had gemaakt, leek deze verandering mij niet zo relevant meer. Alles functioneerde toch het beste zonder mij. Al die zaken waarover gestemd werd en waarover ik mij nooit uiten moest ginmgen mij nu niet plotseling iets aan. Mijn stem leek mij volkomen irrelevant. Het verschil tussen niet mogen stemmen en dat kleine stemmetje van mij nu, leek mij futiel. Ik nam de tijd niet om me te verdiepen in de voorgelegde vragen, waarbij ik van de oordelen van anderen afhankelijk zou zijn omdat ik toch niet voldoende geïnformeerd was om een gefundeerd standpunt te betrekken. Zoiets kan mij niet behagen, en nog minder om me te wenden tot partijideologieën. Daar bleef het bij: de staat, dat zijn de anderen.

Extravagantie als staatsfundament

Niemand weet wat Zwitserland bij elkaar houdt. Het kleine gebied, dat over de Alpenkam kruipt, daar zich dan echter nauwelijks van durft te verwijderen en met de taaiheid van bergbewoners als een door gletschers ondersteunde klam tussen het Duitse en het Romeinse taalgebied fungeert, gaat door het leven met vier officiële talen en herbergt een opmerkelijk hoog aandeel buitenlanders, goed voor een kwart van de bevolking. Heel Europa stortte in elkaar voor de ogen van de Helvetiërs. Duitsland stortte in, de Balkan stortte in, Tsjechoslowakije stortte in, het Sovjetrijk stortte in, de Oekraïne stort in. Maar een vaste burcht is de Helvetische confederatie. Zwitserland deelt zich hoogstens een beetje op.
Om dat te volgen moet men al naar een loep grijpen: uit een deel van het kanton Bern ontstond in 1979 op 839 km² aan de Franse grens het kanton Jura. Sindsdien telt men 26 kantons. Maar niemand weet wat deze extravagantie als staatsfundament toch zo behaaglijk bij elkaar houdt. Is het de – relatief jonge- welstand? Is het de vrede, waarvan het zich zo goed en kwaad als het kon met zijn uitgerekte neutraliteitspolitiek wist te verzekeren?
Ik heb daarover zo mijn onspectaculaire these. Ligt het wellicht ook niet, in combinatie met een traditioneel gecultiveerde houding van bescheidenheid, aan een zekere desinteresse in anderen? Hier is geen cultuur van afgunst van kracht, waarmee men zich in samenlevingen die eerst lang door Oostenrijk-Hongarije werden overheerst en daarna door het socialistische broedervolk, altijd zo gaarne bezighoudt, net als bij de Duitse buren. De Zwitsers zwermden niet uit over de wereld om koloniën te vestigen, zulke lijken hebben zij niet in de kelder. Ze beschikten over anderssoortige trucs. Was het niet een soort collectieve onagressieve desinteresse in andere landsdelen dat ex negativo het samenleven mogelijk maakt?

Niet alleen de grote Europese waterscheiding loopt door het land, maar ook de spreekwoordelijke ‘Röstigraben’, het verschil in mentaliteit tussen de Duitssprekende en de Francofone bevolking, die vaak wordt weerspiegeld in politieke voorkeuren. Verschillende culturen komen nauw met elkaar in aanraking. En daar komt de praktijk van de directe democratie in het spel: men moet het zijn buren namelijk niet eeuwig verwijten dat hij iets beters heeft of doet. Men kan het ook bij zichzelf invoeren. Of hem met iets dat nog beter is proberen te overtroeven. Als men zich vereend, hoeft het geen droom te blijven. Het beste wacht men eerst af en laat de ander het proberen: mocht het zich dan bewijzen, kan men het ook zelf wagen. Dat is weliswaar niet erg opwindend, ook niet zo snel, weinig spontaan en ook niet bepaald avantgardistisch, maar ook met veel minder kans op miskleunen en daardoor aanmerkelijk minder riskant.

Deze op zijn minst theoretische mogelijkheid, die echter daadwerkelijk wordt gepraktiseerd, verwijdert de pieken van uitslaande emoties. Je hoeft de anderen niet zo te haten, als jij het jezelf beter kunt laten vergaan. Dan kan je hem op zijn van uitlaatgassen vrije plekje in de tuin laten zitten en vechten voor het recht dat ook voor jouw raam geen snelweg wordt gebouwd. In dit sterk federalistisch gevormde land, dat veel autonomie verleent aan kantons, deelstaten met eigen wetgeving en parlementen, is dat niet zo buitenissig. Weliswaar bereik je niet altijd wat je wilt. Maar tegelijkertijd weet je ook, dat onroerend goed met goede verbindingen doorgaans zijn waarde heeft (je verkoopt het en brengt je levensavond door in Toscane). Zo ben je in dit directdemocratische sprookje op de keper beschouwd mogelijkerwijs meer tevreden. En laat je de buren met rust. Zolang hij met zijn resultaten jouw idylle maar niet te sterk overschaduwt.

Bekend met frustraties

Zo zijn de eedgenoten sinds generaties niet alleen vertrouwd met de mogelijkheden, ja, met de noodzaak en de plicht hun levensomstandigheden en hun omgeving mede vorm te geven, maar hebben zij zelfs de opdracht daartoe. De kinderen krijgen het met de paplepel ingegoten, ‘Abstimmungssonntag’ is in hun jeugd een woord als ‘Sportferien’ of ‘Weihnachtsverkauf’. Men is bekend met de moeite die het kost iets zinvols door te zetten (eerst moet een initiatief worden gelanceerd, dan moet een verzoek worden ingediend, er moeten binnen een aangegeven periode mensen worden georganiseerd die handtekeningen ophalen, deze moeten op een korte termijn in een zekere hoeveelheid worden verzameld, en de uitvoering kan jaren op zich laten wachten, en dan nog kan het resultaat heel anders uitpakken dan gewenst…). Het is mogelijk iets voor elkaar te krijgen maar men vraagt zich vooraf af, of het al de moeite waard is. Terwijl het zoveel eenvoudiger is om op luide toon iets te eisen en te verwachten dat anderen het voor je opknappen! En niet in de laatste plaats is men ook met de frustraties bekend die afwijzing en een ten lange leste overeengekomen compromis met zich meebrengen.

Als men uit een wereld komt waar de mensen vergaand zijn beroofd van de optie hun levensweg en hun omgeving naar hun eigen wensen en verantwoordelijkheid vorm te geven, dan is het effect van de veronachtzaming, verwaarlozing en gedachteloos afwijzen van verantwoordelijkheid maar al te goed merkbaar. Zwitserland is niet verwaarloosd, integendeel, ze is bijna ten dode verzorgd. De bevolking voelt zich voor het land des te meer verantwoordelijk, naarmate ze het meer mede vormgegeven heeft en vormgeven kan.

Onspectaculair ongewoon

Zo’n ervaring brengt iets bedachtzaams met zich mee, iets onopgewondens, een zekere matigheid, maar ook tolerantie van frustratie en zelfcontrole. In 2012 hadden we hier in Zwitserland de gelegenheid te beslissen of het recht op zes weken vakantie voor alle werknemers moest worden verankerd in de Grondwet. Nu, u raadt het al: de mensen stemden ervoor dat ze niet meer vakantie gegarandeerd kregen. Men heeft hier geleerd niet iedere mogelijkheid om wensen te vervullen ook te benutten, omdat men ook voor de gevolgen aansprakelijk is. Dat is wat het directdemocratische Zwitserland onspectaculair ongewoon maakt.

Rechten en vrijheden genieten brengt onvermijdelijk verantwoordelijkheid met zich mee. En het collectief managen van verantwoordelijkheid, dat aan het slot iedereen een beetje tevreden is, dat ze elkaar niet de koppen inslaan (in Zwitserland liggen honderdduizenden wapens van het volksleger thuis in de kast opgeslagen!), dat is een hogere kunst. En een hogere kunst met alle lagen van de bevolking tot stand te brengen, dat is geen kinderspel. Daarvoor is een hoog ontwikkelde en ook goed onderhouden cultuur nodig.

Zou men dezelfde mogelijkheden van de directe democratie aanbieden aan een samenleving die in een verantwoordelijke omgang met vrijheden minder ervaring had, dan kwam er waarschijnlijk iets anders uit. Waarschijnlijk zou de grondtoon dan niet bepaald ‘stabiliteit’ zijn. Zoals het pijnlijk duidelijk is geworden dat het ten val brengen van een dictator niet automatisch leidt tot een bloeiende democratie. Ook directe democratie functioneert niet per se zinvol.

In Zwitserland hoort daar ook nog een soms tot in het absurde doorgevoerd federalisme bij, en de omgang die daarmee van oudsher is gemoeid. Dit alles wordt door een tot nu toe voldoende aantal mensen gehandhaafd, die zich generaties lang hebben bekwaamd om zich een op die verantwoordelijkheid toegesneden zelfbeheersing eigen te maken. Die gewoonte heeft, zoals alles, ook haar schaduwzijden, maar met maximale aanspraken komt men eenvoudigweg niet uit met de hier geboden hoeveelheid aan vrijheid en doet men geen recht aan de verantwoordelijkheid voor het algemeen belang. De brede middelmaat is de gedoodverfde winnaar bij breed gezaaide politieke vrijheid.

Heikel instrument

Daarbij is directe democratie een uiterst heikel instrument, dat ook gevaren in zich bergt. Niet zonder grond is er overal altijd weer angst om een volksreferendum te organiseren, en dat niet alleen binnen de ruimte van de tegenwoordige Europese Unie. Enerzijds zijn mensen nu eenmaal makkelijk in vervoering te brengen. Anderzijds moeten ook machthebbers in staat zijn om de geuite wil van het volk te accepteren en om te zetten in regels en beleid. Ze mogen zichzelf niet op een voetstuk plaatsen, ook niet wanneer de belangen die zij vertegenwoordigen mogelijk in het geding komen. Hun machtshonger en ijdelheden mogen niet uit de katrollen schieten. Wie kent bijvoorbeeld de naam van de Zwitserse Bondpresident? Komt u op zijn naam? Nee, hij is ook niet zo belangrijk.

Zo is het des te opvallender, zo niet verdacht, wanneer een Zwitserse politicus zichzelf nadrukkelijk in de kijker speelt. Christoph Blocher heeft zich in het mediatijdperk uitgerekend met deze ‘onzwitserse’ allure tot Zwitser par excellence weten te stileren en is zo geworden tot de invloedrijkste politicus van het land. Vergelijkbare patronen volgend als Le Pen in Frankrijk, Wilders in Nederland en tal van andere persoonlijkheden uit de rechterhoeken, heeft de nu 75-jarige ondernemer met toenemende vreemdelingvijandige posities de Schweizerische Volkspartei (SVP) tot de grootste stemmentrekker en drijvende kracht van de landspolitiek gemaakt.
Met zijn financiële bijdragen, populistische strategieën en zijn bereidheid zich als bekwame spreker tot de Opper-Kasper van zijn partij te maken, lukte het Blocher de partij hernieuwd te positioneren. In dit eerder koel bezonnen, voorzichtige land wist de SVP het algemene opinieklimaat op te hitsen en te emotionaliseren met demoniserende beschuldigingen aan het adres van ‘de buitenlanders’. De aldus opgewekte angsten werden uitgemolken en berekenend aangeboden aan het volk, aangelengd met iets bruins dat als Zwitserse kwaliteitschocolade werd gepresenteerd, omgeroerd met de pollepel der mythen. En het stemvolk dronk in groten getale.

Gekochte bekeerling

Christoph Blocher heeft zijn partij decennialang een gezicht gegeven. Tegenwoordig probeert de oorspronkelijk van de linkerzijde van het politieke spectrum afkomstige journalist Roger Köppel, hoofdredacteur van het weekblad Weltwoche, die sinds 2015 als parlementariër in de Nationale Raad zit, deze rol met het cynisme van de gekochte bekeerling over te nemen en zich eigen te maken.
In de SVP-keuken werd in 2006 begonnen met het bereiden van een initiatief dat in heel Europa voor beroering zorgde, te weten een voorstel om geen bouwvergunningen te verlenen voor minaretten. Niet dat er toentertijd in Zwitserland zoveel te doen was over de bouw van deze torens, maar met een jarenlang aangewakkerde discussie werd de stemming zodanig opgeklopt dat het volksinitiatief in 2009 uiteindelijk werd aangenomen. In de hele rechtse scene in binnen- en buitenland werd dat als een soort van keerpunt ervaren. Sindsdien speelde de tegen de EU gekante partij haar vreemdelingenvijandige troefkaart met groot succes uit. Alle drie voorstellen die de SVP in dit kader indiende werden aangenomen: in 2010 stemde Zwitserland in met het voorstel ‘Voor de uitwijzing van criminele buitenlanders’, en in 2014 tegen ‘massa-immigratie’, waardoor de toestroom van buitenlanders voortaan aan contingenten onderhevig moet worden gemaakt. Deze laatste beslissing kwam de verhouding tussen Bern en Brussel niet ten goede en is in tegenspraak met het vrije verkeer van personen waarmee Zwitserland als ondertekenaar van het verdrag van Schengen eerder wel had ingestemd.

Stemverhoudingen gewijzigd

Niet in de laatste plaats door toedoen van de SVP hebben de stemverhoudingen zich de laatste jaren sterk veranderd. Sinds de invoering van het initiatiefrecht in 1891, hebben de Zwitsers over honderden van volksinitiatieven moesten beslissen. Traditioneel werden deze bijna altijd verworpen. Het eerste succesvolle initiatief was in 1893 het antisemitisch geïnspireerde ritueel slachtverbod. Sindsdien werden van alle voorstellen slechts 21 ‘vom Souverän’ (de term voor het Zwitserse stemvolk) aangenomen. Honderden werden naar de prullenbak verwezen.
Opvallend is dat van de aangenomen voorstellen meer dan de helft afkomstig is uit de afgelopen 22 jaar. Zo stond het volk de afgelopen jaren telkens weer verbluft te kijken naar het stemresultaat. Toen in 2014 het zogeheten ‘Masseneinwanderungsinitiative’ met een uiterst krappe meerderheid van 50,3 procent ja-stemmen werd aangenomen en een bom legde onder de bilaterale verdragen met de EU, was het veelgehoorde commentaar dat dit resultaat waarschijnlijk verhinderd had kunnen worden bij een hogere opkomst. Het besef, dat dit alles beter niet had kunnen gebeuren, breidt zich nog altijd uit.

Het doorzettingsinitiatief

In 2010 werd het zogeheten Ausschaffungsinitiative (‘Voor de uitwijzing van criminele buitenlanders’) aangenomen. Daarop kwam het parlement in maart 2015 binnen de gestelde termijn met het wetsvoorstel om dit besluit in wetgeving om te zetten, een problematisch voorstel omdat het in tegenspraak was met zowel de Zwitserse Grondwet als het internationale volkerenrecht. Maar de soevereine ‘wil van het volk’ prevaleerde nu eenmaal boven alles. Aangaande dit wetsvoorstel had weer een referendum kunnen worden ingediend, maar niemand deed dat, ook niet de SVP. Die had heel andere plannen: al in 2012 had de partij namelijk weer een initiatief ingediend: het ‘Doorzettingsinitiatief (Durchsetzungsinitiative) waarover op 28 februari 2016 moest worden gestemd. Dit voorstel hield in het Ausschaffungsinitiative ‘door te zetten’ en met alle kracht op te treden tegen criminele buitenlanders – alsof de instituties van de Staat dit niet al deden (ze deden het wel). De SVP wekte de indruk de zaken nu ‘zelf in de hand’ te nemen.

De SVP sloeg geen acht op de procedures van de rechtsstaat en besloot de voorstellen van het parlement niet eens af te wachten. In plaats daarvan begon de partij al handtekeningen in te zamelen voor nog eens een aanscherping. Dat was een in dit theater nog niet eerder vertoonde daad van vermetele koenheid.
Achter de misleidende titel ‘Voor de doorzetting van de uitwijzing van criminele buitenlanders’ (het zogeheten ‘Doorzettingsinitiatief’) ging een poging schuil de Zwitserse rechtsstaat deels buitenspel te zetten, teneinde in bepaalde gevallen de wetgever uit te schakelen en de scheiding der machten te veronachtzamen. In dergelijke gevallen zouden de rechters er helemaal niet meer aan te pas komen, maar vervangen worden door een soort automatisme – zonder acht te slaan op individuele omstandigheden. Daarmee zou het proportionaliteitsbeginsel volstrekt in de wind worden geslagen en ook bagatelgevallen zouden onder de maatregel vallen.
In geval van aanname van dit initiatief zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn, dat een in Zwitserland geboren buitenlander, die vanwege een geldstraf tot enkele dagen gevangenis was veroordeeld, het land zou worden uitgewezen. Zou het daarbij gaan om een ingezetene van de EU, zou Zwitserland daarmee handelen tegen de Europese Conventie van de Mensenrechten, het Schengen-verdrag voor vrij verkeer van personen en het Verenigde Naties Verdrag II. Een kwart van de Zwitserse bevolking zou voor de rechter tot tweede klas-burger zijn gedegradeerd – voor het oog van de wet waren niet allen meer gelijk.

‘Zwitsers stemmen over de hardste buitenlanderwet van Europa’: krantenkoppen als deze begonnen in de wereld rond te zingen. Met dank aan de directe democratie was Zwitserland, waar altijd een hoog geïnstitutionaliseerde bescherming van de minderheden had bestaan, bezig met de onttakeling van de fundamenten van zijn eigen democratische structuren. De SVP probeerde de xenofobe stroming van de ja-stemmers van de afgelopen jaren weer te mobiliseren en verder te surfen op de nieuwhelvetische golven.
Het zag er goed uit voor hen. In de herfst gaven enquêtes aan dat 66 procent van de ondervraagden zouden instemmen met het Doorzettingsinitiatief. Pogingen een grootschalig tegenoffensief te financieren faalden jammerlijk, economische verbanden hielden het geld liever in eigen zak, politici toonden zich na alle resultaten van de afgelopen jaren terughoudend.

Mijn eigen apolitieke zelfbeeld zette me de laatste jaren, waarin we in heel Europa een bedreigende radicalisering en een afbraak van de rechten beleven, natuurlijk steeds meer voor het blok. Hoewel ik als inwoonster en belasting betalende burger van dit land jarenlang gedeeltelijk buitengesloten was geweest van zijn democratische structuren, had ik toch ook van deze geprofiteerd. Zwitserland had mijn familie asiel verleend. We waren altijd keurig en binnen het kader van de wet behandeld. Bij alle SVP-voorstellen van de afgelopen jaren had ik mijzelf voorgehouden dat ik me nu dan toch eindelijk aan de tafel zou zetten om de stemformulieren in te vullen.
Ik had het niet gedaan. Maar nu was het uur gekomen. Op dit punt, waar in deze oase van het recht de reikwijdte van het gerecht op het punt stond te worden ingeperkt, was voor mij de grens bereikt en moest ik mijn traagheid en door de kinderjaren ingegeven weerstand zien te overwinnen.

Op het moment dat de gelijkheid voor de wet rücksichtslos dreigde te worden afgeschaft, begon ik in te zien dat ik in deze wereld een helaas zo zelden geboden, minuscule doch kolossale mogelijkheid had mijn stem daartegen te verheffen. Dat men met behulp van democratie en demagogie en manipulatie een democratische rechtsstaat kan afschaffen, dat weten we al.

Ik opende het pakket stembiljetten. Op deze zondag werd behalve voor het Doorzettingsintiatief nog over de volgende voorstellen gestemd: de volksinitiatieven ‘Voor het Huwelijk en Familie – tegen de huwelijksstraf’, ‘Geen speculatie met voedingsmiddelen!’, als ook ‘Verandering van de Bondswet inzake transitoverkeer in het Alpengebied (Sanering Gotthard-verkeerstunnel)’. Daarbij kwamen nog stemmingen van het Kanton Zürich inzake ‘Reductie Erfpacht’, ‘Stroomlijning van Beroeps- en Bezwaarprocedures’, ‘Opleidingsinitiatief’ en het ‘Loondumping-initiatief’. Voor elk onderdeel een separaat formulier.

Ik heb het stembiljet met de weinige letters die daarvoor nodig zijn, ingevuld en op tijd op de post gedaan.
32 jaar heeft het geduurd en er was die calculerende onmenselijkheid voor nodig die gericht is op het creëren van verhoudingen die begonnen te lijken op datgene wat ons in 1968 had bewogen om met een nieuwgeboren baby naar een ongewisse toekomst af te reizen – totdat ik mijn zelfbeeld als zwijgende outsider van me afwierp en mij zelf begon te tellen als onderdeel van het stemvolk van Zwitserland.

Een soeverein volk

Ik geef toe dat het tot een ‘volk’ behoren voor mij een twijfelachtige aangelegenheid is en dat de constructie van volkeren en naties in mijn ogen immer dubieuze materie is geweest. Dit volk echter werd ‘soeverein’ genoemd. Dat klinkt toch ergens goed, dat de soeverein niet een zwaar aanvechtbare eenling is, geen keizer of keizerin, geen koning of koningin, geen dictator of dictatorin. In plaats daarvan een hand gevormd door duizenden of miljoenen van vingers , die zich voor een periode van enkele jaren steken in een daarvoor geschikte pop die dienst kan doen als spreekbuis, onderhandelaar en acteur tegelijk, om de boze krokodil te verjagen en het huis te beschermen. En daarbij zijn stem gebruikt en geen ergere wapens.

Nog nooit vertoonde strijd

Maar niet alleen ik was geschrokken wakker geworden. In de laatste weken voor de stemming op 28 februari 2016 ontketende zich een strijd om de kiezersgunst zoals die nog nooit vertoond was in de Confoederatio Helvetica. Met posts, films, beelden, oproepen, campagnes, toneelstukken, etc. werden alle kanalen gemobiliseerd. Juristen, kunstenaars, politicologen, journalisten, vertegenwoordigers van kerken, verenigingen en organisaties van alle slag , prominenten en onbekende Zwitsers stonden op om hun stem te verheffen en hun visie kenbaar te maken dat deze ondermijning van de rechtsstaat diende te worden gestopt.Taxi’s reden de mensen gratis naar het stemlokaal. Met crowdfunding kon in korte tijd meer dan een miljoen Zwitserse franken worden ingezameld voor een poster- en foldercampagne die gewicht in de schaal legde. In de laatste dagen kon je je op de social media onmogelijk onttrekken aan de ontelbare oproepen en herinneringen toch vooral niet te vergeten te stemmen. Het was duidelijk, hier gebeurde iets.

Hier gebeurde iets. De directe democratie functioneerde. ‘Het volk’, dat de SVP zo graag ziet als de mensen die achter haar staan en het liefst gelijkstelt aan eenvoudige boeren aan de stamtafel, had zich niet in de war laten brengen door de gecompliceerde kwestie en was niet gevallen voor de diffuus makende retoriek. Aan het eind van de rit ging de discussie over structurele consequenties en het onmenselijke uitschakelen van de rechtsspraak. De verontwaardiging groeide: uiteindelijk zei 58,9 procent van het stemvolk nee tegen het Doorzettingsinitiatief. In enkele kantons lag de deelname aan de stemronde op meer dan 70 procent. Het land is geen stamtafel en zijn straten zijn niet allemaal boulevards. Op verheugende wijze kwam Zwitserland tijdens deze stemronde los van de verontrustende trends die spelen rond het kleine land.

Eind februari 2016 keek de wereld plotseling naar Helvetia, dat kleine rotsige vlekje middenin Europa waar je een vergrootglas nodig hebt om het te kunnen zien. Middenin een schijnbaar onhoudbaar naar rechts glijdend continent dat door vluchtelingen uit Syrië en andere oorlogsgebieden wordt overlopen heeft het zijn Kaspers soeverein teruggefloten. Maar dan nog kan men nu niet achterover leunen. De SVP staat al weer in de startblokken met nieuwe aanvallen op vrijheden, integratie en samenwerking. Ze zamelde al weer handtekeningen in voor een revisie van het asielrecht, voor het zogeheten ‘Selbstbestimmungsinitiative’ waarin nationaal recht moet prevaleren boven internationale verdragen (‘Zwitsers recht in plaats vreemde rechters’) en voor een boerka-verbod.

‘Opstand van de elite’

Roger Köppel, het nieuwe carrière-Kaspertje van de SVP, had zich voor het interview, toen het lot van het Doorzetttingsinitiatief al duidelijk werd, al voorbereid met een panklare quote. En zoals het een Kasper betaamt, grijnsde hij al vooraf breed om zijn eigen domme grap. Gevraagd naar zijn reactie op de nederlaag van de SVP, zo geheel in tegenspraak met het krampachtige idee dat het volk altijd achter zijn partij staat, verkondigde hij met dedain: ‘Dat is een opstand van de elite!’.
Wat voor een volk. Een volk dat voor 60 procent uit zijn elite bestaat!
‘Tri-tra-trallala!’

Katarina Holländer (Bratislava, 1964) is publiciste, kunsthistorica en curator. Ze was redacteur van het Zwitserse culturele tijdschrift ‘du’ en was verbonden aan de Neue Zürcher Zeitung. Als curator was ze o.m. verantwoordelijk voor de succesvolle tentoonstelling ‘Ein gewisses jüdisches etwas’, die op vele plekken in Zwitserland, Oostenrijk en Duitsland was te zien. Nu woont en werkt ze als zelfstandige publiciste in Winterthur.


Ruedi Widmer is politiek cartoonist bij onder meer dagblad de Tagesanzeiger (Taz) en weekblad WOZ in Zwitserland. Met zijn tekeningen leverde hij in 2016 een grote bijdrage aan de campagne tegen het xenofobische Doorzettingsinitiatief.

1 4 5 6