Ricus van der Kwast

Zeven zonden in het denken van Rutger Bregman

/

De meeste mensen deugen van Rutger Bregman werd uitgeroepen tot het Beste Boek van het Jaar 2020 en de auteur wordt bedolven onder eerbewijzen als een van de belangrijkste denkers van deze tijd. Volgens Ricus van der Kwast is hier sprake van een collectieve zinsbegoocheling.

 

Tekst Ricus van der Kwast

Illustratie Gabriel Kousbroek

 

1.

 Het had veel weg van een sociaal-psychologisch experiment. Wat als je te horen krijgt dat een boek, non-fictie notabene, sinds zijn verschijnen onafgebroken in de top van de bestsellerlijst prijkt, dat er alleen al in Nederland binnen driekwart jaar meer dan 200.000 exemplaren van verkocht waren, dat er hoofdstukken verfilmd gaan worden, dat de schrijver theatervoorstellingen geeft, te gast is in TV-shows, interviews geeft aan zowat alle dagbladen en tijdschriften in Nederland en Vlaanderen, dat diezelfde schrijver bejubeld wordt in Der Spiegel, The Guardian, Le Monde, durf je dan nog te zeggen dat de man volgens jou maar een hoop poppycock verkondigt? Of is dat vloeken in de kerk en hou je wijselijk je mond?

Afgelopen november won De meeste mensen deugen van Rutger Bregman de NS Publieksprijs. Het mag zich nu tooien met de titel Beste Boek van het Jaar 2020, nadat ik overigens had durven zweren dat het ook al Boek van het Jaar 2019 was. Het boek blijkt in elk geval pandemic proof. Terwijl in deze crisis de onverdraagzaamheid en ons egoïsme dagelijks zijn stellingen tarten, gaat het succes voor Bregman en zijn boek onverdroten verder. In februari koos de Universiteit Utrecht hem tot alumnus van het jaar, uit meer dan 180.000 afgestudeerden.

Rutger Bregman is historicus en werkt als journalist voor De Correspondent. Hij grossiert in sympathieke ideeën. Geld gegarandeerd voor iedereen, een halve werkweek, zeg daar maar eens nee tegen. Zijn ideeën worden door de goed geoliede marketingmachine van De Correspondent aan de man gebracht en ze vinden gretig aftrek. Zijn werk was al in meer dan dertig landen verschenen, toen taxes-taxes-taxes, zijn schreeuw twee jaar terug op het World Economic Forum in Davos om meer belasting voor de rijken, hem wereldfaam verschafte. In De meeste mensen deugen, verschenen in september 2019, kwamen vervolgens alle lijntjes van zijn denken samen.

De meeste mensen deugen is geen toevalstreffer, net zo min als zijn schrijver een eendagsvlieg is. Bregman is een blijverd. Dan kun je je maar beter in zijn werk verdiepen, en dat heb ik gedaan.

 

2.

Het opus magnum van Bregman is een boek met een boodschap. De meeste mensen deugen, maar dat zijn we met de uitvinding van het eigendom, de landbouw uit het oog verloren. Vanaf dat moment wordt de macht gegrepen door autoritaire leiders, die vaak sociopatische trekjes vertonen. Alles zullen ze in het werk stellen om die macht veilig te stellen en zij worden daarbij gedreven door een cynisch mensbeeld. Maar die mens is juist in wezen goed en Bregman onderbouwt dat met talloze voorbeelden. Hij put daarbij vooral uit de experimentele psychologie, uit beide wereldoorlogen en uit faits divers. Nogal wat van die episodes zijn overbekend, kerstavond in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, het Stanford Prison Experiment, het onderzoek van Stanley Milgram. Een enkele is verrassend, de geschiedenis van Paaseiland bijvoorbeeld.

Er is een radicaal omdenken nodig, concludeert Bregman. De samenleving moet gebouwd worden op een nieuw realisme, dat vertrekt vanuit een positief mensbeeld. Vertrouwen moet de basis zijn. Het boek eindigt met – what’s in a number? – tien leefregels.

Verbazing, verwarring en ongeloof. Ze streden bij mij om de voorrang toen ik het boek uit had. Verbazing, omdat De meeste mensen deugen veel dunner is dan die 528 bladzijden je doen geloven. Dat komt door het gebruik van een reusachtig lettertype dat je verder nooit in beschouwende boeken aantreft. Maar er is meer dat dit boek dun maakt, en je voelt dat al in de proloog, als Bregman het overlevingsinstinct van de mens aanziet voor een bewijs van diens goedheid.

Verwarring, omdat die ene vraag maar door mijn hoofd bleef spoken: voor wie had Bregman dit boek nu eigenlijk geschreven? Soms, na weer een passage waarin hij uitlegde wat democratie betekende, of placebo, of ‘self-fulfilling prophecy’, meende ik het zeker te weten. Zijn doelgroep waren de vroegrijpe tienjarigen, met één been nog in een wereld van fabeldieren en fantastische avonturen,  maar wijsneuzig en geïnteresseerd. Elke avond lees je je kind een hoofdstuk voor uit de dikke Bregman. Voor je het licht uitknipt, kijk je samen nog even onder het bed. Zie je wel, er zijn geen monsters. Er zijn alleen maar enkele hele slechte mensen. Maar die kun je makkelijk herkennen. Ze hebben macht of geld, en meestal allebei.

Natuurlijk is er niets mis mee om opvoedkundige boeken voor aanstormende jongelingen te schrijven. Maar Bregman wil geen vrijblijvende verhalen vertellen. Hij wil de groten der aarde overtuigen. Dat wringt.

Ongeloof, omdat bij alle media-aandacht niemand zei wat zonneklaar was. Natuurlijk was er een enkeling die zich kritisch betoonde, ook buiten de kringen waar de messen al geslepen zijn voordat de man een woord op papier heeft gezet. Soms betrof dat de vorm, bijvoorbeeld toen Lotte Jensen in de Volkskrant de schrijfstijl kritiseerde, of één bepaald facet, zoals waarom het Milgram-experiment toch nog niet met het oud papier meekan. Vaak ging het gekissebis alleen over de titel, Bregmans boodschap: deugen we nu of niet? Zoveel reacties, en toch draaide iedereen om de hete brij, de kern, heen. Je hoorde niemand over zijn uitgangspunten en zijn redeneertrant. Alsof men bang was wat men dan zou ontdekken, bang om de toorn van het publiek over zich af te roepen.

Daar kon je je iets bij voorstellen. Tegenover elk voorzichtig tegengeluid stonden immers tien supporters met meer gezag, of ze nou Matthijs van Nieuwkerk, Geert Mak, Oek de Jong, Maarten ’t Hart of Jan Terlouw heetten. Wel haastten ook kritische commentatoren zich nog om zijn werk als leerzaam, deskundig, erudiet, ‘gebaseerd op een indrukwekkende berg bewijs’ te beschrijven. Wie hield hier wie voor de gek?

 

3.

Soms dacht ik dat het nog goed kwam, bijvoorbeeld wanneer hij zijn standpunten over zijn zelfverklaarde vijanden Thomas Hobbes of Adam Smith nuanceerde. Op andere momenten keek ik vol verwachting, vooral wanneer hij groepsdenken of groepsgeest aankaartte, pistes die hij helaas even snel weer zou verlaten. Maar nadat hij had afgerekend met Bertrand Russell en daarmee feiten definitief had ingeruild voor geloof en overtuiging, kwam het niet meer goed. Hij verloor zich in een voluntaristische ideeënjungle, en ik raakte hem kwijt.

Pijnlijk, want ik was het zo graag met hem eens geweest. Er zijn weinig mensen die meer sympathie voelen voor iemand die grootse, waaghalzige projecten start, daarbij zijn nek uitsteekt, de geschiedenis van de wereld wil herschrijven, over de grenzen van vakgebieden springt en heilige huisjes omver trapt, dan ik. Burgerpanels? Kom maar op. Homo ludens? Het liefst mijn leven lang. Zelfs met die titel kon ik een heel eind meegaan. Waarom werkte Bregman dan steeds meer op mijn zenuwen, wat ik bijvoorbeeld niet heb bij David Van Reybrouck, iemand die ook aan De Correspondent bijdraagt?

Wat zonneklaar was: Bregman vocht boven zijn eigen gewicht. Er waren de kleine ergernissen. Het boek had een warrige structuur, met delen, hoofdstukken, sub-hoofdstukken, titelloze stukken, een paar sub-hoofdstukken met hetzelfde nummer, terwijl je dan weer zoiets als een index met een ordening van namen en termen node miste. Het maakte al met al de indruk van een haastig, slordig afgewerkt boek. Je vergaf ’t ’m: niet iedereen krijgt in zo’n tempo zoveel woorden op gedrukt papier.

Het boek was ook humorloos. Dat viel te verwachten: wie zo door zijn eigen boodschap in beslag wordt genomen, vergeet afstand te nemen. Zelf moest ik welgeteld één keer grinniken, en dat was toen Bregman enthousiast een verblijf in een Noorse gevangenis aanbeval, want ‘dat betaalde zich dubbel en dwars terug’. Maar of hij het zo bedoelde als hij het had opgeschreven wist ik niet zeker.

Ik begon me pas echt ongemakkelijk te voelen toen ik merkte hoe losjes Bregman omgaat met feiten, bijvoorbeeld wanneer hij het ‘rank and yank’-systeem toeschrijft aan Enron en dat in één adem door als hoofdoorzaak noemt voor de ondergang van het frauderende concern. Dat systeem, waarbij werknemers ten opzichte van elkaar beoordeeld worden en de slechtst beoordeelde groep werknemers naar een andere baan kan uitzien, werd geïntroduceerd door Jack Welch, de bewierookte ex-baas van General Electric, ruim tien jaar voordat Enron überhaupt bestond. Al was ze nog zo abject, de methode was schering en inslag bij Amerikaanse concerns. Ook bij veel firma’s die vandaag nog springlevend en succesvol zijn (Microsoft, Amazon, Yahoo, Exxon Mobil, om er een paar te noemen), wat ook Bregman schoorvoetend moet toegeven. Hoe verleidelijk ook, je kunt de nuances van de werkelijkheid niet wegmasseren omdat ze je niet goed uitkomen.

Ronduit ergerlijk was dat je niet wist welke Bregman er aan het woord was. De historicus? De ondertitel van het boek – Een nieuwe geschiedenis van de mensheid – zette ons hier op het verkeerde been, want die rol wees hij nadrukkelijk af. Hij koos ervoor te schrijven over willekeurige gebeurtenissen, incidenten, anekdotes haast, uit die geschiedenis, ook als ze tijdens een wereldoorlog plaatsvinden. Dat was zijn goed recht, maar een historisch traktaat werd het daarmee allerminst.

De schrijver dan? Dat zou er al meer op lijken, als zijn toon niet zo betuttelend was, zijn taalgebruik niet zo tenenkrommend. Bregman schrijft in een soort powerpoint-stijl, waarbij de kogels, pardon: bullets, je als lezer om de oren vliegen. Hij hanteert daarbij het quasi-Nederlands dat vandaag zo in zwang is bij de doorsnee-hogeropgeleide. Die heeft zich met zijn kids gesetteld, ziet dat het gedaan is met zijn relaxte leventje, heeft geen tijd meer voor socializen of outrospectie, is bang dat hij een joekel van een fout gemaakt heeft, zeg maar gerust een gigafout, en verwacht dat elk moment de pleuris uitbreekt.

Ook niet de schrijver dus. Blijft over Bregman de ideeënman, de denker. Daar had het alle schijn van, zo werd hij ook het meest gezien door de buitenwereld. ‘One of Europe’s most prominent young thinkers’, schrijft UNESCO op zijn website. ‘We hebben maar een paar echte denkers en Rutger Bregman is er één van’, aldus de Vlaamse schrijver Jeroen Olyslaegers. Het Nederlandse wonderkind van de nieuwe ideeën, noemde The Guardian hem, De Morgen betitelde hem als één van de invloedrijkste politieke denkers van Europa.

Zo’n vooraanstaand denker, ver over de landsgrenzen, verdiende het dat je je indringend met hem bezig hield. En dus liet ik vorm, stijl en feiten voor wat ze waren, en dook ik dieper in zijn denken, zijn methode, aanpak, logica, argumentatie, de consistentie daarvan. Dat viel niet mee. Ik ontdekte hoe hij regelmatig zondigde tegen elementaire denkregels. Zeven hoofdzonden heb ik geteld.

 

4.

Het begon bij zijn methode. Wie wel eens wat wetenschap gesnoven heeft, weet hoe essentieel de toetsing van je eigen werk is. Maar Bregman wil dat niet. Het liefst wil hij elke discussie op voorhand uitsluiten. Hij gebruikt daarvoor drie middelen, stuk voor stuk retorische foefjes.

De eerste is erg doorzichtig. Het wemelt van de passages over iets wat wetenschappelijk is aangetoond, over publicaties in een of ander toptijdschrift, zonder ook maar in enig detail te treden. Natuurlijk had hij kunnen volstaan met een simpele verwijzing, maar die toevoegingen vervullen dezelfde rol als de labjassen die in reclames de nieuwste tandpasta aanprijzen, ze verlenen een aureool van geloofwaardigheid aan zijn verhaal. Wie durft nog de uitkomsten van ‘een ingewikkeld onderzoek’ in twijfel te trekken?

De tweede truc is veel subtieler. Al vroeg in zijn boek stelt Bregman dat wie het opneemt voor de mens bespot en beschimpt zal worden. Je zou naïef zijn, vervolgt hij, onnozel, iedere zwakke plek in je betoog zal genadeloos worden blootgelegd. Dit is op het geniale af. Wie het nu nog waagt om een man te kritiseren die zelf al zo zijn eigen kwetsbaarheden etaleert, moet wel een ongelooflijke ploert zijn.

Die aanpak werkte: ze verklaart waarom ook minder enthousiaste recensies zo voorzichtig omsprongen met het gedachtegoed van Bregman. Maar soms wordt een idee bespot en beschimpt omdat het precies is wat het lijkt: naïef en onnozel, als gevolg van een betoog vol gaten.

Waar de eerste twee trucs nog niet voldoende beschermen, kan Bregman terugvallen op een derde en laatste verdedigingslijn, ook een beproefd recept bij de populistische politici die hij zo verafschuwt. In het nauw gedreven zeg je dat je alleen maar wilde provoceren, uitdagen, om zo iets te bewegen. Zo kun je alles wat je eerder gezegd hebt weer afzwakken of inslikken. Niemand kan je nog wat maken.

Door die drietandige verdedigingstactiek probeert Bregman zich te onttrekken aan de toets der kritiek, en precies daardoor diskwalificeert hij zich als denker.

5.

Foute antwoorden zijn één ding, maar foute vragen zijn erger. Beschouw het gerust als een doodzonde als een denker zich met de verkeerde vraag bezig houdt. Bregman beantwoordt zijn eigen vraagstelling in de titel – de meeste mensen deugen. Die titel is een gouden vondst en de sleutel tot het verkoopsucces van het boek. Het is ook zonder meer Bregmans verdienste dat hij hele volksstammen heeft meegesleurd in een welles-nietesdiscussie over een zinloze vraag die onherroepelijk tot een nutteloos antwoord leidt. De meeste mensen deugen, nou en? Peu importe of die mens goed of slecht is, het gaat erom wat de uitkomst is van al die intenties onder invloed  van tijd, mode, eigen ervaringen, wisselwerking met anderen, ook met die ene rotte appel die het verpest voor alle anderen.

Bregman besteedt daar weinig aandacht aan en komt met een generiek recept voor een placebo, waarbij alles goed komt als we maar geloven in de goedheid van de mens. Het is jammer dat hij niet gekeken heeft naar een experiment dat al een halve eeuw loopt, waarin dat systeem met al zijn wisselwerkingen wordt nagebootst en waarin zijn eigen ideeën getest worden.

Ruim vijftig jaar geleden creeërden we vanaf nul een parallel universum. Het werd een soort rommelspeelplaats, eender als die van Carl Theodor Sørensen in Emdrup, buitenwijk van Kopenhagen, waar Bregman zo hoog van opgeeft. Zonder regels, maar dan levensgroot, waarin iedereen gelijk was en iedereen zijn zegje kon doen. Een naam van drie letters volstond: het web.

In de eerste vijfentwintig jaar van zijn bestaan gebeurde er nog weinig, zoals dat evoluties betaamt, maar toen raakte internet op stoom, met in zijn kielzog attracties als e-mail en sociale media. De bezoekers stroomden toe. En warempel, dat leverde hele mooie dingen op. Er werd kennis gedeeld, we vonden verloren vrienden terug, liefdadigheid en solidariteit vierden hoogtij. Maar tezelfdertijd verschenen de barsten in het bouwsel. We werden belaagd door steeds venijniger virussen, het nieuws werd vervormd, onze privégegevens gelekt.

Wat bleek nu? Terwijl het merendeel van de internetgebruikers hele fatsoenlijke mensen waren, was het de hacker, de schreeuwlelijk op Twitter, de oplichter in een ver internetcafé die een onevenredig grote invloed hadden. Vaak waren dat eenlingen. Geen strobreed werd ze in de weg gelegd. Ze handelden op eigen initiatief, hadden daarvoor geen viersterrengeneraal of manager in maatpak nodig die hen in de nek hijgde.

We zijn dat web ooit met een schone lei begonnen, in het volste vertrouwen dat de mens goed en verantwoordelijk is. Maar dat volstaat kennelijk niet. De roep om meer regels in onze favoriete speeltuin wordt steeds luider. We moeten rekening houden met die paar stoorzenders, en die kunnen in alle lagen van onze samenleving opduiken. Het goede is met veel meer dan het kwade, maar wat koop je er precies voor?

De denker in Bregman zou moeten smullen van dit voorbeeld. Die hele internet-evolutie is namelijk al de proef op de som van zijn kernidee. Het laat zien wat er echt gebeurt als je ervan uitgaat dat de mens goed is, vol goede bedoelingen steekt en dat het goede besmettelijk is, wat voor moois, lelijks en mengsels daarvan dat oplevert. Maar hij laat deze uit het leven gegrepen casus grotendeels liggen.

In plaats daarvan verzucht hij dat filosofen en anderen eenvoudige zaken zo ingewikkeld maken, waarna hij zich overgeeft aan een zwart-witdenken dat zijn weerga niet kent. Hij voert zijn eigen rank & yank-systeem in, door hem elders verfoeid, waarbij hij rigoreuzer te werk gaat dan de meest cynische human resources manager. De titel zet daarbij de toon. ‘De mens deugt meestal’ was een gematigdere variant geweest, maar daar kiest hij bewust niet voor. We worden onderverdeeld in koningen en onderdanen, bazen en knechten, managers en werknemers.

Voor mij, groot optimist met een licht negatief mensbeeld, is bijvoorbeeld geen plaats in de wereld van Bregman, net zo min trouwens als voor zo’n zeven miljard anderen. Zijn planeet wordt bevolkt door personages zo plat als stripfiguren. Deugen we of niet? Had hij in het begin een betere vraag gesteld, dan was hij niet met zulke rare antwoorden gekomen.

 

6.

Logica lijdt een zieltogend bestaan in Bregmans werk. Soms komen zijn stellingen uit de lucht vallen. Als hij zegt dat we in de prehistorie millennia lang de vriendelijkste types als onze leiders verkozen, zoek je bladzijden lang naar een onderbouwing en vindt die niet. Waar hij wel een beargumenteerde conclusie trekt, struikelt zijn betoog over dubieuze denkstappen. Dat valt niet direct op, vaak klinkt zo’n redenering aannemelijk. Je slikt het voor zoete koek en dan, als je het nog eens op je laat inwerken, twijfel je. Waarom zou het bijvoorbeeld zoveel gemakkelijker zijn om cynicus of pessimist te zijn in plaats van optimist of idealist? Waar de laatste voor naïef en onnozel versleten wordt, zal de eerste voor een zwartkijker, een ouwe knorrepot worden uitgemaakt.

Op de spits drijft hij zijn spel met de logica als hij zijn afrekening met Bertrand Russell beschrijft, wat een keerpunt in het denken van Bregman betekende. Kijk louter en alleen naar de feiten als je inzicht wilt verwerven, zei de Britse filosoof. Bregman staaft zijn afwijzing van dat adagium met experimenten die het Pygmalion-effect aantoonden, waarbij mensen zich gaan gedragen volgens de verwachtingen die de omgeving van ze heeft. Feiten zijn dus vanaf nu drijfzand,  stelt hij.

Ook dat klinkt aannemelijk, maar is het niet. Dat Pygmalion-effect is namelijk nog steeds een vaststelling die zijn geldigheid ontleent aan feiten. Het weerspreekt op geen enkele manier die denkregel van Russell. Een experiment toont aan dat geloven belangrijk is. Die conclusie heb je juist bereikt omdat je goed naar de feiten gekeken hebt. Het ontslaat je dus helemaal niet van de verplichting om feiten te onderzoeken, het betekent niet dat geloof vanaf nu de nieuwe toetssteen voor een idee wordt. Bregman verwart hier onderwerp en methode.

Op zijn laatst op dit punt aanbeland moet je je als lezer bekocht voelen. Dat hele boek is opgehangen aan het kritiseren van enkele sociaal-psychologische experimenten, omdat de feiten zouden rammelen en hoe dat de mensheid naar de knoppen helpt. Nu, als puntje bij paaltje komt, doen de feiten er ineens niet meer toe en draait het om geloof en vertrouwen, om ‘the will to believe’.

Het wordt ludiek als Bregman de artistieke uitingen van de prehistorische mens onder de loep neemt. Hij vertelt hoe grotschilderingen bijna altijd mensen laten zien die op bizons en paarden jagen. Nooit zie je taferelen van mensen die elkaar de schedel inslaan. De primitieve mens was een vreedzaam wezen, concludeert hij, er werd niet gemoord.

Dus wat concludeert de archeoloog van de toekomst als hij de hand weet te leggen op de Netflix-archieven van de vroege eenentwintigste eeuw? Dat we maar een moordzuchtig zooitje waren, waar zelfs het meest paradijselijke eiland met 235 inwoners nog wekelijks werd opgeschrikt door een moord? Dat we nooit onze behoefte deden, want daar zijn immers geen beelden van? Natuurlijk weet Bregman dat ook wel, maar hij durft het toch op te schrijven. Zonder blikken of blozen.

 

7.

Geloof speelt een centrale rol in het denken van Bregman. Het siert hem dat hij zijn protestants-christelijke wortels niet onder stoelen of banken steekt. Hij heeft zich naar eigen zeggen van dat geloof afgewend, al weerhoudt het hem er niet van regelmatig met bijbelverwijzingen en -citaten te strooien.

Op zich is dat geen probleem. Wél een probleem is dat Bregman nog met allerlei onzichtbare draden aan dat geloof vastzit zonder dat hij er zelf erg in schijnt te hebben. Ik durf er wat om te verwedden dat het twintig, hooguit dertig jaar duurt voordat hij de weg naar geloof, kerk en bijbelclub weer terugvindt. De christelijke moraal beheerst zijn denken en zit hem in de weg. Hij wordt daarbij gedreven door een diepgeworteld rechtvaardigheidsgevoel. Zonder meer loffelijk en toch begint precies hier de schoen te knellen. Want God heeft met dobbelstenen gespeeld en het resultaat is een samenleving waarin je vast wel een rijkaard vindt die mooi, slim en gelukkig is naast een domme, lelijke en miserabele arme ziel, plus alles wat er tussen zit. Gelijkheid is ver te zoeken.

Zo, zonder hiernamaals, moet je alle rechtvaardigheid en vereffening in dit bestaan proppen. Bregman begint nu de werkelijkheid te forceren in de mal van zijn eigen wereldbeeld, en daar ontspoort hij. Het verklaart zijn ranken & yanken: goed tegen kwaad, 99-1, hemel of hel, geen middenweg. Het verklaart zijn overijverige zoektocht naar tekenen van beloning, straf en bekering in dit leven.

Legio zijn hier de gevallen waarin Bregman haast triomfantelijk vertelt hoe het de hoofdrolspelers in zijn werk vergaan is. Elinar Ostrum bestudeerde een eerlijkere verdeling van bezit en won er de Nobelprijs mee. Jeffrey Skilling van Enron ging achter tralies. Leann Bertsch, gevangenisdirectrice uit Noord-Dakota, vielen de schellen van de ogen toen ze kennismaakte met het liberale Noorse gevangenissysteem. George Kelling, een van de geestelijke vaders van de Broken Windows-theorie, en bioloog Richard Dawkins (The Selfish Gene) zagen hun dwalen nog op tijd in. Voor Robert Martinson, die ooit gevonden had dat reclassering van gedetineerden zinloos was, kwam elke redding te laat: hij koos de dood.

Bregman wil dolgraag laten zien wat er niet is: de eindafrekening. Zoiets gebeurt onherroepelijk als je niet weet of waar wilt hebben wat je drijft. Je schept de werkelijkheid naar je eigen wereldbeeld. Als denker kom je daar niet ver mee.

 

8.

Iets wat me blijft verbazen is het succes van Bregman in het buitenland. Zijn denkwereld is namelijk oerhollands. Neem alleen al die pseudo-afrekening met zijn protestantse wortels, daar snappen ze over de grens niets van. Toch gaan zijn boeken ook daar als warme broodjes over de toonbank en dat laat zien hoe aantrekkelijk en goed verpakt zijn boodschap wel niet is.

Steeds schrijft hij vanuit een Nederlandse invalshoek. Echt verwonderlijk is dat niet, wanneer je bedenkt dat Rutger Bregman het boegbeeld van De Correspondent is, het blad dat met veel tamtam een Amerikaanse tak op poten zette die vervolgens kantoor ging houden in, jawel, Amsterdam.

Het duidelijkst komt die oranje blik naar voren als het over werk gaat, over intrinsieke motivatie en leiderschapsstijlen. Verschillende culturen kijken verschillend naar arbeid en geld, maar Bregman giet een sauce hollandaise over de hele aardbol.

Nu zeg ik wel eens minder aardige dingen over mijn vaderland, maar dit moet me van het hart. Nederlanders hebben een geweldig arbeidsethos. Ook dat zal wel iets met zweet en aanschijn te maken hebben. Dwars door de hele beroepsbevolking vind je genoeg mensen die de schouders eronder willen zetten. Dat ethos heeft ook een keerzijde. Werk wordt van levensbelang, je verwezenlijkt jezelf door een baan. Geen baan of een rotbaan is dan een ramp.

Er zijn landen, en ver hoef je er niet voor te reizen, waar dat belang van werk al een stuk minder is. Een baan is daar voor velen een noodzakelijk kwaad, een bijzaak waar je je zo makkelijk mogelijk van afmaakt om je dan aan het echte leven te wijden. Geef ze maar eens ongelijk.

Bregman haalt intussen een onderzoek aan waaruit zou blijken dat wereldwijd slechts 13% van de beroepsbevolking zich ‘geëngageerd voelt op zijn werk’. Is dat echt zo weinig? In grote delen van de wereld zal men zich afvragen wat je nog meer wilt. Men zal zich bovendien afvragen waarom je je zou moeten vereenzelvigen met je werk. De gedachte alleen al dat werk meer zou moeten zijn dan een middel om brood op de plank te krijgen, zal men afwimpelen als elitair.

Die houding tegenover werk bepaalt ook de leiderschapsstijl die van land tot land verschilt. Ik dacht terug aan mijn studietijd. Als bijna afgestudeerde ingenieurs gingen we naar een lezingenmiddag waarin alumni over internationale carrières vertelden. We gingen er eens goed voor zitten. De eerste spreker vertelde over zijn leidinggevende functie bij een internationaal levensmiddelenconcern in Duitsland. Standplaats Emmerich, om precies te zijn. Dit was nou niet het avontuur dat ons voor ogen stond en er ging een gedempt geschamper op in de zaal. ‘Lachen jullie maar’, voegde de spreker ons geïrriteerd toe, ‘Jullie weten niet wat voor verschil die paar kilometer maken.’ Je hoeft alleen maar in de verschillende taalgebieden van de Benelux gewerkt te hebben om te weten hoezeer de man gelijk had.

Bregman heeft een inktzwarte en achterhaalde kijk op leidinggevenden. Zelfsturende teams zijn de droom van elke goede manager. In Nederland kan dat best aardig werken. Het gebeurt trouwens al veel vaker dan hij schijnt te beseffen. De baas is hier altijd al meer een meewerkend voorman geweest. Maar met zo’n opstelling wordt diezelfde manager in Italië als zwakkeling gezien. Ineens moet hij meer lijnen uitzetten dan hem zelf lief is.

Zeggen dat Bregman zich op zijn zendelingenmissie cultureel ongevoelig betoont is een eufemisme. Je zou hem een boek van Geert Hofstede of  Fons Trompenaars gunnen, om het bij Nederlandse organisatiekundigen te houden. Je zou hem een stage bij een buitenlands bedrijf gunnen, eender wat, eender waar. Tweehonderd landen, één systeem, het werkt niet.

 

9.

 

De economie komt er bekaaid af bij Bregman. Hij wijdt een korte passage aan de homo economicus, waarin hij alle economen van Marx tot Friedman over één kam scheert en een negatief mensbeeld toedicht. Als die homo economicus met zijn egoïstische, negatieve houding op pad gaat, leidt dat onherroepelijk tot rampen. Het neoliberalisme en de wereldwijde crisis van 2008 illustreren dit, ziet Bregman.

Maar is dit wel zo? Getuigden neoliberalisme en globalisering niet juist ook van een groot vertrouwen in de mens, zijn goedheid en zijn rationaliteit? Ze leken uit te gaan van het geloof dat je je kernactiviteiten kunt uitbesteden, je productie kunt verplaatsen naar andere landen, dat we ons minder en minder zouden bekommeren om landsgrenzen en importheffingen, dat we zorgeloos joint ventures konden opzetten met Chinese firma’s, dat niemand het in zijn hoofd zou halen je technologie te stelen, patentinbreuk te plegen, je oneigenlijk te beconcurreren. We zijn immers goed. En niet alleen dat: we zijn ook slim. Want als elk land, arm of rijk, economisch groeit en er beter van wordt, waarom zouden we dan zo’n win-winsituatie in gevaar brengen? Het spijt me, maar ik zie hier een positief mensbeeld aan het werk, op het naïeve af haast, niet afgeremd door enige bedenking.

Op de sporadische momenten dat Bregman verder nog economie aanstipt, val ik van de ene verbazing in de andere. Octrooien zouden bekostigd worden met onze belastingcenten, en ik vraag me af wie hem dat heeft wijsgemaakt. Miljarden huishoudens zouden op communistische leest geschoeid zijn, en ik zoek daar vergeefs naar de principes van planeconomie. Als hij ons kan uitleggen dat economie van het Griekse woord oikonomia stamt en dat dat beheer van het huishouden betekent, is Bregman in zijn nopjes, en ik stel vast dat hij nog nooit van het woord staatshuishoudkunde gehoord heeft.

Die onkunde verrast, zeker als je weet hoe graag Bregman onze economie wil hervormen. Maar nog verrassender is de afwezigheid in dit boek van zijn economische stokpaardje: belastingen.

Het is twee jaar geleden dat Bregman de show stal in Davos met zijn pleidooi voor meer belastingen en daarmee de staat tot ideale investeerder bombardeerde. In dit werk vind je er niets van terug. Dat is raar. Er is nauwelijks een onderwerp te bedenken waarmee hij zijn stelling dat geloof in het goede van de mens als een placebo de wereld verder helpt beter kan illustreren.

Laat ik dat verduidelijken. De relatie tussen fiscus en ondernemer, groot of klein, is in Nederland geënt op het zogenaamde horizontale toezicht, het concept van wederzijds vertrouwen. Dat werkt kennelijk: belastingen worden geïnd, de corruptie is laag.

Op de Corruption Perception Index, de ranglijst die Transparency Index jaarlijks opmaakt voor 180 landen, scoren in 2019 slechts zeven landen beter met de integriteit van hun publieke sector. Ook zo’n klassering voorkomt geen toeslagenaffaire, waarin we hetzelfde mechanisme in de omgekeerde richting aan het werk zien. Deze affaire, waarbij duizenden Nederlanders ten onrechte als fraudeurs zijn beschouwd, is juist veroorzaakt door wantrouwen. Je voelt nu op je klompen aan dat de belastingaangiftes er zo in de toekomst niet betrouwbaarder op gaan worden.

Aangiftes zijn één probleem, innen is een ander. In fiscaal verdacht Luxemburg (als negende één plaatsje lager op die CPI-lijst) wordt meer belastinggeld opgehaald dan in heel Nigeria (nummer 146), met meer dan driehonderd maal zoveel inwoners en op papier een hogere belastingdruk.

Minder vertrouwen leidt tot meer corruptie en uiteindelijk krijgt de staat minder. Als we mensen vertrouwen, kunnen we belastingen laag houden en gaat het een stuk beter met de staatskas. Nu begrijp ik ook waarom Bregman dit voorbeeld niet heeft opgepikt. De meeste-mensen-deugen-Bregman botst hier keihard met de belastingen-Bregman.

Tenzij hij natuurlijk van gedachten is veranderd over die belastingen. Daar lijkt het alvast op in de paragraaf die hij wijdt aan het Alaska Permanent Fund (APF). Het APF verzamelt sinds 1976 de inkomsten uit de oliewinning in Alaska. Jaarlijks wordt uit dit fonds een dividend uitgekeerd aan alle inwoners van de staat.

Bregman steekt de loftrompet over dit initiatief, omdat ieder voor zich nu kan beslissen waar hij zijn deel van het spaarrendement aan uitgeeft. Maar wacht even: was niet de essentie van zijn taxtirade dat de staat veel beter dan het individu kan beslissen waar gemeenschapsgeld aan besteed kan worden?

Marc Coucke, Belgisch miljardair, zal het in elk geval met hem eens zijn. Als de Belg na de verkoop van zijn bedrijf Omega Pharma door de pers onder vuur wordt genomen omdat hij geen belasting hoeft te betalen over de meerwaarde van zijn aandeel in de firma, stelt hij laconiek dat hij dat geld beter zal investeren dan de Belgische staat. Ook Bill Gates en Warren Buffett, aanjagers van The Giving Pledge, staan nu vanaf de zijlijn te klappen voor Bregman.

Zo lijkt het erop dat Bregman de laatste paar jaar een volte-face gemaakt heeft en nu vrienden in onvermoede kringen heeft. Maar het is waarschijnlijker dat economie gewoon niet zijn ding is.

 

10.

Er is iets wat hem nog minder ligt dan economie: exact denken. Bregman heeft lak aan getallen, aan alles wat met kwantificeren te maken heeft. Onverholen uit hij zijn afkeer van de cijfercultuur. Daar kun je je iets bij voorstellen als cijfers gebruikt worden om zoiets subjectiefs als smaak te beoordelen. Maar voor objectief meetbare grootheden zijn cijfers de meest betrouwbare feiten die we hebben. Als ze al liegen of vals zijn, vallen ze direct door de mand.

Bregman heeft daar geen boodschap aan. Het blijkt bijvoorbeeld uit zijn afrekening met Steven Pinker. Pinker is een experimenteel psycholoog die erom bekend staat dat hij zijn teksten uitvoerig onderbouwt met gegevens, tabellen en grafieken. Boeken zo dik dat je er iemand mee dood kunt slaan, aldus Bregman in een sporadische poging humoristisch uit de hoek te komen. Minder dan een bladzijde heeft Bregman nodig om af te rekenen met Pinker.

Wat stelt hij hier zelf tegenover? Nogal plompverloren doet hij ook een paar pinkertjes. Er verschijnen wat grafieken, één zelfs zonder asgrootheid, die niets toevoegen aan zijn verhaal en vooral als bladvulling bedoeld lijken. Hij haalt het uitgekauwde voorbeeld aan waarin de geschiedenis van onze planeet is samengeperst in één jaar en de mens pas op 31 december vlak voor middernacht zijn opwachting maakt. Dat laat hij nog eens volgen door een paginagrote jaarkalender waarop die verschijningsdatum is aangekruist. Dit voor wie niet weet dat 31 december laat in het jaar valt.

Helemaal bont maakt hij het als hij de criminaliteitsaanpak in New York aan het eind van de vorige eeuw bespreekt. Weliswaar ging het aantal moorden met 63% omlaag, stelt Bregman, een succes kun je dat nauwelijks noemen als je het toegenomen wangedrag van de politie in aanmerking neemt.

Die toename van wangedrag wil ik geloven. Hoe meer politieoptreden, hoe meer boetes er uitgedeeld zullen worden, hoe meer arrestaties er verricht zullen worden. En daar zullen onvermijdelijk ook meer onterechte boetes en arrestaties tussen zitten. Maar kijk eens naar dat getal van 63%. Waar hebben we het hier over? In zijn slordige omgang met getallen vergeet Bregman hier een paar gegevens. Hoeveel moorden werden er eigenlijk gepleegd in New York? Waren het er eerst 30 per jaar en daarna 11? Dat zou precies kloppen met die 63%.

Nee: in 1990, het jaar waarin het droevige toppunt bereikt werd, werden er 2245 moorden gepleegd. Een afname met 63% betekent 1414 minder moorden (in werkelijkheid is het aantal moorden nog veel verder gedaald en bedroeg het in 2018 289 – rvdk). Wat Bregman hier dus zegt, komt erop neer dat het wangedrag van de politie minstens zo erg is als het jaarlijks vermoorden van 1414 mensen. Zijn onwil om te rekenen en getallen in perspectief te zien leidt zo tot kwalijke nonsens.

Dat gebrek aan exact denken gaat nog veel verder dan cijferblindheid en foute rekensommen. Het duidelijkst komt dat naar voren wanneer hij de probleemstelling van zijn titel uitwerkt. Bregman houdt er een binaire visie op de wereld op na. We worden onderverdeeld in nullen en enen. Er zijn veel meer enen dan nullen, maar de nullen hebben het voor het zeggen. Maar zo werkt de natuur en ook de menselijke natuur niet. Die gedraagt zich niet als een digitale schakelaar, maar is veeleer een continu spectrum waarin je alle gradaties van de regenboog aantreft.

Daar begint het pas. Dat spectrum is niet gefixeerd, maar is in beweging. Voortdurend rollen we langs die curve. Nu komen we in de buurt van de vragen die we ons echt moeten stellen. Hoe die eenzame twitteraar de lont in het kruitvat kan steken en zo een miljoenenpubliek kan beïnvloeden. Hoe een handvol onverbeterlijke slechterikken erin slaagt om al die goedzakken, die kennelijk ook wel een beetje behaagziek en laf zijn, voor hun kar te spannen. Hoe een ondernemer als idealist à la Jos de Blok begint en als cynicus eindigt, nadat hij de kous op zijn kop heeft gekregen, zijn bedrijfsgeheimen op straat liggen, een werknemer er met de kas vandoor gegaan is.

Bregman heeft bij dit alles een statische visie. Hij beschrijft een stationaire toestand, waarin we deugen of niet deugen. Wat telt is echter hoe een samenleving van individuen reageert op verstoringen en verandering, hoe ze schokken kan opvangen of dempen. En dat zal elke keer weer anders zijn – onze realiteit is puur dynamisch. Als je die processen wilt doorgronden komen vroeger of later begrippen als kans, normaalverdeling, risico, resonantie, chaos, impuls, hefboomwerking, kettingreactie, noem maar op, van pas.

Geen woord daarover bij Bregman. Eén keer veerde ik hoopvol op, op bladzijde 121. Nu wordt het een beetje technisch, schreef hij daar. Ja, word in godsnaam een beetje technisch, smeekte ik inwendig. Maar ik kwam bedrogen uit.

In zijn complete negeren van alles wat met exact denken te maken heeft culmineert iets wat als een rode draad door Bregmans denken loopt. Iets wat voortdurend onderhuids aanwezig is en af en toe de kop opsteekt, bij zijn minachting voor economie, bij zijn afrekening met Russell, Milgram, Zimbardo. Maar pas nu werd het me echt duidelijk: ondanks halfslachtige liefdesverklaringen aan haar adres heeft Bregman een broertje dood aan wetenschap.

 

11.

Bregman doet me denken aan Michael Moore, de Amerikaanse documentairemaker. Die gelijkenis was me al opgevallen lang voordat ik toe was aan Bregmans beschrijving van de liberale Noorse gevangenissen Bastøy en Halden, die uitvoerig aan bod gekomen waren in Where To Invade Next, Moores documentaire uit 2015. Bregman betoont zich hier trouwens weinig genereus. Hij wekt de indruk dat die gevangenissen zijn trouvaille zijn. Moore wordt nergens in de tekst genoemd en moet het stellen met een piepklein verwijzinkje achterin het boek.

Beide mannen houden ervan de publieke opinie te kietelen en zijn daar elk op eigen wijze succesvol in. Maar uiteindelijk gaat de vergelijking mank. Bij Moore weet je waar je aan toe bent. Hij is wie hij lijkt. Alleen al door zijn ironische verteltoon weet je dat je zijn werk met korrels zout moet nemen. Zodra dat duidelijk is, kun je ontspannen achterover leunen en vermaakt zijn werk, ongeacht of je zijn denkbeelden deelt.

Bregman is daarentegen bloedernstig en pretendeert zoveel meer. We hebben hier immers met een denker van doen, een gezaghebbende bovendien. In zijn tomeloze ambitie wil hij alles op zijn kop zetten, hij wil politiek, economie, samenleving en organisaties omvormen. Dan wordt het ineens wel een probleem als je niets wilt weten van economie, als elke notie van exact denken je vreemd is, als je waar ook ter wereld organisaties in een Nederlands keurslijf probeert te persen, als je wetenschap voorwendt terwijl je je stiekum door geloof laat leiden, als je je ideeën niet wilt laten toetsen, als je logica permanent hapert, en dat alles nadat je om te beginnen al de verkeerde vraag gesteld hebt.

Dat is zelfs meer dan een probleem: voor een denker met internationale allure als Bregman zijn dat doodzonden, zeven zonden die elk fundament onder zijn boodschap wegkegelen.

Gevaarlijk, noemde Bregman zijn werk, en daarmee gaf hij zelf de beste typering. Gevaarlijk is het, niet omdat het machthebbers angst voor een radicale ommezwaai zou inboezemen, zoals hij stelt, maar omdat het zoveel weerklank vindt terwijl het te veel versimpelt en vervalst, terwijl het met zijn binaire aanpak nooit bedoelde tegenstellingen op scherp zet in een samenleving die naar matiging snakt.

Als de waan van de dag geweken is, zal blijken dat dat sociaal-psychologische experiment waaraan ik nietsvermoedend deelnam een daverend succes was. Het had overtuigend aangetoond dat je met groepsdwang en pakkende publiciteit honderdduizenden goedopgeleide mensen alles kon wijsmaken, ook dat een bundel ideeën van de kouwe grond iets met groots denken te maken had. Hoe je zo ook respectabele tegenstemmen zover kreeg dat ze vanzelf hun kritiek inslikten.

Dan zullen we ook de ware Bregman zien. Vast een mens om door een ringetje te halen, maar ook een denker die geen denker is, een politicus die niet aan politiek wil doen. Een prima marketeer, dat zeker, één die beter dan wie dan ook surft op de golven van de tijdgeest.

Een geniale sampler, noemde Filip Rogiers hem in de Standaard. Dat beeld sprak me enorm aan. God is a DJ. Ik zag het direct voor me: Bregman achter zijn draaitafel die een hossende menigte opzweepte. Tevreden keek hij de zaal in en zag dat het goed was. Op naar het volgende feestje. Maar ik pas even.

 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht & burgerschap, nr 2 van de 17e jaargang, april 2021.

De stinkende wonden van de zachte Corona-heelmeesters


Tergend langzaam kwam het kabinet-Rutte uit de startblokken voor actie tegen het corona-virus. Kritiek op het beleid wordt als een gebrek aan solidariteit gezien. Maar het wordt tijd de ogen te openen voor de consequenties van wekenlange bestuurlijke lethargie.

Tekst Ricus van der Kwast
Illustratie Gabriel Kousbroek

1.

Eind februari, een eenwigheid geleden in coronatijden, stuitte ik op de Global Health Security (GHS) Index uit 2019. De GHS-index is een lijst met een zeker gezag. Het is een project van de Nuclear Threat Initiative, het Johns Hopkins Center for Health and Security en The Economist Intelligence Unit, met advies van 21 erkende experts uit 13 landen. De studie meet voor 195 landen de mate waarin ze gewapend zijn tegen een pandemie en brengt zo noodzakelijke verbeteringen in kaart.

2019 markeerde de eerste editie. De lijst werd aangevoerd door de Verenigde Staten, gevolgd door Groot-Brittannië. Nederland stond op een keurige derde plaats. Ik vraag me af wat zo’n hoge klassering met je doet. Ga je tevreden achterover leunen, bekommer je je niet langer om je IC-beddenbestand, laat je je inkoopprocedures aansloffen? Het lijkt erop.

Op 31 december 2019 meldt de World Health Organization (WHO) dat er in Wuhan een onbekend virus is opgedoken dat longklachten geeft. De ziekte is te voorkomen en te beheersen, melden de lokale Chinese autoriteiten aanvankelijk. Op 22 januari 2020 besluit China Wuhan en omgeving af te grendelen van de buitenwereld. Ruim 40 miljoen mensen gaan in quarantaine. Het hele land gaat op 24 januari op een verlengde vakantie, tot en met 10 februari.

Midden februari komen de epidemiologen Ira Longini, Mark Lipsitch en Gabriel Leung elk met schattingen dat binnen een jaar 40 tot 80 procent van de wereldbevolking besmet zal raken met COVID-19, zoals het virus inmiddels gedoopt is. De WHO en anderen hebben dan al aanwijzingen dat het steftecijfer 1-2 procent bedraagt, 10 tot 20 keer zo hoog als bij een normale griepuitbraak.

Combineer die getallen, stel dat 50 procent van de wereldbevolking besmet raakt, en je komt uit op 40 tot 80 miljoen doden, als er niet vroeg en streng wordt ingegrepen. Je weet nu wat er op het spel staat.

De week daarop meldt Italië ineens 14 besmettingsgevallen in één Lombardisch dorp. Uiterlijk die dag, 21 februari, weet elk land dat het in actie moet schieten. Ga d’r maar aan staan: een nieuw virus, er is geen vaccin, onzekerheid alom en je moet een beleid uitstippelen.

Toch kun je je vastklampen aan een paar zekerheden. De groei van het aantal infecties zal direct exponentieel gaan. En je vertraagt die groei door de kans te verkleinen, door contact te minimaliseren, door isolement. Het zijn wetmatigheden, gedicteerd door statistiek en natuurwetenschap. Daarnaast heb je nog het Chinese voorbeeld: een maand ontkenning en toen moest het land op slot.

De economie zal een flinke opduvel krijgen. Maar die opduvel zal nog erger zijn als je aarzelt of gefaseerd te werk gaat. Bekijk daarvoor eens deze grafiek.

Economische schade in beeld (Ricus van der Kwast)
De figuur schetst voor twee hypothetische scenario’s de economische schade in de tijd. In scenario 1 sluit je na de uitbraak al je niet-essentiële economie totdat het virus is uitgewoed. In het tweede scenario ga je stapsgewijs te werk. Je sluit een deel van je activiteiten, gaat weer open, totdat een toename van het aantal zieken je weer tot een ingreep noopt, enzovoorts.

Het eerste scenario lijkt pijnlijk: de economie voelt direct een pijnscheut die 3 keer zo heftig is als in het tweede scenario. Dat scenario lijkt veel vriendelijker, glooiender. Maar de economische effecten duren in dit voorbeeld 8 keer zo lang en ook de totale economische schade (vergelijk het oppervlak onder beide curves maar) is echt meer dan 1,5 keer zo groot, om nog maar te zwijgen van de gevolgen op het aantal slachtoffers. Met een beetje geluk heb je wel bereikt dat een deel van de schade is uitgesteld tot na de verkiezingen.

Zijn we echt zo zeker dat deze verzonnen figuur onwaarschijnlijk is? Bekijk het anders: zou China echt uit overdreven voorzichtigheid zijn economie grotendeels gestopt hebben? Ik hoor nooit een Chinees spreekwoord waarin me niet ergens in een bijzin veel geld wordt toegewenst.

2.

De belangen van volksgezondheid en economie wezen vanaf het begin dezelfde richting uit. Maar nee, het Westen deed nog even niets. En toen het op gang kwam, zaten de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Nederland in de staart van het peloton. Hun beleid ging door een fase van ontkenning (ruwweg 2 maanden), onderschatting (2-3 weken), voordat er medio maart een U-bocht genomen werd om nog te redden wat er te redden viel.

De waardering voor hun leiders heeft hier niet onder geleden. Integendeel. Donald Trump oogstte de hoogste waardering sinds zijn aantreden. Ook Boris Johnson zag, nog voordat hij ziek uitviel, zijn rapportcijfer met 5 procentpunten stijgen. Mark Rutte zag dat meer dan 60 procent van de bevolking nu tevreden was over zijn kabinet, tegenover ruim 40 procent de maand daarvoor. Zo goed als de populariteit van Emmanuel Macron, Giuseppe Conte, Angela Merkel en alle andere regeringsleiders in die eerste maand alleen maar toenam.

Het is tekenend voor een tijd van crisis. Angstig en onzeker willen we ons scharen achter een leider die ons de weg wijst. Elk land zoekt zijn eigen Churchill. Maar het is veel te vroeg om te weten of er in deze crisis ergens een Churchill opstaat. We weten niet wie voldoende stabiel is, visie heeft en ook nog eens een dosis geluk op zijn weg vindt. Zonder de Tweede Wereldoorlog was Winston Churchill een middelmatig politicus gebleven en was zijn naam waarschijnlijk voor altijd verbonden geweest aan de Dardanellenveldtocht.

Dat populariteit piekt als het erom spant, weten we. Dat het geen garantie is voor eeuwigdurende roem verrast evenmin. John F. Kennedy en de invasie van de Varkensbaai, Jimmy Carter en de Iraanse gijzelingscrisis, George W. Bush en de Irakoorlog, stuk voor stuk historische fiasco’s, maar de populariteit van de zittende president rees aanvankelijk steeds de pan uit.

Rallying around the flag, noemen ze het in de VS. Het komt overal voor, ook Nederland ontkomt er niet aan. Maar er zit een schaduwkant aan dat fenomeen die ik niet verwacht had. Het valt je pas op als je je losrukt van de nieuwsblogs die over elkaar heen buitelen: je hoort nauwelijks kritiek meer. Althans niet op nationaal beleid. Oppositiepartijen houden zich overal gedeisd: dit is niet het moment om te scoren.

Kritiek op andere landen is er te over. Elk land vindt wel een land waar nog meer aangeklungeld wordt. België verbaast zich over Nederland, Nederland over Groot-Brittannië, Groot-Brittannië over Zweden, China verbaast zich over iedereen, iedereen over Bolsonaro, en Bolsonaro over Goerbangoeli Berdymoechammedov. Turkmenistan, die laatste.

3.

In die cruciale weken in maart lopen er in Nederland duizenden exact geschoolde mensen rond die hun ogen uitwrijven van verbazing. Ze zien dat virologen ineens het alleenrecht op rekenmodellen hebben. Ze zien dat verdachte besmettingsgevallen niet getest worden, dat Nederland als één van de weinige westerse landen het aantal genezingen niet rapporteert, dat ook het aantal doden fors wordt onderschat. Ze zien dat het RIVM dan toch wil starten om de besmettingsgraad van de bevolking in kaart te brengen, maar dat staakt omdat de website niet meer werkt.

Ze vragen zich af waarin Nederland precies verschilt van Xi Jinpings China als het RIVM begin maart met droge ogen en zonder te meten durft te beweren dat de situatie onder controle is, het virus in Brabant is opgesloten en dat het een verdere uitbraak nog hoopt te voorkomen. Dat virus is dan al in vrijwel elk Europees land opgedoken.

Maar de buitenstaanders houden wijselijk hun mond. Voor minister Hugo de Jonge van Volksgezondheid horen ze immers thuis op de tribune, samen met die miljoenen betweterige bondscoaches. Als ze niet uitkijken, zijn zij ook de hobbyvirologen waar NRC-journalist Marc Hijink het op gemunt heeft, of moeten ze zich het advies van de schrijvende huisarts Joost Zaat in de Volkskrant aantrekken: porno kijken en verder je mond houden.

Kritiek op het beleid, als is ze nog zo opbouwend, wordt als een gebrek aan solidariteit gezien, bijna een gevaar voor de volksgezondheid. Van een afstand bekeken doet het vreemd aan: een argeloze bevolking die voorlopig te vuur en te zwaard het zigzag-beleid van haar leiders verdedigt. Tegelijk wordt ze bedot als nooit tevoren door diezelfde leiders. Die lijken voornamelijk bezig om een rookgordijn op te trekken om het eigen falen aan het zicht te onttrekken.

Op 2 maart is er volgens de regering geen enkel signaal dat er al een tekort aan beschermingsmiddelen is opgetreden. Het duurt enkele dagen voordat er een tekort aan alles is: beademingsapparatuur, gelaatsmaskers, testen, bedden, verzorgend personeel. Als op 6 maart de eerste coronapatiënt in Nederland overlijdt, vermoedt minister De Jonge dat dit niet het laatste sterfgeval zal zijn. Op 13 maart betoogt de minister-president dat er geen enkele goede reden bestaat om scholen te sluiten. Twee dagen later sluiten de scholen.
Je krijgt een ongemakkelijk gevoel als je de rol ziet die de wetenschap wordt toebedeeld. Die wordt belichaamd door Jaap van Dissel, hoofd infectieziektebestrijding van het RIVM. Het heeft er veel van weg dat Van Dissel, vast een bekwaam man, bij elke bocht van het kabinetsbeleid daar argumenten bij moet verzinnen. Zolang we geen tests hebben, zijn tests niet nodig. Zolang we geen mondmaskers hebben, zijn ze niet nodig en zelfs gevaarlijk.

We luisteren even niet naar andere epidemiologen, niet naar het WHO, we kijken niet naar landen met aantoonbaar betere resultaten bij het remmen van de virusuitbraak. Die vinden dat concept van groepsimmuniteit in deze fase maar een gevaarlijke gok.

Natuurlijk weet het RIVM beter. Al in 2006 had het voorspeld dat bij de uitbraak van een nieuw virus binnen drie maanden één kwart van de bevolking ziek zou worden en 40.000 Nederlanders zouden sterven. Zou het zijn zienswijze sindsdien drastisch veranderd hebben en het daarom nu wat rustiger aan doen? De aanpak vandaag lijkt niet op een draaiboek waarop het 14 jaar gestudeerd heeft.

Ondertussen lijkt de pers zo meegezogen in een maalstroom van groter en kleiner nieuws dat ze geen kritische kik op het beleid meer geeft. Een hoofdredactioneel commentaar van NRC-Handelsblad op 21-03-20 illustreert dit. Het stuk is een nauwelijks verholen oproep om zonder te morren het kabinetsbeleid te steunen, welke kant dat ook op gaat. Het dogma dat de gezondheid van bevolking en economie haaks op elkaar staan is al voor zoete koek geslikt. Wie nu al zegt dat het kabinet verkeerd zat met zijn laissez faire aanpak, overschat zijn eigen voorspellende gave, luidt de boodschap.

Nee! Dit is niet het terrein van vage toekomstmodellen. Je zult het nooit over kunnen doen, maar je zult altijd zeker weten dat die wekenlange lethargie mensenlevens gekost heeft. Er is geen twijfel. Waarom? Omdat er wiskunde in de wereld is.

4.

Begrijp me goed: het gaat mij er niet om dat getalm en geblunder er eens goed in te wrijven. Goed, je hebt je verslapen. Je hebt de epidemie eerst voor een Chinees, toen voor een Italiaans probleem versleten. Je bent wakker geschrokken en bent de verkeerde kant uitgerend. Je hebt te laat maskers besteld. Je hebt de verkeerde maskers besteld. Met het bestellen van beademingsapparatuur wachtte je nog even tot midden maart. Het kan allemaal gebeuren. Maar wat onvergeeflijk is, is dat je niet leert van je fouten, dat je ze probeert te verdoezelen, dat je ze zelfs opfleurt met termen als ‘intelligente lockdown’ en ‘volwassen democratie’. Alsof wij, gidslanders, nog meer zelfvertrouwen nodig hebben.

Straks zullen er politici opstaan die bloed ruiken, een enkeling hoopt dat zijn naam aan een enquêtecommissie blijft kleven. De pers zal uit haar comateuze coronaroutine ontwaken en over schandalen en wanbeleid berichten.

Mij zal dat een zorg zijn. Het gaat erom dat die fouten niet meer gemaakt worden, dat er nog bijgestuurd wordt waar dat kan. Nog is het niet te laat: nog steeds kunnen er mensenlevens gered worden en kan de economische schade worden beperkt. Het gaat, kortom, om beter leiderschap.

Mark Rutte en alle westerse regeringsleiders zullen hun eigen rol moeten overdenken. Je wordt geen Winston Churchill door een buste van de man in je ovale kantoor neer te zetten, en evenmin door met je handen op je rug kordaat voor de troepen uit te benen of hele zinnen uit zijn redevoeringen in je eigen verhaal te verwerken.

Dat hele Churchill-model zit trouwens aardig in de weg. Dit is geen Blitzkrieg met een zichtbare vijand. Toen moest je mensen mobiliseren, nu moet je ze motiveren om op de bank te blijven zitten. Dat vereist een fundamenteel andere aanpak. Nu helpt het juist als je onzekerheid toont, fouten toegeeft en je mensen af en toe de stuipen op het lijf jaagt.

Bruno Bruins die in elkaar zakt, Boris Johnson die geveld wordt: zover mag het nooit komen, maar je kunt alleen maar vaststellen dat die tragische gebeurtenissen meer gedaan hebben om mensen in hun kot te houden dan de zoveelste opzwepende speech.

Beter leiderschap betekent dat je je eigen organisatie doorlicht en durft in te grijpen. Dat je je ook durft af te vragen of je zelf wel tegen je baan bent opgewassen en een stap opzij zet als het antwoord negatief is. Dat zou pas staatsmanschap zijn. Churchilliaans haast.

In crisistijd moet hokjesdenken overboord. Dus verwelkom je kennis en expertise van buitenaf. Je ziet het niet als een bedreiging. Waarom geen doorgewinterde crisismanager aan het hoofd van ziekenhuizen? Waarom niet ondernemers en inkopers met jarenlange ervaring in het importeren van technische goederen uit Azië inschakelen in plaats van te vertrouwen op je eigen vermolmde kanalen die zich laten inpakken door de eerste de beste spammailer? En je mobiliseert wetenschappers uit andere vakgebieden, je stimuleert ze om samen te werken met je eigen instituten en je zet ze niet weg als hobbyvirologen. Maar het duurt zo lang voordat hier iets op gang komt dat het er steeds meer op lijkt dat er wel erg veel te verbergen valt.

Het betekent ook dat dat je meer dan ooit op Europese samenwerking inzet. Juist nu moet je beleid op elkaar afstemmen, informatie uitwisselen. Dat is niet wat je in die eerste crisismaanden ziet. Iedereen verschanst zich in nationale bastions, en Nederland meer dan wie dan ook. Dat is levensgevaarlijk en iets waar alleen verblinde eurosceptici blij van kunnen worden. Je ziet grensoverschrijdende hamsteraars, Buitenlandse Zaken dat twee weken te laat komt met negatieve reisadviezen. Er zijn patiënten vanuit Bergamo naar Palermo vervoerd. Als je diezelfde afstand naar het noorden aflegt, zit je in Denemarken: er zijn meer dan tien landen die dichterbij liggen. Als de scherven van deze crisis zijn opgeveegd, zal bovendien blijken dat elk land zoveel aan kracht en aanzien heeft ingeboet dat het de ander broodnodig heeft.

Het vermogen jezelf en je organisatie tegen het licht te houden, hulp van buitenaf te accepteren, samenwerking over de grenzen na te streven: het zijn essentiële punten op de checklist voor goed leiderschap. Ze zijn nog steeds niet afgevinkt.

Maar er gaat nog een voorwaarde aan vooraf waaraan niet voldaan is. Het is duidelijk dat je het aantal besmettingsgevallen in kaart moet brengen om de omvang van de crisis en het effect van je maatregelen te kennen. Veel te lang bagatelliseren regering en RIVM het belang van testen.

Er duikt zelfs serieus commentaar op dat het aantal doden een betere indicatie is om op te varen. De doden betreuren we en hun aantallen vormen straks een triest gegeven in de geschiedenisboeken. Maar nee, je neemt geen beslissingen op basis van een getal aan het einde van de rit, weken later. Iedereen die een blauwe maandag naar fysische of chemische processen gekeken heeft, weet dat je aan het begin van de curve moet kijken, dat je hier de toenamesnelheid van het aantal besmettingen moet kennen. Dáárop stuur je, alleen zo speel je kort op de bal.

Er zijn lichtpuntjes. Op 7 april waarschuwt Mark Rutte voor het te vroeg versoepelen van de corona-maatregelen. Hij lijkt om en spreekt eindelijk over de schijntegenstelling tussen volksgezondheid en economie. Diezelfde dag uit Jaap van Dissel zich in eendere bewoordingen. Hij pleit bovendien voor een uitbreiding van het aantal testen.

En zo komen we alsnog in de buurt van wat we bijna twee maanden eerder hadden kunnen doen met veel minder verstrekkende gevolgen: een totale lockdown, isoleren van besmette gevallen, testen en verzamelen van gegevens, totdat er nergens meer een vuurhaard opflakkert.

Al gauw doven die positieve signalen uit. De bevolking wordt ongeduldig, voorzichtig steekt kritiek de kop op. De regeerders zien dat hun populariteit tanende is. Er is sprake van een exit-strategie, niet zo maar één, maar een verstandige, en ik hou mijn hart vast. Ineens worden er wel experts bijgesleept, die bijvoorbeeld in recordtijd corona-apps moeten ontwikkelen, dichttimmeren, selecteren. Je voelt dat zij de zondebokken van straks zijn.

Bang ben ik dat onze beleidsmakers zich nu laten leiden door de publieke opinie, als coole ouders die hun zeurende kinderen willen plezieren, maar al weten dat ze straks samen op de blaren zullen zitten.

Bang ben ik dat de maatregelen niet alleen twee maanden te laat genomen zijn, maar dat men ook twee maanden te vroeg de teugels weer laat vieren, terwijl de WHO, epidemiologen en andere modelleerders juist voor versoepeling waarschuwen omdat er op dit moment geen enkele aanwijzing is dat al meer dan zeg 10% van de bevolking immuun is .
Maar ik zet mijn angsten opzij. Het zal nu goed gaan, geblunderd is er al genoeg.

Nog even huiver ik als ik lees dat Nederland een exit-strategie voorbereidt, niet zomaar één, maar een verstandige exit-strategie. Maar ik wuif mijn twijfels weg. Het zal nu goed gaan, geblunderd is er al genoeg. We gaan het zien de komende maanden. Misschien zien we het ook terug in de nieuwe GHS-index.

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Met een grotere bijdrage steun je ons nog veel meer. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Mijn gekozen donatie € -

Publicist en chemisch technoloog Ricus van der Kwast is een vaste medewerker van De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht en burgerschap

Illustratie Gabriel Kousbroek
1 mei a.s. presenteert De Republikein een speciale editie gewijd aan de politieke gevolgen van de Corona-catastrofe, aangevuld met artikelen waarin wordt stilgestaan bij 75 jaar bevrijding. Met bijdragen van o.m. Roel van Duijn, Gerard Aalders, Manuel Kneepkens, Els de Groen, Raymond van den Boogaard, Paul Damen, Maurits van den Toorn, Gijs Korevaar, August Hans den Boef, Mark Blaisse, Ricus van der Kwast, Hans Maessen, Bart Gruson, Ries Roowaan en René Zwaap. Mis geen editie van dit unieke kwartaaltijdschrift en neem een abonnement.

Voorbij Trump, met Sjoerd de Jong over Gonzo in het Witte Huis & Els de Groen over Europees Trumpisme

VERS VAN DE PERS

De Trump-special van De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht & burgerschap. Over de nachtmerrie waarin de Amerikaanse politiek is beland, een verkenning van Trumpisme en narcistisch leiderschap in Europa en recepten tegen het extreem-rechtse reveil.

Sjoerd de Jong las het spraakmakende boek Freak Kingdom. Hunter S.Thompsons Manic Ten Year Crusade Against American Fascism, waarin Timothy Denevi de in 2005 overleden journalistieke outlaw Hunter S. Thompson neerzet als een profeet van het Trump-tijdperk en tegelijkertijd als degene die al dit onheil had kunnen voorkomen als hij niet voortijdig een eind aan zijn leven had gemaakt. ‘Stel dat de legendarische gonzo-journalist nog had kunnen twitteren’, aldus de Jong, ‘had hij dan met een stroom woeste berichten van 180 tekens, getikt in het holst van de nacht en in walmen van drank en hasj, kunnen voorkomen dat Donald Trump president was geworden? Was impeachment dan niet nodig geweest? Had het gekkenhuis waarin Amerika door toedoen van de maniak-president is beland, compleet met geraas en getier over landverraad, spionage en burgeroorlog, kunnen worden voorkomen?’ Timothy Denevi lijkt het te geloven, maar De Jong toont zich minder overtuigd. Er zat meer Trump in Thompson dan men zou hopen, en in feite deed met Donald Trump Gonzo zijn intrede in het Witte Huis. De Jong breekt een lans voor de klassieke onderzoeksjournalistiek: ´Feit is dat Thompson allang school heeft gemaakt, ook in Nederland. Kranten en sites staan bol van journalisten die hun ik beschouwen als het beste knaapje om hun bloedstollende verhaal aan op te hangen. Of die als mini-Thompsons de lezer vergasten op gesjochten ontboezemingen over hun seks, drank-en drugsleven – en over de prangende vraag wie ze een racist, fascist, Gutmensch of gewoon een lul vinden. Zet Twitter op een kier en het gebrul en gejank komt je tegemoet van bloggers die zich als bronstige bavianen op de borst staan te roffelen om zich dan weer jammerend eigenhandig aan het kruis van het vrije woord te spijkeren. Tourette is in die wereld geen aandoening, maar een diploma. Dus méér gonzo, tegen de Über-gonzo in het Witte Huis? Nee, dank u´.

Boris Johnson in het Verenigd Koninkrijk, Viktor Orbán in Hongarije, Bojko Borisov in Bulgarije, Thierry Baudet in Nederland en de rij gaat nog veel verder. Maakt het Trumpisme school in Europa? Ex-Europarlementariër en schrijfster Els de Groen ging op zoek naar de Trumpisten van Europa en doet tegelijkertijd een poging tot definitie van dit politieke fenomeen. Een Trumpist, aldus De Groen, is een narcist in een leidinggevende functie. `Zoals een populist de spreekbuis wordt van een groep en groepsbelangen nastreeft en een verlicht despoot het algemeen belang wil dienen door ieders spreekbuis te zijn, zo laat een Trumpist zich leiden door eigenbelang: het enige belang dat hij kent´. Maar een narcistische leider is een contradictio in terminis. ´Het gaat om mensen met een persoonlijkheidsstoornis die anderen manipuleren, maar die op hun beurt ook weer gemanipuleerd kunnen worden door krachten achter de schermen.´

De Italiaanse dichter en mensenrechtenactivist Roberto Malini legt uit wat de Italiaanse Trump-kloon Matteo Salvini, alias ´Selfini´, beweegt: tomeloze geldingsdrang van een lege persoonlijkheid. Salvini is zeker schatplichtig aan Mussolini, die net als hij gaarne zijn viriliteit tentoonstelde in zwembroek aan het strand. ´Ondanks de lessen van beide Wereldoorlogen is Europa nog steeds gevoelig voor de propaganda van narcisten in badkleding´, waarschuwt Malini. ´Net als Mussolini benadrukken populisten en nieuw rechts de waarden van vaderland en familie, nationale tradities en “heilige grenzen”. Ze presenteren zichzelf als de vertegenwoordigers van het gewone volk en in hun vaak schreeuwend voorgedragen speeches oreren zij over rechtvaardigheid, justitie en zelfs religie. Salvini kust publiekelijk de rozenkrans en smeekt de bescherming af van de heilige maagd voor zijn politieke programma’s. Moe van slechte politiek, corruptie, de crisis van de ideologieën en waarden, raakt een toenemend percentage van burgers in de ban van zulke verhalen, gebracht door iemand die zij zien als „een man uit één stuk“. Zo verandert narcisme van een individuele conditie in een algemene, collectieve toestand´.

Gijs Korevaar sprak met de Nederlandse politicoloog Cas Mudde, die doceert aan de Universiteit van Georgia, en onlangs zijn boek The far right today presenteerde, waarin hij methoden aandraagt om de overheersing van het extreem-rechtse discours in de huidige politieke verhoudingen te doorbreken. In de ogen van Mudde is het grootste probleem van deze tijd het ideologische vacuüm waarin de liberale democratie verkeert. Tegenover het rechts-radicale geluid staat nauwelijks een aanlokkelijk alternatief. Mudde betoogt ook dat Donald Trump veel minder de outsider is in zijn eigen Republikeinse Partij dan velen vermoeden. Mudde: ‘Het is absoluut niet waar dat Trump de Republikeinse partij heeft gekidnapt. Hij werkt precies de agenda van rechts af. Republikeinen storen zich misschien wel aan zijn tweets en aan zijn vulgaire taalgebruik, maar ze zijn het wel eens met wat hij doet.´

Maurits van den Toorn verdiept zich in het fenomeen van de impeachment in de VS. Impeachmentprocedures kunnen voor praktisch alle publieke ambten worden gevoerd, zowel op federaal als op staatsniveau. Dat heeft de afgelopen twee eeuwen enkele tientallen keren tot afzettingen van rechters, ministers en gouverneurs geleid. Zo heel uitzonderlijk is de procedure dus niet, maar er is nog nooit een Amerikaanse president door een impeachment afgezet. Van den Toorn: ´Tot dusverre is er ook nog maar vier keer een impeachmentprocedure tegen een president in gang gezet: tegen James Buchanan in 1860, tegen Andrew Johnson in 1868, tegen Richard Nixon in 1974 en tegen Bill Clinton 1998. Bij Buchanan werd in 1860 een onderzoek gestart, maar ondanks de corruptie in zijn regering werden geen impeachable offenses gevonden; er kwam dus geen formele impeachment. Bij Johnson gebeurde dat wel (wegens misbruik van het ambt), maar de benodigde twee derde meerderheid in Senaat werd nét niet gehaald. Bij Nixon liep het onderzoek naar impeachable offenses, maar voor een formeel besluit kon worden genomen om daadwerkelijk over te gaan tot impeachment, hield hij de eer aan zichzelf en stapte op. Clinton kreeg geen impeachmentprocedure aan de broek wegens zijn gerommel met stagiaire Monica Lewinsky, zoals vaak wordt gedacht – dat was vooral een kwestie van slechte smaak – maar omdat hij tijdens het onderzoek daarnaar onder ede had gelogen en de rechtsgang had belemmerd. Uiteindelijk haalde het voorstel in de Senaat niet eens een meerderheid. Als overigens één Amerikaanse president een impeachment had “verdiend”, dan is het wel Ronald Reagan vanwege de Iran-Contra-affaire´.

Jelle Jeensma las zes in Nederlandse vertaling verschenen boeken vol explosieve en meestal anonieme getuigenissen die samen een onthutsend beeld schetsen van de meest controversiële president in de geschiedenis van de Verenigde Staten. In de boeken van Michael Wolff, Bob Woodward, James Comey, Craig Unger en Luke Harding blijkt de Amerikaanse politiek in een nachtmerrie beland. Het Witte Huis is in de greep van sjoemelende sjacheraars, Russische maffiosi, uitgerangeerde generaals en een president die regelmatig in razernij vervalt. Boerenslim is Trump wel. Op een doortrapte manier speelt hij de kongsi’s in zijn omgeving uit. Verdeel en heers is zijn adagium. Woodward citeert een paar keer een uitspraak van Trump: ‘Echte macht is angst’. Als Michael Wolff tegen Trump’s gewezen vertrouweling Steve Bannon zegt dat Trump kwetsbaar was omdat hij veertig jaar de baas was geweest van wat steeds meer een semi-criminele onderneming bleek te zijn, zegt die grinnikend: ‘Ik denk dat we “semi” wel kunnen laten zitten´.

Waar Lyndon B. Johnson, Richard Nixon en vooral ook George W. Bush immer konden rekenen op harde protestsongs vanuit de Amerikaanse tegencultuur, blijft het bij Donald J. Trump tot nu toe beangstigend stil uit die hoek. August Hans den Boef schrijft over een mooie traditie waar de klad in kwam, en behandelt onder meer Country Joe & The Fish, The Fugs, Frank Zappa and The Mothers of Invention en Neil Young, die speciaal voor George W. Bush het lied Let´s Impeach The President schreef, maar in het geval van Donald Trump tot nu toe mysterieus stil bleef. Ligt dat wellicht aan het feit dat de Canadese bard enige jaren terug nog in zaken wilde gaan met zijn toenmalige fan Trump, die tijdens zijn rally´s ook nog eens Youngs Keep On Rocking In The Free World door de stadions laat galmen?

In een column buigt Ries Roowaan zich over de echte Amerikaanse nachtmerrie: het eten in hotels. ´Het ontbijt bestaat in de regel uit eieren in diverse schijngestalten, fruitsalade uit blik, ranzige bacon, cornflakes, wit toastbrood, slappe koffie, aardappelen, onduidelijke worstjes en nog wat culinaire wangedrochten – een ensemble dat zich het beste laat omschrijven als een parodie op het Engelse ontbijt. Het servies en de koffiekopjes zijn van piepschuim. Voor het snijden, lepelen en prikken is de hotelgast aangewezen op vliegtuigbestek en staat voor de uitdaging met een slap plastic mes gekoelde boter op gammel toastbrood te smeren. Het is wel makkelijk opruimen: alles gaat gewoon in de vuilnisbak. Afwassen drukt immers slechts op de winst´. En dan hebben die arme Amerikanen ook nog eens de duurste gezondheidszorg ter wereld.

Hoe krijg je een uiterst stabiel genie aan het wankelen, vraagt Ricus van der Kwast zich af. Hij vreest dat de obsessie van de kritische media voor Trump het omgekeerde effect heeft. Hoe meer hij wordt bespot, des te sterker hij wordt. En dus bepleit hij een andere aanpak. ‘Trump moet meer geprezen worden, juist door zijn tegenstanders. Niet overdreven, maar gemeend, want af en toe geeft een beslissing, een grap of een gebaar van hem daar best aanleiding toe. Het zal hem uit zijn evenwicht brengen. Nuances nemen de wind uit zijn zeilen. Zonder strijd, zonder wraakgevoelens, zonder media-aandacht is The Donald als een vis op het droge. Hij zal langzaam wegkwijnen. Misschien trekt hij zich zelfs eigener beweging terug‘.


EN VERDER IN DIT NUMMER

Is het haalbaar een oordeel van de rechter uit te lokken over de vraag of de Koning te veel (onverenigbare) bevoegdheden heeft? Die vraag legde het Republikeins Genootschap voor aan de jonge jurist Ewout Jansen, ex-adviseur van de Hoge Raad en ook bekend als cabaretier. Tegenover De Republikein licht Jansen zijn onderzoek toe. Hij wijst erop dat de Koning voorzitter is van de Raad van State, die de regering adviseert over wetgeving. Daarnaast staat de Koning aan het hoofd van de regering. Jansen: ‘Als voorzitter van de Raad van State adviseert de Koning dus zichzelf. Bovendien benoemt en ontslaat de Koning de leden van de regering. Ook alle rechters in Nederland moeten worden benoemd en ontslagen door de Koning. Daarnaast is de Raad van State – behalve een adviesorgaan over wetgeving – ook de hoogste bestuursrechter in Nederland’. Hij concludeert: ‘Wie niets weet van de theorie en de praktijk van Nederlandse staatsinrichting en enkel de Grondwet leest, kan niet anders dan concluderen dat de Koning de absolute macht heeft in Nederland´.

In zijn redactionele inleiding staat De Republikein-hoofdredacteur René Zwaap stil bij de indrukwekkende rede die hoogleraar vergelijkende wetenschapsgeschiedenis Wijnand W. Mijnhardt hield bij zijn afscheid van de Universiteit van Utrecht. Mijnhardt bepleitte bij die gelegenheid eerherstel voor de Bataafse Republiek en reanimatie van het republikeinse gedachtengoed in Nederland. Mijnhardt: ´Ik droom vaak hoe mooi het zou zijn ons opnieuw te laten inspireren door de rijkdom van een opgefrist laat achttiende-eeuws vaderlands republikanisme en het koekoeksjong van de liberale monarchie uit ons nest te verbannen. Behalve geraffineerde dynastieke politiek en eigenbaat, respectloze omgang met constituties en vluchtig, als nationale symboliek verpakt volksvermaak, heeft de Oranjemonarchie ons weinig gebracht en bij een sociaal republikanisme hebben we veel te winnen.’ Zo’n oproep mag niet onbeantwoord blijven, aldus Zwaap. ´Daarom zal De Republikein in de eerstvolgende editie een aanzet leveren tot zowel een republikeinse Grondwet als tot een beginselprogramma van een nieuwe republikeinse partij in de lijn van Mijnhardt. Mis het niet!´

In zijn vaste column voor De Republikein staat Roel van Duijn stil bij het 50-jarige jubileum van de Kabouterbeweging, die in Amsterdam met de Kabouterpartij in 1970 zijn intrede maakte in de gemeenteraad en ook de Oranjevrijstaat in het leven riep, vrij van koningshuis en consumptiemaatschappij. De boodschap van de Kabouters heeft niet aan zeggingskracht ingeboet en maakt anno 2019 internationaal school.

Incompetentie is de koning van de doofpot, aldus de analyse van onze huisjurist H.U. Jessurun d´Oliveira van de estafette van lek- en lakschandalen bij de diverse Haagse departementen, waar ambtenaren die uit de school klappen over misstanden op de ambtelijke werkvloer worden beschuldigd van schending van het ambtsgeheim en worden verketterd. Inmiddels haalde minister Grapperhaus van Justitie bakzeil met zijn voornemen om een ambtenaar die had gelekt over onrechtmatige beïnvloeding van het WODC te vervolgen. Jessurun d´Oliveira neemt het voor de klokkenluiders op. Sterker nog: ´Ambtenaren hebben soms de plicht aangifte te doen van ambtsmisdrijven‘. Hij gaat ook in op de schandalen rond de onrechtmatige stopzetting van kinderopvangtoelagen bij de Belastingdienst en bij de verdachte toestanden op Buitenlandse Zaken, waar ambtenaren weer niet genoeg weglakten uit WOB-documenten, zodat plotseling bekend werd dat het ministerie strijdgroepen in het buitenland ondersteunt die volgens het Openbaar Ministerie als terroristische organisaties worden gebrandmerkt.

In zijn vaste column voor De Republikein verdiept historicus Gerard Aalders zich ditmaal in de mededeling van de Rijksvoorlichtingsdienst dat de koning op buitenlandse handelsmissies de ene na de andere miljardenorder binnensleept voor het nationale bedrijfsleven.

Ries Roowaan schrijft over Nigel Farage, de Britse Trump-kloon die de Britten opscheepte met Brexit, maar wiens eigen politieke loopbaan dankzij het districtenstelsel nooit verder reikte dan het Europees Parlement.

Waarom hullen officieren van justitie, verdedigers en rechters zich nog steeds in middeleeuwse geleerdenkleding? ´Uit die toga´s!´, bepleit classicus Anton van Hooff. ´In de openbare ruimte dienen uniformen ter (h)erkenning van gezagsdragers, maar in de rechtszaal is geen misverstand mogelijk. Daar leiden de toga’s tot een misplaatst afdwingen van respect en het misverstand dat aanklagers en advocaten tot de rechterlijke macht behoren´.

In de rubriek Appeltjes van Oranje aandacht voor de erotische escapades van Prins Hendrik, de grootste schuinsmarcheerder die het Nederlandse koningshuis heeft voortgebracht. Het seksschandaal rond de Britse prins Andrew verbleekt bij de levenswandel van prins Hendrik, die zich niet alleen bediende van prostitue(e)s van beiderlei kunne, maar zich ook nog eens vergreep aan de jeugdige padvinders waar hij als erevoorzitter van de Nederlandse scouting makkelijk toegang toe had. ´Het leven van prins Hendrik was één groot seksschandaal´.

‘Impeach de koning!’ In zijn vaste column buigt Republikeins Genootschap-voorzitter Hans Maessen zich over de wenselijkheid dat de Nederlandse Grondwet zou voorzien in een afzetclausule voor de koning. Willem-Alexander voldoet royaal aan de voorwaarden: ´Hij vangt dubbele inkomsten voor zijn meubeltjes, declareert verkeerd, maakt misbruik van hem ter beschikking staande gebouwen en voertuigen, verkoopt staatseigendom voor eigen gewin, enzovoort. Iedere andere burger dan de koning zou voor dergelijke vergrijpen gegarandeerd voor schut gaan´.

Twee boekbesprekingen completeren dit nummer. Maurits van den Toorn bespreekt Mathijs van de Waardts biografie van Dirk Donker Curtius, De man van 1848. Donker Curtius (1792-1864) was zowel een politieke straatvechter als een heer, zowel een republikein als een vertrouweling van koning Willem II. Zijn bijdrage aan het slagen van de Grondwet van 1848, die de absolute monarchie aan banden legde, werd schromelijk onderschat ten gunste van de mythe rond Thorbecke, maar Van de Waardt vult deze lacune voorbeeldig op.

Paul Damen las Rutger Bregmans De meeste mensen deugen met stijgende ergernis. ´Bregmans boek doet nogal denken aan een aflevering van Discovery Channel´, merkt hij op. ´Na Bregmans boek is mij nog steeds niet duidelijk welke mensen deugen, en waarom. Alleen weet ik wél: dit boek deugt voor geen donder´.

Plus: de Blik van Joep Bertrams, illustraties van Gabriel Kousbroek en cartoons van Ardy Beld.

Nr. 4/2019 van ‘De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, geschiedenis & burgerschap’ is te koop bij de geselecteerde boekhandel of na te bestellen bij de uitgever via klantenservice@virtumedia.nl. Mis geen nummer meer van dit unieke kwartaaltijdschrift en neem een abonnement.

Het bouwwerk van de EU moet nu echt af, en snel ook

Het bouwwerk van de EU moet nu echt af, en snel ook, aldus Ricus van der Kwast in een essay waarin hij de euroscepsis van Thierry Baudet en Derk-Jan Eppink fileert als een economische zelfmoordstrategie.

Tekst: Ricus van der Kwast

Twee, hooguit drie uur met de auto en ik ben in Amsterdam, Parijs of Düsseldorf. Binnen een straal van amper honderd kilometer van mijn huis vind ik grond waarop de landstaal Nederlands, Frans, Duits of Letzeburgs is, Vlaams en Waals nog daargelaten. Ik woon midden in Europa, houd ik me dan voor. En zo houd ik, stadsmens, het weer even uit in dat diep verdoken gehucht waar ik al veel te lang woon.

Nu al de helft van mijn werkende leven heb ik mijn kantoor in meer dan één land tegelijk. Een echte Europeaan, werd me toegevoegd als ik iets over mezelf vertelde. Ik kon daar weinig mee. Ik hield van de schoonheid en het spel in Italië, van de stille slimheid in België, van de Hollandse daadkracht, en die lijst kon ik nog een stuk langer maken. Maar het waren altijd de verschillen die me fascineerden, de overeenkomsten zag ik niet. Het echte Europa, wat was dat?

Hoe vaak ik Kaas van Willem Elsschot ook herlees, er zitten scènes in die me steeds weer doen knikken en grinniken. Er is het moment waarop Frans Laarmans zich moet haasten om zijn twintig ton Edammer kazen in ontvangst te nemen en er een veilig heenkomen voor moet zoeken. Enkele pagina’s verderop weet Laarmans met één klap op tafel de importtarieven op Hollandse kaas te halveren. Kaas is in 1933 geschreven en is voor mij, klein ondernemer als Laarmans en nauwelijks succesvoller, heel herkenbaar. Inklaren, wachtgeld, opslag, importtarieven, de hele papierwinkel, ik kan er van meepraten. Behalve dat je voor Nederland nu Thailand, China of Saoedi-Arabië moet lezen.

Kanarie in de kolenmijn
Een ondernemer is als een kanarie in de kolenmijn. Lang voordat anderen daar lucht van krijgen, voelt hij de politieke, sociale en economische veranderingen die op til zijn. Ondernemers zijn mensen die de grenzen opzoeken, ook letterlijk, zoals de Nederlandse boeren die na de val van het communisme massaal hun heil in Polen zochten. Ondernemers bouwen iets op, vaak uit het niets, en gaan daarbij risico’s aan. Voordat je het weet blijf je met die kazen in je kelder zitten.

Vrij verkeer van personen binnen de Europese Unie was een uitkomst voor zo iemand als ik. Het betekende niet alleen paspoortloos reizen, maar ook dat je je kon vestigen waar je wilde binnen de EU. En vrij verkeer van goederen betekende dat importtarieven en douanecontroles tot het verleden behoorden. Bovendien was het afgelopen met per land verschillende verpakkingseisen, accreditaties, conformiteitsverklaringen. Wie de toelating voor zijn product in één EU-land had, kon voortaan overal binnen de EU aan de slag.

De grootste winst kwam van de invoering van de euro in 2002. Onkostendeclaraties waren niet langer tijdvretende speurtochten naar wisselkoersen, maar rechttoe rechtaan invuloefeningen. Zes portemonnees, ieder voordien met zijn eigen muntsoort, konden bij mij zo de prullenbak in. Voorbij was de tijd van verdampende valuta’s bij elke grensoverschrijdende geldtransactie.

Tegelijk bekropen de eerste twijfels me. Terwijl landen die de founding fathers van de EU waren elkaar nog voorzichtig besnuffelden en probeerden hun administraties en procedures op elkaar af te stemmen, kwamen er in korte tijd twaalf nieuwe lidstaten bij. Hoe meer EU er kwam, des te verder weg leek de Europese gedachte. Nationale overheden, hun ambtenaren, wantrouwden die nieuwe klasse van forensen waartoe ik mijzelf mocht rekenen. Ik zag het, maar hield mijn mond.

Wie als Belg in Nederland woonde, deed dat voor de belastingen. Wie als Nederlander in België woonde, deed dat voor de belastingen. Wie in Luxemburg woonde was sowieso verdacht. Haperende harmonisatie tussen langjarige bondgenoten, buurlanden aan de ene kant, integratie van Polen en Roemenen aan de andere kant: ging het nou te snel of juist te langzaam met die EU?

De bankencrisis van 2008, uitmondend in een economische crisis, hielp niet echt. De geglobaliseerde economie werd verantwoordelijk gehouden; internationale handel moest het ontgelden. Als in het voorjaar van 2010 Griekenland van een bankroet gered moet worden, is voor menigeen de maat vol. Nu moest eindelijk maar eens het nationale belang voorop staan. Een echte Europeaan, dat klonk steeds meer als een verwensing, zoals internationalist of kosmopoliet. De tijd leek nu eerder rijp voor gordijnen, muren en Polen-meldpunten.

Weinig opgeschoten
De migrantenstroom in 2015 deed de rest. Werken over de grens werd voortaan geassocieerd met belastingontduikers, uitkeringsfraudeurs en potentiële terroristen. Zo weinig zijn we vandaag opgeschoten. Het bouwwerk Europa brokkelt al af voordat het overeind staat. Eenwording is niet aan de orde, maar ook afstemming tussen de landen is ver te zoeken. Die kantoren in verschillende landen zijn nodig voor me, maar tegelijk een blok aan mijn been.

Wie in meer dan één land werkt, wordt eerst maar eens overal vol belast en nergens verzekerd, tegen alle EU-regels in. Loonkosten in Europa variëren van 5 €/uur in Bulgarije tot 43 €/uur in Denemarken. Nettosalarissen in buurlanden Nederland en België ontlopen elkaar niet veel. Maar een nettojaarsalaris van 30.000 € all-in kost een Nederlandse werkgever 51.000 € en een Belgische 59.000 €, een verschil van 16%.

Intussen kan de EU politiek geen vuist maken. De Europese economieën verliezen terrein. In 2030 hoort hooguit Duitsland nog bij de tien grootste ter wereld. Van de vijf meest waardevolle firma’s in Europa zijn er drie Zwitsers (Nestlé, Novartis en Roche). Van de twintig grootste technologiebedrijven ter wereld komt er welgeteld één uit Europa (SAP).

Europa glijdt af. Is dit niet het moment waarop we moeten toegeven dat de EU mislukt is? Dat we het project-EU maar beter kunnen afblazen, een kruis erover, een strik eromheen en archiveren voor het nageslacht? Is dit niet het moment waarop ik als euroscepticus uit de kast moet komen?

Nee. Het echte Europa, daar blijf ik mee worstelen. Maar tegen de EU zeg ik volmondig ja, hoe vaak ik ook op haar tekortkomingen gebotst ben. Dat leek een tegenspraak. Er was een praatprogramma van Eva Jinek voor nodig om dat scherp te krijgen. Op 11 april maakten Thierry Baudet, voorman van het Forum voor Democratie, en Derk-Jan Eppink, lijsttrekker voor de Europese verkiezingen van dezelfde partij, er hun opwachting. Het werd een wat tamme vertoning; de heren werden niet echt uitgedaagd. Maar toen Baudet de Europese visie van zijn partij samenvatte, veerde ik op. We zijn voor Europa, maar tegen de EU, klonk het. Helder geformuleerd, en complete kolder.

Hoe kun je nou voor Europa zijn? Europa is een geografische toevalligheid. Hoeveel van die 140 miljoen Russen bij Europa gerekend moeten worden, weten we niet precies. Een deel van Istanboel hoort er bij, Carthago, ooit centraler in het Romeinse Rijk dan pakweg Milaan, dan weer niet. Voor Europa: je kunt net zo goed voor de zon of de maan zijn, en tegen zwarte gaten.

En hoe kun je tegen de EU zijn? Alle frustratie komt juist omdat de EU nog niet af is, vertraagd door de inertie en botweg tegenwerking van de lidstaten. Je kunt eindeloos debatteren over de EU, nostalgisch zwijmelen over vergane glorie en referenda houden, maar aan het eind van de rit zijn er geen levensvatbare alternatieven. Dus voor de EU: ze is onontkoombaar, of we het nou leuk vinden of niet.

Losgeslagen van de werkelijkheid
Niet dat je de EU haar gang kunt laten gaan en dat alles op zijn pootjes terecht komt. De Europese Unie is een loodzwaar bureaucratisch complex geworden, waar verspilling regeert, waar parlementariërs te hoge salarissen en onkostenvergoedingen als schadeloosstelling zien. Maar ze is vooral losgeslagen van de werkelijkheid. Geen zinnig praktijkmens zou bijvoorbeeld Griekenland in zijn staatsschuldencrisis zo de duimschroeven hebben aangedraaid. Je bent dolblij als je van een nagenoeg failliete club de helft van je vorderingen terugkrijgt. Over interesten maal je al helemaal niet.

De EU heeft met haar rigide opstelling Griekenland in de armen van China gedreven

De EU heeft met haar rigide opstelling Griekenland in de armen van China gedreven, dat maar al te graag de portemonnee trok. De haven van Piraeus, de snelst groeiende haven van Europa, is vandaag in Chinese handen. De EU heeft haar eigen positie ondergraven.

Het profiel van de hedendaagse politicus past niet meer bij de eisen van een steeds meer verbonden wereld. Een onevenredig groot deel van de politici is jurist. En juristen trekken juristen aan als collega’s en opvolgers. Rechten is zo ongeveer het nationale vak bij uitstek. Maar ook andere politici lijken zich niet echt van de internationale dimensie van hun baan bewust te zijn. Het was al omineus dat Helmut Kohl en François Mitterrand, aartsvaders van de EU zoals we die vandaag kennen, allebei monoglot waren.

Profvoetballers, magazijnbeheerders van logistieke firma’s en eigenlijk een flink deel van de beroepsbevolking hebben vandaag meer buitenland in hun baan dan een politicus. Maar die politicus wil zich in het Europees Parlement laten verkiezen. Dat wringt.

Die kloof tussen politici en hun achterban wordt natuurlijk erkend. Er is een nieuwe kaste politici die daar vol op inspeelt. Eurosceptici, vrijwel zonder uitzondering. Ze financieren hun activiteiten met EU-gelden. Het Rassemblement National van Marine Le Pen deinst er niet voor terug spookbanen in het leven te roepen om zo nog wat meer fondsen van de EU los te peuteren en knoopt verder de eindjes aan elkaar met bijdragen uit Rusland. De nauwe banden van Alternative für Deutschland, Vlaams Belang, de Oostenrijkse FPÖ, de Italiaanse Lega Nord met Poetin’s Rusland baren zorgen. Ook de goedwillende euroscepticus moet beseffen dat hij kwetsbaar is voor manipulaties die geen enkel ander doel dienen dan Europa uit elkaar te trekken.

Frisse nieuwkomers vind je hier weinig, wel politici die een gat in de markt zagen en die nog verder van de realiteit los zijn dan de conventionele politici. Derk-Jan Eppink vindt bijvoorbeeld dat de Britse economie het uitstekend doet, beter dan die van de eurozone. Elders ziet hij als één van de zegeningen van Brexit een wonderbaarlijke vermindering van regelgeving en papierwinkel. Het zal lang geleden zijn dat Eppink nog met iemand uit het bedrijfsleven gesproken heeft. Als ik vandaag een doos met een blik verf naar Oostenrijk of Frankrijk stuur, kost me dat 100 euro. Stuur ik diezelfde doos naar Zwitserland, dan betaal ik 250 euro. Die extra 150 euro gaan op aan alle papieren formaliteiten die nodig zijn omdat Zwitserland geen EU-lid is, en dat ondanks de prima afspraken die we hebben binnen de Europese Economische Ruimte.

Eppink laat zich er op voorstaan dat hij insider is in de EU, op grond van zijn ervaringen in de Europese commissie en later als Europees parlementslid. Een insider in een ivoren toren, dat lijkt me de beste beschrijving van een buitenstaander. Politici als wereldvreemde buitenstaanders, die de voortgang van het project-EU bepalen of beperken, dat verklaart veel van wat er vandaag aan schort.

Chinese schuldenval
De tijd van de Europese naïviteit is voorbij, horen we dan ineens. De directe aanleiding vormt China, dat zijn zijderoute in steeds meer landen uitrolt. Met het Belt and Road Initiative (BRI) probeert het inmiddels in meer dan zestig landen zijn grip te vergroten op infrastructuur en strategische sectoren. Tegelijk probeert het zijn model van autoritaire, staatsgeleide economie te exporteren, als alternatief voor de westerse liberale democratie.

China gaat het liefst in zee met individuele landen. Het zijn geen overeenkomsten op basis van gelijkwaardigheid, ze dienen om China’s invloed te vergroten. Voor de benodigde investeringen verschaft China kredieten aan die landen. Zo creëert het de ‘debt trap’: een groeiend aantal landen, vooral in Afrika, komt in die wurggreep terecht. In de zogenaamde 16+1-groep heeft China met elf Oost- en Middeneuropese EU-lidstaten en vijf Balkanlanden akkoorden afgesloten. Eendere afspraken hebben Griekenland, Portugal en recentelijk Italië met China gemaakt, ieder afzonderlijk.

Naïef, dat zijn we zeker, de eurosceptici voorop

Naïef, dat zijn we zeker, de eurosceptici voorop, met hun dromen van lieflijke natiestaatjes die allemaal onafhankelijk bloeien. Daarvoor heb je al de geschiedenis van een Zwitserland nodig én moet je iets bijzonders bieden, horloges, banken, geneesmiddelen, dat soort dingen. Met de haven van Rotterdam red je het niet.

Als Donald Trump medio 2017 de VS terugtrekt uit het klimaatakkoord van Parijs, zijn we woedend en verslagen. Maar er heerst ook optimisme binnen de EU. Kranten koppen dat we nu zij aan zij met China gaan optrekken op weg naar nieuwe internationale samenwerkingsverbanden, misschien een nieuwe wereldorde. De kanarie in de kolenmijn, de ondernemer die in China actief is, weet dan al minstens vijftien jaar dat zoiets niet kan werken. Hij weet dat een win-winsituatie een uitgekauwd westers begrip is dat geen Chinees equivalent heeft. Je wordt afgeknepen, je sluit compromissen met je geweten, al is het alleen maar omdat je elke verwijzing naar een sympathiek land als Taiwan moet vermijden, en uiteindelijk verlies je, onherroepelijk. Maar de ondernemer heeft zich niet laten horen. De zangvogel is zijn stem kwijt.

Met buitenstaanders aan het roer en experts die geen kik geven of niet gehoord worden zijn we in de aap gelogeerd.

Wakker geschrokken

‘Then Europe’s long-restrained instinct for self-preservation kicked in.’ Columnist Charlemagne zei het prachtig in de Economist toen hij de stemmingswisseling in Europa beschreef. De Europeaan, oud, moe en mild geworden, dacht niet meer in machtsstructuren, hij had geen leger meer nodig. Hij was vol vertrouwen. Maar hij is wakker geschrokken.

Europa glijdt af, het klopt, het zal achterop raken in de vaart der volkeren. Maar hoe erg is dat precies? De Gouden Eeuw ligt alweer een tijdje achter ons en toch boert Nederland nog best aardig. Dat neemt niet weg dat we zo lang mogelijk moeten zien aan te haken bij het koppeloton en waar we een voorsprong hebben die moeten zien te behouden.

Internationalisering of globalisering is geen uitvinding geweest van neoliberalen of van welke andere economische stroming dan ook, het is een gevolg van technologische vooruitgang. In die wereld is het zaak dat we ons bewust bewust worden van machtsfactor nummer 1: inwoners. Continenten groeien qua welvaartsniveau meer en meer naar elkaar toe. Het aantal inwoners van een land of groep landen bepaalt dan steeds meer de omvang van zijn markt, en daarmee zijn belang in de wereld.

De Europese Unie heeft 513 miljoen inwoners en is nu nog het grootste economische blok ter wereld. In 2050 zal Europa het enige continent ter wereld zijn waarvan de bevolking gekrompen is. De grootste stijger is Afrika: in 2050 zullen er 1,3 miljard Afrikanen bij gekomen zijn. China heeft dat snel begrepen. Maar het is niet de enige. China, India, Turkije, Rusland: sinds 2006 hebben ze allemaal hun handel met Afrika meer dan verdrievoudigd. In diezelfde periode steeg het handelsverkeer tussen de EU en Afrika met een magere 41%. De EU heeft deze boot grotendeels gemist.

Er is nog een tweede kans, maar die wordt nooit als zodanig herkend. Immigratie uit Afrika wordt louter als probleem, als crisis behandeld. Eigenaardig daarbij is dat juist de landen die het hardst leeglopen (Oost-Europa, Italië), het felst gekant lijken tegen immigratie. Natuurlijk: immigratie moet legaal zijn en strikt gecontroleerd verlopen. Maar ook in ons belang moeten we niet beknibbelen op die quota, maar ze eerder flink optrekken. Het zou wel eens de beste kans kunnen zijn om ook in 2050 nog een aantrekkelijk en welvarend werelddeel te zijn.

Meer richtlijnen
De tweede remedie voor de EU lijkt op het oog ook wat controversieel: meer richtlijnen. Ik bedoel dan niet de kleine regels, zoals die – overigens bij elkaar gefantaseerde – richtlijn die de kromtegraad van bananen vastlegt. Nee, ik bedoel de wetgeving op grote gebieden. De EU heeft op dit punt flink het voortouw genomen. Ik denk aan de boetes die Google opgelegd werden vanwege misbruik van zijn marktpositie, aan de General Data Protection Regulation (GDPR) die de privacy van consumenten waarborgt, en aan de digitale regels die het auteursrecht beschermen. In mijn eigen branche is er REACH (Registration, Evaluation, Authorisation and Restriction of Chemicals), de meest complexe wetgeving in de EU, een wetgeving die alle chemische stoffen die in de EU gebruikt worden betreft.

Het zijn bureaucratische gedrochten die voor alle mogelijke verbeteringen vatbaar zijn – geloof me, ik heb wat gefoeterd op REACH. Maar het initiatief is briljant. Zonder handelsoorlogen te riskeren pas je een subtiele vorm van protectionisme toe. Je dwingt iedereen die actief wil zijn op jouw markt strengere eisen te respecteren, hogere standaards na te streven. Het stimuleert innovatie in technologieondernemingen, versnelt de intrede van een nieuwe, respectvollere generatie social media. Het zet mensen aan om ideeën, producten en processen te ontwikkelen met een betere uitwerking op klimaat, gezondheid en milieu. Middelen voor onderzoek en ontwikkelingen zijn er genoeg. 95% van het geld dat de EU jaarlijks ter beschikking stelt aan regionale ontwikkelingsfondsen wordt niet opgehaald.

Als EU neem je zo het heft in handen. Die markt van 513 miljoen mensen is immers te groot voor anderen om te negeren. Maar kunnen wij al die ambities realiseren met de EU in haar huidige gedaante, met haar huidige structuur?

Halfslachtige schaduwstructuur
Nauwelijks. Allereerst zal de Europese Raad zichzelf zo snel mogelijk moeten opheffen als hij niet langer de geloofwaardigheid van het Europees Parlement wil tarten. Die halfslachtige schaduwstructuur vergroot zo onwillekeurig nog het aantal inbreukprocedures tegen lidstaten en rechtszaken die bij het Europese Hof van Justitie worden aangespannen.

Natuurlijk kunnen de Europese Commissie en het Europees Parlement kleiner, slanker, goedkoper, en daar moet werk van gemaakt worden. Maar bovenal hebben we andere politici nodig, geen gerecyclede Derk-Jan Eppink, maar een praktischere soort. Dit is geen oproep om het parlement dan maar te bevolken met self-made miljonairs en technocraten. Het is wel een oproep om politici te vormen, meertalig het liefst, met heuse internationale ervaring, niet opgedaan in een of andere denktank of op het advieskantoor van een Brusselse lobbyist, maar in het veld, waar je de waarde van geld en de risico’s van je handelen leert inschatten.

Europa, althans een deel daarvan, is wakker geschrokken en heeft een ontluisterende ontdekking gedaan: het draait om macht en knikkers, nog steeds. Het machtsblok-EU, met een half miljard mensen en meer, dat vol inzet op zijn economische politiek, dat moet onze hoogste prioriteit zijn. Alle andere kopzorgen die de EU-burger heeft komen zo vanzelf aan bod, ze zijn er de afgeleide van:

Sociale zekerheid vaart wel bij een florerende economie en kan, zoals Geert Van Istendael in een recent essay in het tijdschrift Rekto:Verso stelde, een jaloersmakend exportproduct zijn.
Klimaat, milieu en gezondheid zijn drijfveren voor onderzoek en essentiële pijlers voor een succesvol economisch beleid.

Immigratie, gecontroleerd, maar continu en stijgend, zorgt ervoor dat we in de tweede helft van deze eeuw geen wegkwijnend bejaardenhuis zijn.
Om je nationale identiteit veilig te stellen heb je een sterke EU nodig. Dat is de beste garantie dat je in de loop van deze eeuw niet kopje onder gaat en dat je natiestaat niet verwordt tot een leeggeplukte toeristische attractie.

Maar we komen alleen van die kopzorgen af als aan de beginvoorwaarde, een krachtige EU met een gezonde economie, voldaan is.

Het EU-bouwwerk staat nog in de steigers, maar moet nu echt af, en snel ook. Het had allemaal sneller gemoeten, hier en daar ook langzamer, in elk geval beter en slimmer. Die discussie is vandaag niet meer belangrijk. Laten we die voorgeschiedenis maar zien als onvermijdelijke groeistuipen. Zo goed als we ons ook niet gek moeten laten maken door incidenten, hoe vervelend ook. Als we ons door de opvliegingen van Donald Trump, immigratiegolven of een tegenvallend loonstrookje in de armen van China of charlatans storten, of isolement verkiezen, zijn dat beslissingen die we de rest van deze eeuw zullen bezuren.

Ik kijk vanuit mijn woonplek uit over een eenzaam weiland. The middle of nowhere. Weer trek ik denkbeeldige cirkels. Midden in Europa, hartje EU, waarom ook niet, ik kan er vrede mee hebben. We zingen het hier nog wel even uit.

De ontvoering van Europa

In aflevering 2 van de 15e jaargang van kwartaaltijdschrift De Republikein staat het vizier vol op Europa. Zoals in de Griekse sage het Fenicische prinsesje Europa op de rug van een witte stier werd geschaakt door Zeus, zo dreigt de Europese Unie nu in handen te komen van populisten, neo-totalitaristen, proto-fascisten en ander politiek gespuis. In het redactioneel roept De Republikein-hoofdredacteur René Zwaap op tot de vorming van een progressieve, pro-Europese en pro-duurzame republikeinse partij in Nederland: ‘Juist in een tijd dat traditionele democratische waarden geen vanzelfsprekendheid meer zijn, en Vladimir Poetin ten bate van zijn ondermijningscampagne van de Europese Unie via zijn facebooktrollen kennelijk met succes verkiezingen weet te manipuleren in welke gevestigde westerse democratie dan ook, is het van het grootste belang te bewijzen hoe dynamisch en veerkrachtig die democratie in werkelijkheid is, zowel in Europees als in nationaal verband. Zolang het extreem-rechts is dat aan de haal kan gaan met de diepe maatschappelijke onvrede en het revolutionaire sentiment onder zowel boze vijftigers als de jeugd dreigen de Europeanen op de ruggen van white supremacy-voorvechters en ander politiek gespuis te worden meegesleept in een zee van woelingen en afbraak. Een radicale hervormingsagenda voor het hart van het Nederlandse staatsbestel zou heel goed een antiserum kunnen zijn tegen de onttakeling van de democratische rechtsstaat. Maar dan is het zaak zo’n hervorming te koppelen aan een breder politiek programma. Niet alleen het monopolie van de monarchie dient doorbroken, ook monopolies in macht, kennis en inkomen. De tijd is er rijp voor.’

‘De zege van Thierry Baudet onthult dat Nederland minstens een-en-eenkwart miljoen kiezers heeft die gevoelig voor complottheorieën zijn’, schrijft Roel van Duijn in een bijdrage die deze politieke groeimarkt in historisch perpectief zet. ‘Wat veel Baudetkiezers niet beseffen is dat hij deel uitmaakt van een wereldwijde beweging die overal schermt met deze complottheorieën, en daarbij graag samenwerkt met dictator Poetin. Mensen zoals de Duitse AfD-politicus Björn Höcke die evenals Baudet de mond vol heeft over “de renaissance” van de “beschavingsfamilie”, en met dat laatste het witte ras bedoele. Wat niemand schijnt te zien is dat de FvD-leider zijn complottheorieën gebruikt om een manier die overeenkomst vertoont met de Dolkstoot-legende. Dat was de complottheorie waarmee de Duitse legerleiding en de jonge Hitlerbeweging na de Eerste Wereldoorlog de schuld voor de militaire nederlaag afschoven op de ‘dolkstoot in de rug’: van Joden en linksen. Ook die elites bezwendelden zogenaamd in het verborgene het gewone volk omwille van eigen gewin. In die dramatische dolkstootlegende is zowat het hele Duitse volk gestonken. Baudet is geen Hitler, maar zijn propagandatechniek bedient zich van dezelfde intellectuele fraude’.

Gijs Korevaar en Thom deLagh interviewen Frits Bolkestein, die met zijn laatst verschenen boek Bij het scheiden van de markt zijn zwanenzang heeft gedaan. Het is zijn laatste boek, aldus Bolkestein. ‘Ik ben er klaar mee’. Nog een keet trekt hij ten strijde tegen de federalisering van de Europese Unie (‘Ik moet er niet aan denken dat we zouden moeten samenwerken met politici uit Italië’) en pleit het VVD-erelid het totale budget van Ontwikkelingssamenwerking te investeren in geboortebeperking in Afrika. De meest veelzeggende uitspraak van het liberale kopstuk troffen onze verslaggevers echter op een briefje hangen in diens toilet: ‘Wie de nieuwste speech van Trump wil horen, drukt op de knop’.

Het interviewduo DeLagh en Korevaar trok verder naar Laurens-Jan Brinkhorst, gewezen staatssecretaris Europese Zaken in het roemruchte kabinet Den Uyl (1973-1977), minister van landbouw in het tweede paarse kabinet (1998-2002) en minister van economische zaken in het tweede kabinet Balkenende (2003-2006). Met de naderende Europese verkiezingen wil hij graag nog eens zijn licht laten schijnen over de Europese ontwikkelingen en de krampachtige houding van Nederland in Europa. ‘Als ik voormalig VVD-leider Frits Bolkestein iets kwalijk neem, is het dat hij het anti-Europese sentiment in zijn partij heeft gebracht. Wij verzetten ons tegen de grote landen, verzetten ons krampachtig tegen politisering. Dat begint ons nu op te breken’, aldus Brinkhorst. De Europese verkiezingen zijn vooral door de Brexit-soap in Engeland van groot belang, weet Brinkhorst. ‘Er zijn partijen die terug willen naar de natiestaat. De Engelsen zijn gek geworden. Er is een weg gekozen die op zelfmoord lijkt. Zelfs Forum van Democratie van die geflopte intellectueel Thierry Baudet, trekt zich terug van zijn uitspraken over een Nexit. Engeland is nooit voorbereid op wat het betekende om de EU te verlaten.’

In 1993 noemde de Tsjechische president Václav Havel het lot van de Roma de lakmoesproef van Europa’s democratie. Voor die proef is Europa gezakt, zo oordeelt voormalig Europarlementariër Els de Groen,die veel deed om de erbarmelijke levensomstandigheden van de Roma op de Brusselse agenda te zetten. ‘Zolang de EU een optelsom van natiestaten blijft, blijft het Europese project op twee gedachten hinken’. Els de Groen meent dat de Europese Unie veel te naïef is geweest over de invloed van de machtskongsi’s tussen de voormalige geheime diensten en de politieke partijen in de post-communistische landen van het voormalige Oostblok. ‘Het is een grote fout geweest van de Europese Unie om niet zorgvuldiger te kijken naar de antecedenten van de politici met wie men in zee is gegaan in de nieuwe lidstaten. Het is een gotspe dat iemand als ex-agent Mantsjev van de voormalige Bulgaarse geheime dienst uit handen van René van der Linden een onderscheiding van de Raad van Europa kreeg uitgereikt voor zijn inzet voor de Europese Zaak. Ook in de NGO’s met wie Brussel samenwerkt in landen als Roemenië en Bulgarije zitten tal van vertegenwoordigers van het ancien regime, die niet alleen aan de haal gaan met de opbrengsten van de privatiseringen, maar ook met de Brusselse subsidiegelden die voor de Roma bestemd zijn.’

Solange Leibovici schrijft over het ‘Europa der Vaderlanden’: ‘Jean Monnet en Robert Schuman worden algemeen gezien als de vaders van de Europese gedachte en belangrijkste voorvechters van Europese eenwording. Zij waren echter niet de eersten die een verenigd Europa predikten. Tijdens het Interbellum werden veel Europese intellectuelen aangetrokken door de Europese gedachte, al werd dat door een ander motief ingegeven: het doemdenken over de kwetsbaarheid van Europese culturen, door Oswald Spengler beschreven in De ondergang van het avondland (1917). Gedreven door de angst voor een totale vernietiging van tradities, waarden en culturen, die verhevigd werd door de bloedbaden van de Eerste Wereldoorlog en de destructie van Europese steden, zou een aantal van hen snel belanden in rechtsextremisme of fascisme. Bij sommige denkers, onder wie Pierre Drieu la Rochelle, vervangt Europeïsme het nationalisme dat het politieke denken van rechtsextremisten tot de Eerste Wereldoorlog had gekenmerkt. De Europese gedachte zoekt haar oorsprong en legitimiteit in een gedeeld verleden dat bepaald is door het Katholieke geloof, door een gemeenschappelijke identiteit die zich baseert op ‘Indo-Europese’ wortels evenals een Europese cultuur die gevormd is door literatuur en kunst, en door het feit dat Europese naties een gemeenschappelijke toekomst wacht. Het grootse verleden wordt geïdealiseerd, het chaotische, decadente heden wordt verworpen, en de toekomst zal een terugkeer bewerkstelligen van wat ooit is geweest.’

De Europese Unie wordt van binnen uitgehold door eurosceptici en nationalisten en van buitenaf dwarsgezeten door Poetin en Trump. Alle reden om juist nu een streep te zetten achter wat misging en alles op alles te zetten op de vervolmaking van het grootste economische blok ter wereld, aldus Ricus van der Kwast in een essay dat bedoeld is om alle eurosceptici te helpen met afkicken.’Het EU-bouwwerk staat nog in de steigers, maar moet nu echt af, en snel ook. Het had allemaal sneller gemoeten, hier en daar ook langzamer, in elk geval beter en slimmer. Die discussie is vandaag niet meer belangrijk. Laten we die voorgeschiedenis maar zien als onvermijdelijke groeistuipen. Zo goed als we ons ook niet gek moeten laten maken door incidenten, hoe vervelend ook. Als we ons door de opvliegingen van Donald Trump, immigratiegolven of een tegenvallend loonstrookje in de armen van China of charlatans storten, of isolement verkiezen, zijn dat beslissingen die we de rest van deze eeuw zullen bezuren’.

Meindert Fennema voorziet dat het Old Boys Network van Eton zich zal vergalopperen aan het succes van hun uit de hand gelopen provocaties met een dreiging van Brexit. ‘De Etonians Boris Johnson en Jacob Rees-Mogg mogen in het Britse parlement moord en brand schreeuwen, dat kan niet verhullen dat hun acties het einde van het Old Boys-netwerk hebben ingeluid. Of de Brexit nu hard is of zacht, of misschien wel helemaal niet doorgaat: het resultaat zal niemand bevredigen en het Old Boys-netwerk zal niet ongeschonden uit de strijd komen. Zelfs niet als Boris Johnson er in slaagt om Theresa May tot aftreden te dwingen’.

Ries Roowaan schrijft over de politieke erfenis van Richard Coudenhove-Kalergi (1894-1972), die in het Interbellum de Paneuropese Unie stichtte, een internationale pressiegroep die zich inzette voor de vereniging van Europa. ‘Een aanzienlijk deel van de Europese intelligentsia was betoverd door Coudenhoves plan. Thomas Mann, Albert Einstein en Franz Werfel – om slechts enkelen te noemen –, maar ook aanstormende politici als Charles de Gaulle, Georges Pompidou en Bruno Kreisky waren lid van de Paneuropese Unie. Hetzelfde geldt voor Konrad Adenauer, de burgemeester van Keulen, die na de Tweede Wereldoorlog nog een belangrijke rol bij de Europese integratie zou spelen. Ook de Franse minister van Buitenlandse Zaken Aristide Briand was in de ban van Coudenhoves ideeën en stelde aan het eind van de jaren twintig zijn Europese collega’s een verregaande vorm van politieke samenwerking voor. Briand presenteerde zijn plan te laat. Achteraf bezien bleek de tweede helft van de jaren twintig slechts een kort interval van voorspoed te zijn geweest. In het anderhalve decennium daarna heerste het nationalisme in zijn meest giftige vorm: het was de tijd van economische misère, politiek extremisme en van een zes jaar durende totale oorlog.’

Met zijn Eurotopia-voorstel hield bierkoning Freddy Heineken een pleidooi voor de heropdeling van de lidstaten van de Europese Unie in 75 regio’s en de soevereiniteit volledig over te dragen aan de Europese bestuurslaag. Het was ook een werkgelegenheidsplan voor landloze royalty, schrijft Ries Roowaan. Maar er viel wat voor het plan te zeggen: ‘Met de implementatie van dit plan zou beduidend meer balans in de Europese Unie zitten dan nu het geval is. Er is sowieso veel te zeggen voor het idee: zo was het streven naar Catalaanse onafhankelijkheid nooit zo’n heet hangijzer geworden, domweg omdat de Spaanse centrale staat niet meer zou bestaan. De Brexit, die het Verenigd Koninkrijk politiek verscheurt en op het Europese vasteland voor gefronste voorhoofden zorgt, had nooit plaatsgevonden. Hooguit zou één of twee van de negen regio’s van Groot-Brittannië de Europese Unie verlaten, wat bij lange na niet zo’n impact zou hebben als het huidige politieke drama dat heeft’.

Prins Bernhard had niet alleen een zwak voor snelle auto’s en schimmige zakendeals, de prins-gemaal was ook een overtuigd Europeaan. In 1962 publiceerde Alden Hatch een geautoriseerde biografie – Prins Bernhard. Zijn plaats en functie in de moderne monarchieWer hat Angst vor Deutschland? Geschichte eines europäischen Problems schildert historicus Andreas Rödder de vrees voor Duitse suprematie door de eeuwen heen als een pan-Europees psychodrama. Raymond van den Boogaard over de comeback van de angst voor Duitsland. ‘Doordat Duitsland na de Tweede Wereldoorlog zijn lot heeft verbonden aan de andere landen van EU en Navo, hoeven andere landen niet meer bang te zijn voor Duitse kracht, en is Europese politiek niet langer een “zero sum game” tussen rivaliserende staten – zou je zeggen.
Maar zo langzamerhand, denkt Rödder, zijn de contouren weer zichtbaar van het “misverstand” dat vóór 1914 de Europese verhoudingen kenmerkte: de Duitse ontwikkeling wordt door de partnerlanden als een bedreiging opgevat, en waar de Duitsers menen dat zij met goed recht de vruchten plukken van eigen vlijt en andere goede eigenschappen, verdenkt de omgeving hen van machtslust.’

Classicus Anton van Hooff schrijft over Herodotos (ca – 485 tot – 425/420), vader van de geschiedschrijving en vader van Europa. Deze verdient in zijn ogen een standbeeld in Brussel.

Het begrip ‘Versailles’ roept tegenwoordig vooral de Engels/Franse wraakzucht na 1918 ten aanzien van Duitsland op. De gangbare opvatting is dat die wraakzucht regelrecht tot de volgende wereldoorlog leidde. Dat ligt wat genuanceerder, betoogt Margaret Macmillan in haar boek Vredestichters. In zijn bespreking van het boek
concludeert Maurits van den Toorn: ‘Het idee “Vrede van Versailles = opkomst van Hitler” is wat te kort door de bocht’.

En verder in dit nummer:

Slechts drie succesvol afgelegde tentamens tegenover tien eredoctoraten: de academische disbalans tussen daad en beloning schoot in het geval van Juliana ver door. Maar hoe zit het met de universitaire prestaties van de andere Oranjes? Paul Damen buigt zich in deel 2 van zijn serie van academische hermerlijnvlooien over de knieval van de universiteiten voor Oranje.

Manuel Kneepkens streek neer in het Adriaan Roland Holst-Huis in Bergen (N.H.) en schreef een portret van de Prins der Dichters Adriaan Roland Holst en diens voorliefde voor het autocratisch koningschap.

Anton van Hooff herschrijft het Wilhelmus, in de rubriek Appeltjes van Oranje gaat het om de ontwijding van de plechtigheden rondom het 400-sterfjaar van Johan van Oldenbarnevelt in Amersfoort en er zijn columns van Sarah Verroen (Koningsdag in Zeeland) en Hans Maessen (vver het snelle wegvallen van het draagvlak voor de monarchie onder de jeugd). De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, geschiedenis & burgerschap is verkrijgbaar bij de geselecteerde boekhandel of neem een abonnement via https://www.derepublikein.nl/abonneren/

De Thyssens – bankiers van Oranje en het Derde Rijk

DE REPUBLIKEIN

JAARGANG 14, NR. 2, JUNI 2018

De Thyssens – bankiers van Oranje en het Derde Rijk

[divider height=”30″ style=”default” line=”default” themecolor=”1″]

INHOUD VAN DIT NUMMER

De Thyssens: bankiers van Oranje en het Derde Rijk
René Zwaap

Prins zonder franje
Frits Hendrik Emmerik

De dood van Spinoza’s leermeester
Tseard Zoethout

 

Verder:

De blik van Joep

Van de redactie: Het gelijk van Nanda van der Zee
René Zwaap

Van het republikeins front: de verborgen schatten van het koningshuis

Privatiseer de monarchie
Ricus van der Kwast

Journalistiek gaat ten onder aan nulnieuws
Ricus van der Kwast

Grenzen aan de Hollandomania
Anton van Hooff

De opstand van het ressentiment
Serge van Duijnhoven

Dichtende hermenlijnvlooien (aflevering 3 en slot)
Paul Damen

Boekrecensie: een boeiend contact
Gijs Korevaar

Boekrecensie: eerherstel voor wijdlopige twijfelaar met faalangst
Maurits van den Toorn

Boekrecensie: de Mannen van Gods woord zijn niet vies van politiek stuntwerk
Maurits van den Toorn

Appeltjes van Oranje: Buigen voor Bhumipol
Manuel Kneepkens

Column Hans Maessen: een formidabele tegenstander

 

 

Abonnementen

Jaarabonnementen (4 nummers) TIJDELIJK van € 38,95 voor € 25,-

Studentenabonnement (4 nrs, tot 27 jaar) € 25,–

Losse nummers € 10,90

Aan een jaarabonnement in het buitenland zijn, naast de kosten voor het abonnement, ook verzendkosten verbonden. Neem hierover contact op met de abonnementenadministratie.

Adreswijzigingen dienen schriftelijk te worden doorgegeven, met vermelding van het oude en nieuwe adres en het nieuwe telefoonnummer. Opzeggingen dienen schriftelijk te worden doorgegeven, uiterlijk 6 weken voor de volgende betalingsdatum.

U kunt zich hier online aanmelden als abonnee.

 

Abonnementenadministratie

Virtùmedia
t.a.v. De Republikein
Postbus 595
3700 AN Zeist

E-mail: klantenservice@virtumedia.nl
Telefoon: 085-0407400.

 

Zelf een artikel schrijven?

Raadpleeg eerst de wenken voor auteurs op de site.

 

 

De duivels van Laurent

Niet de brave koning Filip, maar zijn onmogelijke broer prins Laurent fungeert als de tweecomponentenlijm die de Belgische federatie bij elkaar houdt. Onze België-correspondent Ricus van der Kwast brengt een ode aan een prins zonder budget maar met het hart op de tong.

 

Illustratie Dominique Claerbout

 

Ooit wist ik van een prins die niets te doen had en daar depressief van werd. De prins had een schoonvader die ook prins was. Die had evenmin wat te doen, maar had daar geen last van. Ik mocht die depressieve prins wel. Dat was lang voordat ik zo’n twintig jaar geleden naar België toog en over Prins Laurent struikelde.

 

Koningshuizen bekijk ik meestal maar met een half oog, maar Laurent was niet te missen. Om de haverklap haalde hij het nieuws. Ook bij hem was er aan depressieve buien geen gebrek, het zorgde er zelfs voor dat hij in 2014 in een kunstmatige coma gehouden moest worden. Verleden jaar augustus was het weer raak en liet hij zich ziek schrijven, notabene met doktersbriefje. Hij was verwoest door de stress, aldus zijn advocaat. Pas in januari, na vijf maanden, verscheen hij weer in het openbaar. Hij prijkte pontificaal op de cover van de Belgische uitgave van Paris Match. ‘Prince Laurent: plus de 20 ans de casseroles’, kopte de website van de Franstalige publieke omroep RTBF op 8 februari. Zelf was ik in die twintig jaar door drie fasen gegaan in mijn gevoelens voor Laurent. Aanvankelijk mocht ik hem, de rebel met of zonder reden, de buitenstaander. Dat sloeg in de loop der jaren om en ik vond hem alleen nog dom, grof en een sjacheraar. Maar toen ik recente foto’s van hem bekeek, zag ik aangeschoten wild, een man als een beer die angstig, argwanend in de camera keek. En ik voelde begrip en zelfs weer wat sympathie opwellen. Hoe is het allemaal zover gekomen?

Tweederangsmonarchie

Het Belgische Koningshuis heeft op mij altijd de indruk gemaakt van een tweederangsmonarchie. Je hebt het gevoel dat ze niet echt meespelen op het hoogste niveau, waar de lakens worden uitgedeeld door de Oranjes en de Windsors. Het begint al bij de Grondwet. Waar Willem Alexander koning is bij de gratie Gods, is Filip dat bij de gratie van het volk. Het mag vandaag als een holle frase klinken, je ziet het volksere in van alles terug.

 

Allereerst natuurlijk in het geld. Het vermogen van het Belgische vorstenhuis zal met 12,5 miljoen euro schromelijk onderschat zijn, het blijft hoe dan ook lichtjaren verwijderd van de verzamelde rijkdommen van de Oranjes, die met 300 miljoen euro ook onderschat zijn. Ook de kosten van de monarchie liggen in Nederland drie keer zo hoog, ongeacht of je de directe kosten (in België op jaarbasis zo’n 14 miljoen euro) of totale kosten (hier geschat op 40 miljoen euro per jaar) als uitgangspunt neemt.

Je hoort het terug in de taal, in het accent. Ik heb het niet over het Nederlands, dat voor de familie altijd de tweede taal zal blijven. Ik heb het over hun Frans. Dat is niet het Frans uit de rijke gemeenten rond Brussel in Waals-Brabant, maar het is dat van de gewone Brusselaar. Niet plat, maar zeker niet chique.

 

En je ziet het terug in alledaagse dingen. Als ik me aanmeld voor de plaatselijke basketbalclub in een gehucht van amper 1500 inwoners, verbaast het me dat de club het predikaat ‘royal’ draagt. Ik vermoed een geschiedenis à la Koninklijke HFC en zijn oprichter Pim Mulier, sportpionier in Nederland. Maar hier is het niets bijzonders, verzekert men mij, een kwestie van minstens vijftig jaar bestaan en de goede formulieren invullen, vooral netjes invullen. Koninklijk is laagdrempelig in dit land.

Laurent is in 1963 geboren, als derde en jongste kind van Albert en Paola. Door een grondwetswijziging in 1991 waardoor ook vrouwen in aanmerking komen als vorstin zal de troon voor hem definitief uit zicht raken. Hij staat anno 2018 op nummer twaalf in de rangorde van troonopvolgers. Opgroeiend in een disfunctioneel gezin van louter eenlingen voelt hij zich verwaarloosd. Vergeleken met zijn broer Filip en zus Astrid lijdt hij hier veel meer onder. Het verklaart zijn levenslange liefde voor dieren, de enige wezens die hem lijken te begrijpen. In zijn tienerjaren wordt hij onhandelbaar. Hij doorloopt een zigzagtraject langs diverse middelbare scholen dat hij afmaakt op een kadettenschool, waar hij het mikpunt van treiterijen en spot is. Hij bezoekt vervolgens een paar jaar de Koninklijke Militaire Academie. Hij wordt helicopterpiloot, duiker in de marine en behaalt er uiteindelijk de rang van Kapitein-ter-zee.

Uitlaatklep

Dan dient zich het volgende probleem aan. Het wordt tijd om iets te verzinnen wat een invulling aan zijn werkende leven kan geven. Om zijn passie voor dieren een uitlaatklep te geven wordt de Stichting Prins Laurent voor het welzijn van huisdieren en wilde dieren opgericht. Men zoekt nog naar een tweede, ernstigere activiteit. Laurent heeft wel wat met ecologie, heeft hij zich eens laten ontglippen: ziehier de Belgische variant van watermanagement. In 1994 wordt voor hem het Koninklijk Instituut voor het Duurzame Beheer van de Natuurlijke Rijkdommen en de Bevordering van Schone Technologie (KINT) in het leven geroepen, gevestigd in zijn woonhuis. Hij wordt de voorzitter en het instituut wordt gefinancierd door de drie gewesten en enkele bedrijfssponsors, voor in totaal een kleine miljoen euro per jaar. Laurent lijkt van de straat.

 

Hij raakt verwikkeld in het marineschandaal dat in 2006 aan het licht komt. Tussen 1996 en 1998 werden marinegelden doorgesluisd via een systeem van valse facturen en uiteindelijk aangewend voor privédoeleinden. Het gaat om een fraude met een totaalomvang van 2,2 miljoen euro. Een deel daarvan, iets minder dan 200.000 euro, is gebruikt voor het opknappen van de Villa Clémentine, de woning die de prins kosteloos bewoont. Van de twaalf beklaagden, goede bekenden van de prins, zullen er twee tot een gevangenisstraf veroordeeld worden, de overigen komen er vanaf met een boete en een taakstraf. De prins zal nooit als verdachte beschouwd worden in deze zaak. In 2007 wordt wel een speciaal Koninklijk Besluit opgemaakt, dat het mogelijk maakt Laurent als getuige te horen. Hij verklaart dat hij wist dat het geld van de marine afkomstig was, maar niet dat het frauduleus verkregen was. Waarom de zeemacht zou moeten betalen voor zijn tapijten en tuinverlichting, heeft hij zich nooit afgevraagd. Vanaf nu liggen de financiën, de dotaties en onkostenvergoedingen van Laurent onder het vergrootglas, evenals de subsidies voor zijn werkzaamheden. Het leidt er toe dat het KINT in 2009 wordt opgeheven.

Puur amusement

Luisteren naar Laurent en zijn capriolen is intussen puur amusement.Als snelheidsmaniak op de weg raakt hij al in 1987 een eerste keer zijn rijbewijs kwijt. Ook nadien wordt hij herhaaldelijk aangehouden. Hij bepleit daarom een apart rijbewijs voor wagens die 300 km/uur kunnen rijden. Die voorliefde voor snelle auto’s gaat niet altijd samen met zijn liefde voor dieren. Maar daar heeft de prins wat op gevonden. Hij rijdt extra voorzichtig in de paartijd, die periode dat dieren zich voortplanten en immers meer kilometers maken.

Het stof blijft achter hem opwaaien en journalisten volgen hem op de voet. Hij zou een verhouding hebben met Wendy Van Wanten, het Vlaamse model dat ook in Nederland bekendheid verwierf dankzij de Pin Up Club. Hij wordt meer dan eens betrapt als hij in een vliegtuig met een ticket economy class in de business class gaat zitten. De laatste jaren laat hij zich vooral van een zachte, spirituele kant zien. De dood fascineert hem. Hij spreekt sinds zijn coma regelmatig met de doden. Ze antwoorden hem ook, woordloos, in tekens, en gidsen hem. Je houdt je hart vast.

 

De diplomatieke en politieke incidenten stapelen zich ondertussen op. Hij overweegt Reza Pahlavi, zoon van de voormalige sjah van Perzië, peter van zijn oudste dochter te maken. Hij maakt omstreden reizen naar Congo, Israël, hij praat voor zijn beurt met diplomaten en politici uit Angola, Sri Lanka. Als hij op 29 juli van het afgelopen jaar op de Chinese ambassade in Brussel de 90e verjaardag van het Chinese leger viert en naderhand foto’s daarvan op zijn Twitter-account plaatst, is de maat vol. De federale regering besluit te snoeien in zijn dotatie van 308.000 euro per jaar: hij moet in 2018 15 procent inleveren. Laurent wil zich kunnen verdedigen in de Kamer. Hij voelt zich aangetast in zijn fundamentele rechten en wil de zaak desnoods voor het Europees Hof voor de rechten van de mens uitvechten.

 

‘Le Prince Laurent est un citoyen comme un autre’, zegt zijn advocaat Laurent Arnauts daarop in een vraaggesprek met La Une. Dat is een fris geluid dat je te weinig hoort over leden van vorstenhuizen. Je ziet hier iemand die zichzelf wil verdedigen. Hij krijgt een dotatie om niets te doen. Hij legt zich daar niet bij neer. Ik begrijp hem. Hij wil een keer schitteren op eigen kracht, dat prachtige uniform met zuurverdiende decoraties aan de wereld tonen. Persoonlijk intrigeert mij de Orde van de Gulden Puntzak het meest. Maar elke keer dat hij wat doet, al is het taart snijden op de Chinese ambassade, loopt hij kans 15 procent van zijn dotatie kwijt te spelen. Tel uit je winst: nog zes keer de deur uit en je kunt op een houtje bijten. Het is om gek en depressief van te worden.

Niet katholiek genoeg

‘Ik heb wat moeten doorstaan door jullie. Allemaal leugens! De mensen verwachten serieuze informatie.’ Het is een uitspraak die je geneigd bent toe te schrijven aan zo’n andere forse vent met blonde kuif, misschien Laurent’s bestemming voor een volgende ongeautoriseerde reis. Laurent zegt het al in 2007, bij één van de gelegenheden waarbij hij journalisten de volle laag geeft. Maar meer nog dan door journalisten voelt hij zich geviseerd door zijn eigen familie. Hij ziet de grondwetswijziging uit 1991, die hem ver terugwerpt in de rangorde van troonopvolgers, het koninklijke besluit uit 2007, dat hem verplicht te getuigen, en de grondwetswijziging uit 2013, die zijn dotaties regelt en bewegingsvrijheid verregaand aan banden legt, als persoonlijke aanvallen. Persoonlijke aanvallen, omdat hij niet katholiek genoeg was naar de zin van Boudewijn, omdat hij niet in de pas loopt. Hij vermoedt achter elk gelekt gerucht een complot van zijn familieleden, foetert openlijk dat zij hem een leven lang gesaboteerd hebben en vergelijkt ze met de Stasi.

 

Het gekke is dat hoe meer paranoïde de beschuldigingen lijken en hoe wilder zijn woedeuitbarstingen worden, hoe meer ik ook geneigd ben hem te geloven. Publiekelijk bespot te worden door je eigen lakeien en hofdichters, het is een lot dat vóór hem waarschijnlijk alleen Brave Sir Robin in Monty Python and the Holy Grail ten deel gevallen is. Het lijkt erop alsof hij, de enfant terrible, als bliksemafleider gebruikt wordt, geofferd wordt om af te leiden van alle andere leden van het koningshuis. Het maakt hem niet minder dom, grof of sjacheraar. Maar de anderen zijn het net zo en komen ermee weg. ‘Economy class’, dat is voor mij het knikpunt. Waar ter wereld vind je een prins die economy class moet vliegen?

 

Waar andere koningshuizen aan volwassen corruptie en miljoenenfraudes doen, sjoemelt Laurent met de kassabonnen van de supermarkt, wat ertoe leidt dat hij in 2014 16.000 euro moet terug betalen. En Laurent een snelheidsduivel? Het is één van de weinige zaken die hij gemeen heeft met zijn vader, wiens overtredingen, die overigens nooit hebben plaatsgevonden, zorgvuldig uit de media gehouden zijn. Ondertussen gaat diezelfde vader tot het uiterste om zijn vaderschap van Delphine Boël te ontkennen, al bestaat daar geen greintje twijfel over. In wat een travestie van een rechtszaak is, één die je doet twijfelen aan de scheiding der machten, oordeelt de Brusselse rechtbank in 2017 dat Albert niet haar wettelijke vader kan zijn, omdat ouderschap niet gereduceerd kan worden tot biologie. Vergelijk dat eens met de heisa rondom Laurent’s vermoede verhouding met Wendy Van Wanten. Wat dan nog? De man was toen verdraaid nog aan toe vrijgezel.

 

Laurent laat zien wat er gebeurt als je een prins loslaat in het wild. Hij laat zien wat er gebeurt als je de bescherming verliest van dat cordon van adviseurs, politici, journalisten dat elk citaat, elke uitglijder van je buffert of wegpoetst.

 

Maar er is meer. Het Belgische Koningshuis bestaat bij de gratie van de Belgische eenheid. De tragiek van de vorst is dat hij daarmee precies dat verpersoonlijkt wat de bron van elk communautair conflict is. Door deze paradox diskwalificeert hij zich meteen als bemiddelaar. Dat was zo in 1950 toen La Question Royale werd opgeworpen en België aan de rand van een burgeroorlog stond. 58 procent van de Belgen was voor de terugkeer van de koning, maar waar een ruime meerderheid van de Vlamingen (72 procent) hem steunde, stemde 58 procent van de Walen tegen. Dat is nog steeds zo in 2017 als een onderzoek van de KU Leuven toont dat nu 66 procent van de Walen de monarchie juist verdedigt, tegen slechts 45 procent van de Vlamingen.

 

Er zijn weinig symbolen die zo sterk zijn dat ze België binden. De Rode Duivels, de nationale mannenvoetbalploeg, zijn zo’n symbool. Als zij in oktober 2015 de eerste plaats op de FIFA-wereldranglijst veroveren, wordt er in het parlement luid geapplaudiseerd voor de voetballers. Alleen de N-VA doet niet mee, wars als de partij is van alles wat pan-Belgisch is. Dat heeft ze geweten. Zij wordt voor haar kleinzielige gedrag teruggefloten door haar voetbalminnende achterban.

 

Er is nog zo’n symbool waar Vlamingen, Walen, Brusselaren, Frans-, Nederlands- of Duitstalig, het roerend over eens zijn: de rol van Laurent als de nationale paljas. Laurent bashing is een geliefde bezigheid, dwars door de gewesten en over de taalgrenzen heen.Zo bekeken bestaat België nog wel even, denk ik. Zo lang de Duivels maar blijven presteren, zolang Laurent zijn streken maar niet afleert. Voor dat laatste hoeven we niet bang te zijn. Laurent is de lijm van een land dat zijn best doet om uit elkaar te vallen. Een bedankje voor hem vanuit Laken lijkt me op zijn plaats. Hij zal er van opvrolijken.

Het verdriet van Groningen & Belgisch royalisme en republicanisme nader bezien

DE REPUBLIKEIN

JAARGANG 14, NR.1, MAART 2018

Het Verdriet van Groningen & Belgisch royalisme en republicanisme nader bezien

[divider height=”30″ style=”default” line=”default” themecolor=”1″]

INHOUD VAN DIT NUMMER

Ode aan Laurent, broer en bliksemafleider
Ricus van der Kwast

Belgische koning is bindmiddel. Interview met Els Witte
Adriaan Boiten

‘Sire, België is voor u verloren’: het Waterloo van Willem I 
René Zwaap

Het Hart van Duisternis van Leopold II 
Lodewijk Brunt

Gordon Bennett: de man die Stanley naar Leopold zond
Maurits van den Toorn

 

Verder:

De blik van Joep

Van de redactie: Republiek zoekt partij
René Zwaap

Van het republikeins front: knipkunstenaar Jos Deenen geeft Wilhelmus-les

Oranje boven, Groningen naar beneden
René Zwaap

Icoon van de vrijheid: Plakkaat van Verlatinghe
Anton van Hooff

De jonkvrouw en het referendum
Tseard Zoethout

Hans Hillen: Populisme exit met districtenstelsel
Gijs Korevaar

Het potjeslatijn van Thierry Baudet
Anton van Hooff

Sprookjesboek
Marcel van Roosmalen

Tom Poes en het Kroonjuweel
Manuel Kneepkens

Dichtende hermenlijnvlooien (aflevering 2)
Paul Damen

Voorpublicatie: Niets te kiezen, of: Hoe sterk is de republikeinse burgemeester?
Ries Roowaan

Boekrecensie: de biografieën van Marinus van der Goes van Naters en Max van der Stoel
Maurits van den Toorn

Boeksignalementen

Maurits van den Toorn

Van de voorzitter
Bart Gruson

Appeltjes van Oranje: Majesteitsschennis op zijn Gronings

Column Hans Maessen: het verdriet van Groningen

 

 

Abonnementen

Jaarabonnementen (4 nummers) TIJDELIJK van € 38,95 voor € 25,-

Studentenabonnement (4 nrs, tot 27 jaar) € 25,–

Losse nummers € 10,90

Aan een jaarabonnement in het buitenland zijn, naast de kosten voor het abonnement, ook verzendkosten verbonden. Neem hierover contact op met de abonnementenadministratie.

Adreswijzigingen dienen schriftelijk te worden doorgegeven, met vermelding van het oude en nieuwe adres en het nieuwe telefoonnummer. Opzeggingen dienen schriftelijk te worden doorgegeven, uiterlijk 6 weken voor de volgende betalingsdatum.

U kunt zich hier online aanmelden als abonnee.

 

Abonnementenadministratie

Virtùmedia
t.a.v. De Republikein
Postbus 595
3700 AN Zeist

E-mail: klantenservice@virtumedia.nl
Telefoon: 085-0407400.

 

Zelf een artikel schrijven?

Raadpleeg eerst de wenken voor auteurs op de site.