Hongaarse zuurkoolsoep

Feuilleton: De Avonturen van Dick Stein: In Naam van de Koning, aflevering 3

in dossier

AFLEVERING III

EEN AVOND MET HELGA KELLER

Waarin Dick Stein een bezoek brengt aan een monument van Pruisische plichtsbetrachting, zijn favoriete Hongaarse gerecht krijgt geserveerd en zijn koelbloedigheid hem in de steek laat.

Opperbest gestemd verliet Stein café Dolly en zette hij op zijn dienstfiets in de regen koers naar de Keizersgracht voor een rendez-vous met Helga Keller, zijn nieuwe veeleisende liefdesvlam.

Helga Keller was advocate, niet Steins favoriete mensensoort; Duits, niet zijn favoriete nationaliteit; lang, mager en blond, terwijl Stein vrouwen liever donker, rond en een maatje kleiner had. Maar op een of andere manier had het meteen geklikt toen ze elkaar hadden ontmoet in Helga’s kantoor in Zuid, waar deze hyperenergieke dertigster leiding gaf aan een grote praktijk met meer dan twintig advocaten, allen ondergebracht in kleine steriele glazen hokken met tl-licht, als in een juridische legbatterij.

Stein was daar op een dag beland omdat ook de advocaat die Trudy had bijgestaan tijdens de scheidingsprocedure onderdeel uitmaakte van deze rechtspraktijk. Stein was verhaal komen halen nadat hij de zoveelste exorbitante eis van Trudy had binnengekregen, had tijdens het onderhoud met de advocaat in kwestie – een arrogante jonge vlerk met een mensonterend dedain voor zijn slachtoffers – zijn zelfbeheersing verloren en in een opwelling een pot met een bonsaiboompje door de glazen wand van diens kantoortje gegooid.

Het was niet de fraaiste episode van zijn leven, maar zo had Stein dus Helga Keller ontmoet. Helga was ondanks haar aanvankelijke ongenoegen met de door Dick aangerichte schade aan haar kantoortuin meteen als een blok voor hem gevallen.

Helga had Berlijn verruild voor Amsterdam nadat ze zich in haar geboorteland niet populair had gemaakt als raadsvrouw van radicale Koerden en andere staatsgevaarlijk geachte types. Ze had gedacht dat ze in Amsterdam, de kasba van Europa, vrijer haar werk zou kunnen doen, zonder voortdurend te worden afgeluisterd en gevolgd door de geheime dienst. Het Germaanse broedervolk is zoals bekend van oudsher nu eenmaal geneigd tot romantische dromerijen en utopische waanvoorstellingen.

De struise blondine stond aan het hoofd van een bloeiend bedrijf dat ze met strakke hand leidde. Ze werkte minstens 14 uur per dag, trainde haar tanige lijf  dagelijks af in zwembad en fitnesszaal, was principieel veganist en gunde zich nauwelijks tijd voor verzetjes. Maar zodra Stein in haar buurt was, verdween dit product van eeuwenlang zorgvuldig gecultiveerde Pruisische tucht als sneeuw voor de zon, en veranderde harde koude Helga in een allesverzengende vulkaan van hartstochtelijke passie, zodanig dat Stein zich altijd de nodige moed moest indrinken alvorens hij het waagde zich bij haar fraai gerestaureerde grachtenpand te melden.

‘Dick!’, riep Helga blij verrast, nadat ze de deur had geopend en zich als een adelaar uit de Alpen op Stein had gestort. ‘Waar bleef je nu al die tijd?’.

Ze was gekleed in een korte leren zwarte rok en mosgroene trui van mohairwol.

‘Sorry Helga’, zei Stein, terwijl hij zijn zwarte hoornen bril afdeed om de beslagen glazen droog te wrijven met zijn stropdas. ‘Het was een gekkenhuis op het werk vandaag. Ik had niet in de gaten hoe laat het al was’.

‘Kom toch verder, je bent kletsnat’, zei Helga hartelijk, terwijl ze Stein hielp met het uittrekken van zijn regenjas en deze samen met Steins zwarte vilten hoed zorgvuldig ophing aan de kapstok in de lange brede hal. ‘Ik heb je favoriete eten gemaakt: kapusta, Hongaarse zuurkool-soep!’

‘Je bent een vrouw naar mijn hart, Helga’, zei Stein.

Hij liep naar de cd-collectie, die was afgeladen met Bach, Bach nog eens Bach, maar na lang verwoed zoeken vond Stein toch nog iets van zijn gading: een verzamel-cd van Chet Baker, de betreurde trompettist die in 1988 op steenworp afstand van Stein’s kantoor met fatale gevolgen uit het raam  van het Prins Hendrik-hotel was gevallen. Stein werd nog altijd beroerd wanneer hij dacht aan die nacht,  maar Chet’s melancholieke tonen monterden hem toch altijd op, als een zachte lentebries.

Ze aten bij kaarslicht aan de  marmeren tafel bij het grote raam, dat uitzicht bood op de donkere gracht, waar de lichten van de huizen feeëriek weerspiegelden in het stille water. De zuurkoolsoep in paprika smaakte hemels.

‘Je kunt vanavond niet blijven slapen’’, zei Helga. ‘Morgenochtend vroeg moet ik naar Singapore, om een cliënt te bezoeken die daar is opgepakt met een koffer vol heroïne’.

‘De arme stakker’, zei Stein. ‘Zorg wel dat hij op tijd betaalt’.

‘Dat komt wel in orde’, zei Helga. ‘Waar ben jij ondertussen mee bezig?’

‘Ach ja, dat is waar ook’, zei Stein. ‘Ik vroeg me af of je wel eens iets hebt gehoord over  het  Bataafs Bevrijdingsfront, je weet wel, van de Gouden Koets. Ik heb een klant die nogal nieuwsgierig is naar die club’.

‘Wat voor klant is dat?’, vroeg Helga achterdochtig.

‘Een verzekeringsmaatschappij’, jokte Stein. ‘Zij hadden de dekking van de koets op zich genomen’.

Helga lachte. ‘Zelf weet ik er weinig van, maar ik kan wel iets voor je nakijken’, zei ze en voegde de daad bij het woord door te grijpen naar haar flinterdunne I-pad waar ze met een wonderbaarlijk vingervlug gemak op begon te tikken. Stein stelde zich voor dat Mozart op die manier piano moest hebben gespeeld en keek in stille bewondering toe. Zelf was hij in het digitale tijdperk niet een soort Neanderthaler gebleven, die al blij was als hij succesvol een e-mail had verstuurd.

‘Een kennis gaf me de toegangscodes van het landelijk opsporingsregister’, legde Helga uit, met haar blik nog altijd strak gericht op het schermpje voor haar. ‘Wel zo handig. Een kwestie van een paar databestanden aan elkaar koppelen en meestal kom je een heel eind’.

‘Allemachtig’, bracht Stein uit, opverend uit zijn stoel. ‘Die machines maken mijn werk nog eens totaal overbodig…Kun je zoeken op namen? Esther Blom, staat die er bij?’

De blik van Helga stond nu opeens op ijzig. Ze klapte haar machine dicht en keek Stein strak aan.

‘Wat moet jij met Esther Blom?’, vroeg ze indringend.

‘De naam doet de ronde’, antwoordde Stein.

‘Ik doe geen mededelingen over cliënten’, zei Helga op besliste toon terwijl ze haar I-pad resoluut dichtklapte.

Stein voelde een ijzeren gordijn van Teutoonse plichtsbetrachting  tussen hen neerdalen.

‘Dat is te respecteren natuurlijk’, zei hij.

Een pijnlijke stilte volgde, die Stein alleen maar wist te breken door Helga in zijn armen te nemen en haar jodelend van het genot naar het Walhalla voerde.

Maar toen Helga hem uitgeleide deed, voelde Stein op zijn klompen aan dat haar geoefend advocatenbrein een metersdikke muur van professioneel wantrouwen tussen hen had opgeworpen. Hij had zich als een amateur in de kaart laten kijken. Een volgende uitnodiging voor Hongaarse zuurkoolsoep kon hij gevoeglijk op zijn buik schrijven, zo vreesde hij toen hij de deur achter hem in het slot hoorde vallen.

Terwijl hij de nacht in fietste brak een acute stortregen uit over zijn hoofd ter bevestiging van zijn sombere gedachten.

Drijfnat arriveerde Stein terug in zijn steeg.Terwijl hij de trap opliep, hoorde hij zijn trouwe viervoeter Didi, een bejaarde pincherterriër, al vervaarlijk hard blaffen. Daar kon geen inbrekersalarm tegenop.

Enthousiast sprong Didi tegen zijn benen op.

‘Stil maar, dom teefje’, zei Stein, terwijl hij het nerveus blaffende hondje over de kop aaide. Stein opende een blikje hondenvoer, waar Didi zich gelijk tevreden grommend op stortte. Daarna liep hij naar de woonkamer, zette zich aan de houten tafel en begon te lezen in het dossier over Esther Blom.

Stein bekeek eerst de foto’s. Met haar mysterieuze groene ogen en hennarode haar dat in duizend krullen tot haar rug groeide, was Esther de bloem van de op dit gebied weinig bedeelde krakersbeweging geweest, de vlag op de spreekwoordelijke modderschuit. Tegelijkertijd was ze geen dame om mee te sollen. Al op de middelbare school werd ze gearresteerd vanwege het schilderen van een groot hakenkruis op de fabrieken van Philips in Eindhoven, nadat ze in een boek gelezen had dat de gloeilampengigant in de oorlog dikke zaken met de Duitsers deed. Als student in Amsterdam was ze actief in de anti-kernenergiebeweging en het Amsterdams Vrouwen Kraakcollectief. In de jaren ‘90 werd ze verdacht van deelname aan sabotageacties tegen benzinepompstations van Koninklijke Olie als protest tegen het apartheidsregime in Zuid-Afrika, brandstichting bij een groothandel om dezelfde redenen en ook werd haar naam genoemd als lid van een ondergrondse club genaamd ‘Wie o wie’, die onder meer bommen legde bij het huis van een staatssecretaris van Justitie en bij diens ministerie vanwege  het uitzetten van uitgeprocedeerde asielzoekers.  Ze werd een paar maal aangehouden maar tot een formele aanklacht – laat staan een veroordeling – was het nooit gekomen. Esther was met haar indrukwekkende curriculum in het actiewezen ergens op een vaste verdachtenlijst beland van mensen die je als inspecteur onder tijdsdruk altijd van hun bed kon laten lichten om te laten zien dat je in ieder geval ergens mee bezig was.

Stein las verder in het dossier. Na haar Amsterdamse tijd was Esther ontwikkelingswerker geworden in diverse Afrikaanse landen. Vanwege haar curriculum als potentiële staatsvijand besteedden de diverse ambassades de nodige aandacht aan haar activiteiten. In tal van ambtsberichten, die bij het  rapport dat Stein doornam waren ingesloten, werd nauwlettend verslag gedaan van haar handel en wandel. Zo zou Esther in Angola een relatie hebben gehad met een hooggeplaatste Cubaanse militair annex arts die aldaar de zegeningen van de marxistische revolutie had verspreid. De ambassadeur in Zuid-Afrika maakte in een rapportage melding dat Esther tot persona non grata was verklaard op de ambassade omdat ze tijdens een tuinfeest ter ere van Koninginnedag een Deense consul in het zwembad had geduwd. Een diplomatiek conflict tussen de twee Noord-Europese grootheden was ternauwernood voorkomen. Haar laatste door de geheime dienst geregistreerde wapenfeit speelde zich af in Maputo, waar ze namens een NGO een proces had aangespannen tegen VN-militairen die zich hadden vergrepen aan minderjarigen. Esther had de militairen behoorlijk in het nauw gebracht, maar was kennelijk op te veel tenen tegelijk gaan staan, want uiteindelijk werd ze het land uitgewezen. Dat was ongeveer drie maanden voor de actie tegen de Gouden Koets. Wat de rol van Esther daarin zou zijn geweest, maakte het dossier niet duidelijk, al stond er wel expliciet in vermeld dat Esther gelieerd zou zijn aan het Bataafs Bevrijdingsfront. Het bewijs daarvoor zou zijn geleverd door het feit dat het IP-adres van de computer waarmee het pamflet van het BB naar de pers was gestuurd, overeenstemde met dat van de computer waarmee Esther mails had verstuurd.  Maar Stein had inmiddels wel geleerd niet alles te geloven wat gedrukt stond, zeker niet in rapporten van inlichtingendiensten.

Voor het inslapen dacht Stein aan de mooie tijden die hij had beleefd met zijn roodharige krakersprinses. Tijdens hun laatste samenzijn had Esther hem bezworen dat ze hem nooit meer wilde zien. En nu had hij opdracht om haar op te sporen. Ironisch, inderdaad, maar ironie is de brandstof van de planeet Aarde, zoals Dick Stein al lang geleden had ontdekt, en het lachen daarover was hem al lang vergaan.


In de volgende aflevering van het feuilleton ‘De Avonturen van Dick Stein: In Naam van de Koning: een voetbalweekend met een onverwachte afloop.

Go to Top