Majesteitsschennis op z’n Gronings

De Groningse journalist Eilert Meeter werd in 1840 veroordeeld tot vier jaar cel wegens het roepen van ‘Weg met de koning!’ Historicus Gerard Aalders beschreef het geval in zijn boek over tweehonderd jaar majesteitsschennis. Momenteel is de Tweede Kamer in conclaaf om het omstreden wetsartikel in kwestie te schrappen.

Tekst: René Zwaap

Wie het staatshoofd beledigt, kan nu nog maximaal vijf jaar gevangenisstraf krijgen en zelfs zijn kiesrecht verliezen. Dat gebeurt op grond van artikel 111 van het Wetboek van Strafrecht, dat ‘opzettelijke belediging’ van de Koning bestraft met een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar of een geldboete. Bij de invoering was dat driehonderd gulden; tegenwoordig is het een geldboete van de vierde categorie, hetgeen neerkomt op 20.250 euro maximaal. Artikel 112 verbiedt de echtgenoot van de Koning en zijn ‘vermoedelijke’ troonopvolger (de kroonprins of kroonprinses) en diens echtgenoot te beledigen. De maximumstraf is hier een jaar minder; de boete blijft echter gelijk. Belediging in geschrifte of per afbeelding (cartoons en spotprenten) wordt in artikel 113 verboden en bestraft met een jaar achter de tralies of een boete van maximaal 8100 euro.

Het debat over de redelijkheid van dit wetsartikel leefde op toen het Openbaar Ministerie (OM) in 2014 actievoerder Abulkasim Al-Jaberi wilde vervolgen, die tijdens een demonstratie tegen Zwarte Piet met ‘Fuck de koning, fuck de koningin, fuck het koningshuis’ voor in potentie 9 jaar gevang bij elkaar schreeuwde. Het OM zag in de zomer van 2015 uiteindelijk onder grote maatschappelijke druk af van vervolging. De Tweede Kamer boog zich onlangs over een wetsvoorstel van D66-kamerlid Kees Verhoeven om het verbod op majesteitschennis uit het wetboek te schrappen. Verhoeven vindt de maximumstraf van vijf jaar buitenproportioneel en stelt dat de Koning gewoon aangifte van smaad kan doen als hij zich beledigd voelt. Tijdens de eerste ronde van het Kamerdebat bleek dat het voorstel zeker nog geen gelopen race is.

Wafelkraam

In dit verband is het interessant te kijken naar een geval in Groningen anno 1840 dat fraai beschreven staat in Weg met de koning!, twee eeuwen majesteitsschennis in Nederland van de hand van historicus Gerard Aalders. In dat jaar deed zich tijdens de Groninger meikermis een geval van majesteitsschennis voor in de wafelkraam van ‘Dove Saar’. De kraamhoudster stond bekend als een vurig Oranjeklant, een portret van prins Willem sierde haar etablissement. Dit bracht echter een groep van ongeveer vijfentwintig studenten in de verleiding een toast uit te brengen op ‘Zijne verheven Nulliteit, Willem Kaaskop’. Geschokt haalde Dove Saar – die kennelijk zo doof nog niet was – het portret van de muur, maar toen begonnen de studenten te roepen dat ze Koninklijke Hoogheid wilden ‘ophangen’ en dat veroorzaakte nog meer consternatie. Even later schalde het ‘Leve de republiek!’ en ‘Weg met de koning!’ door de kraam. Aanwezig was ook de jonge Groningse journalist Eilert Meeter, hoofdredacteur van het eerste republikeinse blad van het land, getiteld De Tolk der Vrijheid, dat speciale aandacht had gewekt bij de handhavers van het gezag. Toen Meeter de volgende dag hoorde dat zijn medekermisgangers waren gearresteerd dook hij onder bij een vriend in Harlingen. Daar werd hij toch al snel gearresteerd, net als zijn uitgever Jan Bolt. Eer kwam een regiment van de cavalerie aan te pas om de orde in Groningen te bewaren. Maar liefst zeventig dagen brachten zij door in voorlopige hechtenis. Al de tijd kon De Tolk niet verschijnen, en dat was wellicht ook het achterliggende motief van de arrestaties geweest. Hun collega-kermisgangers waren inmiddels allemaal vrijgelaten.

Republikeins Genootschap

Ruim een maand na hun vrijlating diende de wafelkraamaffaire voor de Groninger arrondissementsrechtbank. Naast majesteitsschennis werden ze beschuldigd van revolutionaire opruiing en Meeter hing nog een zwaardere straf boven het hoofd omdat er bij een huiszoeking aantekeningen uit de prullenbak waren gewist voor de oprichting van een ‘Republikeins Genootschap’. Onder de regering van Willem I waren geen samenscholingen van meer dan twintig personen toegestaan. Meeter had bedacht om een keten van aparte genootschappen van twintig leden op te richten. Dat kon volgens de aanklager echter worden uitgelegd als het ontketenen van een burgeroorlog, of een poging daartoe, en daarop stond volgens artikel 91 van de Code Pénal de doodstraf. Uiteindelijk eiste de officier van justitie op basis van artikelen uit De Tolk der Vrijheid de maximumstraf van vijf jaar gevangenis ‘welke op het boosaardig lasteren, honen en smaden van Zijne Majesteit den Koning gesteld is’. De rechtbank honoreerde de eis tegen Meeter: hij kreeg de maximumstraf van vijf jaar; uitgever Bolt moest twee jaar achter de tralies. Beiden gingen in hoger beroep bij het Provinciale Hof in Groningen. Meeter, dan 22 jaar oud, voerde zijn eigen verdediging, die hij voorlas van papier. Tijdens het proces in Groningen was hij zo kwaad geworden dat hij soms niet meer uit zijn woorden kwam. Dus las hij liever voor dan uit zijn hoofd te spreken. Bolt gaf Meeters tekst (48 pagina’s) uit en verkocht die voor veertig cent.

Ter verdediging stelde Meeter dat zijn ‘weg met de koning’ onmogelijk als majesteitsschennis kon worden gekwalificeerd. Immers, het had toch even goed kunnen gaan om een koning van de Mammelukken, of Louis Napoleon, de broer van Napoleon, die immers de eerste koning van Holland was geweest. Het mocht allemaal niet baten. Het Provinciale Hof veroordeelde hem tot vier jaar achter de tralies. Bolt kreeg twee jaar.

Audiëntie bij Willem II

Nadat de Hoge Raad het vonnis van het Groningse Provinciale Hof had bevestigd nam Meeter de wijk naar Parijs, waar hij werk vond bij nota bene op de Nederlandse ambassade. Bij verstek werd hij veroordeeld tot nog eens een half jaar cel omdat hij de lezers van de Tolk had opgeroepen petities naar de koning te sturen voor belastingverlaging. Zijn geluk was dat Willem I inmiddels was geabdiceerd en na bemiddeling van de ambassadeur in Frankrijk verleende zijn zoon Willem II Meeter gratie. In september 1841 mocht hij op audiëntie bij de koning, die hem ‘uiterst beminnelijk’ ontving en kende hem een uitkering toe, in ruil voor de belofte dat hij naar het buitenland zou uitwijken en ‘een juist gebruik zou maken van de talenten die de natuur hem had geschonken’. Voortaan diende hij te zwijgen over de koning en zijn zaken.

Meeter kreeg naar hij schrijft in zijn memoires toch steeds weer geld van de koning. Kennelijk chanteerde de goed geïnformeerde schandaaljournalist hem met zijn heimelijk gekoesterde voorkeuren voor de herenliefde. Eilert Meeter week in september 1851 uit naar Groot-Brittannië, waar hij tot zijn dood in 1862 als scheepsbevrachter en vertaler in Briton Ferry werkte. In Londen publiceerde hij in 1857 zijn memoires met de titel Holland, Its Institutions, Its Press, Kings and Prisons. De Nederlandse vertaling – Willem I, Willem II, kranten, kerkers en koningen verscheen pas meer dan honderd jaar later, in 1966.