De Duitse vorsten anno 1914

Duitse vorstenhuizen een eeuw later

in Artikelen


Door het afschaffen van de monarchie als staatsvorm in Duitsland moesten 22 Duitse vorsten (‘Bundesfürsten’) een eeuw geleden de troon opgeven. Hun families leven nog voort, hoewel er inmiddels ook een aantal zijn uitgestorven. Een kort overzicht van de belangrijkste huizen (en enkele minder belangrijke, gelieerd aan het Nederlandse koningshuis).

Tekst: Titus von Bönninghausen

Het is algemeen bekend dat de Duitse keizer Wilhelm II, tevens koning van Pruisen (uit het geslacht Hohenzollern, 1859-1941), asiel kreeg in Nederland. Hij had Duitsland de Eerste Wereldoorlog in gesleept, waarbij hij gehoor gegeven had aan het advies van de legerstaf. Een nazaat is Georg van Pruisen (geb. 1976). Als chef van de familie kwam hij onlangs in het nieuws omdat hij alsnog goederen claimt van de staat die ooit aan diens Huis hebben toebehoord. De verontwaardiging bij het publiek over deze vordering is groot, maar de Duitse overheid neemt de eis serieus. Anders dan men denkt is genoemde Georg weliswaar hoofd van het Huis Pruisen, maar is hij niet de oudste van het geslacht. Georg wordt echter het meest representatief geacht, door de hoge geboorte van zijn moeder. De oudere takken van het geslacht zijn minder voornaam door huwelijken met burgers.
Naast de Pruisische tak van Hohenzollern is er de katholieke tak van de prinsen van Hohenzollern in Zuid-Duitsland, vroeger Hohenzollern-Sigmaringen geheten. Deze familie was ooit heer van Boxmeer (N-Br) en van het Huys Bergh, waartoe uitgebreide bezittingen behoorden (gem. Montferland, Gld). Er bestaat daarom een speciale band tussen dit geslacht uit Zwaben en de beide Nederlandse plaatsen. Een voorouder, Leopold (1835-1905), stelde zich kandidaat voor de Spaanse troon. In reactie hierop verklaarde Frankrijk aan Pruisen de oorlog (Frans-Duitse oorlog van 1870-‘71). De katholieke Hohenzollerns hadden hun soevereiniteit reeds in 1849 aan de Pruisische tak overgedragen en waren dus nadien niet meer regerend. Toch geniet het Huis nog aanzien. Het heeft in Zwaben niet van het communisme te lijden gehad en daarom zijn deze Hohenzollerns zeer vermogend gebleven. Ze bezitten veel bossen en landerijen die geëxploiteerd worden. Naast bosbouw doet de prinselijke familie aan het produceren van wijn en sekt. Tevens wordt er in onroerend goed gehandeld en van oudsher waren er belangen in de staalindustrie, maar daar is een einde aan gekomen. Verder is het Huis actief in de toeristische sector. Kasteel Sigmaringen staat bijvoorbeeld voor het publiek open. (Het eigendom van kasteel Hohenzollern wordt gedeeld met de andere tak, die van de Pruisische Hohenzollerns).
In de vrijstaat Beieren wekt de voormalige koninklijke familie nog veel sympathie. De leden ervan treden weinig op de voorgrond. Wel geeft het hoofd van de familie – Frans van Beieren (1933) – acte de présence bij culturele en charitatieve projecten. Frans is officieel ‘hertog’, terwijl deze titel sinds de republiek van Weimar (1919) voor het Huis Beieren eigenlijk verloren ging. Aangezien de bevolking Frans toch hertog ging noemen na het overlijden van diens vader in 1996, werd deze historische titel alsnog voor hem geformaliseerd. De familie van Frans was tegen het nationaalsocialisme en heeft eronder geleden.


Aan lager wal

Het Huis van Saksen is gecompliceerd. Er bestaat een katholieke tak die afstamt van Albert, waarvan de koningen van Saksen uit de negentiende eeuw (hoofdstad Dresden) afstammen. Hun voorouders waren ook koning van Polen. Een representant hiervan in de moderne tijd was Albert van Saksen (1934-2012). Omdat hij ongehuwd bleef wenste zijn getrouwde zuster het Huis voort te zetten als Saksen-Gessaphe, via de vrouwelijke lijn dus. Maar Albert had nog een volle neef, de ongelukkige Timo van Saksen (1923-1982). Timo raakte aan lager wal: hij was verslaafd aan drugs, had onwettige kinderen, maar was ook enkele keren getrouwd. Zijn eerste huwelijk was met de dochter van een slager. Uit dat huwelijk werd Rüdiger (1953) geboren, die inmiddels zelf al grootvader is. De toekomst zal uitwijzen of diens kleinkinderen aansluiting zullen vinden bij de beau monde.
De zogenaamde Albertijnse tak had het vorstendom Saksen destijds niet verder opgedeeld onder de erfgenamen. Daarentegen had Ernst dit juist wel gedaan met zijn aandeel in het Saksische territorium. Daardoor ontstonden er meerdere protestante Saksische Huizen. Dat van Saksen-Altenburg is inmiddels uitgestorven, mogelijk staat dit ook het Huis van Saksen-Meiningen te wachten. Stamhouder ervan is Frederik, sinds 2015 ongehuwd vader van zoon Michaël. Op een tragische manier is verder het lot van het Huis van Saksen-Weimar bezegeld, want de enige stamhouder, Georg, verongelukte in 2018 tijdens het paardrijden. Van de Ernestijnse tak is alleen het Huis van Saksen-Coburg zeer uitgebreid. Tot een geheel ander geslacht behoort het Huis van Saksen-Anhalt, dat op termijn overigens zal uitsterven. Het gezin van Eddie van Anhalt (1941) bestaat namelijk alleen uit drie dochters.

Widukind
Het wapen van de vorstelijke Saksische Huizen is gemakkelijk te herkennen door de groene ruitenkrans diagonaal over het schild, die reeds zeer vroeg op zegels voor kwam. Een populair symbool is verder het Saksische ros, dat ook het Twents ros genoemd wordt. Het bestaat uit een steigerend wit paard op een rood veld. Dit is het wapen van zowel de streek Twente als van Westfalen. Er is een legende die zegt dat het om het witte paard gaat van de dappere Saksische aanvoerder Widukind uit de achtste eeuw. De hertogen van Brunswijk beschouwden zich als opvolger van Widukind. Sinds 1361 heeft dit Huis daarom de schimmel aan het wapen toegevoegd. De laatste regerende hertog was Ernst August van Brunswijk (1887-1953, ook genaamd ‘van Hannover’). Hij kreeg een bedenkelijke reputatie door de manier waarop hij zich tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft verrijkt. Zijn kleinzoon, Hendrik van Hannover (1961), neemt als historicus zijn grootvader gedeeltelijk in bescherming.
De koninklijke tak van het Huis van Württemberg, waartoe de Nederlandse koningin Sophia behoorde, is uitgestorven met Paulina (1877-1965; lid NSDAP). Deze tak werd in Stuttgart opgevolgd door de huidige katholieke familie. Voor de verwantschap van beide takken gaat men terug tot in de achttiende eeuw.
Het Huis van Waldeck-Pyrmont stond bijna op uitsterven. De enige stamhouder was Frederik (1865-1946). Berucht werd zijn zoon Jozias, van wie Anke Schmeling in 1993 de biografie Josias Erbprinz zu Waldeck und Pyrmont, der politische Weg eines hohen SS-Führers publiceerde. De familie is heden weer ruim vertegenwoordigd. Het Huis van Mecklenburg-Schwerin stierf in mannelijke lijn uit met Frederik (1910-2001; lid NSDAP en SS). Anders staat het Huis van Mecklenburg-Strelitz ervoor. Borwin is namelijk vader van twee zonen: Alexander en Michaël. Deze tak is katholiek en vooral woonachtig in Zuid-Duitsland. De familie komt in de literatuur ook voor als hertog van Mecklenburg, graaf van Carlow. Bij het Huis van Lippe was Fürst Leopold (1871-1949) weliswaar sympathisant van de NSDAP, maar hij bestemde zijn jongere zoon Armin (1924-2015) tot zijn opvolger van kasteel Detmold, en die was voorheen dienstweigeraar.

Verdwenen vorstenhuizen
Van de 22 vorstenhuizen die voor 1919 regeerden, is een derde deel al uitgestorven of staat dit binnen afzienbare tijd te wachten, althans waar het om de regerende tak gaat. Het Huis van Schwarzburg bestaat niet meer en van het Huis van Reuss eindigde de oudste soevereine tak in 1927 en de jongste in 1953. In het laatste geval ging het om prins Hendrik XLV Reuss (geb. 1895). Hij werd in 1945 door de Russen gevangen genomen en gold nadien als vermist. Daarom is 1953 een fictief jaar van overlijden voor hem. Bij het geslacht Reuss dat nog wel voortleeft gaat het om de staak tot ‘Köstritz’. Voor de samenhang van Reuss-Köstritz met de destijds regerende takken (1918) moet men in de stamboom Reuss ver terug, tot vóór 1700.
En hoe is het tenslotte met de Nederlandse monarchie gesteld? De laatste man uit het Huis van Oranje-Nassau was koning Willem III (1817-1890). In rechte lijn, dus in mannelijke lijn, stamde koningin Wilhelmina (1880-1962) van hem af. Met haar eindigde het Huis van Oranje-Nassau volledig volgens het traditionele adelsrecht. Bij de Nederlandse adel geldt afstamming ‘in rechte lijn’ nog altijd als criterium. De bijzondere regelingen voor het huidige Huis van Oranje-Nassau zijn strijdig met het adelsrecht. Dit heeft als merkwaardige consequentie dat indien men bij een rechtbank komt voor een rechter (die recht spreekt), men gewoonlijk in de rechtszaal een portret aantreft van de koning die níet ‘in rechte lijn’ een prins van Oranje-Nassau is. Naar het klassieke adelsrecht gaat het hierbij ten onrechte om een Oranje-Nassau, of gaat het met een woordspeling om ‘Onterecht Nassau’. De naam van het Huis voor wie recht is in de leer, luidt eigenlijk Van Amsberg. Ook hier geldt dat eenvoud het kenmerk is van het ware.

Titus von Bönninghausen (1957) verzorgt de historische rubriek in Van Adel, Nieuwsbrief van de Nederlandse Adelsvereniging. Daarin is dit jaar het thema Duitsland en Oostenrijk, 1918-1919.

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Met een grotere bijdrage steun je ons nog veel meer. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Mijn gekozen donatie € -
Go to Top