Feuilleton: De Avonturen van Dick Stein: In Naam van de Koning, aflevering 4

in dossier

Aflevering IV

VOETBAL IS OORLOG

Waarin Dick Stein een bewogen voetbalweekend beleeft en hem in zijn stamcafé een grote verrassing wacht.
 

Dwergterriër Didi, slapend aan het voeteneind van het bed waar Stein begraven onder zijn kussen lag bij te komen, vloog bijna tegen het plafond toen de volgende dag rond  11 uur ‘s ochtends de bel ging. Stein schrok wakker en werd meteen weer geveld . De bel bleef echter rinkelen, en Didi bleef schel blaffen, en uiteindelijk hief Stein zich met forse tegenzin uit zijn bed. Hij schoof het raam aan de voorkamer open om te zien wie er in de steeg stond. Het was Trudy, zijn ex-echtgenote, met de tweeling. Als bij bliksemschicht herinnerde Stein zich dat hij had beloofd om mee te gaan naar de wedstrijd van Dick jr en Bob, die in de jeugd van de Sloterdijkse Boys speelden. De napalm-ogen van Trudy duidden op alarmfase één. Steins ex was de dochter van een Molukse Knil-officier en zou zelf ook een heel geschikte drilsergeant zijn geweest.

‘Verdomme, Dick!’, riep Trudy, driftig rondjes lopend bij Steins deur. ‘Je had beloofd om de jongens naar het voetballen te brengen!’

‘Ik kom eraan’, zei Stein. ‘Jongens, doe alvast wat rek – en strekoefeningen voor de warming up’.

Toen Stein een paar minuten later hijgend van de tram af kwam lopen, was Trudy al verdwenen.

‘Waar is mama gebleven?’, vroeg Stein.

‘Ze had haast. Ze ging met oom Ronny naar de stad’, zei Dick jr., die precies een minuut eerder dan zijn broer Bob was geboren, en daarom het recht had gekregen op de stamhoudersnaam.

‘Geen probleem’, zei Stein, die even moest slikken om niets vervelends te zeggen over oom Ronny, zoals de nieuwe vriend van Trudy werd genoemd door zijn zoons.

Dick jr en Bob waren tweeling –  14 jaar oud, met een sprekende gelijkenis op hun vader, zij het dat ze beide de licht bruine huidskleur van hun moeder hadden meegekregen.

‘Tegen wie gaat het vandaag, mannen?’, vroeg Stein, terwijl ze naar het metrostation liepen.

‘Tegen FC Kudelstaart’, riepen Dick jr. en Bob in koor. In hun stemmen zat enige angst verscholen.

‘FC Kudelstaart? Al de hele competitie strak bovenaan, hoogste doelpuntgemiddelde per wedstrijd sinds jaren?’, vroeg Stein.

‘Ja, die’, sprak Bob gelaten.

‘Geen zorgen’, zei Stein. ‘Als je op het veld staat moet je je niet laten imponeren door de cijfers of de standen. Je moet je juist helemaal leeg maken. Het enige dat telt is het hier en het nu. Al het andere is illusie’.

De tweeling zweeg geïmponeerd. Stein kon ze horen nadenken. Een beetje kabbalistische mystiek kon geen kwaad voor twee jonge voetballertjes in existentiële nood.

Het terrein van de Sloterdijkse Boys  lag verscholen achter een paar kantorenparken aan de buitenzijde van de Amsterdamse ringweg. Terwijl Dick jr en Bob naar de kleedkamer waren vertrokken ging Stein zitten aan de bar van de kantine en bestelde een koffie en een broodje kaas. De kantine was al goed gevuld met ouders van de spelers van de diverse elftallen. De trainer van het elftal van Dick jr en Bob, een magere man met een triest Buster Keaton-hoofd en een grijze regenjas waaronder hij immer een trainingspak en gymschoenen droeg, liep op Stein toe.

‘Hé Stein’, zei hij met onvervalste Jordanese tongval. ‘Wat denk je, wat wordt het vandaag? ‘

‘Mijn jongens zijn er niet gerust op’, zei Stein.

‘Ja, het zal niet makkelijk worden’, beaamde de coach. ‘Ze hebben meer discipline, die jongens van het platteland’.

‘Reken maar’, zei Stein. ‘De angst voor de Heer wordt er daar nog flink ingehamerd. Geeft meer respect voor de trainer’.

‘O ja?’, vroeg coach Peters geïnteresseerd.

‘Jep’, zei Stein. ‘Op fysieke kracht zullen we het niet redden. Wat nodig is, is een tactische list, om ze niet in hun spel te laten komen. Ontregeling, daar komt het op aan. Lees De Kunst van de Oorlog van de Chinese wijsgeer annex generaal Sun Tzu maar eens na. Verplichte literatuur van de spelers van het Braziliaanse nationale elftal tijdens het WK van 2002. Sun Tzu zegt dat de beste manier om een slag te winnen is om je tegenstander te ontlopen’.

‘Interessant, Stein’, zei de coach. ‘Jij bent een van de weinige ouders hier met kijk op het spel. Die yuppie-ouders willen alleen maar dat hun mannetje nog eens een keertje bij Ajax komt om een paar miljoen per jaar te verdienen. Als je hun zoontjes niet opstelt krijg je gelijk een proces aan je broek. Maar als je ze vraagt hoe een buitenspelval werkt kijken ze je aan met een mond vol tanden’.

‘Vertel mij wat’, zei Stein. ‘Vroeger liet dat soort volk hun grut gewoon hockeyen. Ze maken deze sport kapot’.

Coach Peters werkte de laatste restjes van zijn koffie naar binnen. ‘Loop even met me mee naar de kleedkamer’, nodigde hij uit. ‘Misschien kan je wat peptalk houden voor de jongens. Ze zitten echt in de rats. We hebben al vier keer op rij verloren. Nog een keer onderuit en dan wordt het  vechten tegen degradatie’.

Stein stemde toe en liep achter coach Peters de gang door naar de kleedkamer. Ze passeerden eerst het hok van de tegenstander. Stein stopte even bij de deur van de vijandelijke kleedkamer om een blik naar binnen te werpen. De spelers van FC Kudelstaart, stuk voor stuk uit de kluiten gewassen boerenknapen met rode blossen op de wangen, zaten al  breed lachend klaar in tenue, terwijl hun trainer hen ophitste tot het bot. ‘De Sloterdijkse Boys zijn de slechtste club van de wereld’, hoorde Stein de Kudelstaartse coach zeggen ‘Ik wil totale vernedering op het veld zien vandaag’.

‘Dat is geen voetbalploeg, maar een elitekorps van de SS’, zei Stein tegen coach Peters. ‘Dit vraagt om nog meer drastische maatregelen dan ik al gedacht had’.

De Sloterdijkse Boys zaten er bedrukt bij in de kleedkamer.

‘Jongens, dit is meneer Stein, de vader van Dick en Bob, en hij heeft een paar tips voor jullie’, introduceerde  coach Peters.

‘Juist’, zei Stein, terwijl hij langs de jongens liep en hen een voor een aankeek. ‘Mannen, de trainer heeft me gevraagd jullie een en ander uit te leggen over de verborgen strijdmethodes van het voetbal. Die zullen jullie vandaag hard nodig hebben, want met deze tegenstander valt niet te spotten. Nu  ben ik zelf judo-jeugdkampioen van Rotterdam-Zuid geweest en heb de bruine band gehaald, wat bijna net zo goed is als de zwarte, maar die is alleen voor uitslovers, en uitslovers, daar houden we niet van, niet in Rotterdam-Zuid tenminste. Nu zijn er in de nobele judosport een paar technieken die heel goed van pas kunnen komen in de voetballerij. Zoals daar is: de o soto gari, hetgeen Japans is voor beenworp. Een vrijwilliger graag!’

De spelers van de Sloterdijkse Boys keken elkaar twijfelend aan. Uiteindelijk stond de aanvoerder, Jeffrey, een stevige Antilliaanse knul, op om als proefkonijn te fungeren.

‘De beenworp is de ideale manier om een aanval van de tegenstander in de kiem te smoren’, legde Stein uit. ‘En nog beter: mits correct uitgevoerd kan geen scheidsrechter er voor fluiten. De o soto gari werd in de jaren zestig van de vorige eeuw in het Nederlandse voetbal geïntroduceerd door Theo Laseroms, de legendarische centrale verdediger van Feyenoord, beter bekend als Theo de Tank, en gaat als volgt in zijn werk. Stel: de tegenstander  probeert je  op snelheid te passeren.  Wat je doet is het volgende: in de achtervolging plaatst men de knie in de knieholte van de tegenstander, men geeft een lichte opwaartse beweging met de heup, en de tegenstander is gelijk uit balans. Zorg daarbij dat je de handen omhoog houdt, juist alsof je de tegenstander wilt ontwijken, en geen scheidsrechter kan je iets maken’.

Stein wendde zich tot zijn vrijwilliger. ‘Kijk, zo ,  zei hij, terwijl hij de aanvoerder met een vloeiend knietje achterover deed vallen, tot hilariteit van de rest van de ploeg. ‘Let wel, een klein zwiepje is genoeg. Als je te veel gebruikt maak je kans om de tegenstander zijn benen te breken,   en dat is natuurlijk niet de bedoeling, tenminste, niet in deze fase van de competitie!’

De Sloterdijkse Boys begonnen te lachen, er viel duidelijk een last van hen af.

‘Dit moet het doen, coach’, zei Stein. ‘Ze zijn er klaar voor’.

De welgemeende adviezen van Stein leidden niet tot het gewenste resultaat. De Sloterdijkse Boys betraden weliswaar blakend van zelfvertrouwen het veld, maar FC Kudelstaart toonde zich getergd en stond binnen een kwartier al met 0-3 voor. Coach Peters ging op de vuist met een groep ouders van de tegenstander en werd door de scheidsrechter naar de kantine gestuurd, waar hij de rest van de wedstrijd lijdzaam achter het raam moest toezien met zijn gerolde sigaret treurig hangend in zijn mondhoek. Stein, die tot dan toe hijgend langs de lijn had gelopen als grensrechter en bij iedere schijn van buitenspel van de FC Kudelstaart de vlag de lucht in stak, nam de coaching over, maar de Sloterdijkse Boys bleven als bowlingkegels sneuvelen voor de aanstormende horden van de FC Kudelstaart.

Dick jr had als doelman van de Sloterdijkse Boys geen gemakkelijke dag. Bob speelde als verloren dolende spits geen rol van betekenis. Bij het laatste fluitsignaal stond het 0-8.

‘Geeft niks, jongens’, zei Stein, nadat zijn jongens met natte haren uit de kleedkamer waren gekomen. ‘Het was een geflatteerde uitslag. De scheidsrechter was duidelijk op de hand van de tegenstander’.

‘Ik geloof dat ik liever op judo ga, pa’, zei Dick jr.

‘Ik ook’, zei Bob.

‘Niks ervan’, zei Stein. ‘Een Stein geeft nooit op’.

Om de traumatische nederlaag zo snel mogelijk te vergeten nam Stein zijn jongens mee uit naar een speelhal op het Rembrandtsplein, waar Dick jr en Bob hun frustraties konden uitleven achter digitale laserkanons en racespelletjes. Daarna gingen ze naar de nieuwste James Bond-film, aten ze een en uiteindelijk bracht Stein de tweeling aan het eind van de dag terug bij hun moeder.

Vanuit de keuken wierp Trudy hem een paar onheilspellende blikken toe. Ronny, de nieuwe huisvriend, was ook van de partij en sloeg Stein hartelijk op de schouders. Ronny was computerprogrammeur van beroep en het scheen hem voor de wind te gaan. Hij een t-shirt met het  opschrift ‘Dont’t worry be happy’. En dat voor een vent van in de 40. Iedere keer dat Stein hem zag kostte enige moeite om hem niet in een dodelijke wurggreep te nemen. Hij begreep niet wat Trudy zag in dat zachte ei.

‘Hé Ronny’, zei Stein. ‘Nog zo laat hier?’

‘Ja,’ zei Ronny grinnikend. ‘Trudy heeft me gevraagd te komen eten’.

‘Zo zo’, zei Stein. ‘Dat komt allemaal maar mee-eten. En, wat schaft de pot?’.

‘Rijsttafel!’, riep Trudy provocerend vanuit de keuken.

‘Hé, dat is mijn favoriete kost!’, zei Stein.

‘Van mij ook’, zei Ronny, kennelijk blij verrast.

‘Heb je niet nog werk te doen. Dick?’, wilde Trudy weten. ‘Je loopt flink achter met de alimentatie’.

Stein begreep de subtiele hint. Sinds de scheiding had Trudy niet meer dan een paar lettergrepen tot hem gesproken. Maar het was al een hele verbetering sinds het toppunt van hun huwelijkscrisis, toen ze hem nog dreigde te laten vermoorden door haar broers, drie weinig toeschietelijke types die allen rondliepen met het trauma van het Nederlandse verraad tegenover de Molukse staat in oprichting en daarbij weinig nuances aan de dag legden.

‘Ja, nog bergen werk te verzetten vandaag’, zei Stein, en hij vertrok als een hond die net een steen naar zijn kop geworpen kreeg.

Die avond verbleef hij in het nagenoeg verlaten café Dolly, waar ex-kapitein Willem op zijn vaste stek aan de bar sterke verhalen vertelde over zijn avonturen in alle hoerenkasten van Shanghai tot Port Said en op de kruk naast hem dwergterriër Didi – een getrainde caféhond –  vredig lag te slapen. Het was een vreemde gewaarwording, broodnuchter in een café te zitten – het was toch een soort van droogzwemmen – maar Stein hield van de meditatieve rust die uitging van dronkenmansverhalen aan te horen zonder er werkelijk naar te luisteren. Zoals Odysseus aan de mast gebonden de Sirenes weerstond, zo liet Stein op een barkruk in zijn stamkroeg zijn vroegere gehechtheid aan alcoholische versnaperingen aan zich voorbijgaan. Het was een louterende ervaring.

Toen Stein zich tegen sluitingstijd aanstalten maakte om te vertrekken, stokte hem plotseling de adem. Daar in de deuropening stond Esther Blom, haar ogen strak op hem gericht. Bewonderend aangestaard door ook barman Harry en kapitein Willem liep ze met gedecideerde stappen van haar cowboylaarzen op Stein toe,  gaf hem een klap in het gezicht, daarna omhelsde ze hem.

Barman Herman draaide zich hoofdschuddend om.

Stein, nog  niet van de verbazing bekomen, bekeek haar nog eens goed. Het was Esther, geen twijfel over mogelijk. De jaren hadden niet veel vat op haar gekregen. Nog steeds die helgroene ogen en de weelderige rode krullen.

‘Hallo, rat’, zei Esther.

‘Hallo Esther’, antwoordde Stein met schorre stem.

‘Ik hoopte al je hier te zien’, zei Esther. ‘Gelukkig ben je een man van vaste gewoontes. In al die jaren nog niet van kroeg gewisseld’.

‘Je moet ergens vastigheid hebben’, zei Stein.

‘Je nieuwe vriendin?’, vroeg Esther, knikkend naar Didi, die haar vrolijk kwispelend aankeek.

‘Zoiets’,  zei Stein. ‘Wat doet een leuke meid als jij in een tent als deze?’

‘Ik moet een paar zaken regelen in Amsterdam’, zei Esther. ‘Kan ik een paar dagen bij je logeren, totdat ik de boel op orde heb?’

Stein aarzelde.

‘Ik ken voor de rest niemand meer hier’, drong Esther aan.

‘Goed dan’, zei Stein na enig nadenken. ‘Ik heb een grote bank’ .

‘Je bent een engel’, zei Esther, en ze gaf Stein een dikke zoen op zijn wang.

‘Dames en heren, het is de hoogste tijd. Laatste ronde!’, riep barman Harry.

Ze liepen langs de gracht, Stein met Didi aan de lijn, Esther met haar arm in die van Stein geslagen. De natte stoeptegels waren verraderlijk glibberig. Stein wierp af en toe een schichtige blik naar achteren.

Esther vertelde Stein over haar jaren als activiste en ontwikkelingswerkster.

‘Soms vraag ik me weleens af waar het allemaal goed voor is geweest’, zei ze. ‘Voor wie deed ik het eigenlijk? Voor de wereld? Of voor mijzelf? Soms was ik liever een simpele huisvrouw geweest, met twee kinderen, ergens in een Vinex-wijk met een stomme echtgenoot die voor de buis hangt en voetbal kijkt. Eigenlijk is dat veel moeilijker dan tegen al het onrecht in de wereld te hoop te lopen. Eigenlijk was het één grote egotrip’.

‘Dat klinkt als een serieuze midlife-crisis’, zei Stein.

Esther lachte. ‘Ja, dat zal het zijn’, zei ze.

Stein’s hersenen draaiden overuren. Gisteren had hij nog in een inlichtingenrapport gelezen dat Esther Blom een staatsgevaarlijke terrorist was die op het punt stond de Vader des Vaderlands naar de andere wereld te helpen. Nu zag hij een door het leven gelouterde vrouw, een gerijpte schoonheid die afscheid had genomen van haar vroegere dromen.

Hoe de vork ook in de steel zat, vast stond dat Stein zich in een lastig parket bevond en dat hij niet voorzichtig genoeg kon opereren.

Die voorzichtigheid bestond er in de eerste plaats uit om na het betreden van zijn woning snel Van Tichelen’s dossier dat nog op zijn werktafel lag haastig in een kast te verbergen, terwijl Esther gebruik maakte van het toilet.

‘Zeg, Esther’, vroeg Stein nadat ze was teruggekomen. ‘Wat vind je eigenlijk van onze monarchie?’

‘De monarchie? Moet ik daar wat van vinden?’

‘Heb je dat niet meekregen, die verfbom op de Gouden Koets?’, probeerde Stein.

Esther bleef volkomen onaangedaan. ‘Ik volg het Nederlandse nieuws niet meer zo’, antwoordde ze.

Of Esther was een dijk van een actrice, een talent waar Stein haar vroeger nooit op had betrapt, of ze wist werkelijk van niets.

Stein liep naar zijn slaapkamer om er wat beddengoed te halen, en toen hij met deken en kussen terug de kamer in kwam had Esther zich omgekleed in een oude flanellen overhemd dat hij over een stoelleuning had laten slingeren. Haar lange benen oogden glad als ivoor en omdat de bovenste knoopjes van Stein’s rood-zwart geblokte overhemd in de loop der tijden waren losgescheurd viel het tot in de diepte open. Stein moest even iets wegslikken toen hij Esther zo voor zich zag staan.

Esther had kennelijk in de gaten welk effect ze bewerkstelligde bij haar gewezen geliefde en bracht zijn gedachten naar andere regionen door terug te komen op zijn eerdere vraag.

‘In Afrika had ik een vriendje die wel heel erg gebeten was op het koningshuis’, zei ze, terwijl ze het beddengoed uit de handen van Stein pakte en haar provisorische slaapplaats in gereedheid bracht.

‘O ja?’, vroeg Stein zo nonchalant mogelijk. ‘Hoezo dat?’

‘Het was meer een vader-zoon-ding, geloof ik. Zijn vader was juist heel erg voor, en dus moest hij heel erg tegen zijn. Zoiets. Het liep hoog op. Eind van het liedje was dat hij zijn vader niet meer wilde zien. Maar dat was niet eens zo makkelijk, want die vader zat in de Tweede Kamer voor zo’n streng christelijke splinter en was om de haverklap op tv. Vandaar dat hij uiteindelijk naar Afrika is gegaan. Dus eigenlijk vooral omdat hij zijn vader niet meer op tv wou zien.’

‘Een legitieme reden’, vond Stein. ‘En waar is die jongeman nu?’

Esther was inmiddels op de bank gaan liggen, met de paardendeken over zich geslagen, en keek hem lachend aan.

‘Geen idee. We zijn uit elkaar’, zei ze. Om daar plagend aan toe te voegen: ‘Maar bespeur ik daar een beetje jaloezie?’

‘Welnee’, zei Stein. ‘Gewoon dat ik weet waar ik aan toe ben als er straks een heerschap met een bijl voor mijn deur staat’.

‘Zo’n vaart zal het niet lopen’, stelde Esther gerust.

Daarna zette Stein Dylan’s Sad Eyed Lady of the Lowlands en viel Esther al snel als een blok in slaap op de sofa. Stein streek zijn hand even door haar rode krullen, slaakte een diepe zucht en liep naar zijn slaapkamer, met Didi in zijn spoor.


Waarom besloot Esther Blom uitgerekend nu een bezoek te brengen aan Dick Stein? En heeft zij werkelijk niets te maken met het Bataafs Bevrijdingsfront? U leest het allemaal in aflevering 4 van het feuilleton ‘De Avonturen van Dick Stein: In Naam van de Koning’.

Go to Top