René Zwaap - Page 6

Van de redactie – ‘Republikeinen, die moeten er ook zijn’

Uit: De Republikein, no. 2, juni 2016, jaargang 12

Voortaan genieten republikeinen in Nederland koninklijke goedkeuring. ‘Republikeinen, die moeten er ook zijn’, zo vertrouwde koning Willem- Alexander toe aan H.U. Jessurun d’Oliveira (ook bekend van de kolommen van dit tijdschrift) bij het 250-jarige jubileum van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde in Leiden, waarvan de koning als beschermheer optreedt. ‘Als men nu de Nederlandse staatsinrichting zou moeten opzetten, zou niemand een monarchie in zijn hoofd halen’.

Dat komt al aardig in de buurt van een uitspraak van grootmoeder Juliana, die eens verklaarde dat, ware ze zelf geen koningin, ze ook de republikeinse grondbeginselen zou zijn toegedaan.

Jessurun d’Oliveira concludeert in Het Parool: ‘De beschermheer is een cool guy. Alleen zijn job deugt niet’.

Die laatste mening blijken steeds meer Nederlanders te delen. Volgens de zogeheten Koningsdag-enquête van onderzoeksbureau Ipsos daalde het draagvlak onder de monarchie in 2015 tot 65 procent. In 2013 was dat nog 78 procent. Dat komt dus neer op een jaarlijkse daling van 6,5 procent. Bij dit tempo is er over twintig jaar helemaal geen draagvlak meer.

Dit slinken van de aanhang blijkt vooral een financiële aangelegenheid. 52 procent van de ondervraagden vindt de uitgaven voor het koningshuis te hoog. In de Tweede Kamer circuleert een wetsvoorstel om op de uitkeringen van vorst en vorstin te korten en daar bovendien ook inkomstenbelasting op te gaan heffen.

Voortaan genieten republikeinen in Nederland koninklijke goedkeuring.

PvdA-ideoloog Joop van den Berg wijt ‘dat gezeur over de centen’ aan een ‘heimelijk republikeinse stroming in de Tweede Kamer’, voortgekomen aan de ‘algemene behoefte van het populisme om de elite te bekritiseren’. Maar is het werkelijk zo populistisch een kosten/baten-analyse te maken van het koningshuis? Geld is de maat der dingen en daarom staat deze editie van De Republikein in het teken van ‘de pegels’. Niet alleen voor de monarchie, maar ook het geld an sich, het verdwijnen van het muntgeld, de opkomst van de met mysteriën omgeven Bitcoin, het verdampte geld van het Chinese Wirtschaftswunder, het aan het zicht onttrokken geld van de Panama Papers, het geld dat de argeloze burger dreigt kwijt te raken aan de monsterverbonden van TTIP en CETA.

Bezuinigen op de monarchie is tricky business, zoals blijkt uit de tragedie van Jo van der Hoeven, de PvdA’er die zijn onderkoningschap als vicevoorzitter van de Raad van State in 1980 door de neus zag geboord, wellicht omdat hij het had gewaagd mee te werken aan de fiscalisering
van het Oranje-vermogen. Zie het interview met Clemens Meerts, de Limburgse politicus die het waagde de vrijstelling van inkomstenbelasting van vorst en eega voor zichzelf op te eisen en tot aan de Hoge Raad bleef procederen. Intimidaties van de Belastinginspecteur werden zijn deel.

Kortom, er valt nog veel werk te verzetten. En daarom ontvangt de koning van deze voorliggende editie van ‘De Republikein, tijdschrift voor de betrokken burger’ een geheel kosteloos proefnummer op zijn werkadres, met het royale aanbod voor een jaarabonnement, mét een
koninklijke korting die overigens ook voor ieder ander geldt.

René Zwaap, hoofdredacteur ‘De Republikein, tijdschrift voor de betrokken burger’

 

Wilt u het totale referendum?

Uit: De Republikein, no. 1, maart 2016, jaargang 12

Na meer dan een eeuw (!) debatteren stemde de Tweede Kamer verleden jaar in met een heel voorzichtig, niet-bindend referendum. Daarbij mag het niet gaan over het koningshuis en ook over begroting en Grondwet dient het volk niet te oordelen. Het contrast met Zwitserland, waar het ‘soevereine stemvolk’ de hoogste wetgever is, kon niet groter zijn. Vanwaar toch die angst voor het volk en wat levert dat op?

‘In de democratie is iedere normale burger een koning – maar een koning in een constitutionele democratie: een koning die alleen formeel besluiten neemt en wiens functie daaruit bestaat, verordeningen te ondertekenen, die hem door de uitvoerende instanties zijn voorgelegd. Het probleem van de democratische rituelen lijkt daarom op het grote probleem van de constitutionele monarchie: hoe de eigenwaarde van de koning in tact te laten? Hoe kan men de schijn bewaren dat de koning daadwerkelijk beslist, hoewel iedereen weet dat dat niet zo is?’ – Slavoj Žižek, in: ‘Das ‘unendliche Urteil’ der Demokratie’, uit de bundel Demokratie: Eine Debatte, Berlijn 2012.

De Nederlands-Zwitserse verhoudingen zijn eigenlijk warm noch koud te noemen. Slechts één keer was er sprake van crisis, en wel toen koning Willem III zijn minister van Oorlog A.W.P. Weitzel gelastte een paar kanonneerboten de Rijn over te sturen, omdat hij in een hotel aan het meer van Genève, waar men had geklaagd dat de Nederlandse vorst poedelnaakt op het balkon te bezichtigen was, ‘un peu trop familièrement’ behandeld was.

Weitzel maakte van dat incident gewag in zijn later gepubliceerde dagboeken. Hij wist wat voor vlees hij hij in de kuip had – hij schreef een studie over de verschijnselen van ‘hoogmoedswaanzin’ bij de Russische tsaren Peter de Derde en Paul I, respectievelijk de overgrootvader en grootvader van Willem III. Het was hem duidelijk dat ook bij de Nederlandse vorst het onstuimige Romanov-bloed met wilde schuimkoppen door de aderen spoot. Daarom gaf hij maar geen gehoor aan het koninklijke bevel de nationale vloot in te zetten. Een Nederlands-Zwitsers militair conflict bleef ons zo bespaard.

In de jaren ’70 van de vorige eeuw bood Nederland een wenkend perspectief aan de Zwitserse jeugd. Als hekkensluiter in Europa ging Zwitserland in 1971(!) over tot het instellen van het vrouwenkiesrecht. Ook op andere terreinen viel er een wereld te winnen. Aan het slot van Der Schweizermacher (1978), de best bezochte Zwitserse film aller tijden, waarin regisseur Rolf Lyssy de spot dreef met de rigide inburgeringspolitiek van zijn land ten aanzien van nieuwkomers, vlucht de held met zijn geliefde naar Amsterdam, dat lyrisch wordt afgeschilderd als een Walhalla van vrijheid en tolerantie.

Rollen omgedraaid

Anno 2016 zijn de rollen omgedraaid. Nederland kan nu iets leren van de Zwitsers. 6 april a.s. vindt bij ons het referendum over het associatieverdrag met Oekraïne plaats. De onwennigheid reikt tot aan het plafond. De angst voor een blinde volkswil die, net als in 2005, weer als een olifant door de Europese porseleinkast zal denderen is groot. Van links tot rechts smeekt het politieke establishment te mogen worden verlost van die verschrikkelijke volksraadpleging. Een diep wantrouwen jegens het ‘gepeupel’ overheerst in de politieke kaste. Vice versa hetzelfde liedje. Nederland heeft 100 jaar gewacht met het invoeren van een referendum en is nu even onwennig met het fenomeen als de Zwitsers moeten zijn geweest toen zij in 1971 besloten die vreemde wezens die in de keuken hun eten aan het bereiden waren mee te laten beslissen over de toekomst van hun land.

Maar van referenda weten de Zwitsers alles. De helft van alle referenda in de wereld wordt in hun land gehouden. Waar in Nederland uit angst voor de massa de referendumwet zo volkomen dichtgetimmerd is dat het eigenlijk al een godswonder is dat het nu gelukt is er een bij de Kiesraad doorheen te krijgen te krijgen, kan het Zwitserse stemvolk zich vrij en onbekommerd uitspreken over alle plannen van het parlement en zelf wetten aandragen, kortom, volkomen soeverein zijn eigen gang gaan.

Volksinitiatief

Op alle bestuursniveaus kunnen de Zwitsers ook zelf wetgevingsvoorstellen agenderen.Via het zogeheten volksinitiatief, waarvoor 100.000 handtekeningen nodig zijn om het tot onderwerp van een referendum te maken, fungeert het stemvolk als wetgever. Het parlement is gedwongen het besluit van het stemvolk te volgen. Volksinitiatieven over zaken als belastingen, staatsuitgaven en zelfs het staatsbestel komen in Zwitserland geregeld voor. Bijna niets is taboe. Een verkiezingsdrempel is er niet en het besluit is altijd bindend. Maar ook dat leidt niet tot een ontwrichtende dictatuur van het getal. Het aantal volksinitiatieven dat een meerderheid haalde is klein.

De Zwitsers blijken ook ten aanzien van zichzelf kritisch gestemd. Hoewel ook hier de rattenvangers van het populisme hun slag weten te slaan, hebben de Zwitsers een democratisch savoir faire ontwikkeld die hen behoed ten onder te gaan in het maalstroom van hun politieke wensdromen. Zelfdiscipline is een nationale deugd. Zoals de grote Zwitserse schrijver Friedrich Dürrenmatt de Zwitserse volksgeest ooit zo treffend verwoordde: ‘Jeder Gefangene beweist, indem er sein eigener Wärter ist, seine Freiheit‘: de vrije burger als de cipier van zijn eigen gevangenis.

Regenten versus gepeupel

Het contrast met de Nederlandse situatie kon niet groter zijn. In Nederland geen soevereiniteit van het stemvolk, integendeel, dat begrip is van tafel sinds de Bataafse republiek werd verdrongen door de Oranje monarchie. Een fatale dosis calvinistisch fundamentalisme, aangelengd met het traditionele wantrouwen van de regenten versus het gepeupel, leidde tot een gigantische omzichtigheid bij de invoering van iets dat lijkt op een referendum. Zelfs D66, toch de partij die traditioneel het meest werk zegt te willen maken van de dynamisering van het democratisch proces, leek decennia van angst bevangen om die monsterlijke wil van het volk uit zijn kooi te ontzetten. En zo piepten en zuchtten de Eerste en de Tweede Kamer meer dan een eeuw lang onder het loden gewicht van deze kwestie.

De oppositie tegen het referendum wordt vanouds aangevoerd door het CDA, wier toenmalige vertegenwoordiger Jan Schinkelshoek in de Tweede Kamer de christen-democratische bezwaren eens treffend verwoordde tegenover toenmalig minister van bestuurlijke vernieuwing Alexander Pechtold: ‘Wij zijn niet erg geporteerd van dit soort staatsrechtelijke nieuwigheden die, indien onverhoopt toch ingevoerd, onze parlementaire democratie er niet beter op maken. Ze maken meer kapot dan ons lief is en ze zullen de kloof tussen politiek en burger eerder vergroten dan verkleinen. Laat ons er niet aan beginnen, want het zal niet werken in democratische richting. Een referendum past niet in onze vertegenwoordigende democratie […]Als iets de kloof tussen burger en politiek vergroot, is dat het wel: een parlement dat met de handen in de lucht gaat staan, zich wegcijfert en genoegen neemt met een plaats op het tweede plan’.

Representatieve democratie

Ook de VVD, bij monde van toenmalig Kamerlid Laetitia Juliëtte Griffith, vindt ‘dat het correctief referendum op gespannen voet staat met ons vertegenwoordigend stelsel. In een vertegenwoordigend stelsel hoort het primaat te liggen bij de volksvertegenwoordiging en niet bij de burgers. Invoering van het correctief referendum betekent dat de eindbeslissing over de geldigheid van wetten bij de burger komt te liggen. De burger wordt hierdoor medewetgever, net als de regering en de Kamer. Mijn fractie vindt dat wij op deze manier steeds verder weg raken van de representatieve democratie en dat wij steeds meer toegaan naar een directe democratie. Wij zijn dan ook tegen een algemeen bindend referendum in ons staatsbestel.’

Nacht van Wiegel

En natuurlijk was er De Nacht van Wiegel – 18/19 mei 1999 – toen VVD- senator en partijboegbeeld Hans Wiegel in de Eerste Kamer eigenhandig het eerste kabinet-Kok naar de kelder joeg en in dezelfde vaart het correctief referendum. Het ging om het referendumplan in tweede lezing, die nodig was omdat het een wijziging van de grondwet betrof. In eerste lezing is een Kamermeerderheid voldoende, in tweede lezing is echter een tweederde meerderheid vereist. Van de coalitiegenoten PvdA, VVD en D66 mocht niemand buiten de boot vallen, want in de Eerst Kamer was die vereiste meerderheid er maar net. Wiegel kreeg de beslissende kaart in handen en speelde die met sardonisch genoegen uit. ‘Voorstanders van het referendum als instituut – en die zijn er ook in onze kringen – beschouwen het referendum als een aanvulling op de vertegenwoordigende democratie, sinds jaren grondslag van ons parlementair en politiek stelsel. Maar rondziende in onze kring moet ik zeggen dat daar ook de oprechte overtuiging leeft dat het referendum een aantasting is van dit stelsel.’

Den Haag, 19 mei 1999 VVD senator Wiegel staat de media te woord nadat de senaat de invoering van het referendum heeft verworpen. FOTO ROEL ROZENBURG
Den Haag, 19 mei 1999
VVD senator Wiegel staat de media te woord nadat de senaat de invoering van het referendum heeft verworpen.
FOTO ROEL ROZENBURG

Hoe VVD-leider Hans Dijkstal ook praatte, hoe PvdA-premier Wim Kok zich er ook mee bemoeide, wat D66-vice premier Els Borst ook zei, Wiegel bleef halsstarrig tegen het wetsvoorstel om een correctief referendum in te voeren.

Na de Nacht van Wiegel volgde een korte periode waarbij de partijen zich uiteindelijk neerlegden bij de nederlaag. Om D66 tegemoet te komen, spraken de drie af om een nieuw voorstel in te dienen om een raadplegend referendum in te voeren. Paars II kon verder tot het vlak voor de reguliere verkiezingen in 2002 definitief struikelde over het NIOD-rapport over het Nederlandse optreden in Srebrenica.

Gekozen burgemeester

Het zat D66 overigens in die regeringsjaren niet mee: in 2005 sneuvelde het voorstel voor de gekozen burgemeester in de Eerste Kamer op het verzet van PvdA-coryfee Ed van Thijn. Ook in dit geval ging het om een grondwetswijziging en ook hier was het een Belangrijk Partijlid die de politieke druk glansrijk doorstond. Die tweede keer waren de gevolgen groter: vicepremier Thom de Graaf (D66) trad af en Alexander Pechtold nam zijn plaats in als minister voor bestuurlijke vernieuwing en koninkrijksrelaties.

De Eerste Kamer zette met deze twee dwarsliggers een duidelijk stempel op de politieke ontwikkelingen. Blijkbaar heeft de politiek lessen getrokken uit die nederlagen in de Eerste Kamer, want de huidige coalitie, die een minderheid heeft in de senaat, past de wetsontwerpen al aan de wensen van de meerderheid van de Eerste Kamer aan voordat ze bij de Tweede Kamer worden ingediend. Daarmee proberen VVD en PvdA een nederlaag zoals in de Nacht van Wiegel te voorkomen.

Het verzet van Wiegel leidde tot een ‘raadgevend’ in plaats van een ‘correctief’ referendum. Het verschil is het verplichtende karakter van de volksraadpleging. Bij een correctief referendum buigen de kiezers zich over een politiek besluit en de uitslag is bindend. Bij een ‘raadplegend’ referendum ligt de uiteindelijke beslissing bij de politiek.

Zo’n referendum is mogelijk sinds vorig jaar, toen de wet raadgevend referendum van kracht werd. Een organisatie die binnen een korte periode driehonderdduizend handtekeningen weet te verzamelen, kan een referendum afdwingen. Zo is het Oekraïne-referendum tot stand gekomen. De uitslag is geldig als er meer dan dertig procent van de stemgerechtigden naar de stembus komt. De politiek kan de uitslag naast zich neer leggen, maar dan moet de desbetreffende wet opnieuw worden goedgekeurd door het parlement.

De politieke partijen hebben het zichzelf wel moeilijk gemaakt om die uitslag te negeren. Zo heeft de PvdA – voorstander van het verdrag – laten weten de uitslag te respecteren. De VVD heeft zich minder duidelijk uitgesproken. De liberalen onderstrepen het belang van de handel, mede omdat ze over de politieke component verdeeld is.

Draconische randvoorwaarden

In vergelijking met de Zwitserse referendumregels zijn de randvoorwaarden van het Nederlandse raadplegende referendum draconisch te noemen. Hier dienen burgers moeten eerst binnen 4 weken 10.000 handtekeningen inzamelen om een aanvraag goedgekeurd te krijgen. Als die hobbel is genomen moeten er nog eens 300.000 handtekeningen binnen 6 weken worden verzameld eer het referendum er daadwerkelijk kan komen. Ter vergelijking: om een volksinitiatief op federaal niveau in Zwitserland geagendeerd te krijgen zijn niet meer dan 100.000 handtekeningen vereist, en de initiatiefnemers hebben niet 6 weken maar 18 maanden de tijd die handtekeningen te verzamelen. Op decentraal niveau zijn de regelingen nog laagdrempeliger: in het kanton Zürich bijvoorbeeld niveau kan elke stemgerechtigde burger in zijn eentje een voorstel indienen. Voor het Nederlandse raadgevende referendum geldt een opkomstdrempel van 30 procent van de kiesgerechtigden. In Zwitserland bestaat zo’n drempel niet. Tenslotte is het Nederlandse referendum ook helemaal niet bindend. Na de eerstkomende Kamerverkiezingen is het weliswaar de bedoeling het bindende element van het correctieve referendum voor te leggen aan de Eerste en Tweede Kamer, maar die kan er alleen maar komen met een wijziging van de Grondwet en daarvoor is een tweederde meerderheid vereist die er niet zal komen zolang VVD en CDA hun traditiegetrouwe oppositie tegen het referendum volhouden. Kortom, het referendum à la Hollandaise is weinig anders dan een fopspeen als je het vergelijkt met de hardcore volksraadpleging van de Zwitsers.

Troelstra

De eerste keer dat er in de Tweede Kamer over een referendum werd gedebatteerd was in 1903. Het gebeurde op initiatief van socialistenleider Troelstra. Diens radicale voorstel was om de functie van de Eerste Kamer (het goedkeuren van wetgeving uit de Tweede Kamer) te vervangen voor een correctief referendum, dat met een drempel van 50.000 handtekeningen kon functioneren. Alleen Troelstra’s eigen SDAP was geporteerd van dit idee en het werd niet eens ter stemming gebracht. Na Troelstra’s gefnuikte coup van 1918 zat de angst voor het roerige socialistenvolk er goed in en dat was reden voor het parlement zich nog maar eens over de referendumplannen te buigen. Er kwam een staatscommissie en die zag wel wat in de mogelijkheid om grondwetswijzigingen en beslissingen over de staatsvorm te koppelen aan een volksraadpleging. De regering, bestaande uit de christelijke partijen ARP, CHU en RKSP, nam het voorstel over maar hun Kamerfracties stemden tegen.

Ook de SDAP, die had moeten constateren dat het proletariaat de plannen van de SDAP lang niet collectief wenste te omarmen, liet het aanvankelijke enthousiasme voor de volksraadpleging als revolutionair instrument wijselijk varen. ‘Laat ons er niet aan beginnen’, aldus Troelstra op 22 november 1921 in de Tweede Kamer tijdens een debat over een grondwetswijziging ten bate van een referendum. ‘Het zal niet werken in democratische richting. In menig geval zal het ingaan tegen de werkelijke ontwikkeling der democratische wetgeving.’
Een paar dagen later, in een krantenartikel in Het Volk, keurt Troelstra de referendumplannen in nog krassere bewoordingen af: ‘De gelegenheid te scheppen de grijze middenstof [zo noemde Troelstra de onbestemde burgerij] de enen maal door de Bond van Belastingbetalers en anderen maal door een bezuiniging op sport, partij of een ander product van politiek onbenulligheid tegen den wetgevende arbeid in het geweer te roepen, komt ons minder dan gewenst voor.’ Het resterende draagvlak voor een referendum in Nederland bestond uit een handjevol vrijzinnig liberalen.

Ook de PvdA, opvolger van de SDAP na de Tweede Wereldoorlog, zag niets in de politieke mobilisering van de stem des volks.  Een voorstel in de Tweede Kamer in 1946 ten bate van de invoering van een ‘indirect referendum’ sneuvelde mede omdat (een deel van) de PvdA dwars lag. Hetzelfde voorstel kreeg in 1951 een herkansing met weer een staatscommissie, maar dit keer gooiden de fracties van VVD en christelijke partijen roet in het eten, ondanks dat politieke zwaargewichten als Romme (KVP), Klomp (KVP) en Oud (VVD) voor hadden gestemd.

Commissie-Biesheuvel

In 1967 komt er wéér een staatscommissie die moet kijken naar de levenskansen van een correctief referendum, en weer is de slotsom negatief. In 1974 dient Kamerlid Erik Jurgens namens de PPR een wetsvoorstel in voor invoering van het correctief referendum, maar ook hij krijgt geen parlementaire meerderheid bij elkaar. In 1982 belast minister van Binnenlandse Zaken Van Thijn een staatscommissie onder leiding van oud-premier Biesheuvel (ARP) met een omvattend onderzoek naar het referendum. Drie jaar later adviseert deze commissie unaniem dat er zowel een correctief referendum als een volksinitiatief moet worden ingevoerd, beide gekoppeld aan een handtekeningenvereiste van 300.000 en een forse opkomstdrempel (het quorum). Maar het inmiddels aangetreden kabinet-Lubbers legt de aanbevelingen naast zich neer.

In 1989 komen in de Tweede Kamer moties ter stemming ter invoering van het correctief referendum en het volksinitiatief. PvdA, PSP, PPR en D66 stemmen voor het correctief referendum (niet genoeg), maar inzake het volksinitiatief stemt D66 stemt tegen (dus ook dat voorstel haalt het weer niet).  Drie jaar later krijgt een commissie onder leiding van CDA’er Jan de Koning opdracht het werk van Barend Biesheuvel nog eens dunnetjes over te doen. De commissie is bij meerderheid voor invoering van het correctieve referendum, maar opvallend is voorzitter De Koning tegen.

Met het aantreden van Paars in 1994 lijkt de ommekeer dan eindelijk bewerkstelligd. In het regeerakkoord van Kok I wordt de invoering van een bindend, correctief referendum in het vooruitzicht gesteld. In 1995 komt ook het volksinitiatief ter sprake in de Kamer, maar weer ligt D66 hier dwars, net als de VVD. De drempels voor het correctieve referendum worden conform de wens van de liberale regeringspartner hoog opgegooid (600.000 kiezers die binnen 6 weken moeten tekenen voor het referendum), maar zelfs dat is niet genoeg voor Hans Wiegel om zijn bezwaren tegen het referendum in te slikken. De voormalige VVD-leider mocht in zijn actieve jaren dan wel gaarne flirten met de mening van ‘de mensen in het land’, zodra die al te dichtbij de macht kwamen gaf hij niet thuis. En zo kwam Nederland te zitten met een tandeloos referendum dat tot niets verplicht.

‘Linking’

Die ene keer dat de Kamer het volk dan wel een referendum gunde, in 2005 over de Europese Grondwet, stond garant voor een shock onder het politieke establishment. Daar waar in de beide Kamers grote harmonie bestond over Nederlands trouw aan het grote pan-Europese project, bleek een meerderheid van de bevolking mordicus tegen. Maar nog altijd kan over de diepere betekenis van dit ‘nee’ worden getwist. Zei de Nederlandse kiezer ‘nee’omdat men eindelijk eens ‘nee’ kon zeggen? Was dit ‘nee’ de expressie van een algemene Weltschmerz die zich van de Nederlandse kiezer meester had gemaakt in het post Pim-tijdperk? Was het referendum van 2005 het slachtoffer geworden van ‘linking’, zoals het proces wordt genoemd waarin politieke vragen worden vermengd met kwestie die er in principe niets mee doen hebben maar die de kiezer toch motiveren de kont tegen de krib te gooien? In de woorden van toenmalig EU-commissaris Frits Bolkestein, die in 2000 sprak over een mogelijk Nederlands referendum over de uitbreiding van de Europese Unie: ‘Het referendum leent zich als instrument om algemeen ongenoegen te mobiliseren. Uitbreiding zal dan spaak lopen om redenen die niets met de uitbreiding te maken hebben’. Hetzelfde mechanisme doet opgeld bij het aanstaande Oekraïne-referendum, waar het ook voor de indieners helemaal niet gaat om het associatieverdrag, maar vooral een gelegenheid is aangegrepen eindelijk weer eens luid ‘nee’ te mogen roepen tegen ‘Europa’ en de wereld in het algemeen.

Boze reaguurders

Is dat een bewijs dat het Nederlandse electoraat inderdaad niet overweg kan met het referendum? Tegenstanders van iedere vorm van volksraadpleging, nu ook steeds meer te vinden aan de linkerflank, zeggen natuurlijk van wel. Als we de Nederlandse kiezer zien als een boze burger die de godganse dag achter zijn computer zit te reaguren op Geen Stijl en aanverwante sites en zijn wereldbeeld voedt met de apocalyptische visioenen en onheilsprofetieën, kan de lust tot een referendum inderdaad makkelijk vergaan. Maar zou al die opgekropte woede van de Nederlandse kiezer niet ook zijn ingegeven door de omstandigheid dat hij nu al een eeuw aan het lijntje wordt gehouden om zich vooral niet uit te spreken? Had de epidemische boosheid die zich van de Nederlandse kiezer meester heeft gemaakt in de jaren van extreme overvloed onder Paars en in het messianisme van Fortuyn gestalte kreeg juist niet kunnen worden voorkomen als het referendum niet als een onvaderlands ‘Fremdkörper’ was beschouwd en de kiezer in principe als wilsonbekwaam?

Drie taboes

Niesco Dubbelboer was lid van de Tweede Kamer namens de PvdA toen hij in 2005 samen met Wijnand Duyvendak (GroenLinks) en Boris van der Ham (D66) een initiatiefvoorstel indiende over de grondwettelijke mogelijkheid van het houden van een correctief referendum.  Dubbelboer leidt tegenwoordig het in Amsterdam gehuisveste bureau Meer Democratie, dat zich bezighoudt met het promoten van directe democratie naar Zwitsers model in Nederland.

Terugkijkend betreurt hij de uitzonderingspositie van het koninklijk huis in het wetsvoorstel.

‘De reden dat het koningshuis buiten de referendumwet valt ligt in de zogeheten kwetsbaarheid van het koningshuis omdat zij zich niet kunnen verdedigen’, laat hij De Republikein weten. ‘Vanaf het begin af aan lagen er drie taboes, ook binnen mijn fractie: belastingwetgeving, grondwetgeving en het koningshuis. Ook vanuit mijn eigen partij werd de inschatting gemaakt dat het niet goed was wanneer de monarchie bloot zou komen te staan aan de mogelijke negatieve volkswil. Ik vanuit mijzelf vond dat toen al jammer en nu vanuit Meer Democratie vinden we dat nog steeds jammer. We zijn principieel republikeins vanwege het ondemocratische karakter van het koningschap. Overigens vinden wij ook dat er geen enkel onderwerp taboe mag zijn, dus ook belastingen niet’.

Maar zo is het dus niet. Zoals Dubbelboer’s kantoorgenoot bij Meer Democratie Arjen Nijeboer opmerkte in zijn samen met Jost Verhulst geschreven boek Directe democratie: feiten, argumenten en ervaringen omtrent het referendum” (2007):  ‘Nederland is een verlicht landje en overal zijn procedures voor “inspraak” en “participatie”. Maar de beslissingen worden aan het einde altijd genomen door een morele elite van Prinsen-Filosofen’.

Nieuwe impulsen

Inmiddels is het besef dat het systeem van de representatieve democratie in Nederland op haar laatste tanden loopt steeds meer ingedaald. Het zoeken naar nieuwe impulsen voor het democratisch systeem wordt, in ieder geval met de mond, tegenwoordig bijna Kamerbreed beleden. Tegelijkertijd blijkt uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau dat onder de Nederlandse bevolking een groot verlangen bestaat naar meer directe democratie. Bijna 80 procent vindt dat ‘over voor ons land belangrijke beslissingen door de kiezer zelf moet worden gestemd’.

Wellicht is het tijd de angst voor het redeloze volk af te leggen en de kiezer eindelijk serieus te nemen. Dan zal mogelijk blijken dat die Nederlandse kiezer heel wel in staat is zijn eigen belang af te wegen tegen het algemeen belang, zoals in Zwitserland al lang het geval is. Het systematisch stom houden van het electoraat heeft tot nu toe in ieder geval averechts gewerkt. De angst voor de massa idem dito.

René Zwaap en Gijs Korevaar

Foto onder de titel: Roel Rozenburg

 

Voor het volledige thema ‘Demonarchiseren met directe democratie’, klik op de link voor De Republikein maart 2016.

 

 

‘Reiter SS niet vervolgd vanwege lidmaatschap Prins Bernhard’

Uit: De Republikein, no. 4, december 2015, jaargang 11

De Reiter SS, het beruchte bereden keurkorps van het Derde Rijk, ontsnapte tijdens het Tribunaal van Neurenberg tegen de nazitop als enige onderdeel van het door Heinrich Himmler opgerichte SS-apparaat aan een veroordeling als criminele organisatie omdat anders Prins Bernhard in de problemen was gekomen. Dat stelt de Amerikaanse militair historicus Paul J. Wilson van de Nichols State University in Thibodaux, Louisiana, in zijn studie ‘Himmler’s cavalry, the equestrian SS 1930-1945’.

Bernhard, aldus Wilson, was lid van het Reiter-SS-regiment 7 in Berlijn, bij verre de grootste van de bereden afdelingen van Himmler’s cavalerie, dat een directe relatie onderhield met het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken. Het regiment betrok zijn leden uit kringen van diplomaten, hooggeplaatste ambtenaren en leden van de hoogste Berlijnse kringen (aristocraten en de financiële elite). ‘Het was Himmler’s meest elegante en modieuze formatie te paard’, aldus Wilson. ‘Een van de leden was Gustav Adolph von Halem, chef-protocol van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken, die begin 1945 ambassadeur werd in Lissabon. Prins Bernhard zu Lippe-Biesterfeld, prijkte ook in haar gelederen, als ook Prins von Braunschweig und Lüneburg van Hannover en Werner von Braun’ [de latere rakettenbouwer van het Derde Rijk – rz]’.

Olympische Spelen

Wilson memoreert dat de Berlijnse Reitersturm waar Bernhard in opereerde werd ingezet bij de ontvangst van hooggeplaatste buitenlandse bezoekers, bijvoorbeeld tijdens de beruchte Olympische Spelen van 1936 in Hitler’s Derde Rijk. Het was tijdens die Spelen, die Juliana als kroonprinses samen met haar moeder koningin Wilhelmina bezocht, dat Bernhard zich in de kijker van de Nederlandse koninklijke familie wist te spelen. Dat gebeurde tijdens de Winterspelen in Garmisch- Partenkirchen in het reeds bij Duitsland aangesloten Oostenrijk, niet ver van de Duitse grens. Wilson: ‘Leden van Reiter SS-regiment 7 fungeerden als escorte en lijfwacht voor buitenlandse diplomaten en gasten tijdens nazi-evenementen en feestelijkheden, vooral de Neurenberger partijdagen en de Olympiade van 1936. Kennis van buitenlandse talen en communicatief vermogen golden als even belangrijk als rijvaardigheid te paard. Degenen met een knobbel voor buitenlandse talen gaven informatie over nazi-Duitsland en verdedigden nazi-Duitsland tegen kritiek. Soms ontstonden er vriendschappelijke verhoudingen tussen de escorte en de gast’.  De kans dat Bernhard de Nederlandse kroonprinses het hof kon maken vanwege zijn lidmaatschap van de Reiter SS, moet dan ook zeker serieus worden genomen.

‘Genânte politieke complicaties’

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak maakten ook leden van de Reiter SS, zoals Hitler’s zwager Hermann Fegelein, zich schuldig maakten aan oorlogsmisdaden. Fegelein pleegde oorlogsmisdaden in de Sovjet-Unie, waar hij als commandant van een cavalerie-eenheid verantwoordelijk was voor de moord op meer dan 20.000 Joden tijdens een ‘etnische schoonmaak’ in de Oekraïne en Wit-Rusland in 1941 door massa-executies van de mannelijke slachtoffers en het drijven van vrouwen en kinderen in moerassen. Fegelein zou na een poging tot vlucht uit Berlijn in 1945 in ongenade vallen bij Hitler en worden geëxecuteerd, zodat hij niet kon terecht staan in Neurenberg.

Dat Bernhard ooit lid was geweest van de Reiter SS speelde volgens Wilson een cruciale rol in de berechting van de organisatie tijdens het tribunaal van Neurenberg. Wilson: ‘Waffen-SS-generaal Paul Haussner, een fanatieke verdediger van de Waffen-SS, stelde geruchten te hebben gehoord dat de Reiter-SS was vrijgesproken omdat een internationaal bekend (maar verder niet nader genoemd) persoon  er deel van had uitgemaakt, wiens veroordeling zou geleid kunnen hebben tot gênante politieke complicaties. Hij verwees zonder enige twijfel naar Prins Bernhard zu Lippe-Biesterfeld, de Nederlandse prins-gemaal, ooit actief lid van het Ruiterregiment 7 in Berlijn. Een ander lid van de SS gaf aan dat de vrijspraak nogal gelukkig was, anders zou de Nederlandse prins tot misdadiger zijn bestempeld. Hausser vulde aan dat SS-ruiters volkomen verrast reageerden op de beslissing van het tribunaal om hen niet te betrekken bij de veroordeling van de SS. […]Wellicht had  de Reiter SS er stevig profijt van beroemde ruiters als de Nederlandse prins-gemaal in haar ranken te hebben gehad’ .

Moordbrigades

Daarbij moet wel aangetekend dat er tijdens het tribunaal tegen de nazi-top een grens werd aangebracht vanaf 1938: lidmaatschappen van veroordeelde nazi-organisaties van voor 1938 kwamen niet voor veroordeling in aanmerking. Bernhard, in 1937 getrouwd met Juliana, zou daarmee geen veroordeling riskeren, maar niettemin zou het geen goede pr voor de prins zijn geweest als zijn SS-lidmaatschap tijdens het tribunaal in het zonnetje was gezet. En dat leidde er volgens Wilson toe dat er van het hele proces tegen de Reiter SS werd afgezien, en dat was in zijn ogen een grove nalatigheid.

‘Feit blijft echter’ ,schrijft Wilson, ‘dat de Reiter-SS ten nauwste was verbonden aan Himmler’s organisatie.[…] Een niet onaanzienlijk aantal officieren van de Reiter-SS, onder wie Hermann en Waldemar Fegelein, en Walter Dunsch, gaven leiding aan moordbrigades van de SS-cavalerie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Onder hun troepen bevonden zich veel gewezen leden van de Reiter-SS. Daartoe opgeroepen door Himmler tijdens de oorlog, vervulden deze SS-ruiters hun rol van politiek soldaat door gehoorzaam onschuldigen te executeren’.

Schril contrast

Wilson is niet de enige die een zwaar oordeel uitspreekt over de betekenis van Bernhards actieve deelname aan de Reiter SS.  Ook Philip von Boeselager, een Duitse aristocraat die deelnam aan het Von Stauffenberg-complot tegen Hitler in 1944, meldt in zijn memoires dat het vroege aantreden van Bernhard (en zijn broer Aschwin) tot de SS (en eerder tot de SA van Ernst Röhm) indertijd als zeer ernstig werd ervaren. De adel had een voorbeeldfunctie en het toetreden van de Lippes-Biesterfelds tot de nazihorden moedigde ‘gewone’ burgers aan hun voorbeeld te volgen, aldus Von Boeselager.

Witwasoperatie

In 1948, twee jaar na het einde van het tribunaal van Neurenberg, was Bernhard’s lidmaatschap van de Reiter SS nog reden voor een witwasoperatie op internationale schaal. Het nog jonge Duitse weekblad Der Spiegel kreeg toen een totaal verschijningsverbod aan de broek vanwege een verhaal over de aanstaande troonsbestijging van Juliana waarin in een enkele bijzin het lidmaatschap van Bernhard aan de Reiter SS werd gememoreerd. Achtergrond was een klacht van de Nederlandse regering, die was gealarmeerd omdat in het bewuste verhaal stond gememoreerd  dat Bernhard ‘Sturmführer’ was geweest bij de Reiter-SS (‘ehrenhalber’, vermeldde het blad er nog bij).

Verboden editie Der Spiegel 28-8-1948
Verboden editie Der Spiegel 28-8-1948

Via de Britse bezettingsautoriteiten in Hamburg, waar het blad wordt gemaakt, krijgt Spiegel-uitgever Rudolf Augstein te horen dat de betreffende editie is verboden vanwege belediging van een bevriend staatshoofd-in-wording en haar echtgenoot. Het is de eerste en enige keer in de geschiedenis van Der Spiegel dat het blad met zulke draconische maatregelen wordt geconfronteerd. In 1956 zou het weliswaar nog een keertje fout gaan – en wéér was de steen des aanstoots het Nederlandse koningshuis – wanneer Der Spiegel met onthullingen komt over de Greet Hofmans-affaire. Maar tijdens die crisis volstond de Nederlandse regering onder leiding van premier Drees  met een importverbod van het Duitse weekblad en mogen de Duitse lezers wél genieten van de – door Bernhard zelf ingefluisterde – onthullingen over ‘de Raspoetin van Soestdijk’.

Stevige zuilen

Het verbod van 1948 werd uitgebreid behandeld door de in 2009 overleden oud-Spiegel-redacteur Leo Brawand in zijn boek Der Spiegel, ein Besatzungskind. Brawand indertijd: ‘Het was een zware klap voor het blad, dat toen nog maar net een jaartje bestond. Naast het feit dat melding werd gemaakt van het SS-lidmaatschap van prins Bernhard was het de Nederlandse regering klaarblijkelijk een doorn in het oog dat er in het artikel gewag werd gemaakt van Juliana’s benen als de “stevige zuilen waar de toekomst van de Nederlandse monarchie op rust”. Die omschrijving werd als blasfemisch en respectloos gezien. Kennelijk werd het initiatief voor het verschijningsverbod genomen met protesten vanuit het Britse koningshuis, van prins Philip, die op goede voet stond met Bernhard. Philip schakelde de Britse legerleiding in, en zo werd Der Spiegel uiteindelijk gestraft.’

Brawand zag over het hoofd dat het blad alle ellende toch echt exclusief over zichzelf had afgeroepen door die enkele bijzin over Bernhard en de Reiter-SS. Blijkbaar gold het anno 1948 nog als politiek zeer ongewenst dat Bernhards lidmaatschap van de SS aan de grote klok wed gehangen. Dat gold overigens  ook voor het prinselijke lidmaatschap van de NSDAP, dat Bernhard zelf tot zijn laatste snik zou blijven ontkennen, hoezeer het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken in 1948 de Amerikaanse autoriteiten nog had had gesmeekt Bernhard’s naam van de ledenlijst te schrappen teneinde ‘misverstanden bij het Nederlandse volk te voorkomen’.

Retouchering geslaagd

De historische retoucheringsactie met betrekking tot het omstreden lidmaatschap van de Reiter-SS sorteerde voor Nederlands gebruik in ieder geval het gewenste effect. Hofchroniqueur Cees Fasseur bijvoorbeeld kon in zijn in 2008 verschenen boek ‘Juliana & Bernhard’ met droge ogen melden dat ‘de prins naar eigen zeggen nooit lid is geweest van de Reiter-SS’ en ondernam geen enkele poging deze ontkenning te verifiëren. Annejet van der Zijl, in haar veelgeprezen boek over de jonge jaren van de prins, ‘Bernhard, een verborgen geschiedenis’ (2010), kon het lidmaatschap van de Reiter-SS ook niet achterhalen. Maar zij achtte het niettemin ‘historisch gezien niet onlogisch dat Bernhard na de Nacht van de Lange Messen van 1934 (toen de SA in ongenade viel bij Hitler en werd ontmanteld-rz) zich zou hebben aangemeld bij de SS’.

Maar Van der Zijl meende dat er ook dan nog niet zo veel aan de hand zou zijn geweest. Mild stelde ze: ‘De kans is echter groot dat hij in het geval van de SS inderdaad nooit verder is gekomen dan Anwärter [zeg maar aspirant-lid-rz] – zij het niet vanwege de ideologische motieven die hij zichzelf toedichtte, maar om de simpele reden dat het lidmaatschap veel tijd kostte – minimaal twee avonden en een zondag per week – terwijl hij in deze periode wel iets anders aan zijn hoofd had’.

Opgebiecht

Vreemd is dan wel dat Fasseur en Van der Zijl geen acht slaan op het feit dat Bernhard zijn lidmaatschap van de SS zelf al had opgebiecht tegenover zijn Amerikaanse biograaf Alden Hatch in diens in 1962 verschenen biografie ‘Prins Bernhard, zijn plaats en functie in de moderne democratie’. Wel presenteerde de biograaf dit feit met zoveel empathie dat de prins er heel makkelijk mee weg leek te komen. Bernhard, aldus Hatch, werd alleen maar lid van de SS omdat het dan zoveel makkelijker was om een vlieg- en motorrijbewijs te halen. ‘Zij die beweren dat de Prins der Nederlanden eens het zwarte uniform van Hitler’s SS heeft gedragen hebben gelijk’, aldus Hatch en veel meer woorden wenste hij er niet aan vuil te maken. Dezelfde clementie legde de biograaf aan de dag voor Bernhards eerdere lidmaatschap van die andere paramilitaire nazi-club, de SA. ‘Mijn dienst beperkte zich tot de wekelijkse rally’s en verder moest ik zo nu en dan op wacht staan, want als je dat deed hoefde je voor je wagen geen garage-geld te betalen’, noteerde Hatch uit de mond van Bernhard. ‘We hadden veel plezier en niemand viel ons lastig’. Toen  de SA-top op last van Hitler werd uitgemoord en de zwarthemden van de SS de bruinhemden van de SA verdrong, maakte Bernhard soepel de overgang mee.

Rijstallen

Dat Bernhard lid was van de Reiter SS wordt ook bevestigd door de Nederlandse hippisch expert Jan S. Maiburg in zijn in 2012 verschenen boek De paardenfluisteraar van Oranje, een politiek huzarenstukje. In deze studie, gewijd aan de Hongaarse huzaar Géza Hazslinszky-Krull von Hazslin, die na de Tweede Wereldoorlog ruim twintig jaar in Nederland woonde op speciale uitnodiging van koningin Juliana, memoreert Maiburg hoe innig verknocht Bernhard’s gehele familie was aan de paardensport.  Vader Bernhard sr. en moeder barones Armgard von Sierstorpff-Cramm waren diep getroffen toen de vermaarde stoeterij van de familie in het nabij Detmold gelegen Lopshorn, waar het bijzondere edele paardenras ‘Senner’ werd gefokt, in 1934  samen met de rijvereniging van Lippe-Detmold op last van de nazi’s werd samengevoegd met de Reiter-afdelingen van de SA. De zestien unieke toppaarden van de stoeterij van de Lippes werden toen op last van Göring bij opbod verkocht. Dat mocht niet verhinderen, aldus Maiburg, dat de prins tijdens zijn studiejaren in Duitsland – die hij deels in München, deels in Berlijn doorliep –  gaarne paardreed bij de officiële SS-Hauptreitschule in München, geleid door Hitler’s zwager Standartenführer Hermann Fegelein, de latere oorlogsmisdadiger, die toen al – naast het opleiden van ruiters die bij de Spelen hoge ogen moesten gooien – druk doende was met het voorbereiden van de deelname van de Duitse cavalerie aan de komende oorlog. Dat dit alles niet bij leven van de prins kon worden besproken, mag een geschiedkundig gebrek van de eerste orde worden genoemd.

Hermodellering

Hermodellering van een onwelgevallig verleden is ook de ‘core business’ van de familie Zorreguieta en wellicht was dat wel een karmische reden dat juist deze Argentijnse patriciërsfamilie kon tekenen voor de levering van Máxima I, de huidige koningin der Nederlanden. Over de wijze waarop Máxima Zorreguieta haar droomprins aan de haak sloeg is een romantische mythe gesponnen van een min of meer toevallige ontmoeting in Spanje. Maar wie zich nader verdiept in de namen en rugnummers van de betrokkenen, kan allicht tot de conclusie komen dat alles zich waarschijnlijk aanmerkelijk minder sprookjesachtig en spontaan voltrok.

1001-club

Vader Jorge Zorreguieta was minister van Landbouw op het ministerie van Economische Zaken tijdens de dictatuur van Jorge Videla, en daarmee was hij de tweede man onder minister van Economische Zaken José Martinez de Hoz, de drie jaar geleden overleden oligarch die geldt als de geestelijke aartsvader van het economische beleid van de Argentijnse junta. Martinez de Hoz, die bij leven over een miljoen hectare privégrond beschikte, kende prins Bernhard lang voordat de Zorreguieta’s ten paleize mochten verschijnen. Op grond van zijn overweldigende rijkdom was hij namelijk uitverkoren toe te treden tot de 1001-Club, een exclusief gezelschap dat Bernhard in 1971 had opgericht om te fungeren als donor van het World Wildlife Fund (WWF, ten onzent beter bekend als het Wereldnatuurfonds, WNF).

Dankzij naspeuringen van de Duitse filmer en auteur Wilfried Huismann, die in 2012 een boek over de schaduwzijden van het WNF publiceerde onder de titel ‘Schwarzbuch WWF’, weten we nu dat behalve Martinez de Hoz (nummer 572 op de ledenlijst van de 1001-club) ook tycoons als Baron von Thyssen, FIAT-baas Agnelli, de Pakistaanse miljardair prins Aga Khan en tal van andere prominenten uit de (geld)adel tot de club behoorden, waarvan het lidmaatschap gepaard ging aan een gulle gift aan de voorzitter.

Jachtvriend

Martinez de Hoz was niet alleen de politieke mentor maar ook een boezemvriend  van Jorge Zorreguieta, met wie hij in de betere jaren gaarne op jacht op groot wild mocht gaan. Voor zijn persoonlijke betrokkenheid bij de dictatuur, die tijdens de Argentijnse ‘Vuile oorlog’ aan meer dan 30.000 mensen het leven heeft gekost, werd Martinez de Hoz in 2010 in preventieve hechtenis in zijn eigen huis geplaatst, maar hij stierf op tijd om verder juridisch ongemak te ontlopen.

Zou Máxima haar kennis aan Willem-Alexander wellicht te danken hebben gehad aan het old boys network van de 1001-club, zoals Bernhard zijn positie kon verwerven via de Reiter-SS? Het feit dat er in de figuur van Martinez de Hoz een directe schakel bestond tussen de familie Zorreguieta en het Nederlandse vorstenhuis geeft in ieder geval voldoende stof tot nadenken.

Als zelfs de oppermachtige Martinez de Hoz uiteindelijk zijn straf niet kon ontlopen voor zijn rol binnen de Argentijnse dictatuur, dan moet het wel heel raar lopen als zijn tweede man Jorge Zorreguieta vrijuit zou kunnen gaan. Toch is dat, ondanks verwoede pogingen van o.a. advocate Liesbeth Zegveld om de vader van Máxima voor het gerecht te slepen vanwege betrokkenheid aan misdaden tegen de menselijkheid, tot op heden niet gelukt. Het feit dat Zorreguieta zich vader van de Nederlandse koningin mag noemen, zal daar een niet te verwaarlozen bijdrage aan hebben geleverd.

Economische delicten

Jorge Zorreguieta staat ook nog eens onder verdenking van economische delicten van grote politieke reikwijdte waarbij ook zijn eigen dochter – die alleen  al op grond van haar leeftijd natuurlijk onmogelijk kan worden opgezadeld met een schuld aan het Videla-tijdperk –  wel degelijk in een verdachte geur is komen te staan. Dat dit alles vooralsnog met de koninklijke mantel der liefde is bedekt doet niets af aan  de ernst van die zaak. We hebben het dan over het witwasschandaal van de Banco Republica, waarvan Jorge Zorreguieta in de jaren ’90 directeur was, en de vermogensbeheerder Mercado Abierto, waar zijn dochter in diezelfde periode aan verbonden was als aspirant-bankier.

Witwasstation

De Banco Republica, eigendom van de Argentijnse mediamagnaat Raul Moneta, werd zowel door een onderzoekscommissie van de Amerikaanse senaat onder leiding van de senator Carl Levin als een Argentijnse parlementaire onderzoekscommissie onder leiding van politica Elisa Carrió aangewezen als witwasstation van onder meer het beruchte Juarez-drugskartel uit Mexico en omkopingen in het Argentijnse bedrijfsleven. De bank is ook in verband gebracht met illegale wapenleveranties aan onder meer Kroatië en Ecuador in de jaren ‘90 tot zelfs sponsoring van de activiteiten van wijlen Osama Bin Laden. De Banco Republica pompte in die jaren niet minder dan 10 miljard dollar van Buenos Aires naar rekeningen van spookmaatschappijen in belastingparadijzen als de Kaaimaneilanden, Bermuda en de Nederlandse Antillen, waarna het witgewassen en wel werd gestort op parallelle rekeningen van de cliënten van de Amerikaanse Citibank.

De Argentijnse rechtbank startte een onderzoek in naar de praktijken van de Banco Republica en de Mercado Abierto Bank van zakenman Aldo Luis Ducler. als ook naar de daaraan verbonden offshorebank Federal Bank, eveneens in handen van Raul Moneta. Dat onderzoek liep, zoals te verwachten viel in de moeizame verhoudingen van de nog altijd met de schaduw van de dictatuur kampende rechtspraak in Argentinië, hopeloos vast, maar nog altijd vormt het schandaal een grote bedreiging voor de ongestoorde oude dag van Jorge Zorreguieta, misschien nog wel meer dan zijn politieke verantwoordelijkheid voor de wandaden van de junta.

De schoonvader van de koning kwam via het netwerk van zijn beschermheer Martinez de Hoz  in de directie van de Banco Republica terecht. In de Argentijnse pers ontkende hij naar inmiddels vertrouwd recept ook maar iets van witwaspraktijken te weten. Die begonnen volgens hem pas nadat hij in 1994 de bank had verlaten. Die ontkenning gaat gepaard met dezelfde aplomb waarmee Zorreguieta eerder ontkende als burgerlijk lid van de junta ook maar iets te hebben geweten van de verschrikkingen van de ‘vuile oorlog’.

Bijrol voor Máxima

Helaas voor Zorreguieta vermeldt het rapport-Carrió dat de witwaspraktijken al in 1992, het jaar van Zorreguieta’s aantreden bij de Banco Republica, al volop gaande waren. Ook dochter  Máxima had een bijrol in het witwasdrama die nadere aandacht verdient. Máxima werkte tijdens haar studie economie bij Mercado Abierto S.A., waar zij volgens de officiële opgave van de Rijksvoorlichtingsdienst onderzoek deed naar op ‘de financiële markt gerichte software’. Verontrustend: de genoemde onderzoekscommissie van het Argentijnse parlement stelt dat het Mercado Abierto-concern (en dan vooral de Mercado Abierto Bank op de Kaaimaneilanden) juist door middel van geavanceerde software-programma’s in staat was om miljarden aan zwart geld door te pompen.

Rijksvoorlichtingsdienst

In hun in 2009 verschenen boek ‘Máxima, de Argentijnse jaren’ gingen de Argentijnse journalisten Alvarez Guerrero en Soledad Ferrari nader in op de avonturen van de huidige Nederlandse koningin bij de Mercado Abierto. Zij vonden een document van de Argentijnse arbeidsinspectie waaruit bleek dat Maxima niet van 1990 tot 1992 bij Mercado Abierto had gewerkt, zoals de Rijksvoorlichtingsdienst had gemeld in het officiële cv van de bruid, maar van 1991 tot 1993. Een futiel verschil op het eerste gezicht, ware het niet dat de geuite beschuldigingen tegen Mercado Abierto het jaar 1993 noemden als de start van het grote witwassen. Dankzij het cv van de RVD kon Máxima dus uit de wind worden gehouden en de RVD zette dan ook alle kanonnen in stelling om het boek van het Argentijnse journalistenduo in diskrediet te brengen, daarbij gesteund door bijvoorbeeld Albert Verlinde die tijdens een uitzending van RTL Boulevard de kijkers opriep het boek van de Argentijnen te boycotten. Hoe het ook zij, nooit werd de kwestie opgepikt door de grote Nederlandse media.

Dreigementen

Volgens Guerrero en Ferrari werden zij door de RVD bestookt met juridische dreigementen. Ze hielden voet bij stuk dat hun document op waarheid berustte, maar van een promotietournee voor hun boek aan Nederland zagen zij wijselijk af en de storm waaide over. Feitelijk doet het dispuut tussen de journalisten en de RVD er helemaal niet toe, want zoals Carrió al had aangegeven werd er ook anno 1992 al duchtig witgewassen in de monetaire Bermudadriehoek tussen de Banco Republica, de Mercado Abierto en de Federal Bank. Het in diskrediet brengen van het Argentijnse reportersduo bracht wel het gewenste resultaat: Máxima kon haar zegetocht ongestoord voortzetten. Hetgeen ook weer opmerkelijk mag worden genoemd. Het zeiltochtje van Mabel op de boot van hasjkoning Klaas Bruinsma kostte haar echtgenoot wijlen prins Friso indertijd de aanspraken op het koningschap, maar stond in geen enkele verhouding tot het politiek-zakelijke gangsterdom dat zich rond de Mercado Abierto en de Banco Republica had verzameld. Als Friso en Mabel op gezag van premier Balkenende moesten accepteren dat hun huwelijk nooit de goedkeuring van het parlement zou kunnen wegdragen, dan hadden Willem-Alexander en zijn bruid zeker ook dezelfde prijs moeten betalen voor hun liefde.

Vip-bank

We keren  terug naar vader Zorreguieta’s Banco República. Dat was een exclusieve handelsbank met slechts één kantoor en stond bekend  als een ‘Vip-bank’, aangezien de exclusieve clientèle de nodige leden van de gewezen Argentijnse junta telde. Zij konden via de bank hun geld witwassen dat ze hadden verdiend aan de privatisering van de Argentijnse staatsbedrijven, met name in de telecom. Dat geld kregen ze dan witgewassen en wel  terug  in de vorm van leningen aan bedrijven. Het was een vorm van kapitaalvlucht die een belangrijke factor was in de Argentijnse pesocrisis, de nog altijd voortdurende hyperrecessie die het rijkste land van Zuid-Amerika rond 2000 aan de bedelstaf bracht. Ook tientallen miljoenen aan drugsgeld en winsten uit illegale wapenhandel zouden via deze constructie zijn witgewassen, terwijl er ook het nodige smeergeld tussen zat van bijvoorbeeld de Amerikaanse computergigant IBM en het Spaanse Telefónica, die zich langs deze weg inkochten in de Argentijnse markt.

Onwettige vereniging

De ondergang van de Banco República, die in 1999 als een zeepbel uiteenspatte, was  onderwerp van onderzoek door rechter Canicoba Corral. De verdenkingen luidden  dat de Banco República een onwettige vereniging (asociación ilícita) was met als oogmerk het witwassen van geld. Andere aandachtspunten waren fraude en belastingontduiking. De bestuurders van Banco República zouden hebben gelogen tegen de Centrale Bank van Argentinië door te verzwijgen dat de Federal Bank op de Bahama’s onderdeel was van dezelfde Grupo Moneta die eigenaar was van de Banco Republica. Dat was een economisch delict van mega-proporties. Volgens de Argentijnse aanklager Geraldo Pollicita, die het gerechtelijk vooronderzoek  tegen Banco República leidde, bestonden  er aanwijzingen  dat binnen de bank ‘een onwettige vereniging actief was met als doel het beschadigen van de nationale belangen van de Centrale Bank van Argentinië’. Toch verzandde de rechtsgang. Eind 2005 klaagde de Centrale Bank van Argentinië dat er sprake was van een ‘doelbewuste vertraging van justitie’ als het ging om het onderzoek naar de wegen van Banco República.

Bijzondere status

Volgen de Argentijnse auteur, politicus en ex-belastinginspecteur Luis Balaguer, die in 2003 het boek ‘Citibank VS Argentina’ het licht deed zien over wat ‘het grootste witwasschandaal aller tijden’ wordt genoemd, is het feit dat Jorge Zorreguieta  tot nog toe wegkwam met zijn betrokkenheid te danken aan de grote corruptie binnen de Argentijnse rechterlijke macht en aan de bijzondere status van vader van de Koningin van Nederland. Balaguer stond de Amerikaanse senaatscommissie van Carl Levin  bij toen deze in 2001 het Argentijnse witwastraject onderzocht. Luis Balaguer: ‘Zorreguieta bleef buiten schot vanwege de zeer hoge corruptie onder de Argentijnse rechters. Geen enkele aanklager of rechter ondernam actie nadat de Amerikaanse onderzoekscommissie van senator Carl Levin de verzamelde bewijzen tegen Banco República naar Argentinië had gestuurd. Die senaatscommissie had geconcludeerd dat Citibank witwasoperaties van de Federal Bank en Banco República mogelijk heeft gemaakt in de tijd dat Jorge Zorreguieta daar in het bestuur zat. Daarbij zaten inbegrepen bewijzen dat de Federal Bank en Banco República geld witwasten uit drugshandel, geld dat via deze banken Argentinië was binnengekomen.’

‘Grof schandaal’

Vanzelfsprekend wast Zorreguieta zijn handen in onschuld over zijn tijd bij Banco República. In een interview met het tijdschrift Gente van 10 april 2001 verklaarde hij: ‘Dat men me beschuldigt van het witwassen van geld is een grof schandaal. Ik zat in de leiding van de Banco República, van Raúl Moneta, dat is waar. Ik begon in 1992 en ging weg in 1994. Dat is zeven jaar geleden! Veel eerder dan dat de Federal Bank in zicht kwam. Ik heb nooit witwasoperaties gezien. Als ze er al waren   iets wat ik betwijfel   moeten die zich in de periode 1998-1999 hebben afgespeeld.’

‘Pure leugens’, meent Luis Balaguer: ‘Uit verklaring nummer 63.732 van de Inspección General de Justicia de la República Argentina blijkt zonneklaar dat Zorreguieta van 1986 tot 1996 lid was van het bestuur van Banco República, en niet van 1992 tot 1994, zoals hij in het interview zegt. Met andere woorden: Zorreguieta maakte wel degelijk deel uit van de top van Banco República toen deze in maart 1992 de Federal Bank oprichtte, en ook in november 1992, toen de witwasoperaties via de rekening van de Citibank begonnen. Dat hij nog tot 1996 aanbleef, impliceert dat Zorreguieta vier jaar lang direct bestuursverantwoordelijkheid droeg voor deze praktijken. Zorreguieta bekleedde al die tijd als stemhebbend lid van de Banco República een niet te onderschatten functie’.

‘Voor mij bestaat er geen twijfel dat Zorreguieta zich schuldig heeft gemaakt aan economische delicten’, vervolgt Balaguer.’Maar hij  geniet hoge steun, zeker nu hij direct gelieerd is aan het Nederlandse vorstenhuis.’

Suikerkoning

Tussen Raúl Moneta, in de ogen van Balaguer de mastermind van de gehele witwasoperatie, en Jorge Zorreguieta bleven de verhoudingen amicaal. Zorreguieta dook voortdurend op in de kolommen van Moneta’s economische tijdschrift El Federal, dat op 24 september 2005 nog de cover voor hem inruimde en onder de kop ‘Azucar réal’, koninklijke suiker, een bewonderend getoonzet verhaal bracht over Zorreguieta’s inspanningen als voorzitter van de Vereniging van Argentijnse Suikerproducenten. Zo is Jorge Zorreguieta niet alleen de vader van een koningin, maar zelf ook opgeklommen tot suikerkoning. Net als bij Bernhard indertijd kan dat imperium alleen maar standhouden bij de gratie van een aanhoudend offensief om de ware dimensies van een onwelgevallig verleden in de teugels te houden. In die zin zijn het huis van Oranje-Nassau en het huis van Zorreguieta een perfecte match.

Lees meer over de zure vruchten van 200 jaar Oranje op de troon in de nieuwste aflevering van kwartaaltijdschrift De Republikein, onder hoofdredactie van René Zwaap.

 

1 4 5 6