featured

Roel van Duijn: De terugkeer van de held Navalny

‘Ze sluiten één man op, om miljoenen mensen te intimideren’, zei de Russische dissident Aleksej Navalny nadat hij in Rusland was veroordeeld tot 3,5 jaar dwangarbeid. Zullen zijn beproevingen zijn land uiteindelijk bevrijden van een tiran?

Tekst: Roel van Duijn

 

Aleksej Navalny is een klassieke held, een die de zin van het leven zoekt en vindt.

Sinds meer dan twaalf jaar voert hij een strijd op leven en dood met de regering van Rusland en hij schiet zijn pijlen in de roos. Deze roos is de gemeenste ziekte van het land: de doorziekende corruptie. Keer op keer werd Navalny bij demonstraties en onder voorwendsels gevangen gezet. Zijn gezicht werd bekogeld met een bijtende vloeistof zodat het groen kleurde en een oog werd verblind. Bij zijn laatste veroordeling, vanwege zogenaamde diefstal van geld bij houthandel, een gefakete aanklacht, werd hij tot drie en een half jaar voorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld. Bij het schrijven is het al veilig te voorspellen dat wanneer u dit leest hij ergens ver weg gevangen zit. Want wat heeft hij op zijn kerfstok? Hij heeft een aanslag overleefd doordat men hem op het nippertje naar de dokter heeft laten gaan, brutaal genoeg in het buitenland.

Waarmee hij zich definitief tot held geslagen heeft, is dat hij de moed heeft gevonden naar Moskou terug te vliegen. Wetende wat hem te wachten stond. Uniek is dat.

Zijn er in de Russische geschiedenis meer voorbeelden van zo’n heldhaftige terugkeer naar het moederland?

Chodorkovski

Ballingen genoeg in die geschiedenis, maar Litvinenko, de voormalige spion die naar Londen vluchtte bleef daar en werd er door zijn voormalige collega’s vermoord. Chodorkovski, eigenaar van het oliebedrijf Yoekos die niet wilde toetreden tot de oligarchen kring rond Poetin en financieel de oppositie steunde, verdween zeven jaar in een gevangenis bij de Chinese grens, zag zich na zijn vrijlating in 2013 gedwongen naar Zwitserland te verhuizen. Maar hij mist de buitengewone moed om terug te keren. Aleksander Solsjenitsin, schrijver, keerde wel terug. Hij was in 1974 verbannen uit de Sovjet Unie omdat hij in zijn boeken Een dag uit het leven van Ivan Denisositsj en Goelag Archipel het ploertige systeem in de kampen meesterlijk had blootgelegd. Hij keerde in 1994 gelauwerd met de Nobelprijs terug om een onderscheiding in ontvangst te nemen, Die weigerde hij, maar hij kon er tot zijn dood een leven vol eerbetoon leiden. Wat hem tot een held gemaakt had, waren zijn boeken, maar niet zijn terugkeer. Die was warm en risicoloos.

Lenin

Er was nog een ander, die niet welkom was en toch teruggekeerd is. Dat was Vladimir Iljitsj Lenin, evenals Navalny advocaat van beroep. Hij was als communistische leider in 1907 het tsaristische politiegeweld ontvlucht en hij had zich in Zwitserland gevestigd-zoals recenter Chodorkovski dit gedaan heeft. Lenin was marxistisch theoreticus en leraar en toen hij in april 1917 terugkeerde slaagde hij er binnen een jaar in Rusland om te vormen tot een ander land. Overal in het voormalige Rusland, dat nu Sovjet Unie door hem genoemd was, verrezen standbeelden toonden zich schilderijen van hem. Hij was een officiële held geworden, maar er was toch een groot verschil tussen zijn terugkeer en die van Navalny. Hij had evenals Navalny de steun van Duitsland ervaren, maar de steun voor Lenin had niets te maken met eerbied voor de mensenrechten. De steun voor Lenin was onderdeel van de Duitse oorlogsvoering. Dat land zat in die late fase van de wereldoorlog pijnlijk in de knel tussen het westelijk en het oostelijk front. Om in Frankrijk opnieuw sterk aan te vallen verzonnen de keizer en zijn generaals een list om Rusland uit te schakelen. Zij zonden Lenin met een twintigtal kameraden die wilde dat Rusland zou ophouden te strijden, met een verzegelde trein naar Sint Petersburg. Niet zonder geld. Hij kreeg omgerekend 70 miljoen euro mee om propaganda te maken voor het staken van de oorlogsvoering, de omverwerping van de voorlopige revolutionaire regering van Kerenski en de opbouw van zijn partij. De herkomst van al dat geld, waarmee Lenin in een klap zijn andersdenkende partijgenoten overvleugelde, moest strikt geheim blijven. In mijn ogen was Lenin door de steun van het dictatoriale Duitsland bij zijn terugkeer een pion in het spel van de oorlogvoerende vijand en geen held. Een ware held vaart uitsluitend op eigen kracht en dapperheid. En dat is het bijzondere van Navalny’s onbeschermde terugkeer.

Geluk voor Lenin was dat niemand wist van het geld van de Duitsers. Pech voor Navalny is dat de leugens van Poetin, dat hij een westerse spion is en dat de aanslag op hem niets dan een stunt van Navalny zelf was, door veel Russen wordt geloofd. Maar de ware held gaat door roeien en ruiten. En een deel van de Russen pikt dat op en het ontroert hen. Terwijl Ruslandkenners voor de terugkeer van Navalny nog schreven dat er in het land een algemene apathie heerste, sloeg de dufheid door zijn vermetele terugkeer om in opstandigheid.

Wat is nu het magische van de terugkeer van een held?

Mythologie

De Amerikaanse mytholoog Joseph Campbell (1904 – 1987) heeft zich verdiept in honderden mythen en klassieke volksverhalen en volgens hem draaien al deze geliefde geschiedenissen om de terugkeer van de held. Steeds weer, zegt hij, ziet de hoofdpersoon zich door een innerlijke roeping of een streek van het lot zich genoodzaakt om zijn veilige omgeving te verlaten. Om in het onbekende land een vuurproef te doorstaan en met het resultaat triomfantelijk terug te keren. Zelfs in eenvoudige sprookjes als vrouw Holle kom je het tegen. het arme meisje gaat weg van huis, vervult de taken die vrouw Holle haar opdraagt, loopt door de poort waaruit goud regent en keert rijk terug naar huis. Vertrek, inwijding en vervulling van de opgave, terugkeer. Dat is het grondschema.

Zo ook blogger Navalny.

Zijn vertrek uit Rusland moet voor hem aanvankelijk een mysterieus zijn geweest. Schreeuwende pijn in een vliegtuig, ziekenhuis hier, ziekenhuis daar. In coma weet hij niet eens dat hij in Berlijn is, zijn vertrek was immers ongewild. Dit past in het grondschema van het heldenverhaal: bij het vertrek van een held spreekt het noodlot graag een woordje mee. Zijn opgave is om te genezen van een Novitsjok-vergiftiging; inderdaad deze levert de held dit supersterke staaltje en bovendien ontmaskert hij een van de daders van de aanslag. Bij zijn terugkeer wordt hij gepakt komt hij meteen voor de rechter en wordt veroordeeld, maar een paar dagen later hoort hij van de massale demonstraties in het hele land. Ook nu hij veroordeeld is tot gevangenisstraf zullen die demonstraties niet ophouden. Navalny’s terugkeer voldoet met glans aan het mythologische schema en hij heeft daarmee een snaar in de menselijke ziel geraakt.

En er is nog iets wat aan deze 44-jarige man uit Moskou helemaal klopt. In het mythologische grondschema komt de held met een schat terug naar huis. In Navalny’s geval is dat de film over het geheime paleis van Poetin, de vijand die verslagen moet worden. De film is een schat, want hij is 100 miljoen maal geklikt en heeft vele anti-Poetin demonstranten gemotiveerd om de straat op te gaan, ondanks politie, ondanks straf.

Wil dat ook zeggen dat hij zal winnen? Dat we een jaar ingaan waarin niet alleen Trump maar ook zijn dictatoriale vriend Poetin, als de corrupte fraudeur die hij is, het veld moet ruimen?

Vladimir Poetin arresteert, straft, foltert en voorlopig kan hij zijn politie betalen. Voor verkiezingen hoeft hij niet bang te zijn, want met een knikje naar de voorzitter van de kiescommissie regelt hij de uitslag. Navalny mag niet meedoen zolang Poetin aan de macht is. Hij kan ok de vrouw of vrienden van Navalny beletten zich kandidaat te stellen. En de media, de televisie voorop, heeft hij onder zijn duim. Hoe kan de gevangen Navalny zijn macht ooit breken?

Lenin keerde terug in april 1917 en in juli laaide een arbeidersopstand in Petersburg op die werd neergeslagen. Lenin moest weer uitwijken, nu naar Finland. Een schijnbare nederlaag, maar een paar maanden later keerde hij nogmaals terug en nu zegevierde de officiële, maar onechte held Lenin.

Het verloop van de terugkeer van Lenin laat zien dat de echte held Navalny niet onmiddellijk succes hoeft te hebben, om op de langere duur wel degelijk aan het hoofd van een ander Rusland te staan. De eigenaar van het geheime paleis zal er alles aan doen om Navalny de voet dwars te hebben. Een nieuwe opdracht aan zijn geheime dienst om hem met het zenuwgas te vermoorden zal hij liever niet nog eens geven, dat loopt in de gaten. Maar hij zal de man die hij “Niemand” noemt wel dwangarbeid laten verrichten of op een arctisch eiland invriezen. Is Niemand dan uitgeschakeld?

Dat Poetin hem die naam gegeven heeft kan hem lelijk opbreken. Toen de held Odysseus bij de cycloop in diens grot gevangen zat stelde hij zich aan hem voor onder de naam Niemand. Op een nacht voerde Odysseus de cycloop dronken en zijn kameraden en hij staken het monster met een aan de punt brandende boomstam zijn ene oog uit. Listig kon de held vervolgens aan de verblinde reus ontsnappen en het hielp deze niet zijn collega cyclopen om hulp te schreeuwen, want toen die hem vroegen wie hem verblind had brulde hij: “Niemand!” Odysseus keerde nu veilig naar zijn vrouw in Griekenland terug en hij had de kracht om alle bezetters van zijn huis af te slachten.

De volmaakte held Navalny is door het vuur gegaan. Hij heeft zichzelf een aureool van onkwetsbaarheid gegeven en hij heeft wel degelijk kans. Succes hoeft niet te betekenen dat hij zelf de macht zal veroveren. De Joodse held Mozes stierf voordat hij zelf het beloofde land kon betreden. Martin Luther King wees op de avond voor zijn dood erop dat hij waarschijnlijk niet lang meer bij zijn mensen zou zijn. Het succes van een held is dat hij een nieuwe geest brengt en dat daardoor zijn streven orkaankracht krijgt.

Dat althans leren ons de universele heldenverhalen, van vrouw Holle tot de Odyssee, over de toekomst van Aleksej Navalny in Rusland.

 

Roel van Duijn (1943) is een gewezen politicus en wethouder van de gemeente Amsterdam. In de jaren ’60 was hij oprichter van de invloedrijke Provo-beweging. Nu is hij historicus en auteur van vele boeken, van welke als laatste verscheen  ‘Een zoon voor de Führer, de Nazi-Utopie van Julia op ten Noort’. Van Duijn woont in Amsterdam en Fulda in Duitsland en is vaste columnist van De Republikein. 

 

Zie ook de muzikale ode van dichter Serge van Duijnhoven en het collectief Dichters Dansen Niet aan Navalny in deze clip.  De advocaat van Navalny liet de makers weten dat haar cliënt in zijn gevangenis diep geroerd was door deze steunverklaring uit Nederland.

 

‘De Koning is feilbaar, de ministers zijn onverantwoordelijk’: Heeft de monarchie nog toekomst?

Volgende week verkrijgbaar: de kingsize decembereditie van De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht & burgerschap, met veel aandacht voor de constitutionele consequenties van de Griekse misstap van Willem-Alexander.

Emeritus hoogleraar H.U. Jessurun d’Oliveira buigt zich in een fundamenteel essay over de slaagkans van het constitutionele reddingsplan voor de monarchie dat hoogleraar Paul Bovend’Eert lanceerde op het moment dat koning afkoerste op een vertrouwensbreuk in de publieke opinie. D’Oliveira: ‘Er ontstond zowaar een anti-monarchale stemming in het land; een strovuurtje ongetwijfeld, maar niet eerder in de afgelopen vijftig jaar zag ik zo’n algemene stemmingsomslag. Zelf vond ik het ook een nuttige praktijkles over het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid’. Bovend’Eert stelt voor de rol van de koning in de Grondwet op vrijwel alle essentiële te kortwieken en hem ook financieel aan banden te leggen. Zal het genoeg zijn? ‘De voorstellen geven aan dat ook in de staatsrechtswetenschap frisse winden kunnen waaien ten aanzien van de monarchie, en dat soms heersend hooggestemd lakeiendom heeft plaatsgemaakt voor kritische beschouwingen zonder veel eerbied voor de aureolen van de monarchie’.

Gerard Aalders dankt Willem-Alexander voor de gratis reclame voor zijn onverbiddelijke beststeller Oranje Zwartboek. Niettemin hebben Republikeinen nog een lange weg te gaan in Nederland, meent hij.Opvallend was dat zelfs de meest fervente Oranjevereerders geen goed woord voor de reis over hadden. Iedereen moest thuisblijven vanwege die rotcorona, maar zij trokken zich nergens wat van aan. Wel meeklappen voor de zorg en zogenaamd empathie tonen, maar solidair zijn met het van alle pleziertjes verstoken volk? Ho maar. In een kneuterige videoboodschap ging het koningspaar – ‘betrokken, niet onfeilbaar’ – door het stof. Onmiddellijk daarna begon, alweer volgens het boekje, het Grote Vergoelijken. Hoe houterig en onoprecht de excuses van de koning, met Máxima verbeten zwijgend aan zijn zijde, ook overkwamen’.

 Gijs Korevaar doet close reading van de lichte kritiek die ‘onderkoning’ Thom de Graaf uitoefende op het sociale mediagedrag van de royals. ‘In het tijdperk van de sociale media en veranderde opvattingen over het privédomein, blijft nagenoeg niets meer verborgen. Elke privé-handeling, elk woord van de koning of zijn naasten, kan een publieke of politieke discussie oproepen. Dat is uit een oogpunt van transparantie als gouden standaard in een democratie, vermoedelijk onvermijdelijk’.

Frank van der Elst, Cor Schouten en Hans Slot dragen bouwstenen aan voor een nieuwe Republiek der Nederlanden, onderdeel van het programma van de Partij voor de Republiek. ‘Bij de huidige regeling van de inrichting van de staat gaan we bij de ordening van de gang van zaken in Nederland uit van een top down-benadering. Het lijkt echter voor de hand te liggen om uit te gaan van de soevereiniteit van de Nederlanders als bevolking. Dus bottom up!’

Paul Damen onthult hoe Oranje schraapzucht kon leiden tot een fatale uitholling van het nationaal kunstbezit. ‘Dankzij het inhalige gehannes van de Oranjes ging een enorme schat aan schilderijen voor ons land voorgoed verloren. En ja, toegegeven: ook de Nederlandse staat heeft daar steken laten vallen. We hadden schathemeltjerijk kunnen wezen als de staat wat meer moeite had gedaan en met name de Oranjes niet hun met belastinggeld betaalde kunst in eigen beheer had gegeven’.

Els de Groen interviewt schrijfster Etchica Voorn over de betekenis van Black Lives Matter en het Nederlandse onvermogen de erfenis van de slavernij echt onder ogen te zien. ‘Duitsers krijgen het Nazi-verleden en de Holocaust met de paplepel ingegoten, maken er boeken en films over en gaan met elkaar in debat. Maar als je in Nederland slavernij ter sprake brengt, krijg je al gauw het verwijt de racismekaart te trekken. Een vreselijke zin! Of mensen houden je voor dat zwarte Afrikaanse koningen ook slaven hebben verhandeld’.

Roel van Duijn over de geopolitieke consequenties van de broederbond tussen Gerhard Schröder en Vladimir Poetin en de gaslijn van Nordstream II. ‘Het is een Europees project, verdedigt Schröder zich, wanneer hem verweten wordt dat hij zich door Nordstream 2 voor Russische belang inzet. Een belang dat niet socialistisch is, niet democratisch, maar wel de Russische staatskas spekken zal. En daarbij de positie van Oekraïne tegenover Rusland verzwakt, omdat de nieuwe pijplijn het Siberisch gas door de Oostzee naar Europa zal brengen, in plaats door Oekraïne, dat daardoor zal ophouden een strategische tussenschakel tussen Rusland en Europa te zijn’.

Onze columnist Henk Westbroek blikt terug op zijn republikeinse jeugd in de jaren zestig.

Bart Gruson schrijft over het andere Guernica: de Carretera de la Muerte, een dieptepunt van de Spaanse Burgeroorlog, en constateert dat een nieuwe, derde Spaanse republiek nu meer dan ooit onder handbereik ligt.

Ricus van der Kwast neemt afscheid van Donald Trump en ziet hem als een bliksemafleider voor Europees onvermogen op het terrein van Corona en vele andere vraagstukken.

Thomas von der Dunk schijft over de Duitse vorsten die stonden te popelen om de stadhouderloze Republiek.

René Zwaap signaleert dat het Huis van Hohenzollern anno 2020 niet alleen dingt naar restitutie van Huis Doorn maar ook op het oorlogspad is met een juridische intimidatiecampagne van Duitse historici en journalisten die wagen te schrijven over de banden van het Pruisische vorstengeslacht met Hitlers Derde Rijk.

Manuel Kneepkens vraagt zich af of de lyriek nog altijd de moeder van de politiek kan zijn na de onthullingen van de fascistische jeugdzondes van Lucebert.

August Hans den Boef las de Nederlandse vertaling van Jahrestage, het magistrale Duitse epos van Uwe Johnson.

Sjoerd de Jong presenteert een nieuw avontuur van complotprofessor Karel, die tijdens een parlementaire enquête naar het coronabeleid van de regering terecht komt in een kafkaëske nachtmerrie.

Als altijd ruim aandacht voor nieuwe boeken. Maurits van den Toorn las het pleidooi van hoogleraar Douwe Jan Elzinga om een einde te maken aan de Troonrede in huidige vorm. Ries Roowaan las de Rutte-biografie van Petra de Koning.

Mohamed el-Fers schrijft over de twee hoofden van Marijke Meu en andere funeraire geheimen van het Huis van Oranje-Nassau. Floris Müller, de nieuwe voorzitter van het Republikeins Genootschap, legt zijn mediastrategie uit om zijn organisatie meer te doen zijn dan een ‘bozeoudemannen-club’ . Natuurlijk ook met de Blik van Joep. Mis geen editie meer van dit unieke blad en neem een abonnement.

Commentaar Roel van Duijn: Angst en waanzin in het Witte Huis

Zal Trump onder het uitroepen van de noodtoestand de toegang tot het Witte Huis voor Joe Biden blokkeren? Roel van Duijn over de strapatsen van een kat in het nauw, en de overeenkomsten tussen Trump en Silvio Berlusconi.

 

Tekst: Roel van Duijn

 

Hoe kan Donald Trump zijn tegenstander zo lang mogelijk uit het Witte Huis houden?

Allereerst probeert hij dat op magische wijze, door zijn aanhang op te zwepen met schokkende beweringen. Allemaal variaties op de bezwering  dat hij de eigenlijke winnaar is en Biden de  zwendelende verliezer. Door dit vele malen daags te herhalen laat hij zijn miljoenenaanhang  popelen om hem recht te doen.

De meeste leiders van de  Republikeinen ondersteunen deze propaganda zwijgend. Minstens tot 6 januari. Op die dag bepalen de uiterst belangrijke verkiezingen in de staat  Georgia of hun partij de baas blijft in de Senaat.

Verliezen zij in Georgia, dan drijft dit kat Trump verder in het nauw en stuwt dit zijn angst en  waanzin nog opwaarts.

De officier van Justitie van het district Manhattan, Cyrus R. Vance jr.,  verheugt zich op de dag dat Trump niet langer de  presidentiële bescherming geniet die hij nu nog heeft. Hij wacht hem grijnzend op. Hij heeft Trump al twee jaar geleden gedagvaard wegens  misdadig financieel gedrag, dat toen nog door de beschuldigde, als  president, kon worden geblokkeerd. Dat weten niet alleen de lezers van de New York Times en dus dreigt er nu voor Trump wel degelijk de schande van een veroordeling en mogelijk zelfs gevangenisstraf.

30 processen

Er wachten hem dan ongeveer 30 processen vanwege  bank- en verzekeringsfraude, belastingontduiking en waarschijnlijk ook van verkrachte vrouwen, terwijl  zijn schuldeisers hem op de hielen zitten en bedragen in de orde van een miljard dollar van hem willen zien. Ook het Mueller-onderzoek over Trumps samenwerking met Rusland kan weer de kop opsteken.  Dit vooruitzicht maakt Trump nu nog onberekenbaarder dan  iemand die gewoon niet tegen zijn verlies kan.

Vertrouwend op de  enorme macht die hij  in deze laatste weken nog altijd heeft, zou Trump opnieuw zijn toevlucht kunnen nemen tot de National Emergenies Act van 1976, die een president in staat stelt de noodtoestand uit te roepen die hem de gewenste  bevoegdheden geeft. Trump heeft dat al eerder gedaan, toen hij zich op deze manier de macht gaf om een greep uit het defensiebudget te doen voor de bouw van zijn muur langs de zuidgrens. Hij heeft dat gedaan met een beroep op de nationale veiligheid, die volgens hem  in gevaar was.  Nu zou hij het kunnen doen in de aanloop naar de  twintigste januari, de onverbiddelijke dag van de installatie van Biden.

Door het gebruik van de noodwet kan hij enkele dagen een extreme spanning  oproepen, waardoor gewelddadigheden kunnen losbarsten. Dat geweld kan hij vervolgens ook weer in naam van de nationale veiligheid gebruiken voor een nieuwe greep naar de noodwet. Bijvoorbeeld om de transitieprocedure te blokkeren. Uiteindelijk zou het hooggerechtshof, bolwerk van Trump, het gebruik van de noodwet moeten rechtvaardigen. Maar als het zover zou komen zal ook het hooggerechtshof daarvoor niet genoeg argumenten kunnen vinden. Het kwaad is dan inmiddels wel geschied: de tegenstellingen tussen rood en blauw worden steeds moeilijker overbrugbaar.

Zakenimperium

Er is in de moderne  geschiedenis geen politicus met wie Trump zoveel gemeen heeft als de Italiaanse ex-premier Berlusconi. Rechts, populistisch en macho.  Lonkend naar racisten en fascisten.  Poetinvrienden. Berlusconi bestuurde Italië als een zakenimperium, precies zoals Trump dat met  de VS  heeft gedaan. Enig verschil is, dat Berlusconi een  vriendelijker karakter had en heel goed kon zingen.

Berlusconi wist zijn veroordeling wegens seksueel misbruik van een minderjarige meisje en omkoping, tot zeven jaar gevangenisstraf, nog terug te draaien tot een taakstraf. Zijn politieke macht had hij uiteindelijk moeten opgeven toen hij uit de  senaat werd gestemd om zijn veroordeling wegens belastingontduiking.  Maar dat nadat Berlusconi drie maal regeringsleider is geweest.

Geen taakstraf

Zal Trump  er in 2024 erin slagen om de regeringsmacht terug te winnen, net als de Italiaan  in 2001 en  2008? Hoezeer Trump ook op Berlusconi lijkt, zo maffioos als Italië is Amerika niet. Het is waar dat er in Italië sinds Berlusconi een sterk populisme heerst, met de Vijf Sterrenbeweging en de uiterst rechtse Salvini. Maar Italië heeft geen partij die zo sterk is als de democratische in Amerika en de rechterlijke  en ambtelijke macht staan daar, ondanks vier jaar Trump, toch sterker overeind. Trump zal er niet met een taakstraf van af komen.

Op de ranglijst van  corrupte landen van Transparency International staat de VS een stuk hoger dan Italië (plaats 22 resp.  52). De officier van justitie in Manhattan laat zich niet omkopen en de kritische media zullen niet zwijgen over Trumps frauduleuze  levenswandel.

Ook in 2024 zal de leugenaar niet terugkeren als president.

Maar zeker in de aanloop naar zijn  val  zal hij, al dan niet met  noodwet,  door wraakzuchtige complottheorieën de democratie nog gevaarlijk ondermijnen.

 

Roel van Duijn, 17/11/2020

 

Waardeer dit commentaar!

Als je dit commentaar waardeert en dat wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Met een grotere bijdrage steun je ons nog veel meer. Zo help je een onafhankelijk medium met een eigen geluid zich verder te ontwikkelen.

Mijn gekozen donatie € -

De geboorte van de Partij voor de Republiek: een experiment in gedachtevorming

Op Prinsjedag is het zo ver. Dan presenteert de Partij voor de Republiek haar concept-partijprogramma ‘Tien over Oranje’, een 10-stappenplan ter omvorming van de Nederlandse monarchie in een moderne republiek. Het opheffen van de monarchie dient in dit plan als katalysator van staatskundige, politieke en sociale innovatie, met als uitgangspunt de klassieke republikeinse idealen vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Iets meer dan tweehonderd jaar zucht Nederland nu onder het loden gewicht van een monarchie die het op last van de Europese grootmachten in de maag kreeg gesplitst. Een land dat werd geboren als vrijheidslievende republiek en dat gedurende een groot deel van zijn geschiedenis ook was, werd in zijn verdere ontwikkeling gehinderd met een staatsrechtelijk misbaksel dat in alles precies het tegendeel was van de sociaal-republikeinse idealen die tot dan toe de boventoon hadden gevoerd. Nu is de tijd gekomen deze betreurenswaardige loop van de geschiedenis terug te draaien en de draad weer op te pakken van het republikeinse proces. Juist in een tijd waar het democratische proces dreigt te stokken en de kloof tussen burger en bestuur onoverbrugbaar lijkt geworden, is het goed als Nederland zichzelf opnieuw uitvindt. Het republikeinse ideaal van het dienen van de res publica, de publieke zaak, en het stimuleren van actief burgerschap, kan een uitweg bieden uit de doodlopende steeg van populisme en groeiend antidemocratisch sentiment.

Geen vechtscheiding
De republiek zal onvermijdelijk de staatsvorm van de toekomst zijn, en de transitie die daarvoor nodig is, moet worden voorbereid, aldus de PvdR. In de woorden van Manuel Kneepkens, een van de oprichters van de PvdR: ‘Wij moeten afscheid nemen van de Oranjes, op de wijze waarop Gandhi afscheid nam van de Engelsen. Het moet, daar helpt geen moedertje lief aan, maar we doen het wel op beschaafde wijze. Als “vrienden”. Geen vechtscheiding! Tenslotte hebben wij en de Oranjes een lange geschiedenis met elkaar. En de huidige koning is niet zo vreselijk als Bea. Dat maakt het afscheid voor het Volk een stuk lastiger. De afschaffing van het stukje ondemocratie dat het koningshuis is, is een bijvangst. Het gaat er ons om de stagnatie van het democatiseringsproces in Europa te overwinnen’ .

Het eerste manifest van de partij leverde genoeg positieve reacties op om te komen tot het idee dat een progressieve, pro-Europese republikeinse partij levensvatbaar kan zijn binnen het Nederlandse politieke bestel en als belangrijke aanjager zou kunnen fungeren van discussies die het politieke establishment tot nog toe angstvallig uit de weg is gegaan.

De PvdR is een initiatief van dichter-jurist Manuel Kneepkens, voormalig gemeenteraadslid en oprichter van de Rotterdamse Stadspartij, emeritus hoogleraar stadssociologie van de Universiteit van Amsterdam Lodewijk Brunt, media-entrepreneur Teun Gautier en journalist René Zwaap, hoofdredacteur van tijdschrift De Republikein.

Basisidee van de PvdR is dat afschaffing van de monarchie geen doel op zichzelf is, maar onderdeel moet zijn van een bredere democratiseringsagenda op zowel nationale als Europese schaal. Het door de PvdR geagendeerde perspectief van de omvorming van de Europese Unie tot een federatie die is ingericht als een Europese republiek met zoveel mogelijk autonomie voor de aangesloten eenheden, is binnen de in zichzelf gekeerde politieke verhoudingen in Nederland een absoluut novum. Vanuit die achtergrond streeft de PvdR op de lange baan ook uit te groeien tot een transnationale Europese partij.

Tot nog toe kregen republikeins georiënteerde partijen geen voet aan de grond in Nederland en bleven zij politieke eendagsvliegen en splintergroeperingen in nanometers. Dat de PvdR deze stap toch wil wagen komt voort uit de overweging dat het denken over de republiek in Nederland nodig van impulsen moet worden voorzien. Het Republikeins Genootschap (RG), de grootste republikeinse organisatie van het land, vervult een belangrijke rol als ontmoetingsplatform van aanhangers van de republikeinse gedachte, maar kent tegelijkertijd ook zijn beperkingen, daar het politiek neutraal wil blijven en daarom geen andere boodschap kan communiceren dat de monarchie moet worden afgeschaft.

Politieke keuzes
Aangezien aanhangers van de republikeinse gedachte zowel ter linker- als ter rechterzijde van het politieke firmament kunnen worden gevonden, blijft het RG een collectief dat zich alleen verbindt op grond van een gedeelde weerzin, maar blijft het noodzakelijkerwijze ver van het innemen van inhoudelijke politieke keuzes in opbouwende zin. Dat bleek bijvoorbeeld toen in 2016 – 2018 een groep leden van het (toen nog Nieuw) Republikeins Genootschap probeerde een manifest op te stellen waarin zou worden aangegeven wat er zoal zou moeten gebeuren dan wel anders geregeld zou kunnen worden in de staatsinrichting van het land wanneer de omslag naar een republiek zou worden gemaakt. Op voorspraak van de voorzitter van het Republikeins Genootschap werd dat concept afgestemd door de leden. Een gemiste kans, zo vinden de leden van de genoemde werkgroep, die zich deels bij de Partij van de Republiek hebben gevoegd. Hun inventarisatie van staatkundig vernieuwingspotentieel is in het concept-partijprogramma van de PvdR verwerkt.

Volgens de PvdR dient de vraag te worden beantwoord hoe de republiek der Nederlanden eruit moet zien en wat het doel van die republiek moet zijn. Dat betekent dat er politieke keuzes moeten worden gemaakt. De PvdR is in die zin een experiment in gedachtevorming en alleen al op die grond de moeite van het proberen waard. PvdR-medeoprichter René Zwaap: ‘Alleen al het naakte bestaan van deze partij is heel wat waard. Want wat is een monarchie waard als er geen fatsoenlijke republikeinse partij in kan bestaan? De enige andere politieke partij in Nederland die zich anno 2020 tooit met het republikeinse ideaal, de Republikeinen, koppelt daaraan zo’n xenofobische en anti-Europese agenda aan dat je er spontaan monarchist van zou worden. Om de naam van de Nederlandse republikeinen hoog te houden was daar wel een tegenhanger voor nodig.’

Voor meer informatie: www.republiek.eu

De Avonturen van Dick Stein: In Naam van de Koning. Deel XIII: De Prijs Der Onschendbaarheid

In deel XIII van ons feuilleton verleggen we onze aandacht even naar het koninklijk paleis, tot waar de faam van onze speurder inmiddels is doorgedrongen. We ervaren dat ook in een koninklijk huwelijk niet altijd alles over rozen gaat.


Tekst: René Zwaap


HOOFDSTUK XIII

DE PRIJS DER ONSCHENDBAARHEID

De Koning zette net zijn computer aan toen vanuit een hal van het paleis keihard een tango van Carlos Gardel begon te schallen.

Hij zuchtte diep terwijl hij vanuit het raam uitkeek over het groene gazon, waar de vogeltjes hem hadden toegezongen.

Gardel in de vroege ochtend was slecht nieuws. Dat betekende dat zijn vrouw in de ban was van heimwee naar haar Zuid-Amerikaanse vaderland, en als dat het geval was wilde ze dat altijd zo luid mogelijk duidelijk maken. De stem van Gardel had al de hele nacht door het paleis geschald, en nu, na slechts enkele uren pauze, leek het hele helse ritueel weer opnieuw te beginnen.

Een lakei roepen om het verzoek over te brengen of het allemaal wat zachter kon, had geen enkele zin, zo had hij inmiddels wel geleerd. Ze zou de man levend verscheuren. Er zat niets anders op dan het zelf te proberen.

Zuchtend liep de koning de trap op, onder de portretten van zijn roemruchte voorvaderen, die hem in zijn beleving misprijzende dan wel spottende blikken toewierpen, soms gezeten op hun edel strijdros.

‘El dia que me quieras’, zong Gardel, en naarmate de koning dichterbij de bron van het geluid kwam begonnen zijn knieën steeds meer te knikken. Soms vroeg hij zich af wat hem bezield had, hoe hij het had aangedurfd zich vrijwillig in dit mijnenveld te begeven. Hij had gedacht dat hij het aankon, maar naarmate de jaren vorderden, was er een twijfel in zijn gedachten geslopen, niet meer uit te bannen, en bij iedere irritatie werd die sterker.

Hij herinnerde zich hoe hij zich had gevoed met de heftige gevoelserupties van zijn betere wederhelft, hoe hij had gedacht dat zij voor hem de sleutel was naar het ervaren van het werkelijke leven. Hij had zichzelf altijd zo gelijkmatig bevonden, zo middelmatig, nooit uitschieters ervaren, een soort dommelend bestaan geleefd. Bij haar was vreugde vrolijker dan hij ooit voor mogelijk had gehouden, en ook verdriet was bij haar tastbaar en concreet, nooit een vaag zeurend vragen, maar een stroomstoot die je tot in de diepste vezel raakte. Maar nu was er die twijfel. Was het eigenlijk niet ook iets heel moois, die Hollandse gelijkmatigheid? Zeker, het was minder spectaculair, maar het was ook minder inspannend. Je kon toch ook niet altijd op het topje van je emotionele kunnen leven? Er moet toch op zijn minst een pauzestand zijn?

De koning klopte op de deur van het slaapvertrek van zijn vrouw. Niemand antwoordde. Zijn kloppen moest ook nauwelijks hoorbaar zijn met die harde muziek. Heel voorzichtig opende hij de deur op een kier.

De ruimte was donker, bedompt van tranen en verschraalde wijn en met een muur van sigarettenrook gevuld.

‘Querida, gaat het wel goed met je?’, vroeg de koning door de kier, met luide stem om boven de muziek uit te komen.

‘Ga weg!’, klonk het vanuit de duisternis. ‘Laat me met rust!’

‘Maar liefje, kan die muziek wat zachter? Ik werk vandaag thuis en ik kan me niet concentreren’.

‘Werken, werken, werken! Altijd maar werken! Je bent koning, hombre! Je hoeft helemaal niet te werken!’

Aan haar dictie kon de koning horen dat de alcoholconsumptie van voorgaande nacht haar uitwerking nog niet gans verloren had.

‘Het is verschrikkelijk! Wat een inferno!’

‘Waar heb je het over, liefje?’, vroeg de koning, terwijl hij nu eindelijk de moed vond de deur geheel te openen en de kamer te betreden.

Zijn vrouw lag op haar bed, nog gekleed in de helblauwe avondjapon die zij de avond ervoor tijdens het diner met het bezoekende Deense koningspaar had gedragen. Haar diadeem hing scheef over haar ogen. Op de vloer lagen enkele halflege flessen wijn, venijnig uitgedrukte peuken waren overal in de ruimte te bespeuren.

‘Alles is verschrikkelijk. Dit land. Dit paleis. Dit weer. De mensen. En jij ook!’, begon ze te jammeren.

De koning zette zich nu op de bedrand en legde zijn hand op haar enkel, die zij haastig introk.

‘Waarom ben ik verschrikkelijk?’, deed hij een poging tot dialoog.

Ze rolde zich om, lag nu op haar buik, en verstopte haar hoofd onder een kussen.

‘Omdat je ook zo’n Hollander bent!’, klonk het zeer welgemeend. ‘Zo’n saaie, oppervlakkige, stomvervelende schijt-Hollander!’

De koning kon een lachje niet onderdrukken.

‘Maar schat, er is helemaal niets Hollands aan mij. Je weet toch hoe ons clublied gaat? “Ben ik van Duitschen Bloet?” Dat gaat over mij! Voor de rest heb ik ook nog eens een stevige Russische component. Russisch, hè, die gaan ook reuze diep, emotioneel gezien!’

Hij maakte even een stop, zich beradend op een vervolgstap.

‘Neem nu Gardel hier. Ik kan daar intens van genieten. Ik krijg er kippenvel van. Hier, kijk maar’. Demonstratief toonde hij zijn arm.

‘Er is geen Hollander die de tango begrijpt!’, protesteerde zijn vrouw, nu vanonder het kussen verschenen en met een arm over de bedrand tastend naar een wijnfles. ‘Jullie begrijpen het niet, want jullie voelen het niet!’

Een beetje gekrenkt stond de koning op van het bed.

‘Nou, dan moet je het zelf maar weten’, zei hij gedecideerd, en hij liep richting deur.

‘Ja, ren maar weer weg, lafaard!’, riep zijn vrouw, en ze wierp het kussen in zijn richting. ‘Jullie zijn allemaal lafaards! Er is maar één echte man in deze natte hel, en dat is senhor Dick Stein!’

De koning kon nu zijn geamuseerdheid niet meer onderdrukken.

‘Stein? Dat is een warenhuisdetective, potverdikkeme! Die bewaakt de pantybakken!’

‘Hij heeft mijn leven gered!’, bracht zijn vrouw in.

‘Je bedoelt die arme drommel die hij besprong op Koningsdag? Die man maakte alleen maar gebruik van zijn demonstratierecht! Die deed geen vlieg kwaad! Het was volkomen disproportioneel geweld! Het heeft ons alleen maar slechte pers bezorgd’.

Zijn vrouw stak nog een sigaret op en nam een gulzige haal, terwijl ze met de vrije hand een wegwerpgebaar in zijn richting maakte.

‘Senhor Stein heeft cojones! Maar daar heb jij de ballen verstand van!’

Ze lachte schamper, klaarblijkelijk in haar nopjes met haar woordspeling.

Dreigend wees ze naar de koning. ‘Ik doe geen stap meer de deur uit zonder senhor Stein! Begrepen? Ik wil senhor Stein!’

‘Goed dan’, zuchtte de koning. ‘Als je dat per se wilt. Ik zal hem laten bellen’.

***

Toen de koning terug kwam in zijn kantoor trof hij zijn broer de prins zittend aan zijn bureau.

‘Hé, Big Brother, alles kits?‘, vroeg deze, met de immer ironisch opgetrokken mondhoek die zijn handelsmerk was. Tergend langzaam stond hij zijn plaats af.

‘Je hoort het’, zei de koning kortaf, terwijl hij zijn zetel terugveroverde. ‘Het is weer eens raak. Knettergek word ik ervan’.

Zijn broer tuurde even naar het plafond, alsof hij de muziek van Gardel zo beter kon horen.

‘Als je er echt genoeg van hebt kun je haar natuurlijk altijd de nek omdraaien’, opperde hij vilein . ‘Niemand die je wat maakt’.

‘Hoe bedoel je?’, wilde de koning weten.

‘Nou, je bent toch onschendbaar? Geen rechter die je kan veroordelen. Hoogstens draait er zo’n arme drommel van een minister voor op. Ministeriële verantwoordelijkheid uiteindelijk. Lees die Grondwet nu eens, man! Echt de moeite waard, en het gaat bijna alleen over jou’.

De koning knikte flauw. Recht was nooit zijn sterke kant geweest. Juridische teksten kon hij met de beste wil van de wereld gewoon niet lezen. Uiteindelijk had hij geschiedenis gestudeerd. Mooie verhalen over echte mensen, die las hij graag. Maar dat gortdroge jargon van wetteksten, die vreselijke formuleringen? Het was al erg genoeg dat hij die moest ondertekenen.

‘Aan de andere kant, ik zou het je niet willen aanbevelen’, vulde zijn broer na enig peinzend zwijgen aan. ‘Slecht voor je populariteitscijfers, zo’n partnermoord, en die staan er al niet zo bijster florissant voor’.

‘Wat brengt je hier?’, wilde de koning weten, ook om het gesprek in een andere baan te leiden.

‘Ja, nou, we hebben een probleempje’, zei de prins. ‘Of beter gezegd: jij hebt een probleem’.

‘Jippie, nog één’, mompelde de koning.

Zijn broer had zich ontfermd over de zakelijke belangen van de familie en de koning had zich meer dan eens bedacht dat hij daarmee eigenlijk een veel sterkere positie bekleedde dan hijzelf. En dat was niet altijd een geruststellende gedachte, want zijn broers lievelingsboek was De Vorst van Machiavelli, en hij gedroeg zich ook daarnaar. De koning was daarom altijd op zijn hoede met zijn broer, en nu had hij alle reden om nog extra op zijn hoede te zijn.

‘Ja’, zei zijn broer. ‘Het gaat om die aandelen in de Koninklijke Olie…’

Hij maakte even een pauze om de onaangename verrassing die zich aftekende in het gezicht van de koning ruimer baan te geven.

‘Jij bent in je koninklijke wijsheid zo vrij geweest om via de Rijksverzwijzigingsdienst te melden dat je daar helemaal geen belang had…Maar dat is niet helemaal conform de waarheid…In die zin…het is waar, maar het is ook niet waar….’

‘Hoe kan iets waar zijn en tegelijkertijd niet waar?’, riposteerde de koning, geïrriteerd opkijkend van de agenda die hij voor zich had opengeslagen terwijl zijn broer sprak.

‘Nou, formeel heb jij persoonlijk inderdaad geen aandelen in de KOM. Maar de stichtingen die jouw aandelen voor jou beheren barsten ervan. Het is de basis van het familievermogen.’

‘Verkoop ze dan’, zei de koning geïrriteerd.

‘Dat zou niet verstandig zijn’, zei de prins. ‘Met al die publiciteit over die toestand in Cabinda in verband met die moord op die oude kraakster is het aandeel KOM nu behoorlijk in waarde gezakt. Bovendien zijn die aandelen door de decennia heen altijd de meest zekere component van onze beleggingen geweest en daarmee de meest zekere bron van inkomsten. En nu kreeg ik vanuit de KOM-leiding informatie binnen dat de waarde van de maatschappij binnen zeer korte tijd enorm zal toenemen, omdat er in datzelfde Cabinda weer een olieveld van enorme proporties op het punt staat te worden ontdekt. Dus als we verstandig zijn, kopen we nu juist zoveel mogelijk aandelen in de KOM op, nu de prijs laag is en het rendement binnen de kortste keren door het plafond schiet’.

‘En als dat allemaal uitkomt, sta ik voor schut’, bracht de koning daar tegenin.

‘Wie zou daar achter kunnen komen?’, antwoordde zijn broer. ‘Niemand. De zaak is volkomen afgedekt’.

‘De KOM staat op het punt in Den Haag te worden aangeklaagd, juist wegens Cabinda’, zei de koning, trots op zijn actuele inzicht in dit hoofdpijndossier. ‘Die zaak kan heel vervelend worden voor alle betrokkenen’.

‘Zo ver komt dat niet’, zei zijn broer. ‘Ik heb die zaak onder controle’.

‘Beledig ik je erg als ik zeg dat me dat niet totaal gerust stelt?’, riposteerde de koning.

De prins hield zijn meest ironische grijns tevoorschijn.

‘Jij bent de koning. Jij mag alles’, zei hij, en hij stond op om weg te gaan.

‘Je kunt gaan’, zei de koning.

‘Ik ging al ‘, zei de prins.

‘Dat zie ik. Maar nu mag je ook’.

***

Nadat de prins de ruimte had verlaten, belde de koning zijn secretaris.

‘Bel Stein’, zei hij. ‘Hij gaat met ons mee naar Italië’.

Daarna stopte de koning oordopjes in en toog aan het werk.

Zal Dick Stein zich staande weten te houden in het geweld van de koninklijke twisten rond zijn persoon? En zal hoe moet het nu verder met de zaak die Esther Blom had willen beginnen tegen de Koninklijke Oliemaatschappij (KOM)? U leest het allemaal in de volgende aflevering van De Avonturen van Dick Stein: In Naam van de Koning.

Voor de vorige aflevering van dit feuilleton volgt u deze link

Het feuilleton De Avonturen van Dick Stein, privé-detective: In Naam van de Koning is een werk van fictie. Elke overeenkomst met bestaande personen, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten, behalve waar dat zo gemeend is.

Een Duit voor Dick?

Als u dit feuilleton waardeert en dat wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan!

Mijn gekozen donatie € -

Zelfbenoemde koningen

Geen druppeltje blauw bloed en toch koning worden? Napoleon bewees al dat het kon, en tal van gelukszoekers uit Europa probeerden het in de loop van de 19e eeuw in de meest exotische oorden. De gevolgen waren vaak rampzalig. De Republikein presenteert een galerij van de Doe het zelf-koningen, met Orélie-Antoine de Tounens, koning van Araucanië en Patagonië, Julius Popper, koning van Vuurland, Otto Witte, koning van Albanië, Josiah Harlan, prins van Ghor, Max Schlemmer, koning van Laysan en James Jesse Strang, de mormonenkoning van Beaver’s Island.

Tekst: René Zwaap

Hoe Orélie-Antoine de Tounens, koning van Araucanië en Patagonië, het beste te kwalificeren? Als een geopolitiek genie of als een megalomane gek? Waarschijnlijk had hij iets van beide in zich. Deze zoon van verarmde Franse landadel uit de Dordogne werd in 1860 gekroond tot een enorm rijk in Zuid-Amerika, zo groot als Frankrijk, Duitsland en Italië samen. Zijn nabestaanden vechten nog altijd om hun koninkrijk, dat hen officieel is toegewezen.

In het midden van de 19e eeuw begint in Zuid-Amerika de massamoord op het laatste onafhankelijke inheemse volk van het continent, de Mapuche van Araucanië en Patagonië. De Mapuche zijn een trots krijgersvolk, dat van af de 16e eeuw de Spaanse veroveraars de stuipen op het lijf heeft gejaagd. Maar ze zijn geen partij tegen de kanonnen en mitrailleurs waarover de legers van Chili en Argentinië beschikken, gesteund door huurlingen van Europese bedrijven die in het uitgestrekte, verlaten zuiden van Latijns-Amerika een schat aan grondstoffen en mineralen willen binnenhalen.

Onder commando van de gespecialiseerde ‘indianendoders’ generaal Rocha (Argentinië) en generaal Saavedra (Chili) worden binnen enkele jaren tienduizenden Mapuche over de kling gejaagd. De wereld kijkt zwijgend toe. Niemand trekt zich het lot van de Mapuche aan, behalve één Fransman. Orélie-Antoine de Tounens arriveert in 1858, 33 jaar oud, in Chili. Hij wordt vergezeld door één bediende. Over financiële middelen beschikt hij nauwelijks. Hij is van jongs af aan gefascineerd door de Mapuche, die door de filosoof Voltaire zijn bezongen als de ultieme ‘nobele wilden’.

Daarnaast koestert De Tounens al vanaf zijn prilste jeugd koninklijke ambities. Hij is een bewonderaar van Napoleon – die uiteindelijk ook op eigen kracht keizer werd – en droomt van herstel van de Franse koloniale macht. Vanuit het Chileense Santiago zoekt hij contact met de opperhoofden van de Mapuche. In 1860 komt het daadwerkelijk tot een ontmoeting. Het toeval wil dat de Mapuche de legende koesteren dat er in tijden van grote nood een blanke man met een grote baard zal verschijnen die het volk van de ondergang zal redden. De Mapuche zien in De Tounens deze Messias. De Fransman moet er dan ook indrukwekkend hebben uitgezien met zijn ravenzwarte baard, lange haren, en zijn aristocratische verschijning, gehuld in een indiaanse poncho.

Staatsrechtelijk gelijk
Hoewel De Tounens geen woord van de Mapuche-taal spreekt, weet hij de verzamelde krijgsheren toch te overtuigen. Staatsrechtelijk heeft de getalenteerde jurist het gelijk aan zijn zijde: formeel is het gebied bezuiden de Biobio-rivier niet ingelijfd door Chili. Hij adviseert de Mapuche hun natuurlijke rechten op te eisen. Maar voor dat doel hebben ze een Europese koning nodig, te weten hij zelf. En zo wordt de Fransman op 17 november 1860 door de verzamelde stamhoofden van de Mapuche gekozen tot koning van Araucanië. Twee dagen later voegt hij ook Patagonië – geclaimd door Argentinië – bij zijn rijk. Koning Orélie troont over een rijk dat strekt van de 42ste breedtegraad tot aan Vuurland, een gebied van meer dan 4000 kilometer in lengte, zich uitstrekkend van de Atlantische Oceaan tot aan de Pacific.

Koning Orélie heeft grote plannen. Hij wil van zijn koninkrijk een immigratieland maken voor zijn Franse landgenoten. Zij zouden daar in vrede en welvaart kunnen samenleven met de Mapuche. Maar de machthebbers in Chili, die al jaren loeren op het land van de Mapuche, zijn andere opvattingen toegedaan. Generaal Saavedra zet uit eigen zak een prijs op het hoofd van de Fransman. Twee jaar na zijn kroning, tijdens een rondreis door zijn rijk, wordt De Tounens verraden en ontvoerd. Dramatisch genoeg is het zijn Franse bediende die hem verraadt. Het scheelt maar een haar of de Chilenen zetten De Tounens terstond voor een vuurpeleton. De Franse ambassade grijpt net op tijd in. Tijdens het proces tegen Orélie put de Chilleense pers zich uit in hoon voor de ‘krankzinnige avonturier’. De Mapuche worden beschreven als alcoholistische wildemannen, een gevaar voor de beschaafde wereld.

Spektakelstuk
Maar De Tounens maakt een spektakelstuk van zijn rechtszaak. Hij toont zich een welsprekende verdediger van de Mapuche en klaagt de georganiseerde volkerenmoord door de Chilenen aan. Zijn prestige stijgt. Uiteindelijk belandt de zelfbenoemde koning in een krankzinnigengesticht. In 1863 arriveert hij terug in Frankrijk.. Van opgeven wil hij echter niet weten. ‘De Chileense aanval tegen mijn persoon heeft mijn rechten niet verzwakt, hooguit heeft het tot uitstel geleid’, schrijft de koning in ballingschap in het eerste deel van zijn mémoires. ‘Op dit moment wachten de mensen die mij tot hun koning – en meer nog: tot hun verlosser – hebben gekozen mijn terugkomst gespannen af, om onder mijn commando samen op te trekken op het pad van de vooruitgang’.

In 1869 vaart De Tounens terug naar Araucania, ditmaal via Buenos Aires. De Mapuche, die hadden begrepen dat hun koning was geëxecuteerd, ervaren zijn terugkomst als een magische wederopstanding. Met volle energie werpt koning Orélie zich op de vorming van de Mapuche-natie. Hij richt een eigen krant op, La Corona de Acero (De IJzeren Kroon), ontwerpt een vlag en een schrijft een volkslied voor zijn rijk, en zoekt ondertussen verwoed naar steun van buitenlandse regeringen. Zijn regering bestaat uit de beste Mapuche-generaals, aangevuld met Franse kolonisten.

Twee jaar later is hij door zijn laatste financiële middelen heen en vertrekt hij wederom noodgedwongen naar Frankrijk. In 1874 is de koning weer terug in Chili, ditmaal met munitie en wapens bij zich, gedoneerd door diverse Franse sympathisanten. Bij aankomst in Bahia Blanca wordt hij echter meteen door de autoriteiten herkend – ondanks zijn valse paspoort – en als persona non grata weggestuurd. In 1876 doet De Tourens de derde en laatste poging zijn koninkrijk te redden. Dit maal wordt hij in Patagonië beroofd door lokale boeren en aan de Argentijnse autoriteiten uitgeleverd. Geveld door ziekte en uitputting gaat hij terug naar Frankrijk, waar hij twee jaar later, op 17 september 1878, komt te overlijden, als een berooid man.

De koning van Auracanië en Patagonië sterft kinderloos, zodat zijn erfelijk verklaarde titel overgaat op zijn nabestaanden. Zijn nazaat Gustave-Achille Laviarde, alias koning Achille I, probeert de Amerikaanse president Cleveland te winnen voor de strijd voor een onafhankelijk Araucanië, zonder succes. De familie geeft de strijd echter niet op. In 1950 gaat de kroon van het rijk van koning Orélie over op diens achterneef prins Philippe. In 1971 oordeelde een rechtbank in Parijs dat de familie van De Tourens inderdaad recht heeft op de titel koning van Auracanië en Patagonië. In concreto bestaat dit koninkrijk alleen uit een museum ter ere van De Tounens en zijn opvolgers, gevestigd in het Musée des Rois d’Araucanie in Chourgnac d’Ans, de geboorteplaats van koning Orélie.

Koning Popper
De Tounens was niet de laatste Europeaan die in het onherbergzame zuiden van Latijns-Amerika een koninklijke toekomst voor zichzelf zag weggelegd. Hetzelfde deed Julius Popper, een joodse Roemeen die een eigen koninkrijk vestigde op het Isla de Tierra del Fuego – Vuurland – in het uiterste zuiden van Patagonië. Popper, geboren in een intellectueel milieu in Boekarest, studeerde mijnbouwkunde in Parijs, waar hij een unieke methode ontwikkelde voor de winning van goud met een door hem ontworpen graafmachine. Hij werkte als ingenieur in Havana en in het Amazone-gebied voordat hij in 1885 in Buenos Aires arriveerde. In Vuurland vermoedt hij enorme goudvoorraden en hij weet de Argentijnse president Celman te interesseren voor een expeditie onder zijn leiding. De bootreis naar Vuurland gaat gepaard met de ene na de andere ramp. Bijna de gehele bemanning sterft nog voor aan komst onder pijlen van indianen of bezwijkt aan de honger. Maar uiteindelijk vindt Popper toch goud, en wel op het schiereiland El Parámo, dat hij meteen claimt in naam van de Roemeense koningin Carmen Silva.

Julius Popper wordt verantwoordelijk gesteld voor de genocide op de Selk’nam-indianen van Vuurland.

De Argentijnen zijn des duivels, maar moeten machteloos toezien hoe de in één klap steenrijke Popper een eigen staat sticht in El Parámo. Popper laat munten slaan met zijn eigen beeltenis en ontwerpt postzegels met zijn hoofd erop. Zijn mini-staat heeft een eigen legermacht – aangevoerd door zijn broer – en koning Popper spreekt zijn eigen wetten uit. Als in 1890 de Argentijnse economie instort en de nationale munt de peso hyperventilerend snel in waarde zakt, gelden de gouden munten van Poppers mini-staat als een veilige belegging. Zijn Compañia de Lavaderos de Oro del Sud groeit met de dag. Zachtzinnig is zijn bewind niet. De Selk’nam-indianen van Vuurland worden bijna volledig uitgeroeid onder zijn bewind. Net als hij op het punt staat zijn rijk nog verder uit te breiden – gedacht werd o.m. aan de verovering van Antarctica – sterft Julius Popper op 5 juni 1893 op 35-jarige leeftijd in Buenos Aires. De omstandigheden van zijn dood zijn nooit opgehelderd. Van zijn imperium bleef niets over. Het avontuurlijke leven van koning-dictator Popper werd verfilmd door de Italiaanse regisseur Miguel Littin in de rolprent Tierra del Fuego.


Koning Otto

De Berlijnse wereldreiziger Otto Witte was beslist niet van adel, maar werd toch wereldberoemd als koning van Albanië. Een functie die hij in de wacht sleepte met list en bedrog en die hij op de kop af vijf dagen mocht bekleden.

In 1913 keek Albanië, net onafhankelijk geworden, uit naar een koning. Het oog was gevallen op een neef van de Turkse sultan, prins Halim Eddine. Otto Witte was op dat moment in dienst bij de Turkse militaire inlichtingendienst en kreeg lucht van deze plannen. Omdat hij uiterlijk sterk op de prins leek – in ieder geval beschikte hij over dezelfde martiale snor – besloot hij zijn geluk te beproeven. Vanuit Istanbul stuurde hij een telegram aan de opperbevelhebber van het Albanese leger, waarin stond dat prins Halim Eddine de uitnodiging accepteerde en terstond naar het land zou afreizen. Twee dagen later arriveerde Witte per boot in Albanië, uitgedost in operette-uniform. Hij werd feestelijk ingehaald door een militaire erewacht. Aan het hoofd van de Albanese troepen toog hij naar het paleis van Tirana, waar hij tot koning werd gekroond. Een van de eerste koninklijke besluiten behelsde de inrichting van de paleisharem.

De Albanezen waren des duivels toen het bedrog uitkwam. Met behulp van de haremdames wist Witte aan het vuurpeloton te ontkomen. Op een vissersboot vluchtte hij naar Bari, met medeneming van een fors deel van de Albanese schatkist. Eenmaal terug in Duitsland kreeg hij het aan de stok met de autoriteiten, omdat hij zichzelf hardnekkig koning van Albanië bleef noemen. Hij werd zelfs korte tijd opgenomen in een krankzinnigengesticht, maar via de rechter wist hij zijn gelijk te behalen. Witte was inderdaad tot koning der Albanezen gekroond, moest deze erkennen. De omstandigheden die daartoe hadden geleid deden niet terzake. Koning Otto reisde de daaropvolgende jaren stad en land af als kermisattractie. Op zijn oude dag was hij nog zeer gepikeerd toen hij als enige Europese vorst niet werd uitgenodigd voor de bruiloft van prins Reinier en Grace Kelly in Monaco. Een jaar later, in 1958, kwam hij te overlijden in Hamburg. Hij werd 86 jaar. Op zijn graf staat: ‘Otto Witte, ehemaliger König von Albanien’.

Na zijn kortstondige koningschap werd Otto Witte een kermisattractie.

Josiah Harlan
Opzienbarend zijn ook de verrichtingen van de Amerikaanse tandarts Josiah Harlan, die het in 1838 schopte tot koning van Ghor, in het uiterste noorden van Afghanistan. Harlan vertrok op jonge leeftijd naar India, op zoek naar faam en fortuin. Hij was een gepassioneerde wetenschapper, die al vroeg vier antieke talen sprak, waaronder Sanskriet. Hij was diplomaat, spion, wetenschapper, militair en arts tegelijk. Hij was van alle religieuze markten thuis, bediende ook in politiek opzicht zo veel mogelijk partijen en vergaarde snel kapitaal.

In Punjab trad Harlan in dienst van de schatrijke koning van de Sikhs. In de winter van 1839 trok hij aan het hoofd van vierduizend man, 600 kamelen en een olifant door de Hindu Kush-vallei. Hoog in de Himalaya plantte hij – Amerikaans patriot tot en met – de vlag van de VS op een bergtop. Het was tijdens deze expeditie dat hij het tot prins van Ghor zou schoppen. Dat was te danken aan zijn diensten voor de plaatselijke Hazaran-stam, een van oorsprong Mongools volk in het ruige noorden van Afghanistan. Maar lang mocht Harlan niet genieten van zijn pas verworven status. Nog dat zelfde jaar werd het Britse leger in Afghanistan in de pan gehakt, en ook Harlan diende het land te verlaten. Eenmaal terug in de VS vestigde hij zich als tandarts in San Francisco, waar hij diverse boeken over zijn avonturen als Prins van Ghor schreef. Hij beschuldigde de Britten in India van uitbuiting en wrede koloniale praktijken, reden dat zijn werk in Engeland verboden lectuur werd. In 1871 bezweek hij, 72 jaar oud, aan een hartaanval. Zijn belevenissen in Afghanistan raakten in de vergetelheid, totdat in 2004 het boek The Man Who Would Be King: the first American in Afghanistan verscheen, van de Engelse journalist Ben MacIntyre.

Tandarts Josiah Harlan schopte het tot prins van Ghor.

Ook zeeman Max Schlemmer, een Amerikaans met een Duitse achtergrond, riep zichzelf eind negentiende eeuw uit tot koning. Hij deed dat op Laysan, een piepklein onbewoond eiland in de Hawaï-archipel. Schlemmer arriveerde er in 1894 als werknemer van een Japans bedrijf dat gouden zaken deed met de winning van guano, zeevogelpoep, gebruikt als bemestingsmiddel in de landbouw. Een vanuit de VS georganiseerde staatsgreep had een einde gemaakt aan het oorspronkelijke Hawaïaanse koningshuis en de eilanden stonden open voor avonturiers van allerlei slag. Allereerst verwierf Schlemmer de exclusieve rechten op de guanowinning, vervolgens vestigde hij zich op Laysan met familie en personeel en uiteindelijk riep hij zichzelf uit tot vorst. Maar erg gelukkig was zijn koningschap niet. Omdat de guanovoorraad al zo goed als afgegraven was, moest koning Max omzien naar andere inkomsten. Het werd de verenhandel. Hij exporteerde voor tonnen aan veren en vleugels naar het buitenland, zodat de vogelstand op Laysan binnen enkele jaren was uitgeroeid. Dus moesten ook de schildpadden en de zeerobben op het eiland eraan geloven. Tot overmaat van ramp besloot Schlemmer vervolgens konijnen te gaan fokken. Die plantten zich in recordtijd voort en hadden binnen enkele jaren het gehele eilandje kaalgevreten.

Koning Max Schlemmer zorgde eigenhandig voor de ondergang van zijn eiland.

Toen een onderzoekscommissie van de Amerikaanse Bird Reservation op Laysan neerstreek, bleek het bedekt met de lijken van honderdduizenden vogels. Het ooit zo weelderig begroeide eilandje was veranderd in een miniwoestijn, het koninkrijk van Max I uitgelopen op een ecologische nachtmerrie. Toch mocht hij op Laysan blijven, hoewel zijn sollicitatie als natuuropzichter om begrijpelijke redenen werd afgewezen. Om te overleven slachtte Schlemmer de laatste albatrossen en ook de eieren van de allerlaatste zeeschildpad gingen in de pan. Ten prooi gevallen aan honger en andere ontberingen vertrok het gezin Schlemmer in 1913 van het eiland. Hun boot liep vast op een rif. Aan boord van een Amerikaanse kruiser werden de koninklijke drenkelingen naar Honululu overgebracht. De laatste koning van Laysan stierf in 1935 in San Francisco, waar hij werkte als klusjesman in een appartementencomplex.

Mormonenkoning Jesse Strang stierf op dezelfde wijze als zijn idool Julius Caesar.

Met de meeste zelfbenoemde koningen loopt het slecht af. Zo ook met James Jesse Strang uit New York. Deze postbode had al vanaf zijn jeugd de brandende ambitie om het eens tot koning te schoppen. ‘Jammer genoeg ben ik voorlopig niets meer dan een boerenkinkel’, schreef hij in 1832, 19 jaar oud, in zijn dagboek. ‘Ik had tegen deze tijd al lid van het parlement moeten zijn, of een generaal, wil ik ooit de gelijke zijn van Caesar of Napoleon.’ Met zijn gezin sloot Stang zich aan bij de mormonenkerk. Nadat Joseph Smith, oprichter van de sekte, in de gevangenis was vermoord, stapte Strang naar voren als diens wettige erfgenaam. Het leidde tot een scheiding der geesten binnen de mormonengemeenschap. Met 250 getrouwen trok Strang naar Beaver’s Island, diep in de bossen bij het meer van Michigan, waar hij zich op 8 juli 1850 uitriep tot koning. Bij de lokale bevolking – veelal vissers uit Ierland – maakte hij zich niet populair met zijn voorliefde voor lijfstraffen, en ook de door hem uitgevaardigde belastingen vielen niet goed. Daarnaast verordonneerde hij polygamie voor zijn onderdanen: zelf had Strang vijf echtgenotes en twaalf kinderen. Opstand brak uit toen Stang overging tot een verbod op de productie van whisky, een bloeiende bron van inkomsten voor de eilandbewoners. Het gevolg was een whisky-oorlog, waarbij zelfs de Amerikaanse marine moest ingrijpen. In 1856 werd koning Strang onder een regen van messteken vermoord door veertig man uit zijn eigen aanhang. Zo leek zijn dood in elk geval wel op die van zijn idool Julius Caesar.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel op prijs stelt en dat wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Met een grotere bijdrage steun je ons nog veel meer. Zo help je een klein en onafhankelijk tijdschrift in stand houden.

Mijn gekozen donatie € -

De dictator van New York

Nadat New York in 1673 op gezag van stadhouder Willem III was heroverd, kwam de stad in handen van een demagogische dictator, die beloofde ongewenste vreemdelingen buiten de stad te houden. Zijn eerste stap: het bouwen van een muur.

Tekst: Arvind Dilawar

De hemdloze man, een boodschapper uit Boston, was nog in leven toen hij op het grote plein dat later Bowling Green in down town Manhattan zou worden, werd opgehangen aan een paal. Op zijn borst stond geschreven: ‘Oproermaecker’.

Drie dagen zou hij daar hangen, terwijl burgers en soldaten hem bekogelden met uien, appels en bieten. Bedorven waar waarvan toch met enige moeite afscheid moet zijn genomen, want de schatkist van de stad was leeg, oorlog had de internationale handel stilgelegd en de interne markt lag plat als gevolg van de extreem verscherpte veiligheidsmaatregelen. Ook de rijken waren hun fortuin kwijtgeraakt aan het stedelijke bestuur.

Op de derde dag werd de man, Issack Meleijn genaamd, losgesneden, zoals was bevolen vanuit het fort tegenover het plein, waar tegenwoordig het National Museum of the American Indians is gevestigd. Hij werd op vrije voeten gesteld, en voor de duur van tien jaar uit de stad verbannen. Dat was de gebruikelijke straf van de gouverneur op wiens gezag de man in de eerste plaats was opgehangen. Voor zijn kameraad, John Sharp, was de straf wat erger: hij vond zijn einde aan de galg.

Het vergrijp op grond waarvan de boodschappers waren veroordeeld bestond simpelweg uit het feit dat zij een officiële brief hadden bezorgd waarin het einde van de Derde Engels-Nederlandse oorlog werd medegedeeld. Tussen Engeland en de Republiek der Verenigde Provinciën was vrede gesloten. De stad aan de zuidzijde van het eiland Manhattan moest worden teruggegeven aan de Engelsen en de Nederlandse gouverneur, Anthony Colve, werd geacht af te treden. Maar daar dacht Colve anders over.

Nachtmerrie

Voor sommige inwoners van de stad was Colve een droom die in een nachtmerrie was veranderd. Ze hadden hem in hun stad verwelkomd in de hoop dat hij deze in de oude glorie zou herstellen. In plaats daarvan waren ze er al snel achter gekomen dat ze een tiran hadden binnengehaald die hen voor zijn eigen doelen gebruikte. Degenen die niet voor hem wensten te buigen werden gebroken. Hij had het standrecht afgekondigd, de oorlog verklaard aan aangrenzende gemeenschappen en de gemeentekas geplunderd om muren te bouwen die de inwoners gevangen hielden en buitenstaanders moesten weren. Een minderheid onder de stedelijke bevolking had de terreur zien aankomen, al was het maar omdat Colve het op hen had voorzien. Met geweld maakte hij een eind aan hun handel. Zij die bleven werden op beschuldiging van spionage gemarteld.

Er was een coalitie van diverse krachten voor nodig om Colve uiteindelijk uit zijn macht te ontzetten. Hij liet zijn gewezen onderdanen gebroken achter, maar misschien ook een stukje wijzer…

Welkom in New York anno 1674. Welkom in Nieuw Oranje.

Nederlandse adel
Een jaar eerder, in de zomer van 1673, was Anthony Colve aangekomen in de haven van New York. Een 30-jarige militair afkomstig uit de Nederlandse adel, betrokken bij de missie tijdens de Derde Engels-Nederlandse oorlog om het overzeese verkeer van Engeland te verstoren. Colve diende onder admiraal Cornelis Evertsen de Jongste, die samen met admiraal Jacob Benckes aan het hoofd stond van een 21 schepen tellende invasievloot die New York had veroverd op de Engelsen, die de stad op hun beurt negen jaar eerder hadden veroverd op de Nederlanders.

Als kapitein der mariniers had Colve minstens zeshonderd man direct onder zijn leiding. Hoewel er voor zover bekend geen portretten van Colve voor handen zijn, bieden die van Evertsen en Benckes een indruk of hoe de kapitein er waarschijnlijk uit moet hebben gezien: bruine krullen tot op de schouders; een snor al dan niet met geitensikje; ceremonieel zwart harnas en dito zwaard.

Omdat New York in die tijd slechts 2.500 inwoners telde, had de Nederlandse vloot de verdedigingswerk van de stad makkelijk kunnen breken, maar dat was niet nodig, met dank aan de inwoners zelf, die hoofdzakelijk van Nederlandse afkomst waren.

De stad was gesticht in 1625 als een Nederlandse voorpost genaamd Nieuw Amsterdam. Dat bleef zo tot 1664, toen de Britten in het kader van de tweede Engels-Nederlandse oorlog de stad veroverden en het omdoopten in New York, vernoemd naar James II, toen de broer van de koning en hertog van York. ‘De Nederlandse bewoners hadden het grootste gedeelte van hun leven doorgebracht onder Nederlands bewind in Nieuw Amsterdam. Ze wilden terug naar hun oude leven’, zegt de aan de Universiteit van Amsterdam verbonden Amerikaanse historicus Artyom Anikin, die is gespecialiseerd in de geschiedenis van New York. Dit artikel is grotendeels op zijn onderzoek gebaseerd.

Verdedigingswerken
Toen de Nederlandse vloot arriveerde in New York werden zij verwelkomd als bevrijders. Met de hulp van de bevolking waren Colve en zijn mannen erin geslaagd de verdedigingswerken van de stad te trotseren.

Hoe die verdedigingslinie in elkaar stak, wordt duidelijk aan de hand van de Castello-kaart, een landkaart van New York van omstreeks 1660, waarin in enkele van de verdedigingswerken staan aangegeven: in het zuiden stond het oude Fort Amsterdam (ondertussen door de Engelsen Fort James genoemd), een vierzijdige aarden verdedigingswal met op iedere hoek een bastion. Aan de noordkant (waar tegenwoordig Wall Street is), bevond zich een dubbele muur van aarde en hout; en langs de zuidelijke kustlijn afweergeschut en artillerie (waar later de naam Battery Park vandaan kwam). De indringers waren getipt over de afwezigheid van de Engelse gouverneur van New York, die voor zaken in Boston was, en namen de gelegenheid te baat om toe te slaan. Kort was er over en weer kanonnenvuur, maar Fort James werd al snel met succes bestormd. Ondanks het overweldigende succes van de invasie en het relatieve gemak waarmee die was verlopen, liet Colve een van zijn mannen executeren vanwege het beroven van de huizen van burgers. Dat was een voorteken.

Krijgsraad
Om het nieuw veroverde New York te besturen riepen Evertsen en Benckes een krijgsraad in het leven en benoemden zij Colve tot gouverneur-generaal. Een maand na de invasie namen de admiraals enkele boten terug naar Nederland en was Colve de hoogste autoriteit in de stad. De gemeenteraad, een overblijfsel van de eerdere Nederlandse periode van de stad, bestond nog steeds als een vorm van burgerlijk bestuur, maar de nieuwe gouverneur wist de raadsleden al snel aan zich te onderwerpen. Met gebruik van intimidatie en verbanning transformeerde Colve de raad in een orgaan van jaknikkers en regeerde hij de facto als een dictator.

De stad kreeg de naam Nieuw Oranje, dat de voorkeur kreeg boven de oude naam Nieuw Amsterdam, en Fort James werd Fort Willem Hendrick in plaats van Fort Amsterdam. In beide gevallen betrof het een eerbetoon aan prins Willem III van Oranje-Nassau, die op dat moment was verwikkeld in een machtsstrijd met republikeinen van Holland om de macht over de Nederlanden. De provincie Holland steunde de republikeinse zaak, terwijl Zeeland, de provincie die de expeditie van Colve had gefinancierd en waar hij zelf ook vandaan kwam, uitgesproken orangistisch was.

In naam van de prins
Deze verschillen betekend weinig voor de bewoners van New York. Zij waren meer geïnteresseerd in het lokale beleid dan in de externe politieke verhoudingen. Maar het orangisme zou deze jaren van de geschiedenis van de stad kleuren, aangezien Colve zei te regeren in naam van de prins. Daar Colve niet beschikte over een legitieme benoeming door het bewind in Nederland, waakte hij er aan de andere kant voor zijn autoriteit te doen gelden in het verkeer met het thuisfront. In plaats daarvan verschuilde hij zich in zijn verzoeken om meer mannen, voorraden en fondsen achter het rubberen stempel van de gemeenteraad. In de woorden van Anikin: ‘Hij loog in één adem naar beide kanten en was een brute renegaat-gouverneur die niets anders diende dan zijn eigen krankzinnige grillen’.

Martelmethodes
De belangrijkste gril van Colve was het onderwerpen van de Engelsen. Veel Engelse inwoners van Nieuw Oranje werden uit de stad verbannen, en degenen die bleven werden op beschuldiging van spionage verhoord en gemarteld. Colve herintroduceerde martelmethodes zoals het houten paard, waarbij de slachtoffers werden geplaatst op een driehoekige zaag terwijl er gewichten aan hun benen werden gehangen. Dergelijke draconische maatregelen troffen ook Nederlandse burgers die werden beschuldigd van banden met Engelse ‘spionnen’ en zelfs Colve’s eigen soldaten, die hij genadeloos drilde, terwijl hij hen iedere zonsopgang en zonsondergang door de stad liet marcheren.

Het non-discriminatoire karakter van Colve’s geheel eigen vorm van justitie wordt duidelijk aan de hand van een geval van een man die een ander had uitgedaagd tot een duel, een aanbod dat werd afgeslagen aangezien duelleren was verboden. De eerste man werd veroordeeld tot het schavot omdat hij het duel had voorgesteld; de tweede werd veroordeeld tot het houten paard vanwege het weigeren van het duel.

Colve’s obsessie met de Engelsen was ook van invloed op de stedelijke infrastructuur. Alle gebouwen in een straat bij Fort Willem Hendrick werden gesloopt om de vuurlijn van de kanonnen vrij te maken, als ook om mogelijke Engelse indringers geen mogelijkheid te geven zich te verbergen. De fortificaties rond de stad, meestal gebouwd met aarde en hout, werden versterkt met steen. Gegeven het feit dat de Derde Engelse-Nederlandse oorlog nog altijd voortraasde en het gemak waarmee Colve Nieuw Oranje had kunnen innemen was veiligheid een legitieme zorg, maar de schaal waarop Colve muren liet bouwen bracht de stad snel tot een bankroet.

Gedwongen leningen
De bodem van de gemeentekas werd al snel bereikt, maar dat vermocht Colve niet af te remmen. Zijn bouwwerken werden voortaan gefinancierd met ‘gedwongen leningen’, die zijn soldaten aftroggelden van vermogende burgers. Veiligheidsmaatregelen als het afsluiten van de stadspoorten na zonsondergang en paspoortplicht bij het binnenkomen en verlaten van de stad brachten de economie van Nieuw Oranje, die leunde op regionale en overzeese handel, verder in het slop.

Colve breidde zijn tirannieke heerschappij over Nieuw Oranje uit naar aangrenzende gebieden die hij beschouwde als onderdeel van de grotere Nederlandse kolonie. Nederzettingen in New Jersey, Brooklyn, Long Island, Harlem, Bronx en aan de Hudson River werden geacht trouw te zweren aan Prins Willem III, en de meesten van hen deden dat ook. Toen de anders zo vredelievende dorpelingen rond Long Island weigerden zich te onderwerpen, stuurde Colve zijn soldaten op hen af. Toen zij zich nog steeds bleken te verzetten, stuurde hij een vloot, die echter stuitte op een alliantie van kolonisten uit Plymouth, Connecticut, Rhode Island en de baai van Massachusetts. Colve verloor de slag om Long Island Sound, maar zijn heerschappij was niet gebroken.

Toenemende repressie
Ondanks de alsmaar toenemende repressie waagden Colve’s onderdanen geen stappen tegen zijn bewind. De burgers van Nieuw Oranje hadden niet gerekend op standrecht, en nu het er eenmaal was werden ze erdoor verlamd. ‘Ze hadden het niet verwacht toen de Nederlanders waren teruggekeerd’, legt Anikin uit. ‘Ze hadden gerekend op de terugkeer van het civiele bestuur, maar in plaats daarvan kwam een zeer militaristisch getint bewind. Iedereen die vraagtekens zette bij het gezag van Colve werd of gestraft of vervangen door iemand die meer loyaal aan hem was’.

Terwijl de burgerij geheel op de knieën was gebracht, nam het verzet onder de onderbetaalde en overbelaste soldaten toe. Om dat probleem te ondervangen, probeerde Colve een geheime politie op te richten, maar voordat hij die wist te organiseren werd hij uit zijn macht ontzet.

De boodschapper uit Boston was een van de vele pogingen om Colve te bewegen tot aftreden. Met de Vrede van Westminster werd de Derde Engels-Nederlandse oorlog begin 1674 beëindigd, en dat betekende niet alleen het einde van de gevechtshandelingen, maar ook dat Nieuw Oranje aan de Engelsen diende te worden teruggegeven. Diverse boodschappers werden naar Colve gestuurd om hem daarvan op de hoogte te brengen, maar tot laat in dat jaar weigerde hij zijn positie op te geven – en zelfs toen alleen maar omdat een vloot van vier Nederlandse schepen hem daartoe dwong. Zelfs tijdens zijn aftreden hield de gouverneur zijn autoritaire houding vol: de onderhandelingen over de voorwaarden van zijn overgave voerde hij vanaf een schip dat voor de kust van Staten Island (vernoemd naar de Nederlandse Staaten-Generaal) voor anker lag, via zijn advocaat die in zijn sloep heen en weer tussen Manhattan moest varen.

In november 1674 kwam de heerschappij van Colve officieel ten einde. Hoewel zijn avonturen voortduurden – eerst in Suriname, waar hij weer de Engelsen uit de kolonie kon schoppen, later terug in Europa waar hij Willem III bijstond tijdens de ‘Glorious revolution’ die leidde tot diens bestijging van de Engelse troon (dat het hoogtepunt moet zijn geweest van Colve’s eeuwigdurende vendetta tegen de Engelsen) – zou hij nooit meer terugkeren naar New York.

Geen monumenten
Monumenten die getuigen van Colve’s tijd in New York zijn er begrijpelijk genoeg niet. Afgezien van enkele passages in een Nederlands boek uit de jaren twintig en een Amerikaans boek uit de jaren tachtig, is er nauwelijks iets geschreven over hem en zijn regeerperiode. Er zijn documenten uit de tijd van zijn heerschappij over Manhattan bewaard gebleven in de archieven van de staat New York, maar deze zijn tot op de dag van vandaag onvertaald gebleven. ‘Het is een fascinerende periode die buiten de geschiedschrijving is gehouden en dat gebeurde niet voor niets’, vertelt Anikin. Direct na het einde van Colve’s heerschappij voelden maar weinig mensen zich geroepen de herinnering aan die tijd levend te houden. De inwoners van New York wensten hun tiran liever te vergeten, en de Engelsen voorkwamen gezichtsverlies als ze hun verlies van de staf wisten toe te dekken.

Ook Colve’s landgenoten hadden er weinig belang bij zijn verovering te vieren – niet alleen vanwege zijn barbaarse methoden, maar ook omdat de Republiek na de Derde Engelse-Nederlandse oorlog weer moest worden opgebouwd en Colve’s rabiate aanhankelijkheid voor Zeeland interne schisma’s alleen maar kon verscherpen. Hoewel de Nederlanders vandaag de dag hun aandeel in de geschiedenis van New York graag promoten, leggen ze daarbij liever het accent op de eerste, meer gelukkige periode met Peter Stuyvesant dan die met Anthony Colve.

Maar Artyom Anikin denkt daar anders over. Als ’s werelds leidende ‘Colve-ologist’ (zoals hij zichzelf gekscherend noemt) maakte hij de voormalige gouverneur-generaal tot de focus van zijn studie van de geschiedenis van New York. Anikin is niet van mening dat het belang van de tijd van Colve in New York is te verwaarlozen of zo verschrikkelijk is dat ze beter maar kan worden vergeten. Integendeel, hij maakt gewag van connecties van die tijd met de meest bepalende momenten in de geschiedenis van de Verenigde Staten in het algemeen en New York in het bijzonder. Zo wijst hij op Jacob Leisler, een van Colve’s mannen die gedwongen leningen inde, die vijftien jaar later aan het hoofd stond van de zogeheten Leisler’s Rebellion. Die rebellie bezorgde New York voor het eerst in haar geschiedenis zelfstandigheid en diende als inspiratie voor de Amerikaanse revolutie. Leisler moet het een en ander Colve hebben geleerd, en met hem de inwoners van New York in het algemeen, zo betoogt Anikin.

Inspiratie tot opstand
Door New York te laten zien hoe tirannie er in de praktijk uitzag, gaf Colve haar bewoners de inspiratie tot opstand, niet alleen tegen de Engelsen, maar tegen tirannie in het algemeen. Het was een les die ze niet snel zouden vergeten – en uiteindelijk zou leiden tot de oprichting van de Verenigde Staten. In die zin was Colve de bittere pil die New Yorkers moesten slikken als remedie tegen de eigen politieke verhoudingen. De heerschappij van Colve bewees misschien dat dingen soms slechter moeten gaan voordat ze beter kunnen worden, zelfs dat de slechtste politieke leiders een volk soms sterker kunnen maken. Maar dat alleen als we de boodschap van hun brute lessen niet vergeten.


Arvind Dilawar is een schrijver schrijver/journalist/anarchist uit New York, wiens werk is verschenen in onder meer Newsweek, The Guardian en Vice. Hij is online te vinden op www.adilawar.com en op twitter: @ArvSux.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het Engels op de website www.narrative.ly. Vertaling: René Zwaap

De Avonturen van Dick Stein, privé-detective, deel XI: All that jazz

Een privé-detective aan lager wal raakt verzeild in hofintriges op het hoogste niveau en komt in aanvaring met ondergrondse republikeinse verzetsgroepen, al even fanatieke Oranjeklanten en nietsontziende geheime diensten. Dick Stein, voormalig undercover-agent van de Amsterdamse politie, liefhebber van jazz, Feyenoord en femmes fatales (niet noodzakelijk in die volgorde) houdt kantoor op de Amsterdamse Wallen. Gewapend met een bruine band judo, een basistraining in de Joodse zelfverdedigingstechniek Krav maga en gekweld door een zwak hart, weet de privédetective zijn zaken toch telkens weer tot een einde te brengen, al is het soms geen goed einde. In deel XI geeft Stein toe aan de terugval in zijn rookverslaving, verdiept hij zijn band met de spirituele Joni, filosofeert hij over de jazz als hoogtepunt in de muzikale evolutie der mensheid en verliest hij zijn laatste restje vertrouwen in de ‘hoernalistiek’.


Tekst: René Zwaap

Hoofdstuk 11

ALL THAT JAZZ

Stein stak een sigaret op en keek vanaf zijn kleine balkon uit over de binnenplaats, terwijl dwergterriër Didi hem met kwispelende staart verwachtingsvolle blikken toewierp en op de achtergrond vanuit zijn cd-speler in de keuken Sonny Clark zijn atletische toeren op de piano uithaalde met Softly as in A Morning Sunrise. Arme Sonny, die had gewerkt met grootheden als John Coltrane en Sonny Rollins, stierf al op 31-jarige leeftijd aan drank en drugs, maar met dit stuk leefde hij voor immer voort, op zijn toetsen tastend naar een nieuwe dag, in die half-dromerige wereld tussen slaap en wakker worden. Het hielp Stein zijn gedachten op te maken terwijl hij nog een hijs van zijn Gauloise zonder filter nam en de rook wegspoelde met een slok koffie.

Voor Stein bestond er geen andere muziek dan jazz – jazz was de enige muziek die voor hem zin maakte, de enige muziek die gelijke tred kon houden met zijn eigen, vaak onnavolgbare gedachtegang, die zich nooit langs de geijkte banen bewoog, maar liever zijwegen bewandelde of zelfs in volledig tegengestelde richting. Jazz, aldus de 2e Wet van Stein, was het hoogste punt in de muzikale ontwikkeling van de mensheid, en naarmate er minder naar jazz werd geluisterd ging het met diezelfde mensheid bergafwaarts. Wie wist nu nog hoe revolutionair de jazz was, ook voor Nederland, waar de Amsterdamse politie in 1956 vibrafonist Lionel Hampton, alias ‘The King of the Vibes’, aan zijn oksels van het podium van het Concertgebouw had gesleept nadat hij de zaal tot de pieken van een wilde extase had gespeeld? Hampton kreeg een strenge vermaning niet meer in Nederland terug te keren, maar gelukkig had dat de jazz in Amsterdam geen halt kunnen toeroepen. Dat was eerder de Duitse bezetter ook niet gelukt, die de NSB in de jazzclub Casablanca op de Zeedijk een propagandafilm had laten maken als waarschuwing tegen de ontaarding van de Nederlandse cultuur door die ‘verfoeilijke negermuziek’. Dankzij die film beschikte nu men wel nog over de enige bewegende beelden van Kid Dynamite en Teddy Cotton op de Zeedijk.

Inmiddels was Joni ook wakker geworden en ze schaarde zich op het balkon achter Stein. Ook in de ochtend rook haar adem naar appelbloesem. Stein kon nog steeds niet goed bevatten hoe deze engel op zijn weg gekomen was. Was ze misschien een voorbode van het einde, een Engel des doods?

‘Je moet niet roken, Dick’, zei Joni. ‘Het vermindert de bloedsomloop’.

‘Ik weet het’, zei Stein. ‘Maar nicotine helpt tegen Alzheimer, en op mijn leeftijd is dat ook een punt van zorg’.

‘Nou, daar heb ik nog nooit van gehoord!’, zei Joni lachend.

‘Zeker wel’, zei Stein. ‘Heb je ooit een demente bejaarde zien roken? I rest my case, edelachtbare’.

‘Ik weet een trucje om je energiekanalen even goed te openen als een sigaret kan doen’, fluisterde Joni uitnodigend in zijn oor, terwijl ze haar beide armen om zijn buik had geslagen.

‘Dat probeer ik graag uit’, zei Stein en arm in arm schuifelden ze terug naar de slaapkamer.

***

Op het kantoor van Stein Detectives trof Stein een grote bos bloemen namens het dankbare koninklijke paar voor zijn enigszins onbezonnen maar edoch goedbedoelde actie op Koningsdag. Bijgesloten was een nieuw exemplaar van het lintje dat hij enige dagen eerder in de gracht had geworpen, vergezeld van een handgeschreven briefje van de secretaris van de Koning: ‘Uw diensten zijn niet onopgemerkt gebleven’.

‘Geef die bloemen maar aan je broer’, zei Stein tegen Fatima. ‘Als dank dat ik zijn auto van hem mocht lenen’.

‘Nou, meneer Stein, u staat er goed op’, zei Fatima, terwijl ze het boeket in ontvangst nam.

Stein bromde iets onbestemds en sloeg gezeten aan zijn bureau Het Parool open, waar Barry Jurgens een follow-up van zijn primeur van een paar dagen eerder over de ware toedracht van de moord op Esther Blom presenteerde.

OOK KONINGSHUIS DUIKT OP
IN ZAAK LIQUIDATIE ACTIVISTE

Van onze verslaggever Barry Jurgens

AMSTERDAM – Het mysterie rond de moord op de voormalige ‘koningin der krakers’ Esther Blom is twee maanden na dato alleen nog maar groter geworden. In afwachting van zijn proces doet Peter V., volgens Justitie het brein achter de republikeinse ondergrondse organisatie het Bataafs Bevrijdingsfront, er nog altijd het zwijgen toe. Formeel is hij in staat van beschuldiging gesteld wegens de liquidatie van Blom, die zijn voormalige partner was, maar volgens zijn advocate Helga Keller berust die aanklacht op ‘foutieve aannames, aan elkaar geplakt bewijsmateriaal en bewuste misleiding’.

Volgens Keller heeft haar cliënt, die ook is aangeklaagd wegens de aanslag met verfbom op de Gouden Koets van verleden jaar op Prinsjesdag, niets met de moord op Esther Blom van doen. Zij wijst erop dat Blom in het Afrikaanse Angola, waar zij enige jaren werkzaam was in de ontwikkelingshulp, zich veel vijanden op de hals haalde met haar bemoeienissen om te komen tot een strafklacht tegen de rol van de Koninklijke Oliemaatschappij (KOM) bij mensenrechtenschendingen in de olierijke provincie Cabinda.

Explosieve zaken
Als prominente advocate die gespecialiseerd is in politiek explosieve zaken stond Keller ook Blom bij in de voorbereidingen van de strafklacht, die aan het Internationaal Gerechtshof in Den Haag zou dienen. De motieven van de liquidatie van Esther Blom zouden volgens de advocate moeten worden gezocht bij ‘de grote belangen die door het onderzoek van Blom in gevaar kwamen’. Met V., die eveneens ontwikkelingswerker was, onderhield Blom in Afrika een amoureuze relatie, maar volgens Keller was Blom op geen enkele wijze betrokken bij het Bataafs Bevrijdingsfront. ‘Dat het Openbaar Ministerie nu spreekt van een afrekening binnen de gelederen van een verboden organisatie, is lachwekkend en roept bij mij grote vragen op over het functioneren van de huidige Nederlandse rechtsstaat’ , aldus Keller tegenover Het Parool.


Koninklijk belang

Niettemin heeft de kwestie in Cabinda wel degelijk een koninklijk element. De KOM is niet alleen in naam koninklijk, het is een publiek geheim dat het Nederlandse koningshuis van oudsher een groot belang heeft in de oliemaatschappij. Sommige waarnemers spreken van een aandelenpakket van wel 10 procent of zelfs meer. Het is moeilijk voorstelbaar dat dat gegeven de geharde activiste Blom was ontgaan. Een woordvoerder van de KOM wilde het koninklijke belang in de maatschappij bevestigen noch ontkennen. ‘Wij geven geen informatie over onze aandeelhouders’, aldus de KOM. De Rijksvoorlichtingsdienst verwijst desgevraagd naar een recente uitspraak van de koning dat hijzelf niet over aandelen in de KOM beschikt. Maar dat sluit niet uit dat dat belang is ondergebracht bij een beheersstichting die niet meer direct op de persoon van de koning terug te voeren is of bij een of meer andere leden van het koningshuis, aldus bronnen op de Amsterdamse beursvloer.

Privédetective verdacht
Pikant gegeven is dat het privé-detective Dick Stein was die indertijd Peter V. wist op te sporen in Zwolle en dat Stein afgelopen maandag tijdens de viering van Koningsdag in Amsterdam kon worden gesignaleerd als beveiliger van de koninklijke familie. Volgens hoofdinspecteur Ad de Boer van de Amsterdamse politie gold Stein in een eerdere fase van het onderzoek naar de moord op Esther Blom ook als een verdachte. Bij het ter perse gaan van deze krant was Stein niet bereikbaar voor commentaar.

***

Binnensmonds vloekend smeet Stein de krant op de grond en in gedachten zette hij Barry Jurgens direct op zijn ‘Val dood’-lijst, de lange opsomming van namen van mensen met wie hij absoluut niets meer dan doen wilde hebben. Van zijn laatste restje vertrouwen in de ‘hoernalistiek’ was hij nu ook verlost. Wat was het toch dat voor die persmuskieten geen enkele afspraak heilig was zodra ze hun naam in de krant konden krijgen? Hij onderdrukte zijn eerste opwelling om Jurgens op te bellen om hem te vertellen in welke lichaamsopening hij zijn verhaal kon stoppen en in plaats daarvan rookte hij met kokend hoofd een sigaret buiten in de steeg, alwaar het keukenpersoneel van het belendende Italiaanse restaurant hem vriendelijk toewuifde.

Nadat hij de lange steile trap terug naar zijn kantoor had beklommen kreeg Stein telefoon van majoor Van Tichelen van de Nationale Veiligheidsdienst, die zijn uiterste best deed om vriendelijk te klinken.

‘Meneer Stein, ik moet u feliciteren’, begon Van Tichelen. ‘Het heeft het Koninklijk Paar behaagd U uit te nodigen als hun speciale begeleider op hun aanstaande vakantie in Italië. Het is met name voor de Koningin van het grootste belang dat u meereist naar het koninklijke buitenverblijf en daar waakt over de veiligheid van de gehele familie. Dat alles natuurlijk in nauwe samenwerking met de Nationale Veiligheidsdienst, dat spreekt’.

‘Tsja’, sprak Stein na tergend lang zwijgen met zijn sonore basstem. ‘Ik weet het niet…Ik heb hier ook zo mijn verplichtingen’.

‘U bedoelt toch niet dat baantje van u als warenhuisdetective bij Het Wespennest?, bracht Van Tichelen vertwijfeld uit. ‘Dat mag toch geen rol spelen, man! Het is de Koning die een beroep op u doet! We verdubbelen uw honorarium! En natuurlijk mag uw lieftallige assistente ook mee, onder dezelfde condities!’.

Stein slaakte een diepe zucht. ‘O.k. dan’, sprak hij het verlossende woord. ‘Maar ik ben detective, geen bodyguard’. Aan de andere kant van de lijn kon hij de opluchting horen.

***
De rest van de werkdag stond de telefoon roodgloeiend bij de firma Stein Detectives BV. Het hele mediacircus was aangeslagen op het bericht van Barry Jurgens en wilde een exclusief interview. Stein gaf Fatima instructies onmiddellijk de hoorn op de haak te gooien zodra zo’n verzoek binnenkwam, maar na een tijdje stonden er fotografen en cameralieden te dringen voor het hek van de steeg aan de Warmoesstraat waar zijn firma was gehuisvest, zodat Stein zich gedwongen voelde het kantoor te ontvluchten, zijn gezicht verborgen achter de opgetrokken kraag van zijn trenchcoat en zijn vilten Fedora zo diep mogelijk over zijn ogen geslagen. Gelukkig had het persvolk niet in de gaten dat de steeg ook een achteruitgang had, en opgelucht verdween hij snel over de Oudezijds de Wallen op voordat de meute de weg had kunnen vinden.

Eenmaal veilig thuis beland gaf Joni hem ter leniging van de stress een drukmassage van alle tien nagelriemen en hij voelde alle ergernis van de dag langzaam vervagen. Later die avond spelde hij als dank voor bewezen diensten het nieuwe exemplaar van de ridderorde op Joni’s flanellen pyjamajasje en zo sliepen ze vredig in.

Zal Dick Stein een prijs moeten betalen voor de geschonden beloften van de laatste journalist die hij vertrouwde? Zal zijn zoektocht naar de moordenaar van Esther Blom wel te rijmen zijn met zijn nieuwe verantwoordelijkheid als hoeder van het Koninklijk Gezin? U leest verder in deel 12 van ons feuilleton, via deze link.

De voorgaande aflevering van dit feuilleton leest u via deze link.

Het feuilleton De Avonturen van Dick Stein, privé-detective: In Naam van de Koning is een werk van fictie. Elke overeenkomst met bestaande personen, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten, behalve waar dat zo gemeend is.

Een Duit voor Dick?

Als u dit feuilleton waardeert en dat wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan!

Mijn gekozen donatie € -

Slaven van Oranje: waar blijven de excuses van het koningshuis?

Maar weinig families hebben zich zo verrijkt aan slavernij en andere vormen van koloniale uitbuiting als het Huis van Oranje-Nassau. Als er één partij excuses zou moeten maken voor het aangedane leed, is het dan ook wel het koningshuis.

Tekst René Zwaap

Tot 2022 moeten we nog wachten op de uitkomsten van het officiële onderzoek van de Universiteit van Leiden en een team van internationale wetenschappers naar het persoonlijke aandeel van graaf Johan Maurits Nassau von Siegen, alias ‘de Braziliaan’, in de gruwelen van de slavenhandel tussen Afrika en Brazilië. In de tussentijd liet de directie van het Mauritshuis, het kapitale stadspaleis dat Maurits naast het Binnenhof liet bouwen en tegenwoordig dienst doet als museum, de buste van deze achterneef van Willem de Zwijger uit de foyer verwijderen. Zo wilde de directie van het museum tegemoet komen aan kritische stemmen die eraan herinnerden dat het grote fortuin dat Maurits in Brazilië vergaarde als gouverneur namens de West Indische Compagnie (WIC), geput werd uit de ellende van de slaven die op zijn gezag uit Afrika werden aangevoerd om op de suikerplantages van de toenmalige Nederlandse kolonie Nieuw Holland te werken.

Waarom er nog zo lang moet worden gewacht op de onderzoeksresultaten is een raadsel, want de uitslag staat al lang vast. Niemand minder dan de gezaghebbende Braziliaanse historicus Cabral de Mello stelde al vast dat Maurits een persoonlijk financieel belang had in de slavenhandel. Daarnaast verdiende hij een deel van zijn inkomen uit tantièmes uit de recette van de Braziliaanse suikerplantages, en deze draaide exclusief op slavenarbeid. De berooide Duitse veldheer kon zo uitgroeien tot een van de rijkste mannen van de Nederlandse republiek. Het statige stadspaleis van het Mauritshuis dat hij pal naast het Binnenhof liet verrijzen, was een demonstratief bewijs van die weelde. Maar meer nog dan Johan Maurits was het zijn achterneef stadhouder Frederik Hendrik die een groot deel van de Braziliaanse buit opstreek.


‘Broeder der indianen’

Brazilië was in de 17e eeuw een kolonie van Portugal, maar de jonge Nederlandse republiek rook daar een kans. De eerste Nederlandse poging om vaste voet op Braziliaans grondgebied te zetten liep mis. Wanneer de mannen van Olivier van Noort in 1599 te Rio de Janeiro aanleggen, worden zij met kanonvuur uit de baai verdreven. Piet Heyn probeert de Braziliaanse hoofdstad Salvador de Bahia te veroveren, dat mislukt ook, maar als hij in 1629 een tweede poging onderneemt in Pernambuco, in noordoost Brazilië, lukt het de Hollanders wel aan land te komen. Op gezag van de Heren 19, het bestuur van de West-Indische Compagnie waar het Huis van Oranje Nassau als leverancier van de stadhouder een forse vinger in de pap heeft, wordt Johan Maurits aangesteld als gouverneur van Nieuw Holland, zoals de nieuwe kolonie wordt gedoopt. Nadat hij in 1637 Porto Calvo inneemt (met een slag waarbij Carel van Nassau, een bastaardzoon van stadhouder prins Maurits, het leven laat) begint de Duitse graaf een ware ‘furor teutonis’ (aldus zijn biograaf H. S. van Straaten), en weet hij de Portugezen ver terug te drijven. Als hij in Porto Calvo voet aan de grond zet, is Maurits stomverbaasd wanneer meer dan duizend Tapoeia-indianen hem juichend ontvangen en zich als vrijwilliger bij diens leger aanbieden – overigens vooral met de bedoeling ten strijde te trekken tegen hun aartsvijanden, de Tupi’s. Tapoeia-koning Nandwie wordt in het Hollandse kamp gemakshalve aangeduid als ‘Jan de Wy’.

Aan zijn indiaanse bondgenoten biedt Maurits – zijn bijnaam is ‘Broeder der Indianen’- een bestaan vrij van slavernij aan. Zo niet aan de Afrikaanse slaven, die hij hard nodig heeft voor zijn ambitieuze plannen. De kersvers gearriveerde gouverneur vaardigt strafexpedities uit naar de ‘quilombos’ in de binnenlanden, diep in het woud verborgen enclaves van weggelopen slaven, die hij als een grote bedreiging ziet en op wier aanbod om een pakt te sluiten hij dan ook niet ingaat. In 1637, zijn eerste jaar in Brazilië, laat Maurits 1580 slaven overkomen uit Elmira in de bocht van Guinee. Deze sterven massaal, waarna Maurits zijn oog laat vallen op de slavenmarkten van Angola, waar Spanje jaarlijks 15000 slaven betrekt voor haar zilvermijnen van Peru en Mexico. Luanda valt inderdaad in zijn handen en daarna vertrekken er op gezag van Johan Maurits van daaruit 23.000 slaven naar de suikerplantages in Hollands Brazilië. Vanuit Brazilië stuurt Maurits in 1641 een oorlogsvloot onder leiding van Cornelius Jol naar São Tomé en Angola om de slavenhandel tussen Afrika en Brazilië geheel te controleren. Zeven jaar lang is de slavenhandel tussen Afrika en Brazilië volledig in Nederlandse handen. Het huis van Oranje-Nassau deelt rijkelijk mee in de vorstelijke recettes.


Kampioen public relations

Ondanks zijn publieke uitspraken tegen de slavenhandel, die vooral waren bedoeld om de slaven van de Portugezen in opstand te doen komen tegen hun meesters, had Maurits een persoonlijk financieel belang in de slavenhandel, aldus zijn biograaf Cabral de Mello. Hij was dan wel weer zo slim om dat via een Portugese stroman te doen. Zo was hij de kampioen public relations van zijn tijd.

Maurits hield zelf ook slaven op zijn paleis Vrijburg, dat werd gebouwd in Mauritsstad, de stad die te zijner glorie werd gebouwd in het drooggelegde moerasgebied voor de stad Recife in Noordoost-Brazilië. Het was een kapitaal paleis in grootse stijl, op een eiland aan de Biberibe-rivier, met kamers geheel bestaand uit ivoor, een salon vol opgezette apen en geprepareerde tropische vlinders, en niet te vergeten de eerste sterrenwacht van Zuid-Amerika. Johan Maurits engageerde tekenaar Zacharias Wagner en de schilders Frans Post en Albert Eckhout, teneinde Europa te laten kennismaken met de schoonheid van ‘zijn’ Brazilië. Op een van die schilderijen prijkt een portret van een zwarte vrouw die is gebrandmerkt met het symbool van de graaf.

Het einde van de Nederlandse kolonie komt wanneer de Portugezen erin slagen de slavenhandel van Angola weer terug te veroveren. Met het verlies van Angola is Nederlands Brazilië ten dode opgeschreven. In 1653, zes jaar na de val van Angola, worden de laatste Nederlanders uit Brazilië verdreven. De meesten keren terug naar het oude vaderland of trekken noordwaarts naar Suriname.

Maurits was al in 1644 uit Brazilië vertrokken, met medeneming van een forse toelage in de vorm van 2,5 miljoen gulden aan goud, hout, tabak, suiker, huiden en confituren. Hij nam zijn intrek in zijn nu nog altijd befaamde Mauritshuis. Hij nam ook zes jonge Tapoeia-krijgers mee naar zijn huis in Den Haag, alwaar ze de gasten vermaakten met hun woeste oorlogsdansen.

Belasting op slaven

Bij de Vrede van Münster in 1648 trokken de Nederlanders hun Braziliaanse claims definitief in. Maar de WIC verkocht Brazilië voor een stevige prijs terug aan Portugal. Na eindeloze onderhandelingen moesten de Portugezen ongekend zwaar dokken voor teruggave van hun Braziliaanse gebiedsdelen. Een tiende van de opbrengsten van de suikerproductie in Brazilië ging voortaan naar de Hollanders. Het Portugese koninkrijk moest daarnaast zeventig jaar lang zout leveren aan de WIC aan Nederland. Ook kreeg de WIC een monopolie in de handel in Brasil-hout, waaraan het land zijn naam dankt. Tevens hield Nederland invloed in de Braziliaanse slavenhandel. Over iedere verhandelde Angolese slaaf boven de tien jaar dient ten bate van de Heeren Negentien en hun aandeelhouders – met een prominente rol voor het Huis van Oranje-Nassau de belasting te worden betaald. In de nieuwe kolonie Suriname gingen de Nederlandse slavenhouders verder met hun bedrijf, terwijl er ook een overeenkomst met de Britten werd gesloten waarmee de slaventransporten op hun Amerikaanse grondgebied exclusief in Nederlandse handen kwamen.


Excuses op hun plaats

Het vermogen van de Oranjes is dan ook voor een belangrijk deel op de slavenhandel gegrondvest. Nu koning Willem-Alexander zich steeds meer wil profileren als de jongen die alles goed wil maken, ligt hier voor hem een historische kans om namens zijn geslacht excuses aan te bieden voor al het veroorzaakte leed. Net zoals in België de standbeelden ter ere van koning Leopold II momenteel worden beklad vanwege diens schrikbewind in de Congo, valt er in Nederland op dit gebied nog veel te verwerken. De diverse stadhouders en koningen van Oranje hadden een groot financieel belang in de slavernij en in de uitbuiting van de Indonesische boeren in toenmalig Nederlands-Indië.

Inmiddels loopt er een petitie met als doel de Gouden Koets onder te brengen in een museum dat is gewijd aan de geschiedenis van de slavernij. Onderteken deze petitie via deze link.

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en dat wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Met een grotere bijdrage steun je ons nog veel meer. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Mijn gekozen donatie € -

Column Wijnand Mijnhardt: Hoe ik republikein werd

/

Bij zijn afscheid als hoogleraar moderne geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht hield Wijnand Mijnhardt een gloedvol afscheidscollege over de republikeinse traditie in Nederland en zijn droom dat de idealen van de in de vaderlandse geschiedschrijving ondergeschoven Bataafse republiek nieuw leven worden ingeblazen in het hedendaagse politieke bedrijf.

Tekst: Wijnand Mijnhardt

Ik ben geen geboren republikein. Wel ben ik als historicus altijd gefascineerd geweest door de Nederlandse Republiek. Voor de Orangistische traditie in de geschiedschrijving heb ik nooit sympathie gehad. In mijn publicaties verzette ik mij van meet af tegen de minachting van de achttiende-eeuwse Republiek, van de Nederlandse Verlichting en van het wegschrijven van de verlichte republikeinse erfenis uit de Nederlandse geschiedenis. Tot een politiek actief republikanisme of een fel anti-orangisme heeft dat lange tijd niet geleid. De monarchie was gewoon een storende anomalie. Wel bleef voor mij de Zwitserse gedecentraliseerde Republiek waarin de lokale burger al eeuwen centraal staat, het grote voorbeeld in de verte.

Dat werd anders toen Máxima Zorreguieta op het toneel verscheen. Daardoor werd ik gevoelsmatig van burger in onderdaan getransformeerd. Via een niet gekozen troonopvolger raakte ik immers medeplichtig aan het verdonkeremanen van de herinnering aan het Argentijnse kolonelsregime. Dat gevoel werd nog versterkt omdat ‘mijn’ vorst en zijn vrouw weigerden publiekelijk afstand te nemen van de activiteiten van Máxima’s vader, Jorge Zorreguieta. Dat dit echtpaar ook nog eens dacht de historisch wetenschappelijke onderzoeksresultaten over de misdaden van het Argentijnse kolonelsregime als ‘ook maar mening’ te mogen kwalificeren, deed voor mij de deur dicht. In de debatten over deze kwestie kreeg ik ook beter zicht op het systeem rond de hedendaagse monarchie, dat alle tekorten van royale personen en systemen stelselmatig verdonkeremaande.

Ik besloot daarom aan mijn afscheidscollege Een republikeinse erfenis, waarin de 18e-eeuwse republiek centraal stond, een bespreking van drie pagina’s toe te voegen van de voordelen van een hedendaags republikanisme conform het model van de Ierse politieke filosoof Philip Pettit. Allereerst om ongelovige collega’s duidelijk te maken dat de Nederlandse republikeinse Staatsregeling van 1798 gebaseerd was op een mooi en nastrevenswaardig samenlevingsideaal dat zijn tijd ver vooruit was. Maar ook om een oude droom op te kunnen voeren, die van het sociaal republikanisme. Die droom droom ik nog steeds.

Tegelijkertijd heb ik grote twijfels. Het verlicht republikanisme is geworteld in een gedachtewereld waaruit de moraal definitief verdwenen is. Ze betekende een fundamentele breuk met de wereld van christendom en klassieke cultuur. Mensen jagen van nature hun eigen belang na. Wanneer ze toch het nut van het algemeen bevorderen, komt dat omdat ze menen er ook zelf belang bij te hebben.

Die verlichte filosofie heeft geleid tot twee radicaal van elkaar afwijkende republikeinse manieren om de samenleving te ordenen. De monarchie laat ik buiten beschouwing. Die wortelt per definitie in een christelijke staats- en samenlevingsbeschouwing. Sinds de Verlichting is ze nog alleen historisch en niet meer theoretisch te rechtvaardigen. De liberaal-republikeinse filosofie ziet vrijheid als iets natuurlijks. Ze gaat per definitie aan staat en samenleving vooraf en heeft het prestatiebegrip geleidelijk van moreel tot economisch concept omgevormd. Aan de basis van dat politieke model staat Thomas Jefferson en de meest complete hedendaagse verwezenlijking ervan is te vinden in de VS.

De sociaal-republikeinse tegenpool is de kleine staat, het best vertolkt in Rousseau’s Contrat Social, waarin hij een samenleving schetst gebaseerd op het algemeen belang. Probleem is dat Rousseau’s ideaal van de altruïstische burger een vorm van wensdenken is. Er is dwang – of netjes gezegd – institutionele druk nodig om die sociale republiek goed te laten functioneren. Ook Pettit is op dit punt onverbiddelijk. Die dwang, hoe nuttig ook, kan echter gemakkelijk ontsporen. De geschiedenis van de laatste eeuw heeft voldoende totalitaire voorbeelden opgeleverd waarbij de volkswil diende om willekeurig staatsoptreden te legitimeren.

In een prikkelend boek, Warum Europa eine Republik werden muss! Eine politische Utopie (Piper Verlag 2017), heeft Ulrike Guérot onlangs geprobeerd een oplossing voor deze problemen vinden. Ze benutte hiervoor een beproefd retorisch procedé: ze maakt de kwestie niet kleiner maar groter en zet het vraagstuk van een bruikbaar republikanisme in een Europees kader. Haar ideale republiek, een creatieve vermenging van de Jeffersoniaanse en Rousseauistische varianten met als doel het juiste midden tussen vrijheid en dwang, miskent echter dat aan de moderne samenleving geen gemeenschappelijke moraal meer ten grondslag ligt. Hoogstens geloven we dat we psychologisch best veel op elkaar lijken. We hebben misschien wel dezelfde rechten maar delen niet meer vanzelfsprekend dezelfde waarden. Institutionele dwang blijft daarom noodzakelijk. Guérot’s pleidooi voor een republikeins Europa waarin de volkswil gestalte moet krijgen, is een meeslepende vorm van ‘wishful thinking’ maar vereist nog veel denkwerk om aanvaardbaar te worden. Mooi is wel dat haar bezwaren tegen de natiestaat geen kritiekloze omhelzing van het federale model met zich meebrengen. Guérot’s keuze voor kleine politieke eenheden zoals de stad – ook in het vroegmoderne Nederland de kern van het republikanisme – geeft aan dat zij begrijpt waar de mensheid het meest behoefte aan heeft: een overzichtelijk, lokaal geworteld dagelijks leven. De globale experimenten van de laatste decennia hebben dat opnieuw duidelijk gemaakt. Welke onmisbare bijdrage ‘Europa’ aan deze kleinschaligheid kan leveren, is me niet geheel duidelijk geworden.

De utopie van Guérot geeft veelbelovende richtingen aan. Ze verdienen verdere doordenking waarbij ook het vraagstuk van de route van politieke utopie naar concrete praktijk, die ze nog bewust heeft open gelaten, om een meer concrete invulling vraagt. Tot die tijd blijft Zwitserland voor mij het prototype van de kleinschalige, ideale republiek. Ook daar zijn vele tekorten, maar ze houdt het best rekening met individuele burgerbelangen, geeft die ook ruimte en stem, heeft ruim oog voor het algemeen belang en creëert daarvoor draagvlak. Medeplichtigheid zonder verantwoordelijkheid, zoals in het geval van Máxima, zal zich daar niet licht voordoen.

Wijnand Mijnhardt is emeritus hoogleraar moderne geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht en lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. De tekst van zijn afscheidscollege, Een Republikeinse Erfenis, is online verkrijgbaar via de website van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, via deze link.

Wilt u net als Wijnand Mijnhardt dat de sociale idealen van de Bataafse Republiek nieuw leven krijgen ingeblazen in het hedendaagse politieke bedrijf? Precies dat staat de Partij voor de Republiek i.o. voor ogen. Treed toe tot de republiek via deze link.