Nieuws

De Lockheed-affaire: hoe Den Uyl de kans op de republiek voorbij liet gaan

In 1976 had het kabinet-Uyl met de Lockheed-affaire een gouden kans in handen ter herinvoering van de Nederlandse republiek.  Maar de politieke moed ontbrak. Jack Jan Wirken over de parallellen tussen Lockheed en het schandaal rond Juan Carlos.

 

 

Tekst Jack Jan Wirken

Edwin de Roy van Zuydewijn, de gewezen echtgenoot van prinses Margarita, wist het beeldend te brengen. Ergens op paleis Soestdijk, vermoedelijk in de olifantenkamer, vond een ontmoeting plaats met Bernhard en enkele intimi. Onderwerp van gesprek was de recent gegeven toestemming aan een filmploeg om opnames in het paleis te maken. Dat hadden ze volstrekt verkeerd aangepakt, aldus de prins. De Roy van Zuydewijn, Bernhards accent perfect imiterend: ‘Daar hadden we een bedrag voor moeten vragen’.

Het gegeven dat hij over een ruime uitkering beschikt en dat de kosten van paleis, jacht, vervoer en het regerings-vliegtuig door de overheid gedragen worden staat er kennelijk niet aan in de weg dat het verzoek om filmopnames te mogen maken als een lucratieve deal-opportunity gezien wordt. Zoals ook de idee achter de belastingvrijstelling (Bernhard kocht zijn Ferrari’s zonder BPM) hem er niet van weerhield, de auto’s na enige tijd met winst (de afschrijving viel in het niet bij het belastingvoordeel) te verkopen. Het is een vorm van zakelijkheid die zich slecht verhoudt tot de populaire perceptie van toewijding aan de publieke zaak die Oranje-adepten de leden van het koninklijk huis toedenken. En die tegelijkertijd laat zien hoezeer het monarchale bestel door sommige betrokkenen als verdienmodel gezien wordt. Een model waarbij de reguliere revenuen niet langer de grootste inkomstenbron vormen. Als betrof het basketballers uit de Premier League, geldt voor sommige royals dat de ‘sponsorcontracten’ het standaard inkomen vele malen overtreffen. Juan Carlos heeft de mogelijkheden van persoonlijke verrijking die een koninklijke titel biedt, naar een nieuw niveau getild. Maar ook Bernhard heeft, zij het met de Spaanse omkoopbedragen in het achterhoofd op bescheiden schaal, zijn best gedaan voor een zo groot mogelijk persoonlijk gewin.

Republikeins trauma

De Lockheed-affaire. Het behoort tot een van de grote trauma’s van de republikeinen; de wijze waarop de kansen die de kwestie bood in de strijd voor de afschaffing van de monarchie, door de overvoorzichtige Den Uyl te grabbel zijn gegooid. Voor veel lezers van dit blad zullen de gebeurtenissen in het geheugen gegrift staan; de hoorzittingen van de Commissie Church die, naast heel veel andere omkoopzaken op enig moment de zoeker richt op de vliegtuigindustrie en daarbij al snel stuit op een hoge Nederlandse regeringsofficial. De ‘Dutch prince’ zoals hij werd geduid, een duiding die ook bij niet ingewijden geen verdenking jegens Claus opriep. De prins had, zoals uit de ondervragingen bleek, een groot bedrag ontvangen om daarmee het Nederlandse politieke klimaat gunstig te stemmen voor de aanschaf van Lockheed producten. De suggestie was om hem te belonen door hem een Lockheed JetStar cadeau te doen, een gebaar waarvan hij zelf stelt dat afgewezen te hebben omdat hem al een Fokker Friendship in het vooruitzicht was gesteld. Waarbij de opzichtigheid van het gebaar wellicht meer gewicht in de schaal legde voor de afwijzing nu het niet in Bernhard’s aard lag een viermotorig straalvliegtuig te laten schieten voor een tweemotorig propellor-toestel. De betaling van ruim een miljoen dollar had tot doel de niet doorgegane geste te compenseren. De verontrusting in het Nederlandse kabinet leidde tot de benoeming van de Commissie van Drie die de opdracht kreeg de juistheid van de ten overstaan van de Commissie Church afgelegde verklaringen, voor zover betrekking hebbend op prins Bernhard, te onderzoeken. De commissie zou uiteindelijk een vernietigend rapport uitbrengen. Waar politiek zo goed als niets mee gedaan is.

Ook vierenveertig jaar na dato blijven de details schokkend. De houding van Bernhard natuurlijk in eerste instantie. Na de instelling van de Commissie van Drie publiekelijk de hoop uitsprekend dat het rapport het vertrouwen van de Nederlandse bevolking in zijn persoon zal herstellen. En ondertussen het contact met Lockheed over de betalingen warm houdend. Maar vooral van de Nederlandse politiek, de premier voorop, die alles doet om de explosieve kracht van het rapport te ontkennen en de gevolgen van de openbaarmaking beperkt te houden. Den Uyl wordt nog steeds door velen een enorme kwaliteit toegedacht voor de wijze waarop hij de ‘constitutionele crisis heeft bezworen’. Dat dat gepaard is gegaan met zaken die in de verhouding tussen Kamer en regering als doodzonde gelden -het verzwijgen van de link met Northrop- en met het onder druk zetten van strafrechtelijke waarden -een sepotbeslissing op louter politieke gronden- wordt er meestal niet bij vermeld.

De ontsteker is met de grootst mogelijke omzichtigheid uit de bom gehaald. In politieke zin lagen de kansen voor een omwenteling voor het opscheppen. Bekend is dat Juliana stelde af te zullen treden als haar echtgenoot strafrechtelijk vervolgd zou worden. En dat Beatrix in die situatie haar moeder niet zou opvolgen. Dat zijn niet de contouren van een constitutionele crisis die afgewend moet worden maar de kansen om voor eens en altijd met een constitutioneel bestel dat van crisis naar crisis kruipt, af te rekenen. Den Uyl had naar de Kamer kunnen komen, het Lockheedrapport onder de arm, en plechtig kunnen verklaren dat de bevindingen van de Commissie van Drie aanleiding gaven tot verdenking jegens de prinsgemaal van ernstige strafbare feiten. En dat het kabinet geen andere beslissing kon nemen dan het dossier in handen geven van het Openbaar Ministerie teneinde de mogelijkheid van een strafvervolging te onderzoeken. We leven in een rechtsstaat, had hij eraan toe kunnen voegen, we houden het beginsel van gelijkheid voor de wet als wezenlijk voor ons bestel, we kunnen niet anders dan het OM hierin de ruimte geven die een onafhankelijke aanklager in een rechtsstaat toekomt. Zelfs een SGP-kamerlid zou niet de moed hebben gehad hier bezwaren tegen in te brengen.

Oneigenlijk gebruik van opportuniteitsbeginsel

Den Uyl kwam in de Kamer met een heel ander verhaal. Geïnspireerd door de vrees voor electorale effecten of uit genegenheid voor Juliana die zijn kabinet immers mede mogelijk had gemaakt, kwam hij in het parlement met weinig steekhoudende argumenten om het kortsluiten van de strafrechtelijke weg te onderbouwen. De prins zou al behoorlijk gestraft zijn door de conclusies die het kabinet aan het rapport ging verbinden. Sommige aspecten van de zaak zouden verjaard zijn. Het strafrechtelijk onderzoek zou veel tijd in beslag nemen en een uiteindelijke vervolging was niet zeker. Argumenten waar criminologen en strafrechtjusristen achteraf geen spaan van heel lieten. Argumenten met geen ander doel dan te pogen het optreden van de regering in van een schijn van rationaliteit te voorzien. Het maskeren van het oneigenlijk gebruik van het opportuniteitsbeginsel; niet om maatschappelijke maar om politiek redenen valt er een sepotbeslissing.

En de Kamer hoorde dit met een mengsel van instemming en bewondering aan. Een enkele partij poogde nog een begin van een discussie te starten die enigszins recht zou doen aan de schokkende bevindingen van de onderzoekscommissie. Van der Spek en Van der Lek, de voltallige PSP-fractie, kwamen met een motie om de kwestie aan te grijpen om nog eens na te denken over de rol van de monarchie in het vaderlandse bestel. Om ingediend te kunnen worden droeg de motie, behalve de handtekeningen van de twee PSP’ers ook een aantal handtekeningen van PvdA Kamerleden. Maar toen het op stemming aankwam werd de motie met slechts de stemmen van Van der Spek en Van der lek voor, verworpen. De PvdA’ers feliciteerden de PSP’ers met de motie maar konden hun stem er niet aan geven. Toenmalig fractievoorzitter Van Thijn had fractiediscipline afgedwongen. Zelfs een kleine barst in het raamwerk moest voorkomen worden.

De gelijkenissen tussen de zaak rond Juan Carlos en die rond Bernhard zijn overdonderend. Het geschuif met rekeningen, met koffers met geld, met onduidelijke tenaamstellingen van de begunstigden van de overmakingen, met vriendinnen die financieel gesteund worden, ‘Alles schon mal dagewesen’. Waarbij dan nog wel geconstateerd kan worden dat Bernhard zich, met de kennis van nu, zwaar heeft laten onderbetalen.

De gelijkenis betreft natuurlijk ook de politieke reactie op de omkoopschandalen. Het kost weinig moeite voor PSP Unidas Podemos in te vullen en voor de PSOE uiteraard de PvdA. Dan komt een herhaling van zetten in beeld die symptomatisch is voor het mechanisme dat monarchieën in West-Europa zo lang in het zadel houdt: op een enkele principiële uitzondering na buigt het politieke establishment in vergaande mate mee met de veronderstelde volkswil. Het zal, zowel in Spanje als in Nederland, veel overtuigingskracht kosten om een meerderheid in het parlement te doen beseffen dat meebuigen niet getuigt van pragmatische politiek maar van democratisch tekortschieten.

 

 

 

Praalhanzen en pronkjonkers: Lodewijk Brunt over de 600 verdwenen vorsten van India

Afgelopen weekend overleed socioloog Lodewijk Brunt, die de laatste jaren spraakmakende verhalen publiceerde in De Republikein. Ter herinnering aan deze grote geest publiceert De Republikein hier een oudere bijdrage van hem, gewijd aan India, het land van zijn hart.  Een schets van de kleurrijke maharaja’s, nawabs en nizams die ooit het beeld van Brits-India bepaalden.

Tekst Lodewijk Brunt

Tot enkele weken voor het uitroepen van de onafhankelijkheid van India, augustus 1947, wist niemand nog hoe de nieuwe staat er precies zou gaan uitzien. Het gigantische subcontinent – zo’n vierhonderdmiljoen mensen, honderden talen, moderne steden, primitieve tribale gemeenschappen, religieuze verscheidenheid – dreigde te worden versplinterd. De Muslim League onder Muhammad Ali Jinnah was beducht door de Hindoebevolking onder de voet te worden gelopen. Hij eiste een zelfstandige Moslimstaat: Pakistan. Van de weeromstuit verlangden de Sikhs opeens een eigen Sikhistan. Andere aanspraken volgden. Onder leiding van de laatste Britse gouverneur-generaal, graaf Louis Mountbatten of Burma, die nauw samenwerkte met Jawaharlal ‘Pandit’ Nehru, werd het ideaal van een Indiase eenheid zoveel mogelijk gerealiseerd, maar de onafhankelijkheid van Pakistan kon niet worden voorkomen. In de jaren zeventig maakte Oost-Pakistan zich overigens los van West-Pakistan: Bangla Desh, het land van Bengalen.

3 miljoen doden

De onafhankelijkheid, veelal aangeduid als de Partition, de ‘verdeling’, werd in augustus dit jaar uitbundig gevierd. Zeventig jaar geleden sprak Nehru, de eerste premier van India, zijn befaamde onafhankelijkheidstoespraak uit. Middernacht,15 augustus 1947. Maar de herinneringen aan die heugelijke gebeurtenis zijn niet onverdeeld positief. Ontelbaren sloegen op de vlucht met achterlating van hun hebben en houden: Hindoes van Pakistan naar India en Moslims van India naar Pakistan. Op grote schaal vonden moordpartijen, brandstichtingen, verkrachtingen, berovingen en vernielingen plaats – naar schatting vonden meer dan drie miljoen mensen de dood. Ondanks de uitputtende onderhandelingen over wie wat zou krijgen, stonden de grenzen van de nieuwe staten nog steeds niet vast op het moment dat de onafhankelijkheid werd uitgesproken. Wat moest er met de inheemse vorstendommen gebeuren, de talrijke ‘staten binnen de staat’? Bij de festiviteiten rond het zeventigjarige bestaan van de Partition zijn er aan dat onderwerp nauwelijks woorden besteed. En dat terwijl al die kleurrijke maharaja’s, nawabs en nizams het beeld van Brits-India decennialang hebben bepaald. Alsof de geschiedenis van de Oriëntaalse royalty is uitgewist.

Mogol-dynastie

De East India Company (de Britse versie van de Nederlandse VOC) trof een sterk verdeeld subcontinent aan waarin de Mogol-dynastie geflankeerd werd door een veelvoud van inheemse staten en staatjes. De grenzen waren vloeiend, er was een voortdurend proces van gebiedsuitbreiding aan de gang, onderlinge oorlogsvoering, landjepik. Een voorbeeld is Shivaji, die zich opgeworpen had als leider van de Marathas. Hij wist omstreeks het midden van de 17e eeuw zoveel grondgebied te veroveren dat zelfs de machtige Mogolkeizer Aurangzeb er zenuwachtig van werd en zijn generaals op hem afstuurde. Shivaji riep het Maratharijk uit tot een onafhankelijke staat en kroonde zichzelf tot koning: Chattrapati. Hij is vanwege zijn houding tegenover een Moslimregime nog steeds de grote held van de Shiv Sena, het leger van Shivaji, de uiterst rechtse, hindoefundamentalistische volkspartij die vooral in Maharashtra populair is. De Britten waren aanvankelijk geïnteresseerd in de specerijenhandel en sloten overeenkomsten met de plaatselijke heersers. Ze kregen op een paar strategische plekken voet aan de grond: Surat en Bombay aan de westkust, Madras en Calcutta aan de oostkust. Pas eind 18e begin 19e eeuw, begon de grote imperialistische veroveringswedloop, zowel in Afrika als in Azië. Veel van de inheemse vorsten zullen niet bepaald medailles hebben verdiend voor hun manier van regeren, merkt de Indiase diplomaat Shashi Tharoor op in zijn Inglorious Empire, maar vergeleken met de East India Company waren ze toonbeelden van beschaving. De Britten namen veel grond brutaalweg in beslag, of stelden stromannen aan als hun zaakwaarnemers. Daarbij gingen ze uit van het volgende principe: als een vorst geen mannelijke opvolger had, wezen zij de opvolger aan. Het adopteren van een zoon, de gebruikelijke weg bij de inheemse koninkrijken, werd domweg verboden.

Protectiegeldzwendel

Wie door de East India Company werd benoemd moest trouwens een flinke som betalen: als tegenprestatie voor de bescherming door het handelshuis. Maar het contingent militairen dat daartoe werd ingezet, moest de vorst uit eigen zak betalen. De Britten boden aantrekkelijke leningen aan, zodat het vorstendom binnen de kortste keren aan de grond zat en bij het Britse grondgebied gevoegd werd. Een koninklijke versie van de protectiegeldzwendel waarmee de maffia groot geworden is. De East India Company (minstens zo corrupt en cynisch als de VOC) leunde bij haar praktijken op een omvangrijk huurlingenleger, zorgvuldig samengesteld uit vechtlustige gemeenschappen.

Klaar voor de tijgerjacht in Cooch Behar.
Foto uit: Gayatri Devi, A Princess Remembers. The Memoirs of the Maharani of Jaipur. New Delhi (Rupa) 1995

De ommekeer kwam in 1857. In Barrackpore kwamen de huursoldaten in opstand tegen de Company, dat blijkbaar al veel kwaad bloed had gezet. Het vuur sloeg razendsnel over naar andere legerplaatsen en uit Meerut trokken legereenheden op naar Delhi om de laatste Mogolvorst, de oude en breekbare Bahadur Shah Zafar, tot keizer van heel India uit te roepen. In de Britse geschiedenisboeken staat de gebeurtenis nog steeds te boek als de ‘Muiterij’, maar de Britse aanwezigheid hing aan een dun draadje. De opstand ging gepaard met slachtpartijen aan beide kanten; toen hij eenmaal was neergeslagen, bereikten de Britse wraakacties ongekende hoogtepunten van wreedheid. Shah Zafar werd ontvoerd en verdween in ballingschap. In 1858 nam de Britse kroon het bewind van de East India Company over en werd India onderdeel van het grote, wereldomvattende Britse koloniale rijk. Het Britse kabinet stelde een speciale minister voor India aan en het India House in Londen werd het centrum voor Indiase aangelegenheden. De koloniale overheid streefde naar rust en orde: de staatkundige situatie werd bevroren. De grenzen werden officieel vastgelegd en bij monde van koningin Victoria werd de inheemse vorsten plechtig beloofd dat hun integriteit onder de Britse oppermacht (paramountcy) nooit meer geschonden zou worden. Een prachtige belofte, ook ingegeven door de terughoudendheid die de Indiase vorsten hadden betoond tijdens de opstand. De praktijk was anders: de grenzen bleven weliswaar intact, maar de bemoeienis van de koloniale overheid met de interne aangelegenheden reikte verder dan ooit.

 

Een aantal van de voornaamste prinsen tijdens het Zilveren Jubileum van de Maharaja van Kapurthala, midden jaren 1920. Foto uit: Charles Allen & Sharada Dwivedi, Lives of the Indian Princes. London (Century Publishing Co) 1984

Iedere vorst kreeg een Resident toegewezen, een politieke commissaris, die toezicht hield op de gang van zaken, vooral op financieel en moreel gebied. Ernstig wangedrag werd gemeld bij de gouverneur-generaal die de zondaar op het matje riep; door hem te ontbieden in het gouvernementspaleis in Calcutta (vanaf 1920 New Delhi) of door op tournee te gaan en de toestand met eigen ogen te aanschouwen. De koningen beschikten over een privy purse, een bepaald percentage van de staatsinkomsten dat bedoeld was voor de eigen, persoonlijke uitgaven. Overschrijding van dat percentage kon niet worden toegestaan: de koloniale overheid had de belastingcenten nu eenmaal zelf nodig.

Duizelingwekkende diversiteit

De Britse koloniale overheid stond tegenover bijna 600 inheemse vorstendommen die werden geregeerd naar de eigen inzichten van de heerser. Sommige staten waren zo groot als Frankrijk of Groot-Brittannië zelf, andere waren nauwelijks een vierkante kilometer groot, vaak in het leven geroepen door de East India Company om vriendendiensten te belonen. Bij elkaar besloegen ze bijna de helft van de totale oppervlakte van Brits-Indië en omvatten ze bijna een derde van de totale bevolking: veel kleinere staatjes bevonden zich aan de periferie, zoals het gebied van de Himalaya of in de woestijngebieden van Rajasthan. Ook in andere opzichten was de diversiteit duizelingwekkend. Sommige staten hadden eigen spoorwegen, andere hadden nog geen tien kilometer geplaveide weg; hier en daar bestond iets als een volksvertegenwoordiging, met een moderne bestuurlijke administratie, in veel staten ontbrak het aan de meest elementaire voorzieningen, zoals gezondheidszorg of onderwijs. In noordelijke staatjes als Hunza en Nagar werd de belasting in natura betaald, andere staten hadden een eigen munteenheid. Vanwege de onderlinge verschillen, werden de vorstendommen in categorieën verdeeld. Naast de ruim honderd staten die direct met het Britse gezag te maken hadden, werden er diverse groeperingen van staten gevormd die als collectief vertegenwoordigd waren. Rajasthan was een samenstel van onder andere Alwar, Jaipur, Bikaner, Udaipur enzovoort. Je kon niet van Delhi naar Bombay reizen zonder tenminste dertig staatsgrenzen te passeren. Ook de onderlinge hiërarchie werd nauwkeurig vastgelegd en deze had Byzantijnse proporties, zeker nadat koningin Victoria tot haar grote genoegen tot keizerin van Brits-Indië werd uitgeroepen, een gebied op vele duizenden kilometers afstand van Londen waar ze nooit van haar leven een voet aan de grond had gezet — of zou zetten.

Nieuwe hofcultuur

Er was sprake van koninklijke illusion building, zoals iemand treffend opmerkte. Het Britse koningshuis werd gepresenteerd als de opvolger van de Mogoldynastie en de inheemse vorstendommen werden ingepast in een nieuwe hofcultuur. Daar paste ook een nieuwe titulatuur bij. De Hindoevorsten hielden de titel van Maharaja, of Raja als ze lager op de ladder stonden, de Moslims bleven Nizam of Nawab, maar in de nieuwe rangorde kregen ze allemaal de status van ‘prins’ en hun staten die van ‘prinsdommen’ (princely states). Er mocht uiteraard niemand raken aan de hoogste status van de keizerin, die vertegenwoordigd werd door de Viceroy. De Nizam van Hyderabad had een uitzonderingspositie, vanwege zijn prominente rol onder het Mogolrijk (en zijn onvoorstelbare rijkdom) bleef hij de titel His Exalted Highness voeren. De prinsen kregen een eigen vertegenwoordigd lichaam, de Chamber of Princes, waar ze over hun specifieke kwesties konden beraadslagen. Maar uit de richtlijnen van de kanselier van die Kamer, opgesteld in de jaren 1920, valt op te maken dat als het gaat om ‘status, voorrang en privileges’, de prinsen pas na de organen van het centrale gezag aan de beurt zijn. En dat geldt alleen voor een bepaalde categorie van prinsen. De prinsdommen hebben een eigen hiërarchie: er bestaat een scherpe scheidingslijn tussen prinsdommen mét en prinsdommen zónder saluut. Heersers van ‘saluutstaten’ hebben al naar gelang hun status recht om met een bepaald aantal kanonschoten verwelkomd te worden bij specifieke gelegenheden. Als koningin-keizerin Victoria India bezocht zou hebben, zou ze zijn begroet met 101 saluutschoten. Haar Viceroy had recht op 31 schoten, de belangrijkste prinsen volgden met 21, daarna liep het steeds met 2 schoten af tot 9. Lager bestond niet, verschillen moeten er zijn. De precieze volgorde leidde, begrijpelijkerwijs, tot veel onvrede bij prinsen die zichzelf soms beschouwden als seriously under-gunned, zoals een historicus het uitdrukte.

 

Schilderij van Gayatri Devi, koningin van Jaipur.

Koningin Victoria

Koningin Victoria had romantische gevoelens voor haar Oosterse prinsen met een bruine huidskleur, vaak tot ergernis van haar raadgevers. Viceroy Lord Curzon mopperde: ‘Iedereen met een tulband en juwelen is welkom in Buckingham Palace’. Hij voelde zich soms genoodzaakt de koningin in bedekte termen te waarschuwen voor de bedenkelijke neigingen van de prinsen die haar een bezoek brachten. Het oriëntalisme van het Britse koningshuis leidde in de praktijk tot ornamentalisme. Nu de prinsen geen speciale aandacht meer hoefden te besteden aan oorlogsvoering, konden ze zich met volle overgave storten op hun eigenlijke, koninklijke, bestemming: te leven als praalhans en pronkjonker. Gayatri Devi, de latere Maharani van Jaipur, herinnert zich haar jeugd in het prinsdom Cooch Behar en somt vol trots de grootste prestaties van haar grootvader op: in minder dan veertig jaar 365 tijgers, 311 luipaarden, 207 neushoorns, 438 buffels, 318 antilopen, 259 sambars, 133 beren en 43 bizons neergeknald in de jungles van Assam en Cooch Behar. In één adem stelt ze vast dat dit een prachtvoorbeeld was van natuurbeheer. Zelf schoot ze haar eerste tijger toen ze zes jaar was. Charles Allen signaleert deze combinatie eveneens in zijn fraaie studie Lives of the Indian Princes: hoeveel lippendienst de prinsen ook bewezen aan natuurbeheer, ze waren tegelijkertijd geobsedeerd door het idee zoveel mogelijk te doden – ‘on the theory that the bigger the bag, the more important you were’. Op alles wat liep, kroop of vloog werd gejaagd en de prinsen boden tegen elkaar op met de grootste buit of het aanzienlijkste jachtgezelschap. Naast de jacht waren diverse sporten populair: polo, cricket, tennis. De eigenschappen van een nietsdoende klasse werden ruimschoots geprikkeld: de bouw van imponerende sprookjespaleizen, het verzamelen van dure Rolls Royces en Mercedessen waarmee niet gereden kon worden, juwelen, meubilair, minnaars en minnaressen, fokdieren. De prins van Baroda, Sayaji Rao hield getrainde papegaaien: ze reden op zilveren fietsjes of zaten in zilveren auto’s en konden hele toneelstukjes opvoeren. Zoals de scène dat een papegaai door een auto werd overreden, onderzocht werd door een papegaaiendokter en door papegaaienbroeders in een papegaaienambulance werd afgevoerd. Hoogtepunt was het afschieten van een kanon; iedere toeschouwer schrok zich een ongeluk, de papegaaien zélf bleven ijzig kalm.

Feodale schijnvertoning

Nehru bestempelde de Indiase prinsenkaste als een ‘feodale schijnvertoning’. De vertegenwoordigers van de Congress Party waren niet van plan de plechtige Britse belofte van integriteit te honoreren tijdens de onderhandelingen over de onafhankelijkheid. Hun nadruk op India als eenheidsstaat was overigens een gloednieuw idee: de lange geschiedenis van India is altijd gekenmerkt geweest door Balkanisering. De beoogde Minister van Binnenlandse Zaken, Valabhbhai (Sardar) Patel – de échte sterke man – kreeg de taak om de prinsdommen bij de nieuwe staat onder te brengen. Iedere prinselijke staat die zichzelf fatsoenlijk kan bedruipen mag zelfstandig blijven, beloofde hij, om vervolgens vast te stellen dat geen enkele staat aan die eis voldeed. Onder de verzekering dat de prinsen hun paleizen, titels en privy purses mochten behouden, liet hij ze stuk voor stuk het zogenaamde Instrument of Accession tekenen. Drie prinsdommen hielden voet bij stuk, waaronder het grote Hyderabad. Pas geruime tijd na de onafhankelijkheid zwichtten ze alsnog, de Nizam van Hyderabad nadat het Indiase leger de staat was binnengevallen. Het definitieve doek viel in de jaren zeventig onder premier Indira Gandhi, de dochter van Jawaharlal Nehru: zij schafte de laatste privileges af. Een tijdperk teneinde.

 

 

Het laatste boek dat Lodewijk Brunt publiceerde was in samenwerking met Dick Plukker een vertaling uit het Hindi van De blauwe sjaal en andere verhalen van Anu Singh Choudhary, verzameling korte verhalen, die vanuit verschillende invalshoeken inzicht bieden in het hedendaagse India. Een land van hechte familieverbanden, maar ook van echtscheidingen, religieuze tegenstellingen, jonge mensen die naar de grote stad trekken en daar op ce een of andere manier het hoofd boven water moeten zien te houden. Schrijfster Anu Singh Choudhary belicht daarbij vooral het leven van vrouwen.

De Indiase stedelijke middenklasse maakt uitbundig gebruik van hypermoderne communicatiemiddelen en de ‘zegeningen’ van het moderne kapitalisme. Maar op het platteland doet veel nog denken aan het feodale India van weleer.

Titel: De blauwe sjaal en andere verhalen

Auteur: Anu Singh Choudhary

Vertaald uit het Hindi door Lodewijk Brunt en Dick Plukker

Uitgever: India Instituut, 2020; aantal pagina’s: 176; ISBN: 978 90 801437 7 7

Prijs: € 18,90

U kunt het boek bestellen door € 18,90 + € 3,64 verzendkosten = € 22,54 over te maken op IBAN NL71 INGB 0004 9143 14 van het India Instituut, Amsterdam.

De blauwe sjaal en andere verhalen is ook beschikbaar als een e-boek (epub-formaat). Ga naar www.bol.com of www.kobo.com en zoek op de volledige titel (De blauwe sjaal en andere verhalen)

 

De staatsgreep van de Soldaat van Oranje

Alleen het kroonvirus Corona was in staat de musical Soldaat van Oranje te doen verstommen. Deze hoogmis van het orangistische levensgevoel trok reeds meer dan drie miljoen bezoekers . De voorstelling is gebaseerd op de autobiografie van Engelandvaarder Erik Hazelhoff Roelfzema. Maar hoe heldhaftig was diens betrokkenheid bij de planning van een naoorlogse staatsgreep, waarbij PvdA-coryfee Koos Vorrink zou worden geliquideerd?

 

Tekst Bart Gruson

In een onbezonnen moment heb ik de redactie aangeboden om een recensie te schrijven over een voorstelling die de zintuigen nu al tien jaar lang teistert: Soldaat van Oranje – De Musical. Alleen het SARS-CoV-2 virus is in staat gebleken om aan dit oor- en oogverdovende spektakel een einde te maken, weliswaar voorlopig, maar in elk geval tot ver na de datum waarop ik mijn stukje moet inleveren. Geen recensie dus, maar in plaats daarvan aandacht voor de minder belichte kanten van de held waar het in deze karikaturale musicalproductie om draait: Siebren Erik Hazelhoff Roelfzema, Erik voor zijn vrienden, Soldaat van Oranje voor de inmiddels meer dan 3 miljoen bezoekers van de musical.

Hazelhoff Roelfzema wordt in 1917 in Soerabaja geboren in een Nederlandse patriciërsfamilie. In 1930 verhuist hij met zijn oudere zuster naar Nederland, omdat vader de kinderen een goede opleiding wil laten volgen. De ouders volgen een paar jaar later en het gezin vestigt zich uiteindelijk in Wassenaar. Na het eindexamen gymnasium begint hij in 1937 met de studie rechten aan de Universiteit Leiden. Hij wordt lid van Minerva, de sociëteit waar kinderen uit gegoede families de gelegenheid wordt geboden hun sociaal kapitaal na het afstuderen om te zetten in klinkende munt.

‘Drang naar avontuur’ dreef hem vaak naar het buitenland. Zo maakt Hazelhoff Roelfzema in 1938 een rondreis door de VS en het jaar daarop doet hij als correspondent verslag van de Russisch-Finse oorlog. Die drang naar avontuur vertaalt zich niet in betrokkenheid bij de strijd tegen het opkomende fascisme. We horen of lezen hem niet over Mussolini’s bewind of over Franco’s opstand tegen de Spaanse volksfrontregering. Hij sluit zich evenmin aan bij het Comité van Waakzaamheid van anti-nationaalsocialistische Intellectuelen, opgericht door onder anderen Menno ter Braak, Annie Romein-Verschoor, Rosa Manus, Simon Vestdijk en Jan Tinbergen. Onze rechtenstudent lijkt helemaal geen interesse te hebben in wat zich afspeelt in het Derde Rijk. In 1937, toen hij met de studie begon, was Duitsland al enkele jaren een éénpartijstaat waar tegenstanders van het regime wanneer ze niet direct vermoord werden in concentratiekampen crepeerden. In november 1938, toen hij door de VS toerde, werden overal in Duitsland joodse winkels geplunderd, joodse scholen, ziekenhuizen en synagogen in brand gestoken en joden op straat mishandeld en vermoord.

Op 10 mei 1940 laat Hazelhoff Roelfzema wél van zich horen, maar doet dat in bewoordingen die niet zouden misstaan op een Minerva-borrel: ‘Die kerels waren hier binnengekomen terwijl we ze echt niet hadden uitgenodigd. Ze moesten eruit, daar deed je alles voor, omdat je van Nederland hield’. Ook dan ontbreekt een onverbloemde veroordeling van het nazibewind. ‘Ik ben geen idealist, het was mijn vaderlandsliefde, ik handelde vanuit verontwaardiging’, aldus Hazelhoff Roelfzema in een televisie-interview met Ivo Niehe.

Oorlog of geen oorlog, in 1941 legt Hazelhoff Roelfzema zijn doctoraalexamen rechten af. Even later in dat jaar stapt hij op een Zwitserse boot die hem naar Engeland zal brengen. In de Canon van Museum van Engelandvaarders lezen we dat het schip op weg was naar Kiel en onderweg onderschept werd door een Engels marineschip. Hij is dus bij toeval in Engeland aangeland. Hij noemde zich dan ook in het eerdergenoemde interview een ‘ex-Leidse student die toevallig in die oorlog terecht is gekomen’.

Contact Holland

In Engeland raakt hij betrokken bij het plan om Nederlandse geheimagenten per boot af te zetten op de stranden van bezet Nederland. De praktische uitwerking wordt aan Hazelhoff Roelfzema overgelaten en de regering belast Peter Tazelaar met de operationele leiding van wat Landing Operations Contact Holland gaat heten. Beiden wagen een paar maal de oversteek naar Nederland en riskeren daarbij hun leven. In Hazelhoff Roelfzema’s boek Soldaat van Oranje is het de schrijver zelf die de talrijke spectaculaire acties tot een goed einde weet te brengen. Maar de familie van Peter Tazelaar stelt dat deze de meeste risico’s nam. Na zijn avonturen bij Contact Holland meldt Hazelhoff Roelfzema zich aan bij de RAF en voert als piloot missies uit boven het bezette Europa. Vlak voor het einde van de oorlog wordt hij adjudant van Wilhelmina en samen met haar betreedt hij op 13 maart 1945 Nederlandse bodem.

Al in Engeland is het duidelijk dat onze mannetjesputter zich het prettigst voelt in het gezelschap van lieden die het niet zo nauw nemen met de democratische spelregels. Hij noemt de leden van de regering in Londen ‘ingesukkelde lamzakken’ en laat zich weinig aan hen gelegen liggen. Hazelhoff Roelfzema komt ermee weg omdat hij kan rekenen op de steun van Bernhard en Wilhelmina. Deze laatste voelde, zo schrijft zij in haar autobiografie Eenzaam maar niet alleen, een ‘begeerte naar vernieuwing’. Deze begeerte vertaalde zij in een plan om ‘naar welgevallen’ een koninklijk kabinet samen te stellen dat zonder parlementaire controle drie jaar zou regeren. Daarna moest een grondwetswijziging ervoor zorgen dat haar positie tegenover regering en parlement werd versterkt. Voor de uitvoering van dit plan rekende zij op door haar goedgekeurde verzetsmensen en op Engelandvaarders. Het is dan ook geen wonder dat een aantal Londense Nederlanders, onder wie Jacques Gans, Loe de Jong, A. den Doolaard en Hans Gomperts, in 1944 het Comité van Actie tegen het Neofascisme oprichtten. Zij meenden dat ‘in bepaalde kringen van de Nederlandse gemeenschap absolutistische opvattingen worden gehuldigd’.

Linggadjati-akkoord

Hoewel harde bewijzen ontbreken, bestaat er een redelijk vermoeden dat Hazelhoff Roelfzema in april 1947 een van de architecten was van de staatsgreep die had moeten leiden tot de val van de regering-Beel. Aanleiding is het besluit van het rooms-rode kabinet om een overeenkomst te sluiten met de pas uitgeroepen Republik Indonesia. Dit in de herfst van 1946 gesloten Linggadjati-akkoord leidt tot grote verontwaardiging bij rechts Nederland, omdat erin werd afgesproken dat Indië na een korte overgangsperiode onafhankelijk zou worden. Ook Hazelhoff Roelfzema maakte zich zorgen over het mogelijke verlies van de kolonie. ‘Zeker niet in het minst dat het onbestaanbaar is dat als je je gedurende de oorlog voor vier jaar uitgesloofd hebt voor het herstel van het koninkrijk, je onverschillig zou kunnen zitten toekijken als er nu na de oorlog ietwat mee gegoocheld wordt, om het zo maar uit te drukken’, vertelt hij in 1946 aan Rosette Herzberger.

In april 1947 laat Hazelhoff Roelfzema aan François van ’t Sant, hoofd van de Centrale Inlichtingen Dienst en vertrouweling van de koningin, weten dat leden van het voormalig verzet de regering-Beel zullen afzetten. Hij vraagt hem om Wilhelmina in te lichten en waarschuwt Van ’t Sant dat een besluit van de regering om de putschisten de voet dwars te zetten veel doden zou kosten. Tegelijkertijd ontvangt Van ’t Sant een telegram van ex-premier Gerbrandy waarin deze hem opdraagt zijn medewerking aan de plannen te geven. Gerbrandy was de leider van het Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid, dat het verzet onder rechtse politici en hoge legerofficieren tegen het regeringsbeleid bundelde. Onder de laatste groep was ook de Commandant der Zeestrijdkrachten, admiraal Helfrich. Hij had na het sluiten van het Linggadjati-akkoord in een brief aan zijn vice-admiraal de vraag opgeworpen of de vreedzame ‘staatsgreep in Indië’, zo noemde hij het akkoord, niet met ‘een andere staatsgreep’ moest worden beantwoord.

De coupplegers hadden het volgende scenario voor ogen. Op maandag 14 april 1947 moest een parachutisteneenheid de ministers en staatssecretarissen van het kabinet-Beel oppakken en ergens in het land gevangenzetten. De leiding van de coup zou de staat van beleg afkondigen en het land via de radio en de schrijvende pers daarvan op de hoogte stellen. Er zou een nieuw kabinet gevormd worden waarin Hazelhoff Roelfzema een rol van betekenis zou spelen. Dit kabinet zou alle ‘nationaal georiënteerde’ groepen vragen om een convent te sluiten waarin zou worden vastgelegd dat Indië voor Nederland behouden zou blijven en, niet minder belangrijk, dat de CPN met alle mogelijke middelen zou worden bestreden. Gerbrandy zou de ‘groot-Nederlandse leider’ worden. Het Nederlandse volk moest ervan doordrongen worden dat het ernst was. Om dit te bewerkstelligen zouden de coupplegers Koos Vorrink, de politiek leider van de Partij van de Arbeid, liquideren.

De staatsgreep werd op het laatste moment afgeblazen. Historici vermoeden dat Wilhelmina het plan afkeurde en dat Gerbrandy, die het sein tot de coup moest geven, zonder haar instemming niet tot actie durfde over te gaan. Koos Vorrink had geluk. Het commando dat hem moest vermoorden ­ zij wisten niet dat de coup inmiddels was afgeblazen ­ trof hem niet thuis in zijn Haagse woning. Van een tweede poging is het niet gekomen. Rechts Nederland kalmeerde toen de regering in de zomer van 1947 besloot tot een ‘politionele’ actie om de koloniale belangen te verdedigen.

Gotspe

Alles in ogenschouw nemend is het een gotspe dat de makers van de musical de honderdduizenden bezoekers wijsmaken dat Erik Hazelhoff Roelfzema, deze met zichzelf ingenomen praatjesmaker, iemand die nauw betrokken was bij het plan om de wettige regering met geweld af te zetten en een keurige sociaaldemocraat te vermoorden, ‘een van de grootste verzetshelden van Nederland’ was, zoals het programmaboekje van de musical vermeldt.

Zou het niet prachtig zijn als de makers hun dwaling goedmaken door een productie op de planken te zetten onder de titel Willem Kraan – De Musical? Ik ben bang dat het er nooit van zal komen. Willem Kraan, de man die op 24 februari 1941 op de Amsterdamse Noordermarkt de menigte opriep om in staking te gaan als protest tegen de razzia’s in de Amsterdamse Jodenhoek, was stratenmaker en lid van de communistische partij. Bovendien liep het slecht met hem af. Welke musicalliefhebber wil zich nu met zo iemand identificeren?

 

Peter Klashorst scoort met maximale majesteitsschennis op het schildersdoek

Dankzij Bob Dylan wisten we al dat de tijden veranderen, maar voor degenen die nog niet gans overtuigd waren is het bewijs nu onweerlegbaar geleverd met de uitgave van de Dirty Diaries van kunstschilder Peter Klashorst (63). Dat kloeke boekwerk is rijkelijk geïllustreerd met aanstootgevende afbeeldingen van H.M. Máxima I der Nederlanden maar vermocht nochtans geen enkele reactie vanuit het Koninklijk Huis of Justitie uit te lokken.

Het kunstboek verscheen in drie verschillende edities, en op een versie daarvan siert Máxima door Klashorsts erotomane ogen de cover, terwijl zij in het binnenwerk ook te zien is in diverse aanstootgevende poses. Van de Dirty Diaries, volgens uitgever Jaap Holtzapffel ‘het creatieve testament’ van de ernstig zieke schilder, zijn inmiddels zo’n 2000 exemplaren verkocht en dat maakt het volgens hem ‘het meest succesvolle kunstpornoboek uit de vaderlandse geschiedenis’. De zaken hadden natuurlijk nog veel beter kunnen gaan als het boek een klacht wegens majesteitsschennis had opgeleverd, zo weet ook Holtzapffel. ‘Ik heb alles in het werk gesteld om een rel te krijgen. Máxima op een van de drie verschillende omslagen, op de dag van verschijning naar Huis ten Bosch gereden om het “eerste” exemplaar bij de poort af te geven. Maar helaas hebben ze niet gehapt!’

God, Nederland en Oranje

Wat een verschil met 1966, toen het eerste nummer van het cartoontijdschrift God, Nederland en Oranje van de Provo-beweging in beslag werd genomen omdat tekenaar Willem (pseudoniem van Bernhard Holtrop) daar toenmalig koningin Juliana had afgebeeld als raamprostituee. Willem kreeg een boete van 200 gulden voor de prent, waarmee hij de spot dreef met een omstreden verhoging van de toelage voor de koningin, die kwam in tijden dat de rest van het land zuchtte onder loonmatiging. Een jaar later ging Provo Herman Amptmeijer maar liefst voor 30 dagen in het cachot in omdat hij de spotprent had helpen verspreiden.

De verboden tekening van Willem in God, Nederland en Oranje.

Ook de Amsterdamse schilder Aat Veldhoen liet zich graag inspireren voor de combinatie van royalty en erotiek en moest zich bij de politie melden nadat hij in 1975 een spotprent had vervaardigd waarop toenmalig premier Den Uyl in achterwaartse positie copuleerde met koningin Juliana, die op haar beurt de Amsterdamse burgemeester Samkalden oraal bevredigde, met op de achtergrond op dameshakken Prins Claus getooid met een armband van de NSDAP en NAVO-secretaris Joseph Luns in innige verstrengeling met een ezel prijkten. In zijn geval kwam hij er met een waarschuwing vanaf en de anarchistische kunstenaar werd later bestuurlijk ingekapseld door zijn huwelijk met ex-PvdA-minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur Hedy d’Ancona.

Artistieke naaktfoto’s

Ook de redactie van weekblad Nieuwe Revu, in de rebelse jaren ’70 zeer succesvol met de toverformule ‘seks, sensatie & socialisme’ kwam in de problemen nadat ze de kersteditie van 1976 had opgeluisterd met artistieke compositiefoto’s foto’s  ter illustratie van een reeks citaten uit haar befaamde kersttoespraken. De raad van bestuur van VNU, de toenmalige uitgever van Nieuwe Revu, was not amused en gaf opdracht de gehele oplage nog voor uitgifte door de papierversnipperaar te halen, teneinde ‘gevoelens van lezers’ te ontzien. Met steun van de journalistenvakbond NVJ toog de redactie van het weekblad in protest de straat op, onder het motto ‘baas in eigen blad’. Op 31 december 1976 verscheen een ‘dubbeldik noodnummer’, met daarin wél de koninklijke kerstboodschappen, maar alleen beschrijvingen van de bijbehorende foto’s. De censuur had haar werk gedaan.

In de jaren ’80 kreeg iemand nog drie weken cel wegens een fotomontage van koningin Beatrix als model voor  Playboy, maar sindsdien zit de klad er een beetje in bij de artistieke zedenmeesters. Zo maakte in 2012 een hilarisch filmpje van Lucky TV bij de VARA’s De Wereld Draait Door, waarin Beatrix en Willem-Alexander tijdens een fictief staatsbezoek aan Papoea Nieuw Guinea de lokale klederdracht respecteerden (o.m. door het dragen van een peniskoker) alleen nog boze reacties los bij de redactie van het Reformatorisch Dagblad. Individuele burgers met onzedelijke fantasieën richting het koningshuis moesten niettemin op hun hoede blijven. In 2007 werd een 47-jarige man veroordeeld tot een boete van 400 euro voor majesteitsschennis nadat hij de politie had toevertrouwd hoe hij zekere seksuele handelingen wilde plegen met de vorstin.

Staatsieportret

Inmiddels heeft schilder Klashorst er nog een schepje bovenop gedaan. Zijn impressario biedt nu ook een schilderij aan van kroonprinses Amalia in innig contact met een heerschap van Afrikaanse komaf. Klashorst vanuit zijn Thaise woonplaats via Facebook: ‘Het is een staatsieportret en ook een commentaar op Black Lives Matter…een Gambiaanse vriend van mij beweert prins te zijn uit een oud geslacht…in dit geval een enorm geslacht wat ik bescheiden heb afgebeeld…die vriend wil met Amalia een serieus huwelijk zodat zij koningin wordt van Gambia en er straks dus een dubbelmonarchie ontstaat het Groot Nederlands Gambiaans koninkrijk en deze prent is om dat idee te promoten .. het samengaan van twee volkeren en twee mooie mensen…zwart en wit zonder discriminatie, maar met veel liefde… Rembrandt heeft Amalia ook geschilderd.. en met deze prent eer ik ook de grote meester die de naamgenote en familielid van de huidige Amalia waar zij waarschijnlijk naar vernoemd is ooit heeft vastgelegd op het doek…dus helemaal kunst-historisch verantwoord en ik ga er van uit dat binnenkort mijn variatie op een staatsieportret in het Rijksmuseum hangt’.

Uitgever Holzapffel laat weten dat het Amalia-schilderij zal worden opgenomen in een volgende druk van de Dirty Diaries. Het boek is alleen via de persoonlijke Facebook-pagina van Jaap Holtzapffel te bestellen en kost 60 euro.

Koloniaal racisme van Oranje verdient ook een beeldenstorm

Tekst: Gerard Aalders

De discussie over racisme naar aanleiding van de dood van George Floyd is buitengewoon verwarrend. Alles wordt door elkaar gehusseld: racisme, diversiteit, kolonialisme, discriminatie, uitbuiting, xenofobie, slavernij en noem het verder maar op. Menig standbeeld is ontsokkeld en ‘helden’ uit de geschiedenis degraderen tot schurken. Vreemd genoeg schitteren de Oranjes in dit debat door aanwezigheid, terwijl ze toch bergen boter op hun hoofd hebben.

Wat betreft uitbuiting en moordzuchtig wangedrag staat de Belgische koning Leopold II met stip op één. Zijn geweldorgies in Congo hebben miljoenen het leven gekost. Hij staat nu ter discussie. Nederland daarentegen lijkt de daden van (vooral) koning Willem I en de weerzinwekkende opstelling van koningin Wilhelmina ten opzichte van de koloniën totaal te hebben vergeten.

Cultuurstelsel

Het beheer van de koloniën viel volgens de Grondwet toe aan de koning. Willem I richtte de Nederlandse Handel-Maatschappij (NHM) op – waarvan hij zelf grootaandeelhouder was – om zoveel mogelijk winst uit Indië te persen. Het Cultuurstelsel – ingevoerd in 1830 – was voor Willem en zijn medeaandeelhouders zeer profijtelijk, maar voor de inheemse bevolking een ramp. Boeren werden gedwongen twintig procent van hun beste landbouwgrond te gebruiken voor de teelt van koffie, thee, suiker en andere producten. Alles bestemd voor de Europese markt. Vervoer en verkoop waren in handen van de NHM, dat tegenwoordig ABN AMRO heet. Wie geen producten kon leveren moest 66 dagen per jaar voor het gouvernement te werken. Het stelsel bracht uitbuiting, honger en armoe met zich mee.

Opiumgebruik hield de onderdrukte bevolking koest, wat de NHM evenmin windeieren heeft gelegd. Opiumhandel was een tijdlang zelfs de lucratiefste inkomstenbron van de NHM. Handel in opiaten was niet verboden, maar de directie (en dus grootaandeelhouder Willem) wisten drommels goed dat het spul ‘verwoestend [was] voor de zedelijkheid, werkzaamheid en vermenigvuldiging van de bevolking’. Maar ja, opium leverde vette winsten op en daar ging het tenslotte om.

Willem I was persoonlijk verantwoordelijk voor de koloniale Java-oorlog (1825-1830) die aan circa 200.000 Indonesiërs het leven heeft gekost. Als de ‘opstandige’ Javanen (ze weigerden het gezag van Willem te aanvaarden) niet wilden luisteren, speelden ze letterlijk met hun leven.

Willem II was de laatste die persoonlijk aansprakelijk was voor het koloniale beleid.

Met de Grondwetswijziging van 1848 ging de verantwoordelijkheid over op de ministers, maar koning Willem II en III alsook koningin Wilhelmina konden zich prima vinden in de Haagse koloniale politiek. Sinds de stichting van het koninkrijk zijn onder de Indische bevolking minstens 600.000 doden gevallen. Vrouwen en kinderen waren evenmin veilig. Ze kwamen met duizenden om in de vlammen toen hun kampongs werden platgebrand. Het waren moordpartijen, maar de regering sprak sussend van ‘excursies’, ‘pacificatie’ of ‘politionele acties’.

‘Held van Atjeh’

Koningin Wilhelmina heeft de oorlog tegen de ‘opstandige’ bevolking van Atjeh enthousiast gesteund. Generaal Van Heutsz die de overwegend islamitische – zeker geen pluspunt in Wilhelmina’s ogen – bevolking meedogenloos in het gareel dwong en daarbij geen bloedbad schuwde, vereerde ze als de ‘held van Atjeh’. Ze ontving haar ‘held’ met alle egards om hem te onderscheiden met een medaille en te bedanken voor zijn inzet. In haar biografie schrijft ze tevreden dat van Van Heutsz met zijn slachtpartijen een ‘waarlijk groots werk’ had verricht.

Wilhelmina noch haar voorgangers hebben ooit enigerlei vorm van medelijden getoond met de doden die tijdens hun koningschap vielen. Indonesiërs die het Nederlandse bewind niet accepteerden, waren volgens Wilhelmina ‘extremisten’ en die moesten simpelweg worden ‘opgeruimd’. Het zou geen overbodige luxe zijn het gedrag van de Oranjes in de koloniën eens aan de kaak te stellen. Misschien een idee voor de volgende toespraak van Willem-Alexander bij de dodenherdenking op de Dam? En dan wel graag in heldere bewoordingen.

 

Van historicus Gerard Aalders verschijnt vandaag Oranje Zwartboek, een schandaalkroniek van het Huis van Oranje Nassau, bij uitgever Just Publishers.

Complotprofessor Karel weet raad (3): De beerput van het gemeentelijke afvalbeleid

De onverschrokken complotprofessor Karel beantwoordt op deze plek wekelijks een brandende kwestie vanuit zijn achterban. In deze aflevering: wat is verborgen achter het gemeentelijke afvalbeleid?

Tekst en illustratie: Sjoerd de Jong

Geachte professor Karel,

Bij het werken in mijn tuin, die helaas tamelijk overwoekerd is door onkruid sinds mijn jongste burn out, stuitte ik gisteren op een merkwaardig metalen voorwerp. Het lag een beetje verscholen tussen de struiken, alsof iemand het daar had weggestopt. Het is een metalen kastje met twee antennes die eruit steken als voelsprieten of tentakels. Er zitten ook gaten in, en er staan tekens op die ik niet begrijp. Wat moet ik doen? Ik durf het ding niet naar het Afvalpunt te brengen. Kan ik de gemeente inlichten? Bellen en e-mailberichten versturen gaat mij ook slecht af, sinds de buren zeggen dat ze een oude ‘router’ hebben weggedaan. Geen idee wat ze bedoelen.

Arend Bronkorst-Van Vervelen

Dit is een zeer interessant zaakje, waarin grote behoedzaamheid vereist is. Ik moet u om te beginnen ernstig waarschuwen, want u staat op het punt een grote fout te maken. Het is namelijk niet de eerste keer dat ik een melding krijg over een dergelijk voorwerp. Andere exemplaren worden volgens berichten die mij bereiken ook wel aangetroffen in plantsoenen, inderdaad bij Afvalpunten van diverse gemeenten, en soms zelfs in vuilnisbakken op straat. Allemaal zeer verontrustend. Maar goed, nu het voorwerp zelf. Wat weten we daarvan?

Welnu, ik werd onlangs gebeld door een oude kennis die goed is ingevoerd in de wereld van geheime diensten, over een heel ander onderwerp, dat had te maken met geheime plannen van de NAVO om Texel om te bouwen tot een ondergrondse atoombasis, wat er niet van gekomen is omdat men niet kon instaan voor de radioactieve gevolgen voor de Noord-Atlantische visvangst, naar verluidt. Maar goed, de verbinding werd toen ineens verbroken, en ik hoorde mijn kennis nog net roepen: ‘Nee! Zet dat ding niet op mijn hoofd!’ Daarna heb ik hem nog maar één keer ontmoet, bij toeval in de supermarkt hier in het dorp waar hij een beetje verdwaasd diepvriesmaaltijden in zijn karretje aan het stapelen was. Ik vroeg hoe het met hem ging maar hij lachte alleen maar en zei iets als ‘mijn codenaam is Blauw Varkentje’. Dus die is uitgeschakeld. Hoe dan ook, brengt u dit voorwerp onder geen beding naar de gemeente! Het is goed mogelijk dat zij het juist in uw tuin hebben geplant.

Ik wil u niet nodeloos schrik aanjagen, maar u moet beseffen dat er mogelijk een verband is met uw werksituatie en gezondheid. U spreekt in uw brief van een reeks burn outs. Wanneer begonnen die? Het zou natuurlijk heel goed kunnen dat er een verband is met het voorwerp dat in uw tuin is verstopt. Straalt er ’s nachts groen licht uit, als u uit uw raam kijkt? Dat kan een aanwijzing zijn.

U kunt mij misschien het beste uw medisch dossier doen toekomen, uiteraard in een goed gesloten bruine enveloppe, dan zal ik de zaak nader bestuderen en voorleggen aan mijn contacten. Ik ben ook benieuwd naar uw buren die naar ik begrijp een rol spelen in dit verhaal, dus ik raad u aan om, met een klein toestel dat geen sluitergeluid produceert, onopgemerkt enkele fotografische opnames van hen te maken en mij ook die te doen toekomen, uiteraard opnieuw in een gesloten bruine enveloppe. Materiaal uit huisvuil is ook welkom, als u kans ziet onderdelen te bemachtigen die ons mogelijk iets leren over hun contacten. Ik kan natuurlijk niets beloven, maar dit is een ernstige zaak waar wij zeker nader over moeten spreken, in deze rubriek of in persoonlijk contact. Indien bellen of mailen niet mogelijk is, stuurt u mij rooksignalen conform het codesysteem van de laatste der Mohikanen – dat kan vanuit uw tuin.

Feodale grootgrondbezitters doen het met subsidie

Het is de hoogste tijd dat de natuursubsidies die het Oranje-huis en andere grootgrondbezitters in Nederland ontvangen door een rechter worden getoetst. De feodale Natuurschoonwet van 1928 is daarnaast dringend aan revisie toe, aldus August Hans den Boef.

Tekst: August Hans den Boef

Het gaat slecht met onze natuur. Staatsbosbeheer kapt en kapt omdat het van het ministerie van Economische zaken en Klimaat (sic) geld moet verdienen. Dit in tegenstelling tot Natuurmonumenten en de twaalf provinciale landschappen, die land opkopen om te transformeren tot natuurgebied en juist zo weinig mogelijk kappen.
Helaas lopen deze nobele instellingen het gevaar miljoenen euro’s aan verleende subsidies aan de Nederlandse Staat terug te moeten betalen. Die zijn onterecht verleend volgens een vage organisatie met de naam Vereniging Gelijkberechtiging Grondbezitters (VGG).

Maar de naam van initiatiefnemer Seger baron van Voorst tot Voorst, de directeur van Het Nationale Park De Hoge Veluwe die het liefst eigenhandig alle nederwolven lijkt te willen afknallen, doet wel een alarm rinkelen.
De VGG trok ten strijde tegen de haars inziens ‘concurrentievervalsende discriminerende subsidies’ die aan Natuurmonumenten en de provinciale landschappen waren verleend. Nadat de Vereniging vond dat ze bij een aantal lagere Europese instanties onvoldoende gelijk kreeg, stapte zij naar het Europese Hof, dat deels positief reageerde. Want de VGG wil niet alleen een uitspraak over de onrechtmatigheid van de subsidies, maar ook over de plicht tot terugbetaling. Dit in de hoop dat daardoor de natuurorganisaties weer delen van hun grondbezit moeten verkopen. Wraak is een gerecht dat immers heel goed koud kan worden gegeten.

Natuurmonumenten interpreteert de uitspraak van het Europese Hof anders en meent dat het zo’n vaart niet zal lopen. Maar waarom gaat zij niet samen met de twaalf provinciale landschappen in een tegenaanval?

Er is namelijk heel wat concurrentievervalsing en discriminatie waarvan grootgrondbezitters zelf profiteren. Die krijgen bijvoorbeeld vele miljoenen uit de Europese subsidieruif, omdat ze door een weeffout juridisch als boeren gelden. Met name profiteren daarvan de vrienden van Viktor Orbán en de Britse adel, onder wie het staatshoofd ER, dat tussen de 570.000 en 725.000 euro per jaar ontvangt. Straks zijn de Britten weg, wat de kans wat groter maakt dat de EU de grootgrondbezitters hun cadeautjes ontneemt.

Van ons land zou de EU eens de Natuurschoonwet 1928 moeten bekijken. In het leven geroepen om buitenplaatsen, landgoederen en kastelen in de familie te houden. Met vrijstellingen voor de inkomsten-, vennootschaps-, overdrachts-, schenk- en erfbelasting. De WOZ-waarde van objecten kan via deze wet fors verlaagd worden, wat leidt tot minder onroerendezaakbelasting en lagere waterschapsheffingen.

Zo’n Natuurschoonwet is natuurlijk door en door feodaal. Een banketbakkerij die al tien generaties van vader op zoon overgaat, valt niet onder zo’n regeling. Oude familiebedrijven met het predicaat Koninklijke gaan gewoon failliet.

Ik wens Natuurmonumenten veel sterkte en zal als lid (dat geldt ook voor Gelders Landschap & Kastelen) desgewenst gaarne een extra bedrag doneren wanneer subsidies moeten terugbetaald en/of er Europese rechtszaken worden aangespannen tegen Nederlandse grootgrondbezitters. Laat de EU hierbij vooral ook kijken naar de Kroondomeinen. Het domein bij Apeldoorn zit weer tot eind dit jaar op slot voor de Oranje-jacht en dat mag niet volgens de regels voor de 4,7 miljoen natuursubsidie die koning Willem-Alexander daarvoor jaarlijks incasseert.

Het zal de EU interesseren dat, terwijl die subsidie volgens de Nederlandse wet dus onrechtmatig is verleend, de lakeien van Rutte III weigeren op te treden.

Hopelijk, wordt vervolgd.

Complotprofessor Karel weet raad (2): hoe herken je het reptiel in Bill Gates?

Wegens groot succes geprolongeerd: de onverschrokken complotprofessor Karel en zijn demasqué van de ons voorgespiegelde werkelijkheid. De meester van de grondige analyse behandelt op deze plek wekelijks brandende vraagstukken waarmee zijn achterban worstelt. In deze aflevering: hoe herken je het Reptiel in Bill Gates?

Tekst en illustratie: Sjoerd de Jong

Geachte professor Karel,

Heel veel dank voor uw heldere uitleg over alles wat er aan de hand is! Toch heb ik een vraag. Als ik mijn televisie omzet van analoog naar digitaal, vanwege de beeldkwaliteit, zie ik vaak opeens het gezicht van Bill Gates. Ik hoor dan ook zijn stem. Hij zegt: ‘Kijk me aan, Auke! Zie je mijn groene schubben? Zie je hoe ik verander in een reptiel?’ Het probleem is: ik zie het niet. Ik blijf gewoon Bill Gates zien. Mijn vraag aan u: ligt het aan mij of aan mijn toestel? Het is een Sony KD-49XG7004 waar ik verder nooit problemen mee heb.

Auke de Vries

Beste Auke,

Zoals je weet hou ik er niet van als mensen om de zaken heen draaien, dus laat ik het je recht op de man af zeggen: het ligt aan jou. Het punt is, dat de vibraties die nodig zijn om het reptielenkarakter van Gates te zien – of, op een iets lagere frequentie, dat van Rutte – alleen kunnen worden opgevangen door iemand die in de juiste frame of mind is. Kijk, het punt is dat wij, althans de meesten van ons, zo zijn gehersenspoeld door de media dat we out of touch zijn met die vibraties, die volgens sommige bronnen – maar dat heb ik nog niet goed kunnen controleren – een buitenaardse oorsprong hebben.

Bij de meeste toestellen die ik ken, met name de oudere Philips-modellen die werden geproduceerd toen dat bedrijf zich nog niet exclusief had toegelegd op medische technologie (een overgang die natuurlijk ook niet toevallig was, kort voor de zogenaamde corona-pandemie), is het zo dat Gates zijn werkelijke aard al onthult bij gewoon wat domweg ‘zappen’ tussen diverse kanalen. Althans, voor wie zich niet voor de gek laat houden, natuurlijk. Nu kijk ik zelf bijna geen televisie meer – nou goed, om Ted de Braak kon ik nog wel lachen, ooit, maar nu is het een en al staatspropaganda – maar de laatste keer dat ik mijn toestel aanzette, zag ik Gates meteen shapeshiften.

Ik kan dus alleen maar concluderen dat hier bij jou een persoonlijke blokkade speelt, veroorzaakt door factoren in opvoeding, werk of mediagebruik. Is het mogelijk dat je bij de Nederlandse of een andere westerse overheid werkt? Dat zou natuurlijk alles verklaren. Mijn contacten bij internationale instanties die afhankelijk zijn van Washington of de NAVO kampen bijvoorbeeld thuis met hetzelfde probleem: zij zien het ook niet.

Ik kan je maar één ding aanraden: neem ontslag. Alleen zo kan vermoedelijk de jarenlange conditionering van je geest worden doorbroken. Overigens moet ik er nog wel aan toevoegen dat je het reptiel-uiterlijk van Gates natuurlijk niet te letterlijk moet nemen, dan komen we ook weer in sprookjes terecht. Het gaat in feite om de chip die hij in de wereldbevolking wil laten implanteren om ons gedrag en denken te manipuleren, of die nu van buitenaards materiaal is of niet. Het kan dus ook zijn, al wil ik de mensen niet banger maken nodig is – dus heel bang – dat bij jou die chip al is geïmplanteerd. Ja, dan kun je de waarheid inderdaad niet meer ‘zien’. In dat geval zit er niets anders op dan neurologisch onderzoek, om die chip te laten verwijderen en je brein opnieuw te laten programmeren. Doe dat alleen in godsnaam wel bij een niet-erkende instantie! Anders ben je nog verder van huis!

Onttroonrede 2020

In de Onttroonrede 2020 nam de koning definitief afscheid van de Staten-Generaal en bleek de kroonprinses zich uit schaamte voor haar ton staatssteun voor 24 dagen meerderjarigheid te hebben gekandideerd voor het lijstduwerschap van de Partij voor de Republiek.

Leden van de Staten-Generaal,

Ik zit hier een beetje ongemakkelijk, want u had van mij natuurlijk verwacht dat ik in deze troonrede zoals gebruikelijk een dikke veer in het achterste van de regering zou steken en geruststellende woorden zou uitspreken over de crisis die ons land bedreigt en hoe het ondanks alles hier toch uiteindelijk één grote Dik-Voor-Mekaar Show is. Een dergelijke rede lag inderdaad al voor mij klaar om hier op deze plek door mij voorgelezen te worden. Maar na ampel beraad heb ik besloten die speech te laten voor wat die is en voor deze ene keer eens recht uit mijn hart tot U te spreken. Dat alleen zou normaal gesproken direct goed zijn voor een constitutionele crisis van kingsize formaat, vanwege die ministeriële verantwoordelijkheid, maar ik verzeker u, dat is vandaag wel de minste zorg die U heeft. Ik hou het namelijk voor gezien met dat koningschap, en wel nu, met ingang van vandaag.

Op weg in de auto naar deze zaal, eindelijk eens niet in die potsierlijke Gouden Koets of die al even afzichtelijke Glazen Koets, jubelde mijn hart bij het vooruitzicht dat ik na het uitspreken van deze speech deze zaal als een vrij man zal verlaten en dat ook mijn kinderen vrij zullen zijn van de last van het koningschap. Ook mijn vrouw steunt mij volledig in mijn besluit voortaan door het leven te gaan als ambteloos burger en zij heeft al de eerste stappen gezet op weg naar het zelfstandig ondernemerschap waarvan zij nu al jaren heeft gedroomd. Zij zal hier in Den Haag haar eigen tango-dansschool openen – Tango Máxima, als u mij toestaat een beetje sluikreclame te maken – en wij verwachten er beiden heel veel van.

Wat ik zelf precies ga doen na vandaag is mij nog niet helemaal duidelijk. Graag was ik bondscoach van het Nederlands dameshockeyteam geworden, maar misschien is dat te hoog gegrepen en lig ik na vandaag ook niet meer zo goed bij de leiding van de Koninklijke Nederlandse Hockeybond, die uiteindelijk ook naar een andere naam zal moeten omzien.

Wellicht is het nuttig als ik u een beetje uitleg wat me tot deze abdicatie heeft gebracht. Laat ik beginnen te zeggen dat het proces in mijn hoofd al geruime tijd aan de gang was. In het begin heb ik er alles aan gedaan om er wat van te maken, want ja, je wordt als kroonprins toch je hele leven klaargestoomd voor deze job en je wilt de mensen ook niet teleurstellen. Maar na verloop van tijd schoot er bij mij de twijfel toch in en de laatste tijd kon ik me alleen nog met de grootste mogelijke tegenzin naar mijn werkpaleis begeven. Toen kwam Corona, het kroonvirus, en werd alles me opeens kristalhelder.

Zo werd het me duidelijk dat het eigenlijk toch helemaal van de pot gerukt was dat in een tijd dat de Nederlandse jeugd massaal werkeloos is geworden en iedereen tot 27 jaar oud 4 weken moet wachten om überhaupt in aanmerking te komen voor een schamele uitkering waar je niet eens de huur van kunt betalen, mijn oudste dochter het komende jaar al voor helemaal niets een dikke ton belastingvrij van de Staat zou krijgen toegeschoven om dat ze dat jaar welgeteld 24 dagen 18 jaar oud is en dus op de loonlijst van het Rijk staat. Ook Amalia schaamt zich eigenlijk plus size over deze toestand en het doet mij deugd hier u hier op deze plaats te kunnen vertellen dat ook zij, net als haar zusjes, voor de troon bedankt en inmiddels heeft gesolliciteerd naar de functie van lijstduwer van de Partij voor de Republiek.

Ook zelf neem ik bij deze afscheid van alle financiële privileges die de Grondwet, die na vandaag trouwens met spoed zal moet worden herschreven, mij verschaft. Dat scheelt de staatskas zeker 350 miljoen euro op jaarbasis, en geloof mij, die zult u de komende jaren heel goed kunnen gebruiken. Misschien kunt u van dat geld nog een paar duizend vluchtelingenkinderen uit het brandende Lesbos opvangen, want eerlijk gezegd schaamde ik mij als uw koning de ogen uit mijn kop toen ik u in regering en parlement bezig zag met afpingelen om uw bijdrage aan de hulp bij het kolossale menselijke drama dat zich daar op dat eiland afspeelt zo beperkt mogelijk te houden. Zuinigheid is een vaderlandse deugd, zo heb ik mij laten vertellen, maar als die omslaat in gierigheid en harteloosheid, is het een tamelijk weerzinwekkend gezicht.

Zelf heb ik ieder geval die twee miljoen euro kostende motorboot die ik op uw kosten heb mogen aanschaffen bij mijn Griekse buitenhuis inmiddels koers laten zetten naar Lesbos om zoveel mogelijk kinderen uit die hel, die het resultaat is van het ondoordachte idee om een groot hek te zetten rond de buitengrenzen van de EU, te redden en onvervaard over te brengen naar een van de paleizen die u mij ter beschikking heeft gesteld. Daarna moet u maar verder kijken, ik hoef die paleizen niet terug, en die Kroondomeinen, die u eigenlijk zou moeten teruggeven als onze monarchie ten einde kwam, mag u ook houden. Ook al die schilderijen en kunst in die paleizen mag u naar believen nationaliseren, want neem van mij aan, we hebben in de loop der eeuwen echt genoeg aan u verdiend en dit is de tijd om eens wat voor u terug te doen.

Leden van de Staten-Generaal,

De coronacrisis stelt ons ernstig op de proef in alles wat van waarde is: gezondheid, werk, familie en vriendschappen. En we realiseren ons: juist nu wordt gezamenlijkheid en verantwoordelijkheid gevraagd. Bij elke generatie leven in deze tijd specifieke zorgen en vragen. Maar precies in de verbondenheid tussen generaties kan iedereen, jong en oud, op zijn of haar eigen plaats een bijdrage leveren om deze moeilijke periode te boven te komen. Met dit afscheid als uw koning doe ik mijn bijdrage. Onze belangrijkste zekerheid is dat Nederland economisch, sociaal en mentaal steeds veerkracht toont. De opdracht in het parlementaire jaar dat vandaag begint, is over deze crisis heen de toekomst te blijven zien en te blijven werken aan perspectief voor alle generaties. U mag zich in uw werk gesteund weten door het besef dat velen u wijsheid toewensen en met mij roepen: Leve de Republiek!

Column Roel van Duijn: Europa is een eiland

Tekst: Roel van Duijn, Amsterdam-Fulda

Waar vind je nog democratie?

Ik bedoel gewoon eerlijke verkiezingen, vrijheid om je mond open te doen en onafhankelijke rechters. Ik denk nu niet eens landen waar de monarchie is afgeschaft of de macht van het geld aan de ketting gelegd is (die laatsten bestaan nog niet). Maar toch: democratie. Nederland, Duitsland en Engeland bijvoorbeeld, waar je je voor goede zaken kunt inzetten zonder grote kans dat je in de gevangenis komt. Ook als zulke acties tegen de belangen van de regering ingaan.

Volgens het Handvest van de Verenigde Naties zouden overal in de wereld de mensenrechten moeten worden hoog gehouden. Dat hebben 51 landen in 1945 zo afgesproken en sindsdien is het door 193 landen ondertekend.

Driekwart eeuw hebben al die landen nu de kans gekregen democratie en mensenrechten alledaags te maken.

Maar waar is dat gelukt?

Eigenlijk alleen in Europa, waar zelfs viruswaanzinnige complotdenkers zich tegen logische maatregelen, om de gezondheid te beschermen, verzetten en hun gang mogen gaan. Ze leveren zelf het omgekeerde bewijs voor hun stelling dat wij in Europa in een dictatuur leven. Ze zijn de stem van Bolsonaro en Loekasjenko en andere virusontkenners, buiten Europa vaak aan de macht, maar hier klinkt diezelfde stem in de sektarische rand. Om zich thuis te voelen zouden ze beter in Brazilië, de USA of Turkmenistan kunnen wonen.

In Europa is de democratie intern begrensd, Polen en Hongarije hebben de onafhankelijke rechter gedumpt en het vrije woord aan de voetklem gelegd. Bulgarije, Roemenië en nog wat landen zijn zo corrupt dat steekpenningen het democratische systeem verminken.

Maar buiten Europa?

In Azië heerst de zwartste dictatuur sinds Hitler. China perfectioneert de onderdrukking van de mensenrechten tot in de puntjes. Vrijwel alle Aziatische staten hebben regeringen die hun eigen macht maximaal opblazen. Tot aan de grenzen van Europa toe.

Nu is het weer Wit-Rusland, waar de regeringsleider bij verkiezingen de uitslag verzint in plaats van de stemmen te tellen en daarvoor de felicitaties van Poetin krijgt. Linkse partijen in Europa, zoals de SP en Die Linke, die ondanks alles Rusland in bescherming nemen, vergeten dat daar een wodka-kapitalisme heerst dat wet en recht in een ijzeren greep heeft.

In Afrika is het niet anders, met dit verschil dat de staat er vaak nog gebrekkig is en minder vaak is uitgerust met een perfect onderdrukkingsapparaat. Zodat autoritair gezag er van tijd tot tijd plaats maakt voor burgeroorlog. Dat geldt ook voor Zuid-Amerika, waar lieden als Maduro in Venezuela en Bolsonaro in Brazilië nog steeds de bevelen uitdelen.

De USA dan?

Ja, non-conformistische Russen en Aziaten mogen nog altijd watertandend denken aan de burgerrechten die in de USA gelden. Trump is er niet in geslaagd de pijlers van de democratie te verwoesten. Maar hij heeft er wel zijn tanden in gezet. De kracht van democratisch gezinde media is verminderd door zijn systematische laster. En het blijft een vloek op de democratie dat een presidentskandidaat die de meeste stemmen van het gehele volk krijgt het toch aflegt tegen de kandidaat die de meeste kiesmannen verovert.

Racisme discrimineert en vreet als gif in de democratie van de USA. Maar waar in de wereld is er minder racisme?

Rollen omgekeerd

Is Rusland rijp voor een zwarte Kaukasiër als president?

Vergeet het maar, er is nu een nieuwe grondwet aangenomen die bepaalt dat Rusland een land eigendom is van het Russische volk, dus van witte mensen en niet van de ‘zwartkonten’, zoals ze genoemd worden. Zou in China een Oeigoer of een Tibetaan president kunnen worden? Je weet het antwoord. Kan in India een lid van de laagste kaste of een Islamiet staatshoofd worden? In die landen wordt geen opstand van de gediscrimineerde volken geduld en is er nauwelijks openbare discussie over hun politieke rechten.

Alleen in Europa is er minder racisme dan in de USA, is mijn stelling. Natuurlijk bestaat er hier discriminatie op de arbeidsmarkt en worden er aanslagen gepleegd op mensen met een andere huidskleur. Maar toch. Het lukt de voorhoede der gediscrimineerden hier en daar door te dringen tot hoopvolle posities en Zwarte Piet zwaait af. Europese regeringen nemen openlijk afstand van hun verleden als slavenhouders. Kritische geschiedschrijving is niet alleen toegestaan, maar wordt aangemoedigd. Dolle politiemachten, zoals Trump die afstuurt op demonstranten tegen racisme, heb ik de laatste tijd in Europa niet meer gesignaleerd.

Het racisme bestaat ook hier, maar het brokkelt af. Racistische groeperingen staan onder verdenking van de geheime diensten. Ook al zijn die zelf geïnfiltreerd door racisten, vergeleken met vroeger zijn de rollen omgekeerd. Het kernland van de Europese Unie, Duitsland, heeft bewust een ongekend aantal vluchtelingen opgenomen zonder op hun huidskleur te letten.

Angst en woede

Europa is temidden van een omsingeling van dictaturen, een eiland van democratie en mensenrechten.
Het worstelt met interne en externe bedreigingen. Europa vertegenwoordigt een slinkende 7 procent van de wereldbevolking. Vingers en vingertjes heeft de Europese Verlichtingsgeest nog bijna op de hele planeet. Ook economische, zoals de gaspijp die via de Oostzee Russisch gas aan Europa moet gaan leveren. Met ook Europees kapitaal, dus zulke projecten zijn machtsmiddelen die gebruikt zouden kunnen worden om democratische politiek te bevorderen.

Maar ons continent is geïntimideerd. Het durft niet meer op te treden tegen de massale arrestaties door Erdogan, tegen de ontrechting van Hong Kong, tegen de Saoedische propaganda in Europese moskeeën, niet echt tegen afbraak van de rechtsstaat in Oost-Europese landen. Waarom zo weinig daadwerkelijke solidariteit met de vrijheidsstrijders in de verstikking om ons heen?

Omdat we bang zijn geen zaken meer te kunnen doen in de dictatuurstaten.

Europa is een eiland. Niet een fort, maar een havenrijk eiland dat in gevaar is. Het maakt mij treurig, maar het is tijd voor woede.

Tijd voor vurige en materiële steun aan de democratische oppositie in al die landen die door terroristische regiems worden beheerst. In China, ook al wordt daar dan geen Duitse auto meer verkocht. In Rusland, ook al sturen hun trollen dan nog meer fake nieuws. Steun aan individuen die voor burgerrechten vechten en daarom gevangen zitten, aan milieugroeperingen en historici die overal in de wereld ongewenste waarheid blootleggen en daarvoor gestraft worden.

Het is tijd voor actie voor individuele burgers van Europa om bondgenootschappen te sluiten met mensen in dictatoriale staten.

Svetlana Tichanovskaja, je denkt toch niet dat wij, nu je de verkiezingen in Wit-Rusland gewonnen hebt en je daarom onder chantage je land hebt moeten verlaten, jou en jouw mensen in de steek laten?

Hup Europa, laat je niet opsluiten op een eiland!

Roel van Duijn was mede-oprichter van Provo, de Kabouterpartij, de Oranje Vrijstaat, wethouder namens de PPR in Amsterdam, mede-oprichter van De Groenen en ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Hij is auteur van vele boeken, waarvan de jongst verschenen titel Een zoon voor de Führer, de nazi-utopie van Julia Op ten Noort is. Hij is vaste columnist van De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht & burgerschap.

1 2 3 6