Nieuws

Tussen vorm en inhoud: Nederland en de schaduw van de bezetting

Gebukt onder schuldgevoelens over passiviteit en collaboratie tijdens de bezetting vond Nederland zichzelf na de Tweede Wereldoorlog opnieuw uit. Maar in hoeverre speelt de verdrongen schaamte nu nog een rol?

 

Tekst Arjan Hebly

 

De nette, fatsoenlijke Nederlandse mens kenmerkt zich door netjes met elkaar omgaan, beleefd communiceren met elkaar, ook in het geval van meningsverschillen, dus niet schelden, niet (zichtbaar) kwaad worden, laat staan gaan vechten, de ander de ruimte geven, je inleven in de ander, argumenten op een redelijke manier met elkaar uitwisselen, naar elkaar luisteren, jezelf klein durven maken, jezelf (schijnbaar) wegcijferen wanneer je in contact bent met achtergestelde personen. Deze omgangsvormen zijn het resultaat van een lang opvoedings- en beschavingsproces, beginnend in het gezin, maar daarna doorgezet op scholen, universiteiten, in verenigingen, de sport en op het werk. De gehele samenleving is ermee doordesemd en zeker ook de gehele bureaucratie, de rechtspraak, het onderwijs en natuurlijk bovenal de media en de politiek, kortom in alle ideologische staatsapparaten, zoals de Franse filosoof Althusser dat noemt. Dat betekent niet dat mensen elkaar onderling geen loer draaien, vernederen, macht uitoefenen, mishandelen of wat dies meer zij, maar dit gebeurt veelal binnen de bovengeschetste vormelijke schil.

Deze zo breed beleden vormelijke opvoeding en cultuur is niet van alle tijden, maar is het resultaat van een beschavingsproces dat in zijn breedheid na de Tweede Wereldoorlog goed op gang is gekomen. Na de verschrikkingen van deze oorlog hebben we aan elkaar beloofd: ‘Dit nooit meer’. Tastbare resultaten zijn de Verenigde Naties, de Europese Unie, diverse internationale gerechtshoven (Den Haag profileert zichzelf graag als ‘De stad van Internationaal Recht en Vrede’), de euro, talrijke internationale organisaties en verdragen op allerlei gebied, niet in de laatste plaats op het gebied van de vrijhandel. Het vervagen van grenzen, talen en culturele verschillen, tussen landen en volken is hiermee onlosmakelijk verbonden. Een werkelijk eerlijke, door mensen zelf geordende wereld, weg van welk denkbaar totalitarisme, stond ons hierbij voor ogen. Welk weldenkend mens zou hier in hemelsnaam tegen kunnen zijn?

Schuld

Naar de inzichten van Freud is de vraag van het schuldgevoel het belangrijkste probleem van de cultuur. Cultuur veronderstelt namelijk verinnerelijke dwang en die dwang heeft schuldgevoel, onbehagen tot gevolg. Mogelijk dat collectief beleefde gevoelens van schuld ook van invloed kunnen zijn op het optreden en het handelen van een volk of een land. Hoe uit de schuld zich in het handelen van collectieven? Schuldgevoelens kunnen leiden tot moreel masochisme. Een persoon die zich door zijn schuld nooit gelukkig mag voelen. Een andere uitingsvorm is dat men een superlatief ‘boven-ik’ produceert. Zo doet een persoon zich na een laffe daad voor als de moedigste mens die ooit bestaan heeft. Hij kan dat alleen maar doen als van zijn daad geen getuigen zijn, of als de omstanders even laf waren, waardoor zij het nieuw gevonden heldhaftige gedrag van deze mens heimelijk gedogen. Dit ‘over je eigen schaduw springen’ is in wezen een innerlijke beweging weg van de kern van jezelf.

Je zou kunnen zeggen dat na de Tweede Wereldoorlog een groot deel van de wereld gebukt ging onder een gevoel van schuld, een gevoel van schaamte, over het eigen handelen. Slechts een handjevol landen bevrijdde zichzelf van de nazi’s, waaronder ten eerste Rusland, maar ook Servië en enkele andere landen met sterke partizanengroepen. Bij die groep hoorde Nederland zeker niet.

Het is goed voorstelbaar dat Nederlanders zich op twee manieren schuldig voelden. Ten eerste hebben we, met onze christelijke moraal, het antisemitisme voor, tijdens en na de oorlog welig laten tieren. Ten tweede zijn we eerst bezet door de Duitsers en daarna hebben we ons lijdzaam laten bevrijden door de geallieerden. Natuurlijk was er verzet, maar dat speelde geen doorslaggevende rol bij de bevrijding. De opstelling van het land als geheel was niet bepaald heldhaftig. Onze heimelijk gevluchte vorstin en het optreden van haar familie voor, tijdens en na de oorlog is van dit over je eigen schaduw springen misschien wel het duidelijkste voorbeeld.

Gidsland

Want wat zien we na de Tweede Wereldoorlog? Er is geen vorstenhuis in de wereld dat zich na de oorlog zo heeft ingezet voor een nieuwe wereldorde gebaseerd op vrede, respect en samenwerking. Denk aan de pacifistische toespraak van koningin Juliana in het Amerikaanse congres in 1952 en de oprichting door prins Bernhard van de illustere Bilderbergconferenties in 1954. Van een aantal bekende Nederlanders werd het ‘schaduw springen’ bekend, zoals van schilder/dichter Lucebert en de gevierde architect J.J.P. Oud (een voormalige vriend van Piet Mondriaan), ontwerper van zowel het Nationaal Monument op de Dam als het monument voor de gevallenen op de Grebbeberg. Hoe cynisch wil je het hebben?

Het Nederlandse volk deed niet veel anders. We steunden ons koningshuis, wat aangeeft dat we wisten dat we zelf geen haar beter waren geweest, straften de aperte slechteriken en vernederden publiekelijk graag de kruimeldieven van de oorlog. Zo dachten we ons blazoen wel voldoende te hebben gezuiverd. In een onlangs uitgezonden documentaire over dirigent Bernard Haitink legt deze precies de vinger op de zere plek. De naoorlogse dagen, voor iedereen toch een feest, zou je denken, waren voor hem – zoon van een halfjoodse moeder en een vader die als gijzelaar in een Duits concentratiekamp belandde – in al zijn hypocrisie een gruwel. Gevolgd door te stellen dat hij liever in Engeland wil sterven dan in Nederland.

En de Joden? Binnenlands negeerden we hun leed en daarna bekritiseerden we de Joden om hun oorlogen in Israël. Het weldenkende deel van het volk ging zich inzetten voor die nieuwe wereldorde. En alle ideologische staatsapparaten, waaronder bovenal het onderwijs, de media en de politiek, vulden zich hoe langer hoe meer met dit ogenschijnlijk onafwendbare en fatsoenlijke gedachtegoed. Maar in wezen was dat een weg van vervreemding, aangezien we een deel in onszelf ontkenden.

Hybris

De Griekse mythologie kent het fenomeen hybris, dat zich laat omschrijven met overdreven trots, hoogmoed, grootheidswaan, brutaliteit, onbeschaamdheid en verblinding. Dit proces lijkt ook van toepassing op volken en landen die hun eigen, meestal schaamtevolle, handelen uit het verleden niet onder ogen willen zien en daar op een verwrongen manier mee omgaan. Het handelen komt dan niet voort uit kennis over zichzelf, maar uit een overdekking daarvan, door zich juist op te stellen als de tegenpool ervan. En deze valse manier van kijken beneemt mensen ook de mogelijkheid om de werkelijkheid om zich heen zuiver te zien.

Want dragen de naoorlogse Europese instituties die de elites in het leven geroepen hebben in potentie niet alle kenmerken in zich om tot een dictatuur uit te groeien, iets waarvoor we juist wilden wegvluchten? Is de zorg voor degenen waarvoor regeringen direct verantwoordelijk zijn niet te zeer uit het zicht verloren? Hoe beheers- en bestuurbaar is een bureaucratische moloch als de Europese Unie eigenlijk nog? Is het huidige onhandige handelen van Europa met betrekking tot het coronavaccin daarvan niet een voorbeeld? Is de ongebreidelde uitbreiding richting het oosten en de isolering van Rusland historisch een juiste keuze? Is de vrijhandel met Derdewereldlanden niet alleen bedoeld om onze eigen middenklasse, de kiezers van de elite, betaalbare producten te doen toekomen, waardoor zij zich rijker kunnen wanen dan ze in wezen zijn? Is de nijd waarmee wij de Serviërs benaderen, culminerend in de schandelijke bombardementen in 1999, misschien niet ergens ver weg ook het gevolg van afgunst op hun heldendom en onze lafheid tijdens de Tweede Wereldoorlog? Hoe gerechtvaardigd is ons opgeheven vingertje richting Israël en onze verheerlijking van organisaties als de PLO?

Verzoeningsritueel

Natuurlijk moet iedereen door, ook nadat je als persoon, volk of land iets gedaan hebt waar je achteraf moeilijk trots op kunt zijn. In oude verhalen wordt wel verhaald over het doen van een offer, wat ook een persoonlijk offer kan inhouden. Of over het doen van een publieke of meer private bekentenis. Mogelijk dat we van verzoeningsrituelen van andere culturen nog veel kunnen leren (denk aan Zuid-Afrika en Rwanda). Het belang zit niet zozeer in het soort handeling, maar in het onder ogen durven zien van je eigen duistere handelen. Door dit over te slaan en het verborgen te houden, zadel je niet alleen jezelf maar ook volgende generaties op met onbehaaglijke gevoelens die de grond onder hen onvast maken en hen met eenzelfde geestelijke blindheid kunnen infecteren. En door jezelf beter te leren kennen wordt het zicht op de werkelijkheid om je heen ook gaver.

 

Arjan Hebly is architect en doceerde onder meer aan de Technische Universiteit Delft.

 

Dit artikel verscheen in de april-editie van De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht & burgerschap.

Zeven zonden in het denken van Rutger Bregman

/

De meeste mensen deugen van Rutger Bregman werd uitgeroepen tot het Beste Boek van het Jaar 2020 en de auteur wordt bedolven onder eerbewijzen als een van de belangrijkste denkers van deze tijd. Volgens Ricus van der Kwast is hier sprake van een collectieve zinsbegoocheling.

 

Tekst Ricus van der Kwast

Illustratie Gabriel Kousbroek

 

1.

 Het had veel weg van een sociaal-psychologisch experiment. Wat als je te horen krijgt dat een boek, non-fictie notabene, sinds zijn verschijnen onafgebroken in de top van de bestsellerlijst prijkt, dat er alleen al in Nederland binnen driekwart jaar meer dan 200.000 exemplaren van verkocht waren, dat er hoofdstukken verfilmd gaan worden, dat de schrijver theatervoorstellingen geeft, te gast is in TV-shows, interviews geeft aan zowat alle dagbladen en tijdschriften in Nederland en Vlaanderen, dat diezelfde schrijver bejubeld wordt in Der Spiegel, The Guardian, Le Monde, durf je dan nog te zeggen dat de man volgens jou maar een hoop poppycock verkondigt? Of is dat vloeken in de kerk en hou je wijselijk je mond?

Afgelopen november won De meeste mensen deugen van Rutger Bregman de NS Publieksprijs. Het mag zich nu tooien met de titel Beste Boek van het Jaar 2020, nadat ik overigens had durven zweren dat het ook al Boek van het Jaar 2019 was. Het boek blijkt in elk geval pandemic proof. Terwijl in deze crisis de onverdraagzaamheid en ons egoïsme dagelijks zijn stellingen tarten, gaat het succes voor Bregman en zijn boek onverdroten verder. In februari koos de Universiteit Utrecht hem tot alumnus van het jaar, uit meer dan 180.000 afgestudeerden.

Rutger Bregman is historicus en werkt als journalist voor De Correspondent. Hij grossiert in sympathieke ideeën. Geld gegarandeerd voor iedereen, een halve werkweek, zeg daar maar eens nee tegen. Zijn ideeën worden door de goed geoliede marketingmachine van De Correspondent aan de man gebracht en ze vinden gretig aftrek. Zijn werk was al in meer dan dertig landen verschenen, toen taxes-taxes-taxes, zijn schreeuw twee jaar terug op het World Economic Forum in Davos om meer belasting voor de rijken, hem wereldfaam verschafte. In De meeste mensen deugen, verschenen in september 2019, kwamen vervolgens alle lijntjes van zijn denken samen.

De meeste mensen deugen is geen toevalstreffer, net zo min als zijn schrijver een eendagsvlieg is. Bregman is een blijverd. Dan kun je je maar beter in zijn werk verdiepen, en dat heb ik gedaan.

 

2.

Het opus magnum van Bregman is een boek met een boodschap. De meeste mensen deugen, maar dat zijn we met de uitvinding van het eigendom, de landbouw uit het oog verloren. Vanaf dat moment wordt de macht gegrepen door autoritaire leiders, die vaak sociopatische trekjes vertonen. Alles zullen ze in het werk stellen om die macht veilig te stellen en zij worden daarbij gedreven door een cynisch mensbeeld. Maar die mens is juist in wezen goed en Bregman onderbouwt dat met talloze voorbeelden. Hij put daarbij vooral uit de experimentele psychologie, uit beide wereldoorlogen en uit faits divers. Nogal wat van die episodes zijn overbekend, kerstavond in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, het Stanford Prison Experiment, het onderzoek van Stanley Milgram. Een enkele is verrassend, de geschiedenis van Paaseiland bijvoorbeeld.

Er is een radicaal omdenken nodig, concludeert Bregman. De samenleving moet gebouwd worden op een nieuw realisme, dat vertrekt vanuit een positief mensbeeld. Vertrouwen moet de basis zijn. Het boek eindigt met – what’s in a number? – tien leefregels.

Verbazing, verwarring en ongeloof. Ze streden bij mij om de voorrang toen ik het boek uit had. Verbazing, omdat De meeste mensen deugen veel dunner is dan die 528 bladzijden je doen geloven. Dat komt door het gebruik van een reusachtig lettertype dat je verder nooit in beschouwende boeken aantreft. Maar er is meer dat dit boek dun maakt, en je voelt dat al in de proloog, als Bregman het overlevingsinstinct van de mens aanziet voor een bewijs van diens goedheid.

Verwarring, omdat die ene vraag maar door mijn hoofd bleef spoken: voor wie had Bregman dit boek nu eigenlijk geschreven? Soms, na weer een passage waarin hij uitlegde wat democratie betekende, of placebo, of ‘self-fulfilling prophecy’, meende ik het zeker te weten. Zijn doelgroep waren de vroegrijpe tienjarigen, met één been nog in een wereld van fabeldieren en fantastische avonturen,  maar wijsneuzig en geïnteresseerd. Elke avond lees je je kind een hoofdstuk voor uit de dikke Bregman. Voor je het licht uitknipt, kijk je samen nog even onder het bed. Zie je wel, er zijn geen monsters. Er zijn alleen maar enkele hele slechte mensen. Maar die kun je makkelijk herkennen. Ze hebben macht of geld, en meestal allebei.

Natuurlijk is er niets mis mee om opvoedkundige boeken voor aanstormende jongelingen te schrijven. Maar Bregman wil geen vrijblijvende verhalen vertellen. Hij wil de groten der aarde overtuigen. Dat wringt.

Ongeloof, omdat bij alle media-aandacht niemand zei wat zonneklaar was. Natuurlijk was er een enkeling die zich kritisch betoonde, ook buiten de kringen waar de messen al geslepen zijn voordat de man een woord op papier heeft gezet. Soms betrof dat de vorm, bijvoorbeeld toen Lotte Jensen in de Volkskrant de schrijfstijl kritiseerde, of één bepaald facet, zoals waarom het Milgram-experiment toch nog niet met het oud papier meekan. Vaak ging het gekissebis alleen over de titel, Bregmans boodschap: deugen we nu of niet? Zoveel reacties, en toch draaide iedereen om de hete brij, de kern, heen. Je hoorde niemand over zijn uitgangspunten en zijn redeneertrant. Alsof men bang was wat men dan zou ontdekken, bang om de toorn van het publiek over zich af te roepen.

Daar kon je je iets bij voorstellen. Tegenover elk voorzichtig tegengeluid stonden immers tien supporters met meer gezag, of ze nou Matthijs van Nieuwkerk, Geert Mak, Oek de Jong, Maarten ’t Hart of Jan Terlouw heetten. Wel haastten ook kritische commentatoren zich nog om zijn werk als leerzaam, deskundig, erudiet, ‘gebaseerd op een indrukwekkende berg bewijs’ te beschrijven. Wie hield hier wie voor de gek?

 

3.

Soms dacht ik dat het nog goed kwam, bijvoorbeeld wanneer hij zijn standpunten over zijn zelfverklaarde vijanden Thomas Hobbes of Adam Smith nuanceerde. Op andere momenten keek ik vol verwachting, vooral wanneer hij groepsdenken of groepsgeest aankaartte, pistes die hij helaas even snel weer zou verlaten. Maar nadat hij had afgerekend met Bertrand Russell en daarmee feiten definitief had ingeruild voor geloof en overtuiging, kwam het niet meer goed. Hij verloor zich in een voluntaristische ideeënjungle, en ik raakte hem kwijt.

Pijnlijk, want ik was het zo graag met hem eens geweest. Er zijn weinig mensen die meer sympathie voelen voor iemand die grootse, waaghalzige projecten start, daarbij zijn nek uitsteekt, de geschiedenis van de wereld wil herschrijven, over de grenzen van vakgebieden springt en heilige huisjes omver trapt, dan ik. Burgerpanels? Kom maar op. Homo ludens? Het liefst mijn leven lang. Zelfs met die titel kon ik een heel eind meegaan. Waarom werkte Bregman dan steeds meer op mijn zenuwen, wat ik bijvoorbeeld niet heb bij David Van Reybrouck, iemand die ook aan De Correspondent bijdraagt?

Wat zonneklaar was: Bregman vocht boven zijn eigen gewicht. Er waren de kleine ergernissen. Het boek had een warrige structuur, met delen, hoofdstukken, sub-hoofdstukken, titelloze stukken, een paar sub-hoofdstukken met hetzelfde nummer, terwijl je dan weer zoiets als een index met een ordening van namen en termen node miste. Het maakte al met al de indruk van een haastig, slordig afgewerkt boek. Je vergaf ’t ’m: niet iedereen krijgt in zo’n tempo zoveel woorden op gedrukt papier.

Het boek was ook humorloos. Dat viel te verwachten: wie zo door zijn eigen boodschap in beslag wordt genomen, vergeet afstand te nemen. Zelf moest ik welgeteld één keer grinniken, en dat was toen Bregman enthousiast een verblijf in een Noorse gevangenis aanbeval, want ‘dat betaalde zich dubbel en dwars terug’. Maar of hij het zo bedoelde als hij het had opgeschreven wist ik niet zeker.

Ik begon me pas echt ongemakkelijk te voelen toen ik merkte hoe losjes Bregman omgaat met feiten, bijvoorbeeld wanneer hij het ‘rank and yank’-systeem toeschrijft aan Enron en dat in één adem door als hoofdoorzaak noemt voor de ondergang van het frauderende concern. Dat systeem, waarbij werknemers ten opzichte van elkaar beoordeeld worden en de slechtst beoordeelde groep werknemers naar een andere baan kan uitzien, werd geïntroduceerd door Jack Welch, de bewierookte ex-baas van General Electric, ruim tien jaar voordat Enron überhaupt bestond. Al was ze nog zo abject, de methode was schering en inslag bij Amerikaanse concerns. Ook bij veel firma’s die vandaag nog springlevend en succesvol zijn (Microsoft, Amazon, Yahoo, Exxon Mobil, om er een paar te noemen), wat ook Bregman schoorvoetend moet toegeven. Hoe verleidelijk ook, je kunt de nuances van de werkelijkheid niet wegmasseren omdat ze je niet goed uitkomen.

Ronduit ergerlijk was dat je niet wist welke Bregman er aan het woord was. De historicus? De ondertitel van het boek – Een nieuwe geschiedenis van de mensheid – zette ons hier op het verkeerde been, want die rol wees hij nadrukkelijk af. Hij koos ervoor te schrijven over willekeurige gebeurtenissen, incidenten, anekdotes haast, uit die geschiedenis, ook als ze tijdens een wereldoorlog plaatsvinden. Dat was zijn goed recht, maar een historisch traktaat werd het daarmee allerminst.

De schrijver dan? Dat zou er al meer op lijken, als zijn toon niet zo betuttelend was, zijn taalgebruik niet zo tenenkrommend. Bregman schrijft in een soort powerpoint-stijl, waarbij de kogels, pardon: bullets, je als lezer om de oren vliegen. Hij hanteert daarbij het quasi-Nederlands dat vandaag zo in zwang is bij de doorsnee-hogeropgeleide. Die heeft zich met zijn kids gesetteld, ziet dat het gedaan is met zijn relaxte leventje, heeft geen tijd meer voor socializen of outrospectie, is bang dat hij een joekel van een fout gemaakt heeft, zeg maar gerust een gigafout, en verwacht dat elk moment de pleuris uitbreekt.

Ook niet de schrijver dus. Blijft over Bregman de ideeënman, de denker. Daar had het alle schijn van, zo werd hij ook het meest gezien door de buitenwereld. ‘One of Europe’s most prominent young thinkers’, schrijft UNESCO op zijn website. ‘We hebben maar een paar echte denkers en Rutger Bregman is er één van’, aldus de Vlaamse schrijver Jeroen Olyslaegers. Het Nederlandse wonderkind van de nieuwe ideeën, noemde The Guardian hem, De Morgen betitelde hem als één van de invloedrijkste politieke denkers van Europa.

Zo’n vooraanstaand denker, ver over de landsgrenzen, verdiende het dat je je indringend met hem bezig hield. En dus liet ik vorm, stijl en feiten voor wat ze waren, en dook ik dieper in zijn denken, zijn methode, aanpak, logica, argumentatie, de consistentie daarvan. Dat viel niet mee. Ik ontdekte hoe hij regelmatig zondigde tegen elementaire denkregels. Zeven hoofdzonden heb ik geteld.

 

4.

Het begon bij zijn methode. Wie wel eens wat wetenschap gesnoven heeft, weet hoe essentieel de toetsing van je eigen werk is. Maar Bregman wil dat niet. Het liefst wil hij elke discussie op voorhand uitsluiten. Hij gebruikt daarvoor drie middelen, stuk voor stuk retorische foefjes.

De eerste is erg doorzichtig. Het wemelt van de passages over iets wat wetenschappelijk is aangetoond, over publicaties in een of ander toptijdschrift, zonder ook maar in enig detail te treden. Natuurlijk had hij kunnen volstaan met een simpele verwijzing, maar die toevoegingen vervullen dezelfde rol als de labjassen die in reclames de nieuwste tandpasta aanprijzen, ze verlenen een aureool van geloofwaardigheid aan zijn verhaal. Wie durft nog de uitkomsten van ‘een ingewikkeld onderzoek’ in twijfel te trekken?

De tweede truc is veel subtieler. Al vroeg in zijn boek stelt Bregman dat wie het opneemt voor de mens bespot en beschimpt zal worden. Je zou naïef zijn, vervolgt hij, onnozel, iedere zwakke plek in je betoog zal genadeloos worden blootgelegd. Dit is op het geniale af. Wie het nu nog waagt om een man te kritiseren die zelf al zo zijn eigen kwetsbaarheden etaleert, moet wel een ongelooflijke ploert zijn.

Die aanpak werkte: ze verklaart waarom ook minder enthousiaste recensies zo voorzichtig omsprongen met het gedachtegoed van Bregman. Maar soms wordt een idee bespot en beschimpt omdat het precies is wat het lijkt: naïef en onnozel, als gevolg van een betoog vol gaten.

Waar de eerste twee trucs nog niet voldoende beschermen, kan Bregman terugvallen op een derde en laatste verdedigingslijn, ook een beproefd recept bij de populistische politici die hij zo verafschuwt. In het nauw gedreven zeg je dat je alleen maar wilde provoceren, uitdagen, om zo iets te bewegen. Zo kun je alles wat je eerder gezegd hebt weer afzwakken of inslikken. Niemand kan je nog wat maken.

Door die drietandige verdedigingstactiek probeert Bregman zich te onttrekken aan de toets der kritiek, en precies daardoor diskwalificeert hij zich als denker.

5.

Foute antwoorden zijn één ding, maar foute vragen zijn erger. Beschouw het gerust als een doodzonde als een denker zich met de verkeerde vraag bezig houdt. Bregman beantwoordt zijn eigen vraagstelling in de titel – de meeste mensen deugen. Die titel is een gouden vondst en de sleutel tot het verkoopsucces van het boek. Het is ook zonder meer Bregmans verdienste dat hij hele volksstammen heeft meegesleurd in een welles-nietesdiscussie over een zinloze vraag die onherroepelijk tot een nutteloos antwoord leidt. De meeste mensen deugen, nou en? Peu importe of die mens goed of slecht is, het gaat erom wat de uitkomst is van al die intenties onder invloed  van tijd, mode, eigen ervaringen, wisselwerking met anderen, ook met die ene rotte appel die het verpest voor alle anderen.

Bregman besteedt daar weinig aandacht aan en komt met een generiek recept voor een placebo, waarbij alles goed komt als we maar geloven in de goedheid van de mens. Het is jammer dat hij niet gekeken heeft naar een experiment dat al een halve eeuw loopt, waarin dat systeem met al zijn wisselwerkingen wordt nagebootst en waarin zijn eigen ideeën getest worden.

Ruim vijftig jaar geleden creeërden we vanaf nul een parallel universum. Het werd een soort rommelspeelplaats, eender als die van Carl Theodor Sørensen in Emdrup, buitenwijk van Kopenhagen, waar Bregman zo hoog van opgeeft. Zonder regels, maar dan levensgroot, waarin iedereen gelijk was en iedereen zijn zegje kon doen. Een naam van drie letters volstond: het web.

In de eerste vijfentwintig jaar van zijn bestaan gebeurde er nog weinig, zoals dat evoluties betaamt, maar toen raakte internet op stoom, met in zijn kielzog attracties als e-mail en sociale media. De bezoekers stroomden toe. En warempel, dat leverde hele mooie dingen op. Er werd kennis gedeeld, we vonden verloren vrienden terug, liefdadigheid en solidariteit vierden hoogtij. Maar tezelfdertijd verschenen de barsten in het bouwsel. We werden belaagd door steeds venijniger virussen, het nieuws werd vervormd, onze privégegevens gelekt.

Wat bleek nu? Terwijl het merendeel van de internetgebruikers hele fatsoenlijke mensen waren, was het de hacker, de schreeuwlelijk op Twitter, de oplichter in een ver internetcafé die een onevenredig grote invloed hadden. Vaak waren dat eenlingen. Geen strobreed werd ze in de weg gelegd. Ze handelden op eigen initiatief, hadden daarvoor geen viersterrengeneraal of manager in maatpak nodig die hen in de nek hijgde.

We zijn dat web ooit met een schone lei begonnen, in het volste vertrouwen dat de mens goed en verantwoordelijk is. Maar dat volstaat kennelijk niet. De roep om meer regels in onze favoriete speeltuin wordt steeds luider. We moeten rekening houden met die paar stoorzenders, en die kunnen in alle lagen van onze samenleving opduiken. Het goede is met veel meer dan het kwade, maar wat koop je er precies voor?

De denker in Bregman zou moeten smullen van dit voorbeeld. Die hele internet-evolutie is namelijk al de proef op de som van zijn kernidee. Het laat zien wat er echt gebeurt als je ervan uitgaat dat de mens goed is, vol goede bedoelingen steekt en dat het goede besmettelijk is, wat voor moois, lelijks en mengsels daarvan dat oplevert. Maar hij laat deze uit het leven gegrepen casus grotendeels liggen.

In plaats daarvan verzucht hij dat filosofen en anderen eenvoudige zaken zo ingewikkeld maken, waarna hij zich overgeeft aan een zwart-witdenken dat zijn weerga niet kent. Hij voert zijn eigen rank & yank-systeem in, door hem elders verfoeid, waarbij hij rigoreuzer te werk gaat dan de meest cynische human resources manager. De titel zet daarbij de toon. ‘De mens deugt meestal’ was een gematigdere variant geweest, maar daar kiest hij bewust niet voor. We worden onderverdeeld in koningen en onderdanen, bazen en knechten, managers en werknemers.

Voor mij, groot optimist met een licht negatief mensbeeld, is bijvoorbeeld geen plaats in de wereld van Bregman, net zo min trouwens als voor zo’n zeven miljard anderen. Zijn planeet wordt bevolkt door personages zo plat als stripfiguren. Deugen we of niet? Had hij in het begin een betere vraag gesteld, dan was hij niet met zulke rare antwoorden gekomen.

 

6.

Logica lijdt een zieltogend bestaan in Bregmans werk. Soms komen zijn stellingen uit de lucht vallen. Als hij zegt dat we in de prehistorie millennia lang de vriendelijkste types als onze leiders verkozen, zoek je bladzijden lang naar een onderbouwing en vindt die niet. Waar hij wel een beargumenteerde conclusie trekt, struikelt zijn betoog over dubieuze denkstappen. Dat valt niet direct op, vaak klinkt zo’n redenering aannemelijk. Je slikt het voor zoete koek en dan, als je het nog eens op je laat inwerken, twijfel je. Waarom zou het bijvoorbeeld zoveel gemakkelijker zijn om cynicus of pessimist te zijn in plaats van optimist of idealist? Waar de laatste voor naïef en onnozel versleten wordt, zal de eerste voor een zwartkijker, een ouwe knorrepot worden uitgemaakt.

Op de spits drijft hij zijn spel met de logica als hij zijn afrekening met Bertrand Russell beschrijft, wat een keerpunt in het denken van Bregman betekende. Kijk louter en alleen naar de feiten als je inzicht wilt verwerven, zei de Britse filosoof. Bregman staaft zijn afwijzing van dat adagium met experimenten die het Pygmalion-effect aantoonden, waarbij mensen zich gaan gedragen volgens de verwachtingen die de omgeving van ze heeft. Feiten zijn dus vanaf nu drijfzand,  stelt hij.

Ook dat klinkt aannemelijk, maar is het niet. Dat Pygmalion-effect is namelijk nog steeds een vaststelling die zijn geldigheid ontleent aan feiten. Het weerspreekt op geen enkele manier die denkregel van Russell. Een experiment toont aan dat geloven belangrijk is. Die conclusie heb je juist bereikt omdat je goed naar de feiten gekeken hebt. Het ontslaat je dus helemaal niet van de verplichting om feiten te onderzoeken, het betekent niet dat geloof vanaf nu de nieuwe toetssteen voor een idee wordt. Bregman verwart hier onderwerp en methode.

Op zijn laatst op dit punt aanbeland moet je je als lezer bekocht voelen. Dat hele boek is opgehangen aan het kritiseren van enkele sociaal-psychologische experimenten, omdat de feiten zouden rammelen en hoe dat de mensheid naar de knoppen helpt. Nu, als puntje bij paaltje komt, doen de feiten er ineens niet meer toe en draait het om geloof en vertrouwen, om ‘the will to believe’.

Het wordt ludiek als Bregman de artistieke uitingen van de prehistorische mens onder de loep neemt. Hij vertelt hoe grotschilderingen bijna altijd mensen laten zien die op bizons en paarden jagen. Nooit zie je taferelen van mensen die elkaar de schedel inslaan. De primitieve mens was een vreedzaam wezen, concludeert hij, er werd niet gemoord.

Dus wat concludeert de archeoloog van de toekomst als hij de hand weet te leggen op de Netflix-archieven van de vroege eenentwintigste eeuw? Dat we maar een moordzuchtig zooitje waren, waar zelfs het meest paradijselijke eiland met 235 inwoners nog wekelijks werd opgeschrikt door een moord? Dat we nooit onze behoefte deden, want daar zijn immers geen beelden van? Natuurlijk weet Bregman dat ook wel, maar hij durft het toch op te schrijven. Zonder blikken of blozen.

 

7.

Geloof speelt een centrale rol in het denken van Bregman. Het siert hem dat hij zijn protestants-christelijke wortels niet onder stoelen of banken steekt. Hij heeft zich naar eigen zeggen van dat geloof afgewend, al weerhoudt het hem er niet van regelmatig met bijbelverwijzingen en -citaten te strooien.

Op zich is dat geen probleem. Wél een probleem is dat Bregman nog met allerlei onzichtbare draden aan dat geloof vastzit zonder dat hij er zelf erg in schijnt te hebben. Ik durf er wat om te verwedden dat het twintig, hooguit dertig jaar duurt voordat hij de weg naar geloof, kerk en bijbelclub weer terugvindt. De christelijke moraal beheerst zijn denken en zit hem in de weg. Hij wordt daarbij gedreven door een diepgeworteld rechtvaardigheidsgevoel. Zonder meer loffelijk en toch begint precies hier de schoen te knellen. Want God heeft met dobbelstenen gespeeld en het resultaat is een samenleving waarin je vast wel een rijkaard vindt die mooi, slim en gelukkig is naast een domme, lelijke en miserabele arme ziel, plus alles wat er tussen zit. Gelijkheid is ver te zoeken.

Zo, zonder hiernamaals, moet je alle rechtvaardigheid en vereffening in dit bestaan proppen. Bregman begint nu de werkelijkheid te forceren in de mal van zijn eigen wereldbeeld, en daar ontspoort hij. Het verklaart zijn ranken & yanken: goed tegen kwaad, 99-1, hemel of hel, geen middenweg. Het verklaart zijn overijverige zoektocht naar tekenen van beloning, straf en bekering in dit leven.

Legio zijn hier de gevallen waarin Bregman haast triomfantelijk vertelt hoe het de hoofdrolspelers in zijn werk vergaan is. Elinar Ostrum bestudeerde een eerlijkere verdeling van bezit en won er de Nobelprijs mee. Jeffrey Skilling van Enron ging achter tralies. Leann Bertsch, gevangenisdirectrice uit Noord-Dakota, vielen de schellen van de ogen toen ze kennismaakte met het liberale Noorse gevangenissysteem. George Kelling, een van de geestelijke vaders van de Broken Windows-theorie, en bioloog Richard Dawkins (The Selfish Gene) zagen hun dwalen nog op tijd in. Voor Robert Martinson, die ooit gevonden had dat reclassering van gedetineerden zinloos was, kwam elke redding te laat: hij koos de dood.

Bregman wil dolgraag laten zien wat er niet is: de eindafrekening. Zoiets gebeurt onherroepelijk als je niet weet of waar wilt hebben wat je drijft. Je schept de werkelijkheid naar je eigen wereldbeeld. Als denker kom je daar niet ver mee.

 

8.

Iets wat me blijft verbazen is het succes van Bregman in het buitenland. Zijn denkwereld is namelijk oerhollands. Neem alleen al die pseudo-afrekening met zijn protestantse wortels, daar snappen ze over de grens niets van. Toch gaan zijn boeken ook daar als warme broodjes over de toonbank en dat laat zien hoe aantrekkelijk en goed verpakt zijn boodschap wel niet is.

Steeds schrijft hij vanuit een Nederlandse invalshoek. Echt verwonderlijk is dat niet, wanneer je bedenkt dat Rutger Bregman het boegbeeld van De Correspondent is, het blad dat met veel tamtam een Amerikaanse tak op poten zette die vervolgens kantoor ging houden in, jawel, Amsterdam.

Het duidelijkst komt die oranje blik naar voren als het over werk gaat, over intrinsieke motivatie en leiderschapsstijlen. Verschillende culturen kijken verschillend naar arbeid en geld, maar Bregman giet een sauce hollandaise over de hele aardbol.

Nu zeg ik wel eens minder aardige dingen over mijn vaderland, maar dit moet me van het hart. Nederlanders hebben een geweldig arbeidsethos. Ook dat zal wel iets met zweet en aanschijn te maken hebben. Dwars door de hele beroepsbevolking vind je genoeg mensen die de schouders eronder willen zetten. Dat ethos heeft ook een keerzijde. Werk wordt van levensbelang, je verwezenlijkt jezelf door een baan. Geen baan of een rotbaan is dan een ramp.

Er zijn landen, en ver hoef je er niet voor te reizen, waar dat belang van werk al een stuk minder is. Een baan is daar voor velen een noodzakelijk kwaad, een bijzaak waar je je zo makkelijk mogelijk van afmaakt om je dan aan het echte leven te wijden. Geef ze maar eens ongelijk.

Bregman haalt intussen een onderzoek aan waaruit zou blijken dat wereldwijd slechts 13% van de beroepsbevolking zich ‘geëngageerd voelt op zijn werk’. Is dat echt zo weinig? In grote delen van de wereld zal men zich afvragen wat je nog meer wilt. Men zal zich bovendien afvragen waarom je je zou moeten vereenzelvigen met je werk. De gedachte alleen al dat werk meer zou moeten zijn dan een middel om brood op de plank te krijgen, zal men afwimpelen als elitair.

Die houding tegenover werk bepaalt ook de leiderschapsstijl die van land tot land verschilt. Ik dacht terug aan mijn studietijd. Als bijna afgestudeerde ingenieurs gingen we naar een lezingenmiddag waarin alumni over internationale carrières vertelden. We gingen er eens goed voor zitten. De eerste spreker vertelde over zijn leidinggevende functie bij een internationaal levensmiddelenconcern in Duitsland. Standplaats Emmerich, om precies te zijn. Dit was nou niet het avontuur dat ons voor ogen stond en er ging een gedempt geschamper op in de zaal. ‘Lachen jullie maar’, voegde de spreker ons geïrriteerd toe, ‘Jullie weten niet wat voor verschil die paar kilometer maken.’ Je hoeft alleen maar in de verschillende taalgebieden van de Benelux gewerkt te hebben om te weten hoezeer de man gelijk had.

Bregman heeft een inktzwarte en achterhaalde kijk op leidinggevenden. Zelfsturende teams zijn de droom van elke goede manager. In Nederland kan dat best aardig werken. Het gebeurt trouwens al veel vaker dan hij schijnt te beseffen. De baas is hier altijd al meer een meewerkend voorman geweest. Maar met zo’n opstelling wordt diezelfde manager in Italië als zwakkeling gezien. Ineens moet hij meer lijnen uitzetten dan hem zelf lief is.

Zeggen dat Bregman zich op zijn zendelingenmissie cultureel ongevoelig betoont is een eufemisme. Je zou hem een boek van Geert Hofstede of  Fons Trompenaars gunnen, om het bij Nederlandse organisatiekundigen te houden. Je zou hem een stage bij een buitenlands bedrijf gunnen, eender wat, eender waar. Tweehonderd landen, één systeem, het werkt niet.

 

9.

 

De economie komt er bekaaid af bij Bregman. Hij wijdt een korte passage aan de homo economicus, waarin hij alle economen van Marx tot Friedman over één kam scheert en een negatief mensbeeld toedicht. Als die homo economicus met zijn egoïstische, negatieve houding op pad gaat, leidt dat onherroepelijk tot rampen. Het neoliberalisme en de wereldwijde crisis van 2008 illustreren dit, ziet Bregman.

Maar is dit wel zo? Getuigden neoliberalisme en globalisering niet juist ook van een groot vertrouwen in de mens, zijn goedheid en zijn rationaliteit? Ze leken uit te gaan van het geloof dat je je kernactiviteiten kunt uitbesteden, je productie kunt verplaatsen naar andere landen, dat we ons minder en minder zouden bekommeren om landsgrenzen en importheffingen, dat we zorgeloos joint ventures konden opzetten met Chinese firma’s, dat niemand het in zijn hoofd zou halen je technologie te stelen, patentinbreuk te plegen, je oneigenlijk te beconcurreren. We zijn immers goed. En niet alleen dat: we zijn ook slim. Want als elk land, arm of rijk, economisch groeit en er beter van wordt, waarom zouden we dan zo’n win-winsituatie in gevaar brengen? Het spijt me, maar ik zie hier een positief mensbeeld aan het werk, op het naïeve af haast, niet afgeremd door enige bedenking.

Op de sporadische momenten dat Bregman verder nog economie aanstipt, val ik van de ene verbazing in de andere. Octrooien zouden bekostigd worden met onze belastingcenten, en ik vraag me af wie hem dat heeft wijsgemaakt. Miljarden huishoudens zouden op communistische leest geschoeid zijn, en ik zoek daar vergeefs naar de principes van planeconomie. Als hij ons kan uitleggen dat economie van het Griekse woord oikonomia stamt en dat dat beheer van het huishouden betekent, is Bregman in zijn nopjes, en ik stel vast dat hij nog nooit van het woord staatshuishoudkunde gehoord heeft.

Die onkunde verrast, zeker als je weet hoe graag Bregman onze economie wil hervormen. Maar nog verrassender is de afwezigheid in dit boek van zijn economische stokpaardje: belastingen.

Het is twee jaar geleden dat Bregman de show stal in Davos met zijn pleidooi voor meer belastingen en daarmee de staat tot ideale investeerder bombardeerde. In dit werk vind je er niets van terug. Dat is raar. Er is nauwelijks een onderwerp te bedenken waarmee hij zijn stelling dat geloof in het goede van de mens als een placebo de wereld verder helpt beter kan illustreren.

Laat ik dat verduidelijken. De relatie tussen fiscus en ondernemer, groot of klein, is in Nederland geënt op het zogenaamde horizontale toezicht, het concept van wederzijds vertrouwen. Dat werkt kennelijk: belastingen worden geïnd, de corruptie is laag.

Op de Corruption Perception Index, de ranglijst die Transparency Index jaarlijks opmaakt voor 180 landen, scoren in 2019 slechts zeven landen beter met de integriteit van hun publieke sector. Ook zo’n klassering voorkomt geen toeslagenaffaire, waarin we hetzelfde mechanisme in de omgekeerde richting aan het werk zien. Deze affaire, waarbij duizenden Nederlanders ten onrechte als fraudeurs zijn beschouwd, is juist veroorzaakt door wantrouwen. Je voelt nu op je klompen aan dat de belastingaangiftes er zo in de toekomst niet betrouwbaarder op gaan worden.

Aangiftes zijn één probleem, innen is een ander. In fiscaal verdacht Luxemburg (als negende één plaatsje lager op die CPI-lijst) wordt meer belastinggeld opgehaald dan in heel Nigeria (nummer 146), met meer dan driehonderd maal zoveel inwoners en op papier een hogere belastingdruk.

Minder vertrouwen leidt tot meer corruptie en uiteindelijk krijgt de staat minder. Als we mensen vertrouwen, kunnen we belastingen laag houden en gaat het een stuk beter met de staatskas. Nu begrijp ik ook waarom Bregman dit voorbeeld niet heeft opgepikt. De meeste-mensen-deugen-Bregman botst hier keihard met de belastingen-Bregman.

Tenzij hij natuurlijk van gedachten is veranderd over die belastingen. Daar lijkt het alvast op in de paragraaf die hij wijdt aan het Alaska Permanent Fund (APF). Het APF verzamelt sinds 1976 de inkomsten uit de oliewinning in Alaska. Jaarlijks wordt uit dit fonds een dividend uitgekeerd aan alle inwoners van de staat.

Bregman steekt de loftrompet over dit initiatief, omdat ieder voor zich nu kan beslissen waar hij zijn deel van het spaarrendement aan uitgeeft. Maar wacht even: was niet de essentie van zijn taxtirade dat de staat veel beter dan het individu kan beslissen waar gemeenschapsgeld aan besteed kan worden?

Marc Coucke, Belgisch miljardair, zal het in elk geval met hem eens zijn. Als de Belg na de verkoop van zijn bedrijf Omega Pharma door de pers onder vuur wordt genomen omdat hij geen belasting hoeft te betalen over de meerwaarde van zijn aandeel in de firma, stelt hij laconiek dat hij dat geld beter zal investeren dan de Belgische staat. Ook Bill Gates en Warren Buffett, aanjagers van The Giving Pledge, staan nu vanaf de zijlijn te klappen voor Bregman.

Zo lijkt het erop dat Bregman de laatste paar jaar een volte-face gemaakt heeft en nu vrienden in onvermoede kringen heeft. Maar het is waarschijnlijker dat economie gewoon niet zijn ding is.

 

10.

Er is iets wat hem nog minder ligt dan economie: exact denken. Bregman heeft lak aan getallen, aan alles wat met kwantificeren te maken heeft. Onverholen uit hij zijn afkeer van de cijfercultuur. Daar kun je je iets bij voorstellen als cijfers gebruikt worden om zoiets subjectiefs als smaak te beoordelen. Maar voor objectief meetbare grootheden zijn cijfers de meest betrouwbare feiten die we hebben. Als ze al liegen of vals zijn, vallen ze direct door de mand.

Bregman heeft daar geen boodschap aan. Het blijkt bijvoorbeeld uit zijn afrekening met Steven Pinker. Pinker is een experimenteel psycholoog die erom bekend staat dat hij zijn teksten uitvoerig onderbouwt met gegevens, tabellen en grafieken. Boeken zo dik dat je er iemand mee dood kunt slaan, aldus Bregman in een sporadische poging humoristisch uit de hoek te komen. Minder dan een bladzijde heeft Bregman nodig om af te rekenen met Pinker.

Wat stelt hij hier zelf tegenover? Nogal plompverloren doet hij ook een paar pinkertjes. Er verschijnen wat grafieken, één zelfs zonder asgrootheid, die niets toevoegen aan zijn verhaal en vooral als bladvulling bedoeld lijken. Hij haalt het uitgekauwde voorbeeld aan waarin de geschiedenis van onze planeet is samengeperst in één jaar en de mens pas op 31 december vlak voor middernacht zijn opwachting maakt. Dat laat hij nog eens volgen door een paginagrote jaarkalender waarop die verschijningsdatum is aangekruist. Dit voor wie niet weet dat 31 december laat in het jaar valt.

Helemaal bont maakt hij het als hij de criminaliteitsaanpak in New York aan het eind van de vorige eeuw bespreekt. Weliswaar ging het aantal moorden met 63% omlaag, stelt Bregman, een succes kun je dat nauwelijks noemen als je het toegenomen wangedrag van de politie in aanmerking neemt.

Die toename van wangedrag wil ik geloven. Hoe meer politieoptreden, hoe meer boetes er uitgedeeld zullen worden, hoe meer arrestaties er verricht zullen worden. En daar zullen onvermijdelijk ook meer onterechte boetes en arrestaties tussen zitten. Maar kijk eens naar dat getal van 63%. Waar hebben we het hier over? In zijn slordige omgang met getallen vergeet Bregman hier een paar gegevens. Hoeveel moorden werden er eigenlijk gepleegd in New York? Waren het er eerst 30 per jaar en daarna 11? Dat zou precies kloppen met die 63%.

Nee: in 1990, het jaar waarin het droevige toppunt bereikt werd, werden er 2245 moorden gepleegd. Een afname met 63% betekent 1414 minder moorden (in werkelijkheid is het aantal moorden nog veel verder gedaald en bedroeg het in 2018 289 – rvdk). Wat Bregman hier dus zegt, komt erop neer dat het wangedrag van de politie minstens zo erg is als het jaarlijks vermoorden van 1414 mensen. Zijn onwil om te rekenen en getallen in perspectief te zien leidt zo tot kwalijke nonsens.

Dat gebrek aan exact denken gaat nog veel verder dan cijferblindheid en foute rekensommen. Het duidelijkst komt dat naar voren wanneer hij de probleemstelling van zijn titel uitwerkt. Bregman houdt er een binaire visie op de wereld op na. We worden onderverdeeld in nullen en enen. Er zijn veel meer enen dan nullen, maar de nullen hebben het voor het zeggen. Maar zo werkt de natuur en ook de menselijke natuur niet. Die gedraagt zich niet als een digitale schakelaar, maar is veeleer een continu spectrum waarin je alle gradaties van de regenboog aantreft.

Daar begint het pas. Dat spectrum is niet gefixeerd, maar is in beweging. Voortdurend rollen we langs die curve. Nu komen we in de buurt van de vragen die we ons echt moeten stellen. Hoe die eenzame twitteraar de lont in het kruitvat kan steken en zo een miljoenenpubliek kan beïnvloeden. Hoe een handvol onverbeterlijke slechterikken erin slaagt om al die goedzakken, die kennelijk ook wel een beetje behaagziek en laf zijn, voor hun kar te spannen. Hoe een ondernemer als idealist à la Jos de Blok begint en als cynicus eindigt, nadat hij de kous op zijn kop heeft gekregen, zijn bedrijfsgeheimen op straat liggen, een werknemer er met de kas vandoor gegaan is.

Bregman heeft bij dit alles een statische visie. Hij beschrijft een stationaire toestand, waarin we deugen of niet deugen. Wat telt is echter hoe een samenleving van individuen reageert op verstoringen en verandering, hoe ze schokken kan opvangen of dempen. En dat zal elke keer weer anders zijn – onze realiteit is puur dynamisch. Als je die processen wilt doorgronden komen vroeger of later begrippen als kans, normaalverdeling, risico, resonantie, chaos, impuls, hefboomwerking, kettingreactie, noem maar op, van pas.

Geen woord daarover bij Bregman. Eén keer veerde ik hoopvol op, op bladzijde 121. Nu wordt het een beetje technisch, schreef hij daar. Ja, word in godsnaam een beetje technisch, smeekte ik inwendig. Maar ik kwam bedrogen uit.

In zijn complete negeren van alles wat met exact denken te maken heeft culmineert iets wat als een rode draad door Bregmans denken loopt. Iets wat voortdurend onderhuids aanwezig is en af en toe de kop opsteekt, bij zijn minachting voor economie, bij zijn afrekening met Russell, Milgram, Zimbardo. Maar pas nu werd het me echt duidelijk: ondanks halfslachtige liefdesverklaringen aan haar adres heeft Bregman een broertje dood aan wetenschap.

 

11.

Bregman doet me denken aan Michael Moore, de Amerikaanse documentairemaker. Die gelijkenis was me al opgevallen lang voordat ik toe was aan Bregmans beschrijving van de liberale Noorse gevangenissen Bastøy en Halden, die uitvoerig aan bod gekomen waren in Where To Invade Next, Moores documentaire uit 2015. Bregman betoont zich hier trouwens weinig genereus. Hij wekt de indruk dat die gevangenissen zijn trouvaille zijn. Moore wordt nergens in de tekst genoemd en moet het stellen met een piepklein verwijzinkje achterin het boek.

Beide mannen houden ervan de publieke opinie te kietelen en zijn daar elk op eigen wijze succesvol in. Maar uiteindelijk gaat de vergelijking mank. Bij Moore weet je waar je aan toe bent. Hij is wie hij lijkt. Alleen al door zijn ironische verteltoon weet je dat je zijn werk met korrels zout moet nemen. Zodra dat duidelijk is, kun je ontspannen achterover leunen en vermaakt zijn werk, ongeacht of je zijn denkbeelden deelt.

Bregman is daarentegen bloedernstig en pretendeert zoveel meer. We hebben hier immers met een denker van doen, een gezaghebbende bovendien. In zijn tomeloze ambitie wil hij alles op zijn kop zetten, hij wil politiek, economie, samenleving en organisaties omvormen. Dan wordt het ineens wel een probleem als je niets wilt weten van economie, als elke notie van exact denken je vreemd is, als je waar ook ter wereld organisaties in een Nederlands keurslijf probeert te persen, als je wetenschap voorwendt terwijl je je stiekum door geloof laat leiden, als je je ideeën niet wilt laten toetsen, als je logica permanent hapert, en dat alles nadat je om te beginnen al de verkeerde vraag gesteld hebt.

Dat is zelfs meer dan een probleem: voor een denker met internationale allure als Bregman zijn dat doodzonden, zeven zonden die elk fundament onder zijn boodschap wegkegelen.

Gevaarlijk, noemde Bregman zijn werk, en daarmee gaf hij zelf de beste typering. Gevaarlijk is het, niet omdat het machthebbers angst voor een radicale ommezwaai zou inboezemen, zoals hij stelt, maar omdat het zoveel weerklank vindt terwijl het te veel versimpelt en vervalst, terwijl het met zijn binaire aanpak nooit bedoelde tegenstellingen op scherp zet in een samenleving die naar matiging snakt.

Als de waan van de dag geweken is, zal blijken dat dat sociaal-psychologische experiment waaraan ik nietsvermoedend deelnam een daverend succes was. Het had overtuigend aangetoond dat je met groepsdwang en pakkende publiciteit honderdduizenden goedopgeleide mensen alles kon wijsmaken, ook dat een bundel ideeën van de kouwe grond iets met groots denken te maken had. Hoe je zo ook respectabele tegenstemmen zover kreeg dat ze vanzelf hun kritiek inslikten.

Dan zullen we ook de ware Bregman zien. Vast een mens om door een ringetje te halen, maar ook een denker die geen denker is, een politicus die niet aan politiek wil doen. Een prima marketeer, dat zeker, één die beter dan wie dan ook surft op de golven van de tijdgeest.

Een geniale sampler, noemde Filip Rogiers hem in de Standaard. Dat beeld sprak me enorm aan. God is a DJ. Ik zag het direct voor me: Bregman achter zijn draaitafel die een hossende menigte opzweepte. Tevreden keek hij de zaal in en zag dat het goed was. Op naar het volgende feestje. Maar ik pas even.

 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht & burgerschap, nr 2 van de 17e jaargang, april 2021.

Column Roel van Duijn: Coronabreuken

Tekst Roel van Duijn

 

Ik had een serie pijnlijke ontmoetingen. Per e-mail. Het valt mij op dat digitaal contact nu vaak intenser is dan fysiek contact vóór corona was. Je komt eerder bij het puntje van het paaltje.

Met een bloemiste die ik jaren niet gesproken had bijvoorbeeld. Zij benadrukte eerst dat het virus door de aanleg van 5G-kabels was binnengerold. Dat lachte ik weg, maar zij hield aan. Zij zag dat lijders aan Covid-19 heel snel weer opknapten. Al die vrijheidsberovende maatregelen waren overbodig.

– Hé, ben je een complotdenkster geworden, vroeg ik. Zo kende ik haar niet.

Nee, maar Trump was, zei ze, wel ‘onze beste kans’ en wij waren altijd bij de neus genomen door de media. Ze stuurde me een heel andere kijk op de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog: een film over het leven van Adolf Hitler. Van internet geplukt, ik kende hem door mijn onderzoek van het nazisme.

– Maar dat is nazi-propaganda!

– Nee, antwoordde ze, die film maakt duidelijk dat niet alleen de nazi’s de schuld waren, zoals ons altijd voorgehouden is. Boos probeerde ik haar uit te leggen dat de film niets dan leugens bevatte. Tevergeefs.

 

Een vriend van me was een intelligente ingenieur die me schreef dat we nu een fascistische regering hebben die mensen de vrijheid ontneemt.

– Maar het is toch omgekeerd, we verliezen toch vrijheid als nog veel meer mensen ziek worden, zoals destijds met de Spaanse griep?

– Ach welnee, er sterven niet meer mensen dan gemiddeld, doe je ogen open!

– Maar je ziet toch dat er in Zweden meer mensen sterven dan in de andere Scandinavische landen, waar wel contactbeperkende maatregelen worden genomen?

– Shit, geloof je de mainstream pers? Jij, die altijd zo kritisch was? Kom toch naar onze demonstratie op het Museumplein!

– Jullie spelen met mensenlevens. Wat bezielt je?

– Laat ik het je nog eens uitleggen!

Hij hield niet op en hield, om zo te zeggen, zijn voet tussen de deur. Mail mij niet meer met je destructieve blabla, antwoordde ik.

Daar hield hij zich niet aan, maar ik stopte. Met pijn.

 

Zij was een oude vriendin van mij, groener dan groen. Eindelijk kreeg ik haar weer eens aan de telefoon. Fijn! Ik herinnerde me dat zij de vorige keer had betwijfeld of Boris Johnson werkelijk Covid-19 had en vroeg daarom voorzichtig hoe zij leefde met de pandemie.

– Pandemie? PLANdemie zal je bedoelen! Ken jij zelf iemand die eraan gestorven is?

– Ach kom, je gelooft toch niet aan complottheorieën?

– Complot? ComPLEET! Het is de waarheid! Waarom denk je dat precies 75 jaar na de oorlog de PLANdemie een hype geworden is?

Ik legde haar uit dat dit wanen zijn. Dit keer zelfs met het argument dat ik door de complotdenkers persoonlijk als voorbeeld van een machtsgeile illuminaat ten toon gesteld word. In de verwachting dat ze dan als vanzelfsprekend zou begrijpen hoe onzinnig dit soort kreten zijn.

– Ze hebben gelijk! Die verstikkende mondmaskers die ons worden opgedrongen. Die maskers zijn jodensterren!

– Maar hoe kun je dat zeggen? Degenen die maskers aanraden willen de mensen toch niet vermoorden?

– Dat zeg jij. Maar jij kijkt niet diep… Het is een dictatuur, door de indirecte plicht om je te laten vaccineren. Luister…!

Ik luisterde niet meer en liet haar in Rotterdam achter.

 

Zendelingen en Stillen

Wel vijf, zes van deze confrontaties heb ik de laatste maanden gehad. Ik heb de antecedenten van mijn voormalige vrienden onherkenbaar gemaakt. Ja, voormalige vrienden.

Coronabreuken zijn schokkend. Jaren heb ik hen gekend in het vertrouwen dat wij een gemeenschappelijke reis maakten en plotseling blijken zij via een andere coupé uit de trein gesprongen te zijn, en hoor ik ze naar me schreeuwen vanuit een vijandig land. Wania heet dat land, volgens mijn psychische wereldkaart. Daar wonen mensen die door hun verrekijkers ons zien als ezels met lange, dove oren en blinde ogen. Ezels die in halfslaap de mainstream media nabalken. Zielige ezels die die nog aan rede en feiten hechten en acuut gewekt moeten worden.

Er is een verschil tussen de missionarissen van het complotgeloof die ons vanuit dat land toeschreeuwen, zoals degenen met wie ik gebroken heb, en anderen. De eersten zijn de Zendelingen en de anderen zijn hun stille meevoelers. Met de Stillen heb ik een ander soort gesprekken.

Het begint ermee dat iemand mij een filmpje stuurt van een man in een witte jas die beweert dat corona onschadelijk is, zwaar overdreven.

– Geloof je die praatjes? Ik ken mensen die er vreselijk ziek van zijn geweest of aan dood gegaan zijn, por ik.

– O, maar die man zegt dat ook niet zomaar. Misschien zie ik het anders.

De Stillen staan onder de invloed van de Zendelingen, maar durven nog niet uit de trein te springen om de grens naar Wania over te rennen. Met de Stillen blijf ik praten, maar de Zendelingen antwoord ik niet meer zolang zij dezelfde boodschap blijven toeteren.

De Zendelingen van de complotkerk doen mij denken aan vrienden uit de jaren zestig en zeventig die plotseling LSD en andere drugs gebruikten en mij vanuit geesteshoogte toeriepen dat ik hun bewustzijnsverruiming niet kon begrijpen zolang ik niet zelf slikte, spoot of rookte. Diezelfde meewarige blik werd mij toegeworpen. Niet vanuit het land Wania, maar wel vanuit het psychedelische land Traumia.

‘Zonder een helder verstand kan je de maatschappij niet veranderen’, was toen mijn machteloze verweer. Dan hield althans met de Zendelingen van het drugsgebruik het gesprek op.

Maar na enige jaren kwamen zij ervan terug of stierven zij.

 

Roel van Duijn was in de jaren zestig oprichter van Provo, zat in de jaren zeventig als wethouder in de gemeenteraad van Amsterdam en is auteur van vele boeken, waarvan de laatste De nazi-Utopie van Julia op ten Noort onlangs in Duitse vertaling verscheen. Hij woont in Amsterdam en Fulda. Voor De Republikein schrijft hij een vaste column.

Ulrike Guérot over nieuwe kansen voor de Republiek Europa

Vrijdag a.s. verschijnt de nieuwe editie van De Republikein, met veel aandacht voor de toekomst van de Partij voor de Republiek. Na de generale repetitie van deelname aan de Tweede Kamerverkiezingen is het nu zaak de partij op te tuigen voor het vervolg, zoals de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 en de verkiezingen van de provinciale staten een jaar daarna. Verder in dit nummer: René Zwaap interviewt de Duitse politiek filosofe Ulrike Guérot over nieuwe kansen voor de Europese republiek, haar vriendschap met Mabel van Oranje en haar komende rechtszaak bij het Europese Hof van Justitie om de Britten ondanks de Brexit het Europese burgerschap te doen behouden. Gerard van der Zwan schrijft een open brief aan kroonprinses Amalia om het voorbeeld van de Belgische prinses Elisabeth te volgen en te bedanken voor haar anderhalf miljoen euro staatstoelage. Els de Groen over de risico’s van de nieuwe kernlobby in Nederland (o.m. dankzij Volt), Ricus van der Kwast inventariseert de fundamentale denkfouten in Rutger Bregmans De meeste mensen deugen. Gijs Korevaar interviewt Derk Jan Eppink, kersvers Kamerlid voor JA21, over zijn breuk met Forum voor de Democratie (‘ Baudet werd steeds extremer’ ) en een eventuele terugkeer van de koning aan de informatietafel. Architect Arjan Hebly constateert dat de collaboratie van J.L.P. Oud, de ontwerper van het Nationaal Monument op de Dam, symbolisch is voor de dubbele houding van een groot deel van het Nederlandse volk in oorlogstijd. Ardy Beld schrijft over de nietsontziende wraak van de Wit-Russische dictator Loekasjenko op de oppositie in zijn land. Jeff de Kleijn bezoekt Waterloo, Ger Verhoeve trekt in het voetspoor van Walter Benjamin over de Pyreneeën. Columns van Gerard Aalders, Roel van Duijn, Henk Westbroek en Floris Müller. Maurits van den Toorn bespreekt Daniela Hooghiemstra’s boek over het dynastieke avontuur van prinses Irene en prins Carlos Hugo, Ries Roowaan beziet het morganistische huwelijk als uitholling van de monarchie van binnenuit. Ries Roowaan bespreekt de Duitse vertaling van het boek van Museum Huis Doorn over de goede betrekkingen tussen de Hohenzollerns en de nazi’s. In de rubriek De Appeltjes van Oranje aandacht voor een onthullend boek over prins Bernhard jr. alias ‘de pandjesprins’.

Roel van Duijn: Chen Quanguo organizes a very discrete cultural genocide 

Chinese Communist Party Committee Secretary in Xinjiang Chen Quanguo should to be brought to the International Criminal Court for crimes against humanity.

By Roel van Duijn

 

Genocide, that’s what China is committing against the Uyghurs in Xinjiang. More than a million people are locked up in concentration camps, torture and sterilization of women is a daily occurrence. Eradication of this minority is the goal. This chilling fact has now been recognized by the governments of the US and Canada and also recently by the Dutch Parliament.

But who and how are the perpetrators? There is one man who stands out as the prime suspect, as a possible Chinese Himmler or Heydrich.

Chen Quanguo, 66, became Chinese Communist Party Committee Secretary in Xinjiang in August 2016. A rough and mountainous area in the west, which is twice the size of Germany and has 11 million inhabitants.

It was no coincidence that it was Chen – that is his surname – who was called to break the resistance of the Uyghurs.

Chen had experience. He had done the same for the previous five years in Tibet. He had made Tibet a unique police state. In which the Tibetan residents were deprived of all human rights, forced to spy on each other and live in a sophisticated maze of barriers and police stations, full of monitors and eavesdropping equipment. Computers that register every unwanted deviation. Tibetans were deprived of freedom of movement in their own area. Insofar as not yet demolished, the monasteries were placed under the leadership of loyal Han Chinese and Tibetans had to fly the Chinese flag from their houses and hang a portrait of Mao or Hsi Jinping above the chimney in their living rooms.

After Chen had led this system for a few years, the world didn’t hear much about Tibet anymore. Now it was clear. Chen Quanguo was the man designated to carry out the proposed treatment of the Uyghurs.

Discrete

He looks like any Chinese leader. The hair parted on the left, the dark blue suit, the serious expression. He is difficult to distinguish from colleagues, but then through his words?

Even his statements don’t make a researcher take immediate notice either; he seems to take care of that.

At a well-attended press conference of the Chinese authorities of Xinjiang, he allowed Governor Shohrat Zakir, a rank below him, to speak. That was November 26, 2019 in Beijing. When one of the journalists asked about the detention camps, he whispered something to Shohrat, who replied that these prison camps were ‘boarding schools’. He did not answer a single question himself. However, he ended the meeting politely and in a timely manner with ‘I would like to express my sincere gratitude to the Chinese and foreign journalists for their interest in Xinjiang’.

Like all Chinese leaders, Chen also denies that there are concentration camps for the Uyghurs and other minorities, such as Kyrgyz, Kazakhs, Mongols or Christians. They describe these centers as ‘vocational training’ where they learn Mandarin and are kept away from ‘religious extremism’.  Chen discloses himself more in revealing secret documents leaked by an unknown Chinese whistleblower in 2019. He says these camps should ‘be like schools, be run by the military, and defended like a prison’ . It also states that Chen urges his colleagues to ‘get rid of anyone who needs to be gotten rid of’.

In this way, he makes sure to follow in the footsteps of great leader Hsi Jinping who, after a Uyghur attack in 2014, called to show ‘absolutely no mercy’.

Chen expresses himself in a clearly more veiled manner than his right-hand man, Zhu Hailun. When Chen built concentration camps in the Uyghur capital of Urumqi in January 2017, Zhu unabashedly shouted to heavily armed military forces: ‘We must load our guns, pull our swords out of their sheaths, strike hard against the terrorists, and not shrink from striking mercilessly’, according to The Guardian in those days.

I have scoured the Internet but can only confirm the impression of the Hong Kong-published South China Morning Post that Chen is not a man of jokes or personal anecdotes in his speeches.  Chen is different; he is a man of action.

In Tibet

As soon as he was in office in Tibet, he brought in new police officers and divided the capital Lhasa into small pieces, each of which was given a police station 15 meters apart so that the control over these offices could be reciprocal. In 2016 there were already 156 of these offices in the still modest city. The police guards patrolled every hour to provide seamless surveillance. In the rest of the country, there were already 544 police stations in 2016.  In Tibet, 81,140 households, in total 3 million people, are linked together to monitor each other in all areas of life and to report on each other to the police. That’s how it was last year.  He calls this system the ‘dual-connected household management system’, which he later transferred to Xinjiang.

Since Chen ruled Tibet, the country has been overrun with new ventures, all of which received Mandarin-speaking Han Chinese for leadership positions. However, that growth only really benefited the Han Chinese and their Tibetan accomplices.

Since Chen took office in Tibet, there has been a steep increase in self-immolations by Tibetan monks, nuns, and civilians. It is estimated that a few hundred people have attempted in this way to make known to the world their despair and opposition to Chen’s methods.  Chen had the police beat, shoot, and isolate or make disappear the surviving victims of such suicide protests. Their families have been arrested or detained, sparking new forms of protest. International Campaign for Tibet has reported all this.

Thousands of monks and nuns were taken from Buddhist monasteries, their homes destroyed, and sent by buses to re-education camps. These re-education camps sprang up like mushrooms during Chen’s reign, according to reports in Tibetan Review, Radio France Internationale, and Human Rights Watch. A video showed nuns being forced to sing and dance Chinese songs on a stage. Back to the monasteries was not an option for them, but forced labor was.

Chen described his policy as a ‘Campaign to Maintain Stability’. A 2014 report from Human Rights Watch included a quote in which he expresses his satisfaction with his work in Tibet. In impenetrable words: ‘We have followed the law by striking and mercilessly pounding against illegal organizations and key figures who follow the 14th Dalai Lama’s cabal and carry out separatist infiltration and sabotage activities by beating down the hidden dangers and the breeding ground for the undermining of the stability of Tibet and effectively securing the highest interests of the state and the general interests of society.’

To Xinjiang

Beijing was happy with Chen. Great leader Hsi Jinping now maneuvered his favorite Chen to Xinjiang to replay his game there. He left Tibet, whose nomadic character had been destroyed and where torture had become a daily practice. A recommendation for Chen. He was the first Chinese party boss to become the party secretary, the top man, of both Tibet and Xinjiang.

He left his previous prey to now subdue Xinjiang. Again, Chen immediately ordered a massive police force and hired ‘police assistants’ as well as ‘security guards’. Immediately, 30,000 police officers and a police station appeared on every street in every city. In the area, 7,300 checkpoints were built. Again, monitors everywhere. Again, everywhere mobile phones, control over every person.

He expanded the existing concentration camps on a large scale. He introduced preventive internment and re-educated the majority of the minorities.

Passports of Uyghurs and others were confiscated, and free travel, including domestically, was over. Hundreds of Uyghurs were simultaneously hired out, police guards and all, to firms in the heartland of China. They are called ‘students’, regardless of their age, because elderly people are also unceremoniously put on the train as parcels. Ordered via the internet. As he did in Tibet, Chen promoted a strong influx of Han Chinese to Xinjiang in order to reduce the predominance of the Uyghurs in the population. In the camps, the Uyghurs often had their hair cut off for trade in the world as wigs and hairpieces. A US Customs discovery of such hair contributed to the US genocide investigation, which appears to have hurt Chen.

Chen conducts all of his work with great personal energy. On days off, he sits behind his desk and also summons colleagues. “Whatever he does, he does with extreme and unparalleled speed, urgency, resources, and foresight,” said Adrian Zenz, one of the first to expose the terror in Xinjiang.*9

Chen himself has flowery words for the work he does. ‘We are leading people of all ethnic groups to love unity as much as their own eyes, to cherish unity as much as their own lives, and to be close to each other like the seeds of a pomegranate’, reports The Guardian.

According to reports from above in China, Chen’s regime has ‘destroyed 1,588 terrorist groups’ and arrested ‘thousands of “terrorists”‘.  That was a few years ago, the numbers have undoubtedly increased since then.

No wonder a man of such merit was made a member of the 25-strong politburo of the Central Committee of the Communist Party of China in 2017. He had already been a member of the regular Central Committee since 2012. His star rises.

International Criminal Court

Does the comparison of Chen with Nazis like Himmler or Heydrich hold? The organizers of the worlds most infamous genocide?

The torturer of Tibet and Xinjiang is a more anonymous type, who is not coincidentally much less known in the world. Much less than known than, for example, Carrie Lam, who is the head of Hong Kong. Chen deliberately takes a discrete position, in a remarkable contrast to his prominent role. This appears to be part of the system of keeping personal data about political officials in China out of the public’s eye. He has a wife, yes, but that’s it. Do they live together? Children? Where? All-powerful, but privately he’s a ghost. Also, his actions are veiled. That this is about genocide is carefully concealed, just as the Nazis did.

However, there is a difference between the genocide against the Jews and that against the Chinese minorities. The first was paired with massive, concentrated killings, the second, as far as is known, not. In Xinjiang and Tibet, it is systematic and violent human rights abuse, accompanied by camouflaged and scattered murders. The effect is forced ethnic evaporation and cultural genocide.

When the Americans began to study the events in Xinjiang and were the first country to determine the genocide, they stumbled upon Chen Quanguo despite his almost anonymous figure. In July 2020, the US imposed sanctions first against him, as well as his right-hand man Zhu Hailun and two subordinates. They are no longer allowed in the US and their assets there have been frozen, much to the great anger of China. Now also the EU bravely imposed sanctions against China, against 4 functionaries in Xinjiang, but strangely enough not against Chen Quanguo, the first responsible figure.

There is another difference from the infamous heads of the SS. If the world doesn’t act quickly, Chen Quanguo will have much more time to finish his job. Before he appears where he belongs: before the International Criminal Court in The Hague. But that will not happen for the time being, China does not recognize this court. What the EU can do is join the US sanctions against Chen Quanguo and not participate in the Beijing Winter Olympics.

 

Roel van Duijn is a former Dutch politician and elderman of Amsterdam (1943). In the Sixties he was the founder of the highly influential Provo-movement. Now historian and author of many books, of which the latest is ‘A son for the Führer, the Nazi Utopia of Julia op ten Noort’ , Van Duijn is living in Amsterdam and Fulda in Germany. 

Translated from the Dutch by Pamela Docters

 

In Memoriam Piet Veling, a.k.a. ‘Rooie Pietje’ (1953-2021): ‘Waar zijn de mensen die vechten voor de stad?’

Maandag 8 februari jl. overleed te Amsterdam op 68-jarige leeftijd Piet Veling, beter bekend onder zijn bijnaam ‘ Rooie Pietje’ . In de jaren ’70 was hij een van de meest prominente activisten tegen de voorgenomen sloop van de Nieuwmarktbuurt. Bij wijze van In Memoriam herplaatsen wij het interview dat onze redacteur Thom deLagh verleden jaar met Rooie Pietje voerde in een terugblik op zijn leven en de historische rellen van 30 april 1980 in Amsterdam tijdens ‘Geen woning, geen kroning’.

Tekst Thom deLagh

Amsterdam, 30 april 1980, ca. 13.00 uur.

De voorzichtige lentezon doet zijn best om door de grauwe mist heen te breken. Een scherp riekende dikke walm die de feestelijkheden ter gelegenheid van de inhuldiging van Beatrix omsluiert. Veroorzaakt door vuurwerk, brandende banden en rookbommen.

Op het Rokin staat een wat tengere man met lange, opvallend rode haren en een gifgroen brilletje heftig te gebaren naar de brandweercommandant. Er zijn twee zuurstofflessen in een van de vele brandhaarden verzeild geraakt. Of gegooid. Ze dreigen te ontploffen. Uit alle macht probeert hij de levensgevaarlijke situatie duidelijk te maken. Een catastrofe wordt ternauwernood afgewend. Vol goede moed gaat de tengere man weer verder met stenen gooien. De brandweercommandant gaat weer blussen en spuit hordes oproerkraaiers het Rokin af.

Die tengere man heet Piet Veling. Ofwel Rooie Pietje, zoals hij in krakerskringen en ver daarbuiten bekend is. Nu, bijna veertig jaar later, tref ik hem op zijn bootje, gelegen aan de Oude Schans ter hoogte van het ’s Gravenhekje. Een levensgevaarlijke onderneming via glibberige loopplankjes brengt me bij hem aan boord. Een geurend mengsel van dieselolie en hasj heet mij welkom.

Het bootje is wat oud maar comfortabel. Nog een paar dagen en dan vertrekt Rooie Pietje met schip en al richting Harlingen. Hij keert de stad de rug toe, moegestreden als hij is. Jarenlang trachtte hij met alle middelen de macht van het grootkapitaal af te wenden. Een roepende in de woestijn is hij geworden. De jeugd heeft het stokje niet willen overnemen.

Katholieke opvoeding

Piet Veling, half Iers, half Amsterdams, geboren in de keurige Valeriusstraat. Daarna verhuisd naar de al even keurige Eemsstraat in de Rivierenbuurt. Een tamelijk streng katholieke opvoeding in het Amsterdam van de jaren vijftig die, mede door gezondheidsproblemen, werd onderbroken door een periode op het jongensseminarium in Twello en de (uiteraard) Rooms-katholieke Geert Groote LTS in Deventer.

Piet Veling nu
Piet Veling, alias Rooie Pietje, (1953-2021)

Hij viel al snel op door zijn wat piekerige rode haren. Vandaar zijn bijnaam. Rooie Pietje viel ook al snel op door zijn technische vaardigheid, keurige voorkomen en welbespraaktheid.
Na terugkomst in Amsterdam overleed zijn moeder en was hij al snel op zichzelf aangewezen. Dakloos en vol idealen.
Rap ontwikkelde hij zich tot een van de bepalende figuren in de toen bloeiende krakersbeweging in de Republiek Amsterdam. Door het schrijnende woningtekort in Amsterdam (toen ook al) was er, wilde je een dak boven je hoofd hebben, bijna geen andere mogelijkheid dan kraken. Dit werd toentertijd overigens blijmoedig gestimuleerd door de instanties, in het bijzonder door mevrouw Storm van Jeugdzaken, een gemeentelijke afdeling die hem met raad en daad terzijde stond.

Het eerste pand waar hij onderdak vond stond in de Vondelstraat, later gevolgd door de Rozengracht (de Bolsgebouwen) en vervolgens, via een vriendje, naar de Stadstimmertuinen in een pand aan de Dijkstraat dat bekend staat als de Branderij.

Nieuwmarkt
Al snel leverde hij allerlei diensten aan de krakersbeweging. Een beweging die in groten getale aanwezig was in de Nieuwmarkt/Lastagebuurt. Het zou niet lang duren voordat gans het land met deze beweging kennis zou maken.

Geanimeerd vertelt Rooie Pietje over het begin van de Amsterdamse krakersbeweging. Dit had alles te maken met de voorgenomen aanleg van een snelweg, dwars door de oude stad heen. Het voortuitgangsdenken dat na de Tweede Wereldoorlog de boventoon voerde, bepaalde dat Amsterdam, analoog aan Londen, aan cityvorming moest doen. Alle bewoners van de stad moesten richting de nieuw aangelegde tuinsteden, zodat er in het centrum ruim baan was voor bedrijven, overheid en kantoren. In het kader hiervan moest een snelle verbinding door de stad gemaakt worden. Vanuit Utrecht via Wibautstraat, Jodenbreestraat en Nieuwmarkt langs het Centraal Station en dan via Haarlemmer Houttuinen en Haarlemmerstraat richting Haarlem. De desastreuze gevolgen hiervan zijn nog steeds te aanschouwen in de vorm van de Wibautstraat/Weesperstraat die als een litteken door Amsterdam lopen. En als kers op de taart had het gemeentebestuur bedacht dat onder het traject van de snelweg een metrolijn zou moeten komen. Dat hiervoor tientallen woningen, vooral in de Lastage/Nieuwmarktbuurt, gesloopt moesten worden nam de gemeente voor lief. De buurt was toch al hopeloos verpauperd.

Stiekem was Amsterdam wat jaloers op Rotterdam, omdat het stadsbestuur daar na het verwoestende bombardement van mei 1940 met een schone lei aan een infrastructureel monsterproject kon beginnen.

Een groep krakers in de Nieuwmarktbuurt begon zich te organiseren. Van een duidelijke hiërarchie was geen sprake. De Boomspijker, het Bethaniën Koffiehuis, café Hoekje Om werden ontmoetingsplaatsen waar de krakers plannen ontwikkelden om in verzet te komen tegen de aangekondigde sloop. Onder wie Rooie Pietje.
Het eerste succes werd geboekt rond 1971, toen de gemeente het snelwegproject staakte. Een monument op de Jodenbreestraat herinnert hier nog aan. Maar het metroproject moest en zou doorgaan. Terwijl het gemeentebestuur maar voortsteggelde over de financiering van de metro, organiseerde de buurt zich beter en beter. Jaren gingen voorbij. Jaren waarin er een heuse subcultuur ontstond in de Nieuwmarkt. Met allerhande actiegroepen, buurtkrantjes en krakerskroegen. De hele omgeving werd, mede dankzij Rooie Pietje, omgebouwd tot een soort vesting.
Geamuseerd vertelt hij over de luchtbrug die hij bouwde over de Rechtboomsloot naar de Lastageweg. Bedoeld als vluchtroute. Met zijn technische vaardigheid bouwde hij een solide geheel. Bouw & Woningtoezicht van Amsterdam, enigszins verbaasd over dit plots verschenen hoogstandje, vond dat de brug moest worden gekeurd. Aldus geschiedde. De brug werd van gemeentewege goedgekeurd. Een ander technisch hoogstandje van Rooie Pietje was iets minder onschuldig van aard: de bouw van een kanon middels kachelpijpen.

Zo werd het begin 1975. De metro kreeg groen licht. De financiën waren rond, het gemeenteraad ging akkoord. Zelfs de toen nog modieuze CPN was voor de aanleg. Het zou nooit meer goedkomen tussen de krakers en de communisten, Pietje was helemaal klaar met ze. Toch had de krakersbeweging nog wel een sympathisant in het college: toenmalig PPR-wethouder Roel van Duijn bleef hen steunen.

Blauwe Maandag
24 maart 1975 ging de geschiedenis in als Blauwe Maandag. Enige dagen hiervoor waren de krakers gesommeerd om op die dag, om 06.00 uur, de panden te ontruimen. Deze sommatie werd voor kennisgeving aangenomen. Alle panden werden gebarricadeerd, een grote hoeveelheid stenen, koelkasten, banden en wat dies meer zij verzameld, de krakers bereidden zich voor op het gevecht.

De politie/ME rukte massaal uit (vandaar Blauwe Maandag) en trok rond 07.30 uur de buurt in. Dit leidde tot een enorme confrontatie tussen beide partijen. Het waterkanon werd ruimhartig ingezet, traangasgranaten vlogen in het rond, de politie maakte gebruik van hoogwerkers.

Hoewel het gevecht heftig was, zagen Rooie Pietje en zijn kompanen snel in dat het een hopeloze strijd was. Het vluchtplan werd in werking gesteld. Ondanks zijn opvallende uiterlijk wist hij te ontkomen naar het nabijgelegen Zakslootje, waar hij bescherming en andere kleding vond.

Anderen waren minder gelukkig en werden gearresteerd. Direct werd er begonnen met de sloop.

Dezelfde middag nog verzamelden zich zo’n drieduizend sympathisanten op de Nieuwmarkt, veelal afkomstig uit de nog veel ruigere Staatsliedenbuurt, om te protesteren en wederom het gevecht aan te gaan met de ME. De Rechtboomsloot en de Nieuwmarkt hadden die dag veel weg van Beiroet tijdens de burgeroorlog. Uiteindelijk werd besloten om via de Anthonie Breestraat op te trekken naar de burgemeesterswoning op de Herengracht. Er werd gevochten. Mensen hadden striemen op hun rug. Dit ontlokte Pietje de opmerking: ´Striemen op je rug? Dan stond je verkeerd om´. Op een braakliggend terrein kwam de opmars tot stilstand.

Voorbeeldige woordvoerder
Rooie Pietje neemt een slok uit zijn glas en vertelt, bijna berustend, hoe het verder ging. De krakersbeweging verhardde zich. Organiseerde zich nog beter. En had in hem een voorbeeldige woordvoerder. Hij werd zelfs, keurig in pak, uitgenodigd bij Avro’s Televizier Magazine om geïnterviewd te worden door Jaap van Meekren. Mede hierdoor verwierf de krakersbeweging de nodige sympathie in het land. Zelfs bekende Nederlanders als Willy en Willeke Alberti en Hans Knoop (hoofdredacteur van Accent) betuigden hun sympathie.

Ondertussen, vertelt hij, ontstonden er zo’n veertig harde kernen. Er werd aan serieuze gevechtstraining gedaan. Een tien man sterke knokploeg werd opgericht, die de Amsterdamse speculant Pietje Dufour in zijn villa in Vinkeveen bezocht. Eerst werden de twee bouviers van Dufour uitgeschakeld en vervolgens werd het hele pand met knuppels kort en klein geslagen. Tot slot werd de waterleiding vakkundig kapot gemept zodat het hele pand onder water kwam te staan. Dit alles in het bijzijn van de bewoners. Feitelijk was er op dat moment binnen het Koninkrijk der Nederlanden een autonome republiek Amsterdam ontstaan, met zijn eigen mores, met zijn eigen handhaving.

Water en fosfor
Het begin van het einde, aldus Pietje, vond plaats op de bewuste kroningsdag. Onder het motto ´Geen woning, Geen Kroning´, vonden die dag grootscheepse rellen plaats die begonnen met de kraak van een pand op Bilderdijkstraat 30. De krakers waren uitgerust met water en fosfor en, dankzij Pietje, met een voor die tijd modern portofoonsysteem waardoor de krakers de ME telkens een stap voor waren. Het eindigde met veldslagen bij de Blauwbrug en op het Rokin. Wederom was het land getuige van een oorlogstoneel. En Rooie Pietje stond er middenin.

Nadien nam het begrip voor de krakers af. Er waren nog geweldige ontruimingen, zoals Lucky Luyk, de Vrije Keyser, en de Vondelstraat (waarbij zelfs een tank in het straatbeeld verscheen), maar de romantiek was verdwenen. Enerzijds door het schisma tussen de Nieuwmarktbuurt en de Staatsliedenbuurt, waarbij de laatste tot geen enkel compromis bereid was, en anderzijds door de opkomst van de punkbeweging en de hopeloze economische situatie begin jaren tachtig die ertoe leidde dat geweld bijna geen middel meer was maar doel werd.

Op de vraag of er toch iets is bereikt in al die jaren, knikt hij bevestigend. ‘Door onze acties zijn er HAT-eenheden gekomen in de stad, is er veel woonruimte beschikbaar gekomen voor de oud-krakers, is de snelweg niet aangelegd en is de Nieuwmarkt een relatief prettige buurt gebleven.’ Hij vervolgt: ‘Maar kijk nu eens. De stad is overgeleverd aan het kapitaal. De stad wordt verkwanseld. En de jeugd laat het allemaal toe. Ze doen niets meer. Waar zijn de mensen die vechten voor de stad? Waar is een Jan Schaefer?’ (Schaefer was wethouder Volkshuisvesting in Amsterdam en had een goede relatie met Rooie Pietje, hoewel ze voor de bühne altijd ruzie maakten.) ‘Ze hebben hele volksgemeenschappen uit elkaar getrokken en naar oorden als Osdorp, Purmerend, Almere en Schagen gestuurd. Ze hebben doelbewust de gemeenschapszin gebroken.’

Vermoeid vouwt hij zijn handen. Voor hem hoeft het niet meer. Hij leeft, zoals hij zelf zegt, in geleende tijd. Ziekte heeft zijn gezondheid behoorlijk aangetast. De dood heeft al een paar keer aan de deur geklopt, maar heeft hem steeds gemist. Binnenkort verhuist hij naar het gemoedelijke Harlingen. In zijn nieuwe stamcafé de Lichtboei kan hij ook daar zijn Jonge drinken. Beetje ouwehoeren met de stamgasten. En terugdenken aan een veelbewogen tijd. Een tijd die de overwinning van het grootkapitaal, mede dankzij hem, uitstelde maar niet afstelde.

Ik vraag hem of hij ergens spijt van heeft. Rooie Pietje denkt even na en zegt: ‘Ja, ik heb spijt van iedere steen die ik wierp en zijn doel gemist heeft.’

Over de rol van het koningshuis denkt hij inmiddels genuanceerder. ‘Als je kijkt naar de reclamebudgetten van Philips, Heineken of Unilever, zitten wij met WA voor een prikkie op de eerste rij. Zolang hij maar geen enkele politieke invloed heeft!’

 

Roel van Duijn: Bestorming Capitool lijkt op ‘mislukte’ Hitlerputsch van 1923

Arnold Schwarzenegger, voormalig gouverneur van Californië, vergelijkt in een bewogen bewogen video de bestorming van het Capitool met de Kristallnacht. De nacht in 1938 waarin de Proud Boys van toen in Duitsland de synagogen in brand staken. Hij noemt beide gewelddaden aanvallen op de democratie.

Maar de democratie bestond in Duitsland in die vreselijke nacht al bijna zes jaar niet meer en die bestaat in Amerika nog wel degelijk.

De vergelijking die volgens mij wél opgaat is met de Hitlerputsch van 1923 in München. Ook mislukt, zoals ook 6 januari 2021 in Washington een mislukte staatsgreep was. Beiden met de gefrustreerde bedoeling de democratie te vernielen en een autoritair bewind te vestigen.

De Hitler-putsch werd al de volgende dag neergeslagen en van de geplande mars op Berlijn kwam toen niets terecht. Maar Hitlers naam lag op ieders lippen. In het strafproces stal hij de show en hij werd in de ogen van zijn rechters van beklaagde tot aanklager van de democraten in Berlijn. Zo op het paard gezet richtte hij er zich nu op de democratie van binnen uit uit te hollen. Duitsland weer groot maken, toeterde hij. Make Germany great again!

Twee maal een leugen

Beide pogingen om de democratie in het hart te raken werden bezield door een leugen. In het geval van Hitler was de leugen dat het Duitse leger in de Eerste Wereldoorlog aan de winnende hand was, tot het door de linkse en joodse democraten in Berlijn tot overgave werd gedwongen. Ook de opgezweepte massa voor het Capitool was bezeten van een ongelooflijke leugen. Dat Trump tot president is gekozen maar dat de louche democraten en ambtenaren de overwinning gestolen hebben.

Waarom herhaalt zich deze geschiedenis? Beseft men niet dat wanneer de waarheid er niet meer toe doet de weg naar het fascisme open ligt?

Deze vraag hoef je niet te stellen aan mensen die het fascisme keihard nastreven. Maar wel aan de bondgenoten van de leugenaars. In Duitsland waren dat de Von Papens, de Von Schleichers, de Hugenbergs. In Amerika zijn dat Mitch McConnell, Pence, Murdoch, de meerderheid van de republikeinse partij. Al diegenen die meegelift hebben op de macht van het monster.

Opvallend is het klimaat van angst tijdens de beide pogingen tot staatsgreep. In Duitsland heerste verwarring door de militaire nederlaag, door de overmatige eisen van de oorlogswinnaars, door armoede en werkloosheid. En de extreme gevolgen van de Spaanse griep. In Amerika heersen scherpe conflicten over racistische moorden, armoede, de vrees voor overvleugeling door China en de explosie van COVID 19. Treffende overeenkomst is dat in Duitsland groepen werkloze soldaten met wapens zwaaiden terwijl nu in Amerika de ene na de andere extreem–rechtse club schietoefeningen doet.

In beide gevallen angstige werelden, waarin zo’n politieke leugen vergif is.

De voorbereider en de voltrekker

Hitler was niet de uitvinder van de Dolkstootlegende. Dat was de doorgewinterde generaal Erich Ludendorff, die in de laatste maanden van de Eerste Wereldoorlog zijn absolute macht overdroeg aan een parlementaire regering in Berlijn, ten einde de sociaal-democratische leiders daarvan de schande van de nederlaag listig in de schoenen te schuiven. Ludendorff heeft nog wel hand in hand met Hitler in 1923 in de straten van München deelgenomen aan de gewelddadigheden, maar daarmee was zijn rol uitgespeeld.

 

Degene die de Dolkstootlegende vervolgens met groot succes mocht exploiteren was niet de oude generaal zelf, maar zijn jonge geestverwant Hitler. Die was het die het doodvonnis over de democratische republiek van Weimar voltrok en het schrikbewind gebouwd heeft. Later, als Trump definitief tegengehouden is, zullen we kunnen vaststellen dat zijn rol meer die van Ludendorff geweest is, niet als degene die de dictatuur gevestigd heeft, maar als de geslepen voorbereider die de fatale mythe heeft uitgevonden die de weg naar de dictatuur geplaveid heeft.

Daarom is het historisch verantwoord om op grond van gelijkenis tussen de beide staatgrepen, die van nu en die van een eeuw eerder, een onrustbarende voorspelling te doen. Ook wanneer Trump binnen een paar jaar van het toneel is verdwenen, is het gevaar levensgroot dat een opvolger met behulp van zijn legende van de Gestolen Verkiezingsoverwinning alsnog de democratie ten val zal brengen. Iemand als de Texaanse senator en leugen naprater Ted Cruz of gewoon Donald Trump junior zal, als de maatschappelijke angst blijft, dan Trumps griezelige erfenis tot volle bloei kunnen brengen.

Roel van Duijn is auteur van ‘Een zoon voor de Führer, de nazi-utopie van Julia op ten Noort’ en vast columnist van De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht & burgerschap 

 

Professor Karel weet raad (29 en slot): Professor Karel breekt met De Republikein

/

Een dramatische ontwikkeling aan het eind van een even dramatisch jaar: de immens populaire wetenschapper Professor Karel, hoofdredacteur van het succesvolle tijdschrift Totaal Gestoord (oplage 1 miljoen exemplaren), heeft besloten zijn medewerking aan De Republikein te staken. In deze laatste aflevering van de veelgelezen rubriek ‘Professor Karel weet raad’, waarin burgers die in de knel kwamen met de Deep State voor advies terecht konden, licht hij zijn beweegredenen toe. De hoofdredactie van De Republikein reageert.

 

Tekst en illustratie: Sjoerd de Jong

 

 

Hoi professor Karel,

Hoe gaat het met u? Hopelijk alles goed. Ik geniet elke keer van uw supergave antwoorden! Voor school heb ik er een collage van gemaakt op knalgroene en gele A-3-vellen, met uw uitgeknipte portretjes en veel leuke glittertjes erop, echt onwijs retro! Ik heb kaarsen gebruikt om er nog wat vetdruppels overheen te lekken, dat geeft helemaal het goeie sfeertje. Met mijn klasgenootjes nemen we dan buiten eerst een hijs lachgas en dan lezen we mekaar voor wat u schrijft. We gaan helemaal stuk! Echt hartstikke tof!

We hopen dus dat u nog lang doorgaat! Het enigste was we ons wel afvragen is: waar haalt u het allemaal vandaan? In onze schoolboeken lezen we nooit iets zoals u het vertelt! Knap!

Josine

 

Het is met een zwaar gemoed dat ik de brief van deze jongedame beantwoord, niet alleen door de aandoenlijke inhoud en toonzetting, maar vooral omdat het de laatste zal zijn die ik in deze rubriek behandel. Ja, dat leest u goed – het is niet anders. Mijn beweegredenen zal ik zo dadelijk uiteenzetten, maar niet dan nadat – aldus leerde mij J.L. Heldring – ik de kwestie in deze ontroerende brief grondig heb behandeld. Wij mogen de jeugd immers niet in de steek laten met hun terechte vragen!

Wat is het geval? Het is belangrijk om te bedenken dat schoolboeken natuurlijk niets meer zijn dan de arrogante stem van de elite, die ons bepaalde zaken wil doen geloven en andere taboe verklaart. Dat begint al op de lagere school, met lessen in vaderlandse geschiedenis die kleine kinderen moeten wijsmaken dat de politieke moord op Willem van Oranje het werk was van een gestoorde lone wolf of van een huurling in opdracht van de koning van Spanje. Alsof men in dat land het risico zou willen nemen van verminderde inkomsten uit Nederlands massatoerisme! Wil men dat ons echt wijs maken?

Dat verhaal kan dus niet waar zijn, het gaat ook in tegen alles wat we weten als we rustig naar de feiten kijken. Deze Van Oranje, die overigens nog geen woord Algemeen Gemanipuleerd Nederlands sprak, was in feite een bedreiging aan het worden voor de Brusselse zakenelite, die toen bezig was met kartelvorming in de wolhandel en andere sectoren. Juist dat Van Oranje zich trouw betoonde aan de koning van Spanje, tot in het later naar hem genoemde lied, was voor hen een steen des aanstoots! Hij moest dus uit de weg worden geruimd in een eerste Grote Reset van de Europese verhoudingen. De hegemonie van het financiële kapitalisme in de huidige EU zou ondenkbaar zijn geweest onder leiding van een migrant die nog op zijn sterfbed louter om medelijden vroeg. Dit is dan nog maar een klein voorbeeld. Laten we het omwille van de ruimte niet hebben over de talloze leugens die onze schoolboeken vandaag de dag verspreiden over de vermeende uitbuiting van arbeiders in onze koloniën, de dwaasheid die scholieren ingeprent krijgen over gender of de desinformatie die wordt verspreid over het gedwongen vertrek van columnist J.A.A. van Doorn bij NRC Handelsblad, in feite een clandestiene operatie van de CIA en BVD met het oogmerk hun greep op de toenmalige hoofdredacteur van de krant nog te verstevigen door hem in verlegenheid te brengen.

Kortom, gelooft u die schoolboeken niet, jongedame!

Waar ik mijn kennis dan vandaan haal? Wel, ik baseer ik mij al sinds jaar en dag op mijn eigen observatie- en denkvermogen, gescherpt door onophoudelijke en intensieve journalistieke arbeid. Daarnaast lees ik geregeld en veel, met name dagelijks een of twee studies die voor het grote publiek verborgen worden gehouden. Afgewisseld met wat lichtere lectuur, zoals het boeiende werkje Posthumanisme (2020) van de Nederlandse arts en antroposofe Mieke Mosmuller. Zij ziet dezelfde, door de elite van Klaus Schwab geconstrueerde paradigmawisseling in de westerse beschaving als ik, zij het tamelijk intuïtief en minder kernachtig geformuleerd. Bovendien is zij pijnlijk onvolledig in de presentatie van de feiten. Zo ontbreekt in haar studie een compacte weergave van de gang van zaken bij de liquidatie van Bin Laden, een belangrijke omissie omdat juist deze episode het sluitstuk was van de false flag-operatie op 9/11 en daarmee de prelude van de Grote Reset die nu in gang is gezet.

Maar goed, laten we niet verder op de zaken vooruitlopen.

Ik moet dan nu maar uit de doeken doen, beste lezers, waarom het einde van deze rubriek helaas is aangebroken. Ik zou dat graag anders hebben gewild, maar de naakte feiten dwingen mij ertoe.  U zag al dat ik hierboven de naam noemde van Klaus Schwab, de topman van het World Economic Forum die ons zijn Grote Reset wil opdringen met de corona-pandemie als alibi.

Welnu, een contact uit de Nederlandse inlichtingenwereld attendeerde mij erop dat de hoofredacteur van dit orgaan de heer René Zwaap is, voorheen een bekend zij het niet onomstreden reporter van De Groene Amsterdammer en met name in hofkringen een veelbesproken stoorzender. Dat laatste zou voor de man pleiten, dunkt me, ware het niet dat zijn achternaam duidelijk wijst op een connectie met eerdergenoemde Schwab en dus via hem met de Grote Reset. Bovendien weten we dat deze hoofdredacteur niet nader bekende betaalde arbeid verricht in Zwitsersland, waar het WEF is gevestigd en Schwab domicilie houdt. Het ligt dus voor de hand dat hier belangen spelen die voor ons verborgen worden gehouden.

In de drukte waren deze louche banden mij helaas ontgaan. Mede doordat mijn kopij wordt verzorgd door een trouwe bewonderaar van mijn werk, dezelfde die mij met het blad van de heer Zwaap in contact bracht. Deze man, Sjoerd de Jong, deed zich bij mij voor als uitgever van klassieke, huis- aan huis bezorgde leesmappen, waarin ook dit blad zou worden opgenomen. Ook dat blijkt nu een fabeltje te zijn. Navraag naar ’s mans antecedenten leert dat hij al decennia in dienst is van een medium dat volledig de belangen behartigt van de NAVO, de EU en de Grote Reset. Ik vond het ook al wonderlijk dat ik zelden of nooit een waarderende reactie van hem kreeg op mijn artikelen die toch, zoals het briefje van Josine opnieuw laat zien, hun weg niet alleen hebben gevonden naar de rijpere lezer maar ook naar de jeugd. Van publicatie in een leesmap bleek ook geen enkele sprake; deze stukken schijnen zelfs louter op internet te vinden te zijn – waarmee men natuurlijk hoopt mijn woorden te vervluchtigen.

Kortom, er wordt hier een spelletje met mij gespeeld. Beste lezer, dat kan ik natuurlijk niet tolereren. Op geen enkele manier wens ik een ‘excuus Truus’ te zijn of een ‘Kareltje Complot’, in een redactionele omgeving waarin men juist, bewust of onbewust, meewerkt aan de totalitaire transformatie van de mensheid in een gedigitaliseerde slavengemeenschap. Ook de naam van het tijdschrift, De Republikein, heeft voor mij nu, met mijn grondige kennis van de Amerikaanse politiek, een onaangename dubbelzinnigheid, die zich maar slecht verdraagt met mijn streven naar zuivere, feitelijke verslaggeving.

In het licht van deze feiten zit er niets anders op dan mijn werk op dit podium per onmiddellijke ingang te beëindigen en alle banden met dit mogelijk door NAVO-bronnen gefinancierde tijdschrift te verbreken.

Uw suggesties voor podia waarop ik mijn werk kan voortzetten zijn welkom, mits deze verenigbaar zijn met de inhoud en kwaliteit van mijn eigen tijdschrift Totaal Gestoord, dat uiteraard mijn eerste prioriteit blijft houden. Ook zou ik graag in contact komen met de redactie van uw schoolkrant, Josine, om te spreken over een door mij geschreven en geredigeerde rubriek zoals deze, voor scholieren. Ook ben ik bereid om het gesprek aan te gaan over een betrekking als deeltijd-hoofdredacteur van het orgaan in kwestie.

Beste lezers, het ga u goed. Ik  zal voor u elders blijven berichten en denken, in het belang van een mensheid die zich door de elite geen blauw hoedje wil laten opzetten. Onthoudt u dit: wij laten ons niet resetten!

No resetterán!

 

NASCHRIFT HOOFDREDACTIE DE REPUBLIKEIN

 

Het is met leedwezen dat de redactie van De Republikein afscheid neemt van Professor Karel, die in korte tijd was uitgegroeid tot een gewaardeerd medewerker van onze kolommen. Getuige de vele verzoeken die wij uit de lezerskring mochten ontvangen om raad en bijstand van professor Karel, voorzag deze rubriek duidelijk in een behoefte. Deze uitgesproken stem, die altijd goed was voor discussie en debat, zal ten node worden gemist en het is met zwaar hart dat wij afscheid nemen van deze veelgelezen medewerker.

Echter: de beweegredenen die de geachte professor aanvoert ten aanzien van zijn flukse besluit, zouden tot verwarring kunnen leiden en nopen dan ook tot nadere toelichting. De warme banden die professor vermoedt tussen Klaus Schwab, voorzitter van het World Economic Forum, en de hoofdredacteur van dit tijdschrift, hebben zich in werkelijkheid beperkt tot één recente gezamenlijke kaasfondu-maaltijd in Zürich ten behoeve van een informele gedachtenuitwisseling over de mogelijkheid de jaarlijkse conferentie van het WEF te verplaatsen van Davos naar Rotterdam-Zuid. Dit op grond van de klachten van de Duitse zakenman dat de plaatselijke middenstand in Davos de prijzen voor horeca en hotellerie zodanig opdreef tijdens de driedaagse conferentie van het WEF dat de kosten van deelname aan dit evenement zelfs voor Saoedische oliesjeiks niet meer op te brengen waren. Dhr. Zwaap hield bij die gelegenheid een pleidooi ten faveure van Rotterdam-Zuid  als nieuwe lokatie van de WEF-conferenties.  De kosten van onderdak en catering zouden daar vele malen lager uitvallen en in het Ahoy-complex en het winkelcentrum Zuidplein kunnen alle faciliteiten worden gevonden om een dergelijk evenement tot een succes te maken. Dhr. Zwaap liet zich hierbij leiden door de economische problematiek die in het kielzog van de Corona-crisis speelt binnen zijn Rotterdamse geboortegrond, en waarvan de ernst wordt duidelijk gemaakt in deze clip van het Rotterdamse muziekcollectief Op Zuid.

Ter behoud van zijn redactionele onafhankelijkheid nam dhr. Zwaap de kosten voor zijn eigen aandeel in deze kaasfondu voor eigen rekening. Er bestaan geen directe familiaire banden tussen dhr. Schwab en dhr. Zwaap.

Voor wat betreft de aantijgingen van professor Karel aan het adres van dhr. S. de Jong verwijzen wij gaarne naar de afdeling klantenservice van NRC Handelsblad.

 

 

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Met een grotere bijdrage steun je ons nog veel meer. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Mijn gekozen donatie € -

De republiek van een dichter: Gabriele d’Annunzio als wegbereider van Mussolini

Vrouwen en homoseksuelen genoten gelijke rechten in de stadsstaat Carnaro, die de Italiaanse dichter Gabriele d’Annunzio uitriep op de puinhopen van de Eerste Wereldoorlog.  Maar Carnaro was ook de geboortewieg van het fascisme. Manuel Kneepkens over de opkomst en ondergang van de republiek van de ‘goddelijke kale’ en zijn vele epigonen.

 

Tekst: Manuel Kneepkens

 

De stichter van de Republiek van Carnaro, de dichter Gabriele d’Annunzio ( 1863 -1938) werd geboren als de zoon van de burgemeester van Pescara, een stad aan de Adriatische Zee in de regio Abruzzo. Hij groeide op in een huis vol vrouwelijke familieleden , die hem als een prinsje verwenden.

Als zeventienjarige wist hij al de media te bespelen- dat waren de kranten toentertijd. De pers was toen nog volop ‘de koningin van de aarde’. Film en radio als massamedia moesten nog komen.

Toen hij namelijk zijn eerste dichtbundel publiceerde, liet d’Annunzio het gerucht verspreiden, dat hij dodelijk van zijn paard was gevallen. Want hoe jonger gestorven een dichter, hoe groter aandacht voor diens poëzie ….

Erotische escapades

Het leven van d’Annunzio bestond van toen af aan, naast zijn niet gering dichterschap, uit het continu financieel op een te grote voet leven plus een eindeloze serie erotische escapades. Hij hield al zijn veroveringen nauwkeurig bij in een serie notitieboekjes. En daar waren niet geringe namen onder.

Bijvoorbeeld de grote Eleonara Duse, toentertijd naast Sarah Bernhardt de bekendste actrice van het Fin de Siécle, wist hij zelfs negen jaren aan zich te binden. En dat, terwijl hij haar vrijwel continu bedroog.

In 1910 was zijn schuldenlast zo hoog, dat hij Italië hals over kop ontvluchtte. Om vervolgens zijn larger than life-leventje: zijden pakken , kostbare parfums, dure vrouwen, hazewindhonden, enzovoorts – voort te zetten in Parijs. Waar hij met open armen werd ontvangen door de decadente kring rond graaf Robert de Montesquiou, de precieuze dandy, die model heeft gestaan voor het personage Des Esseintes in de roman À rembours van Huysmans en baron Charlus in À la recherche du temps perdu van Marcel Proust.

Geheime overeenkomst

In het voorjaar van 1915 was in Italië de vraag aan de orde of het land moest meevechten in de Eerste Wereldoorlog. De meerderheid van de bevolking was tegen. In het diepst geheim echter had de Italiaanse regering Salandra al een overeenkomst met de Entente (Frankrijk, Engeland, Rusland) gesloten en daarbij allerlei toezeggingen inzake gebiedsuitbreiding in wat later Joegoslavië zou gaan heten, verworven ( Italia irredenta). Het grote publiek was daarmee onbekend.

Op woensdag 5 mei 1915 maakte d’Annunzio zijn grootse (en weloverwogen ) rentree in Italië. Hij onthulde die dag op theatrale wijze het Monumento ai Mille , opgericht ter ere van Garibaldi en zijn rebellenleger op de rots van Quarto aan de baai van Genua. Vanaf deze plek was Garibaldi in 1860 zijn Italiaanse eenwordingsoorlog begonnen, de Risorgimento. Garibaldi en zijn mannen waren inmiddels zoveel jaar later een ware ‘mythe’ geworden in Italië ‘van heroïek en vitaliteit’.

Die rede van D ’Annunzio was een en al vuur: over het vuur van de eenwording, het vuur waarin wapens gesmeed worden , het vuur dat leven schenkt, het vuur dat levens eist, het ontembare vuur, etc. Het vuur zou heel zijn verdere leven zijn favoriete metafoor blijven. In de twee bekendste van zijn toneelstukken, Het Schip en Jorio’s dochter, gooit de heldin zich vrijwillig op de brandstapel. Fiume, waar hij zijn Republiek van Carnaro zou stichten, zou hij steeds de Stad van het Vuuroffer noemen. En zijn soldaten, de Arditi : ‘barnstenen vlammen’

In zijn rede bij het Garibaldi-monument mengde hij moeiteloos teksten uit de Klassieken succesvol met Nieuw-Testamentische beeldspraak. D’Annunzio bestond het daarbij om de meest pacifistische tekst in de Bijbel, de Bergrede (‘Zalig de zachtmoedigen’) om te smeden tot een vurige aansporing tot deelname aan de oorlog.

‘Zalig de jongeren die hongeren naar glorie, want zij zullen bevredigd worden….

Zalig de barmhartigen, want zij zullen een schitterende stroom van bloed te stelpen hebben .. etc.’

Men trachtte de rede af te doen als typisch de retoriek van een dichter, maar in feite begreep d’Annunzio meer van de moderne tijd, die in opkomst was – die van de massa en de massamedia – dan de liberalen en sociaal-democraten, die toentertijd de Italiaanse politiek domineerden. In dat debat over Italië ’s oorlogsdeelname draaide het immers nauwelijks om redelijke argumentatie, maar om emotie. ‘Degene die de emoties het hoogst kan doen oplaaien, die krijgt “het volk” aan zijn zijde…’

Ziedaar het geheim van het rechtspopulisme, zowel toen als nu.

D’Annunzio slaagde er dus in met zijn vurige toespraken, die massaal werden bijgewoond – op de Piazza del Popolo in Rome alleen al 200.000 enthousiaste Italianen – de publieke opinie te bewerken ten gunste van het deelnemen aan de oorlog aan de zijde van Frankrijk. Onze Latijnse zuster !

Kortom, de succesvoller verleider van vrouwen bleek nu ook een succesvol verleider van de massa. Over Frankrijks bondgenoten Engeland en Rusland repte de dichter nooit. D’Annunzio zag de Eerste Wereldoorlog als een strijd tussen het Latijnse en het Germaanse ras (!), waarbij dat laatste moest worden verpletterd.

Gewelddadig

Die toespraken stonden dus bol van gewelddadigheid. De menigte werd o.a. doodleuk aangespoord politici, die tegen de oorlog waren, te bedreigen en te mishandelen. ‘Wacht ze op! Overmeester ze! Als er bloed vloeit, zal het net zo gezegend zijn als het bloed dat vloeide in de loopgraven!’

Als Italië dan in 1915 inderdaad aan de kant van de Entente aan de oorlog gaat deelnemen, ziet d’Annunzio dat dan ook als het resultaat van zijn optreden. En het Italiaanse publiek dacht evenzo.

De strijd tussen Italië en Oostenrijk speelde zich af in het berglandschap, ver in het achterland van Venetië, rond de rivier de Isonzo, in de onherbergzame streek Carso, die wordt geteisterd door een uiterst gure wind, de Bora. Een buitengewoon ongunstige plek voor een leger om de strijd aan te binden. Nog meer dan in de loopgravenoorlog aan het westelijk front, was hier feitelijk sprake van massasuïcide.

De Italianen moesten immers vanuit de dalen aanvallen. De Oostenrijkers genesteld op de hoogten en pieken, waren duidelijk in het voordeel.

De dienstdoende Italiaanse generaal Cardona had weinig consideratie met zijn soldaten, die zijn onmogelijke opdracht ‘alsmaar aan vallen’, rigoureus dienden uit te voeren. De geringste insubordinatie werd streng gestraft. Executie van onwillige soldaten kwam bijna dagelijks voor.

In de twaalfde (!) slag aan de Isonzo wist Oostenrijk gesteund door Duitse hulptroepen Italië zelfs verpletterend te verslaan: ‘de nederlaag bij Caporetto’. Het Italiaanse leger trok zich in wanorde terug achter de rivier de Piave. Duizenden Italiaanse soldaten deserteerden of werden krijgsgevangen gemaakt. Britse, Amerikaanse en Franse troepen moesten Italië te hulp snellen.

Pas in de herfst van 1918 , vlak voor het einde van de oorlog, wist men terug te slaan, ‘de overwinning bij Vittorio Veneto’.

 Übermensch met vleugels

D’Annunzio nam enthousiast deel aan ‘zijn’ oorlog. Maar niet in Cargo. In de lucht. Als vliegenier. Want was ‘de Vliegenier’ niet het prototype van de Übermensch – de mens, hoog verheven boven de anderen, waarop Nietzsche doelde? Hij toonde zich daarbij dapper, op het roekeloze af. Tussen 1915 en 1918 vloog hij in de houtje-touwtje vliegtuigjes van toentertijd over vijandelijk gebied om eigen- handig bommen naar beneden te werpen. Hij raakte zwaar gewond, liep ernstige oogschade op, maar klom, zodra hij kon, weer aan boord.

Zo leidde hij op 4 augustus 1918 het uit negen vliegtuigjes bestaande vliegeskader La Serenissima  op een 700 mijl raid naar het vijandelijke Wenen en terug. Boven Oostenrijks hoofdstad gooide de dichter geen bommen, maar pamfletten.

Deze unieke ‘geweldloze oorlogsdaad’ heet in Italië ‘Il volo su Vienna’.

Bij de vredesbesprekingen in Versailles kwam Italië er bekaaid vanaf. Woodrow Wilson, de Amerikaanse president, achtte de geheime afspraken van Italië met de Entente van nul en generlei waarde. Hij drukte op de Balkan de nieuwe staat Joegoslavië door. Alles wat Italië van Italia irredenta kreeg was de stad Triëst.

Italië was op dat moment intern ontredderd. Er zwierven bendes rond van oorlogsveteranen. Jonge mannen zonder werk, dank zij de oorlog gehard en gewend om geweld te gebruiken. Met een groep van deze Arditi – en vergezeld van twee cameraploegen! – begaf D’Annuzio zich naar de havenstad Fiume (Rijeka) aan de Kroatische kust, een stad met een in meerderheid Italiaanse bevolking. En veroverde de stad zonder een schot te lossen. Van de geallieerde troepen (het waren voornamelijk Italiaanse) die hem hadden moeten tegen houden, liepen de nodige soldaten over. Drie jaar later herhaalde Mussolini, die altijd goed naar d’Annunzio ’s doen en laten gekeken heeft, dit bravourestuk met zijn Mars op Rome.

D’Annunzio stichtte in Fiume de Vrijstaat Carnaro met hemzelf aan top. Carnaro is de naam van de baai waaraan Fiume ligt. Die staat moest een ‘poëtische politiek’ gaan voeren. Als grondwet kreeg de nieuwe staat dan ook een Gedicht. De grondwet werd door d’Annunzio in dichtvorm geschreven.

Voor de sociaal-economische paragraaf daarin tekende de anarcho-syndicalist Alceste De Ambris. Hij voerde het corporatisme in. Ondernemers en arbeiders zitten samen in een corporatie en lossen gezamenlijk hun problemen op. De PBO , de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, was de naoorlogse variant daarvan in Nederland. Waarvan het huidige Poldermodel van overleg, recent nog uitlopend in een Sociaal Akkoord, op zijn beurt weer een late nabloei is.

De Grondwet van Carnaro kende negen van zulke corporaties. Elk representeerde een onderdeel van de gemeenschap. Eén van de zeelieden, een van de ambachtslieden, een van de ‘intellectuele bloem van het volk’ (leraren, studenten, kunstenaars), enzovoort, maar er was ook nog een tiende: de Corporatie van de Superieure Mens (Nietzsche!). Die corporatie had dus maar één lid: duce d’Annunzio.

Volledige gelijkberechtiging

Opvallend was in die grondwet van Carnaro in 1920 de volledige gelijkberechtiging van mannen en vrouwen. Daar was de rest van Europa toen nog niet aan toe. En al helemaal niet aan de volledige gelijkberechtiging van homo- en heteroseksuelen. Daarin liep de dichter d’Annunzio absoluut voorop.

Zeer belangrijk was de instelling van het College van Aediles, (afgekeken van het oude Rome) dat zorg dragen moest voor de kunst en cultuur. Carnaro was een kunstenaarsstaat. Creativiteit was burgerplicht. Muziek het hoogste goed. ‘In het regentschap van Carnaro is de muziek een religieus en sociaal instituut…gelijk het kraaien van de haan het ochtendrood tevoorschijn roept, zo roept de muziek op tot de geestelijke vrijheid van de mens’, heette het in deze eerste en voorlopig enige poëtische grondwet ter wereld.

Duce d’Annunzio had van zijn vrijstaat een veel te hoge dunk. Bijna zo hoog als van zichzelf. Het ministaatje Carnaro moest niet meer en niet minder dan een ‘gidsstaat’ voor de hele wereld worden. Hij presteerde het zijn poëtisch-politieke schepping te vergelijken met, in volgorde, het Athene van Pericles, het Rome van Augustus, het Florence van de Medici en het Weimar van Goethe.

Ongebreidelde paringsdrift

Lees – en huiver- wat de Engelse dichter Osbert Sitwell , die in Fiume tijdens de hoogtijdagen van d’Annunzio’s bewind aanwezig was, schrijft over de ‘vrijstaat’ Carnaro. Allereerst, dat die vrijstaat wel heel letterlijk een vrijstaat was … één grote vrijpartij. De homoseksuelen onder de Arditi omarmden elkaar openlijk in de parken. Ongebreideld was hun paringsdrift; de hetero’s deden niet voor hen onder.

Fervent cocaïnegebruik was niet vreemd aan deze continue orgie.

De gevolgen konden niet uitblijven. Er moest een speciaal hospitaal voor geslachtsziekten worden ingericht.

Fiume was een groot, wellustig Carne vale. Het ene spektakel na het andere; de ene parade na de andere. Alle dagen feest. Iedere dag hield d’Annunzio een gloedvolle speech van af het balkon van het stadhuis. Zijn legionairs begroeten hem dan met de oud-Romeinse groet met de gestrekte arm. Later zou Mussolini die groet voor zijn fascistische beweging overnemen. En ook de ellenlange balkonspeeches.

Zo vrij als Fiume was voor de Italianen, zo onvrij was het overigens voor de Kroatische minderheid, waartegen d’Annunzio’s legionairs soms meedogenloos optraden.

Magisch Centrum Fiume trok uit heel Europa jongeren aan. Als Amsterdam en Californië in de Jaren Zestig. Men was er hippie én Hell’s Angel tegelijk! De soldaten gingen er in de wonderlijkste uniformen van eigen makelij gekleed. En…creatieven. Alleen al uit Italië, om eens een paar namen te noemen: de Futurist Marinetti, ook al zo’ n aanbidder van geweld (‘la guerre est la seule hygiëne du monde’), de jonge dirigent Arturo Toscanini, de uitvinder Marconi, en Benito Mussolini, die in Fiume zijn ogen goed de kost gaf.

Het kon niet uitblijven. Vrolijk, vitaal rechts degenereerde binnen de kortste keren tot decadent rechts. Men kan nu eenmaal geen samenleving in stand houden op een recept van seks, drugs and rock n’ roll.

Dat blijkt meteen al uit de wonderlijke ‘economie’ die de vrijstaat er op na hield.

Fiume was tot dan toe altijd een rijke havenstad geweest, verbonden door een spoorweg met Boedapest in het verre achterland. In feite had het dus altijd als de haven van Hongarije. gediend. Maar handelscontacten met het achterland waren inmiddels geheel stil komen te liggen, o.a. door d’Annunzio’s komst.

En zo ook de haven.

Piraterij

Voor de broodnodige bevoorrading van de stad ging men over tot piraterij. D’Annunzio stelde een ‘task force’ samen uit de Arditi onder leiding van zijn adjudant Guido Keller, die hij de Uscocchi noemde, naar de piraten die actief waren geweest in de 16e eeuw in de Adriatische zee.

De Uscocchi deden hun uitvallen vanuit de haven van Fiume in motorboten en plunderden de depots van de Geallieerden, gelegen langs de baai van Carnaro.

De Uscocchi hoefden maar zelden hun wapens te gebruiken. Veel soldaten van de zogenaamde Geallieerde, maar in feite Italiaanse troepen, sympathiseerden met Fiume. Zij waren maar al te graag bereid even de andere kant op te kijken.

Ook gingen Arditi als verstekelingen aan boord van vrachtschepen in naburige havens. Waren die schepen eenmaal in volle zee, dan kwamen de Arditi in hun imposante zwart-zilver uniformen, plotseling tevoorschijn en dwongen de bemanning koerste zetten naar Fiume. Daar werden de schepen feestelijk ontvangen en feestelijk leeggehaald.

Meer en meer werd de vrijstaat een toevluchtsoord voor criminelen. Die vestigden zich op de verlaten dokwerven en staken al spoedig in wangedrag de Arditi naar de kroon. Het was een reden voor een delegatie van burgers van Fiume om zich in Rome te beklagen en de Italiaanse regering dringend te verzoeken een einde aan het regime van d’Annunzio te maken.

Dictator

Tussen het woord dichter en het woord dictator is maar een paar letters verschil. Maar die zijn dan ook cruciaal. D’Annunzio wiste die letters meer en meer uit. Dichter d’Annunzio werd de dictator d’ Annunzio. Zo voerde hij met de bedoeling de eigenzinnige Arditi meer in de hand te kunnen houden, een hervorming van zijn leger door, die er op neer kwam dat het officierendom werd afgeschaft. Van nu af aan waren alle militairen gelijk. Zeer democratisch, op het eerste gezicht dan…want er was een máár ….er was één persoon en daaraan was men absolute gehoorzaamheid verschuldigd : commandant d’Annunzio! Reden voor menig officier om Fiume te verlaten. Zodat de Arditi onhandelbaarder werden dan ooit.

De nieuw aangetreden Italiaanse minister-president Giolitti durfde eindelijk te handelen tegen de populaire oorlogsheld. In november 1920 sloten Italië en Joegoslavië het verdrag van Rapallo. Fiume werd volgens dit verdrag een onafhankelijke stad, verbonden met Italië. Bovendien kreeg Italië Carso, Zara, bijna geheel Istria en een paar eilanden in de Adriatische zee toegewezen.

Het meeste van wat d’Annunzio jaren lang voor Italië had opgeëist was verkregen, maar het was gebeurd zonder zijn betrokkenheid. Geen Italiaans bloed had de grond ‘doordrenkt’ en ‘geheiligd’, zoals naar de mening van de dichter diende te geschieden, wilde het werkelijk Italiaanse grond zijn. Het was geen heroïsche overwinning, het was in zijn ogen een ordinaire deal. Erger nog, het verdrag verplichte Italië zorg te dragen dat d’ Annunzio afstand deed van het bestuur van de stad.

Mussolini adviseerde de dichter het verdrag te erkennen. Fiume werd onafhankelijk van Joegoslavië en verbonden met Italië, wat wilde hij nog meer? Maar de dichter wenste zijn macht niet op te geven. Fiume was zijn podium. Bovendien had zijn vriend Marconi inmiddels een radio-installatie aangebracht, waardoor de dichter plots een wereldpubliek had en hij zich meer dan ooit ‘wereldleider’ kon voelen. Nee, hij ging niet in de coulissen te verdwijnen. Hij zou niet wijken!

De regering Giolitti blokkeerde vervolgens de haven met twee oorlogsschepen, waaronder de trots van Italië, de Andrea Doria. De strijd om Fiume begon op Kerstavond 1920 en eindigde op Tweede Kerstdag. D’Annunzio, ondanks al zijn stoere retoriek, capituleerde, toen de Andrea Doria het gouvernementspaleis, waarin hij zijn onderkomen had, met granaten begon te beschieten. De enige tegenactie bestond eruit dat d’Annunzio’s adjudant Keller over Rome vloog om een pot rottende wortelen naar beneden te gooien boven het Parlementsgebouw en een witte roos boven het Vaticaan. Een typisch d ‘Annunziaanse act, maar d ’Annunzio had er part noch deel aan. Keller had geheel eigenmachtig gehandeld en in feite had d’Annunzio Keller en zijn Arditi al niet meer in de hand.

Honderden keren had de dichter het volk, verzameld onder zijn balkon, doen uitschreeuwen ‘Fiume o morte!’ en ‘Italia o morte !’ Nu was die heroïsche dood, die hij zo verheerlijkt had, eindelijk onder handbereik … maar nee.

Mars op Rome

Voor een keer triomfeerde zijn gezond verstand over zijn belligerent geraas. De apostel van dood en glorie koos voor het leven. En verliet Fiume.

Drie jaar later volbracht Mussolini zijn Mars su Rome. De Mars op Rome – naar het voorbeeld van Julius Caesar- waarop de dichter d’Annunzio vaak had gezinspeeld, maar die hij nooit had aangedurfd

Legio afvaardigingen vanuit het moederland waren vaak genoeg in Fiume langs geweest om de dichter tot die Mars te smeken. Maar hij liet ze meestal ontvangen door zijn tweede man Giurati, die de leiding had over de dagelijks gang van zaken, waarmee de dichter zich niet bemoeide. Want daar stond hij ver boven. Hij hield zich uitsluitend bezig met zijn redevoeringen en het stichten van steeds grootsere ceremonieën, parades en feesten. D’Annunzio’s spilzucht daarbij bracht Giurati tot wanhoop.

Giurati vertelde die delegaties uit het moederland dan ook strijk en zet, dat de door hen zo aanbeden d’Annunzio volstrekt ongeschikt was om het bestuur over Italië over te nemen. Ze moesten iemand anders verwachten.

Giurati zelf vertrok op een gegeven moment verbitterd uit de republiek van Carnaro. Om drie jaar later op te duiken als minister in de regering Mussolini.

Hij werd in Fiume opgevolgd door Alceste d’Ambris. Maar die hield zich net als d’Annunzio meer met de Grondwet bezig dan met de dagelijkse gang van zaken. Dus er veranderde wat betreft de langzame neergang van Fiume niets.

Prins van Montenevoso

Mussolini, in 1922 eenmaal aan de macht in Italië, ging behoedzaam om met d’Annunzio. De dichter bezat nog altijd veel aanzien, zeker in fascistische kringen.

Hij kocht zijn ijdeltuitige concurrent op het rechtspopulistische front af met de titel Prins van Montenevoso (‘Prins van de Besneeuwde berg’) en liet de Italiaanse staat het Vittoriale bekostigen, het geld verslindende architectuur-project, bij Gardone aan het Gardameer, waarmee d’Annunzio zich onledig hield in zijn laatste jaren, en dat hem bij leven tot paleis diende, en na zijn dood tot mausoleum. .

In 1938 stierf de dichter, niet nadat hij Mussolini herhaaldelijk gewaarschuwd had tegen Hitler. Hij moest nu eenmaal van Duitsers niets hebben. Tevergeefs. In het jaar van d’Annunzio’s sterven zou Mussolini de Führer op grootse wijze ontvangen in Rome. De As was geboren.

Hoe is het gesteld met de erfenis van d’Annunzio? Die is helaas weinig poëtisch te noemen. D’Annunzio verwekte Mussolini en Mussolini Hitler. En Hitler de Tweede Wereldoorlog. Het rechtspopulisme is daardoor jarenlang na de oorlog in Europa nagenoeg niet meer aan de orde geweest.

Maar heden is de Tweede Wereld oorlog ‘geen moreel ijkpunt meer’. Zeventig jaar na de Holocaust is het rechtspopulisme weer salonfähig in Europa, ditmaal in een nieuwe, gematigde variant ( ‘fascisme light’) : de anti-moslimpartijen van Le Pen, Fortuyn, Wilders, etc. ( ‘Zij, met hun bomgordels onder hun djellaba’s, zijn de fascisten! Niet wij!’)

Een aantal minder schokkende ideeën uit de Carnaro-trommel had overigens zijn revival al in de Jaren Zestig. De Vrije Liefde. De gelijkberechtiging van homoseksuelen. En vooral de verering van de Jeugd. ‘La giovennezza, grande bellezza!’, was het lijflied van de Arditi in Fiume, overgenomen alweer door Mussolini , voor zijn fascistische stoottroepen. De futurist Marinetti, zoals vermeld ook aanwezig in Fiume, in vele opzichten een geestverwant van d’Annunzio, hanteerde in zijn Futuristisch Manifest de kreet : ‘Wie ouder dan dertig is, moet dood!’

Mei ’68 in Parijs was milder: ‘Wantrouw iedereen boven de dertig!’

Soms is er niets nieuws onder de zon.

En de ‘poëtische politiek’? Die is heden non-existent.

Iets van een ‘poëtische politiek’ lijkt niettemin gewenst. Al was het maar als tegenwicht tegen het economistisch denken, dat heden het politieke klimaat in Europa beheerst. ‘De lyriek is de moeder van de politiek’ (Lucebert)… maar uit Carnaro dient wel een les getrokken. Dat zo’n politiek zich verre dient te houden van elke vorm van geweld. De poëtische politiek zal een geweldloze activiteit zijn of zij zal niet zijn. Want de poëzie is een humanisme. Die notie was weg bij d’Annunzio.

Tenslotte, de overeenkomsten tussen d’Annunzio en Fortuyn zijn te opvallend om hier ongenoemd te laten. ‘ De gepolijste kale kop’, la testa di ferro.- óók al door Mussolini geplagieerd – waarom Gabriele D’Annunzio door zijn volgelingen ‘de Goddelijke Kale’ werd genoemd. Een koosnaam, waarmee wijlen Theo van Gogh Pim Fortuyn placht aan te spreken.

Het narcisme. Het hedonisme. De media-gerichtheid. De theatraliteit. Het charisma. De verafgoding door de volgelingen.

Het achteloos maken van schulden. De ongebreidelde promiscuïteit. Het dandyisme.

Het operette-achtig militarisme van Duce d’Annunzio in Fiume en het dito ‘At your service!’ van Pim Fortuyn. De geschiedenis een keer als grote klucht en een keer als kleine…

Er zijn natuurlijk ook verschillen. Fortuyn was een columnist (in Elseviers weekblad), geen dichter. Hij was ook niet fysiek gewelddadig ( wel verbaal…) Integendeel. Hij werd het slachtoffer van fysiek geweld.

Maar zoveel is zeker: met Fortuyn is de Italianisering van de Nederlands politiek begonnen. En zijn voornaamste geestelijke erfgenaam blijkt thans de Limburgse ‘dandy’ Geert Wilders te zijn. Na het Kale… het Geblondeerde Hoofd!

Litanesk scanderen

De PVV–leider beoefende zelfs een spreektactiek van d’Annunzio , die Fortuyn ongebruikt liet: het litanesk scanderen.

D’Annunzio, dagelijks, vanaf zijn balkon in Fiume:

‘Aan wie de victorie?’

‘Aan ons!’

‘Aan wie de victorie?’

‘Aan de helden!’

Wilders in een café in Den Haag:

‘Willen jullie meer of minder Europa?’

Minder!

Willen jullie meer of minder Marokkanen?

‘Minder!’

 

Evviva Italia!

 

Manuel Kneepkens ( Heerlen 1942) , is dichter en publicist. Zijn laatst verscheen dichtbundel is Kaleidoscopie van een Jaar (De Contrabas, Utrecht, 2015) Als criminoloog schreef hij: Het Rijk van de Demonen, Het Bombardement van Rotterdam. Hij was twaalf jaar fractievoorzitter van de Stadspartij in de gemeenteraad van Rotterdam ( 1994 -2016).

 

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en dat wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Met een grotere bijdrage steun je ons nog veel meer. Zo help je mee een unieke stem in het Nederlandse medialandschap verder te ontwikkelen.

Mijn gekozen donatie € -

 

 

Koning Robot: het mechanische alternatief voor een feilbare monarch

Het idee van Marie Jean Antoine Nicolas de Caritat, markies de Condorcet (1743–1794), een van de meest vooraanstaande intellectuelen van de Franse Revolutie, om het koningschap over te dragen aan een machine, is met de robotisering van de samenleving zeer uitvoerbaar geworden.

Tekst: Manuel Kneepkens

In zijn succesboek 21 lessen voor de 21e eeuw stelt Yuval Noah Harari dat de technologische revoluties méér ons leven op de planeet aarde bepalen dan de maatschappelijke zoals de Franse revolutie.

Die mening is niet nieuw. Zij werd ook al – heel wat eerder trouwens – geventileerd door Willem Frederik Hermans.

Maar hoewel de Franse revolutie zeker een ander soort revolutie dan de Industriële is, heeft ook zij wel degelijk machines verwekt. Een daarvan is zowaar een ‘revolutie op strafrechtsgebied’: de guillotine. De Franse revolutionairen waren immers geobsedeerd door het begrip Gelijkheid. Meer in elk geval dan door Vrijheid en Broederschap. En de guillotine is de gelijkheidsmachine in optima forma, ‘Als lijken-met-de -kop -eraf zijn wij mensen elkaar zeer gelijk…’

Een heel wat humanere ‘Franse revolutie-machine’ is: de Machine van Condorcet. Daarover straks.

Robotisering

Harari merkt tevens op dat die techno-revoluties – de eerste was dus de Industriële revolutie – in steeds sneller tempo elkaar opvolgen Zo zou de wij ons thans ‘ in de vijfde versnelling’ bevinden: de onstuitbare opkomst van de robotisering.

Maar die robotisering komt niet uit de lucht vallen.

Integendeel, de robotisering van de samenleving blijkt historisch bezien een proces met een lange aanloop. Het begint als het militaire ideaal van de Romeinen: een leger dat beweegt als één machine.

En dat mechanistisch ideaal is in militaire kringen altijd populair gebleven.

Tot op de dag van vandaag pleegt men dan ook rekruten te drillen, d.w.z. ze te onderwerpen aan strenge disciplinering , ofwel ze ‘te ontmenselijken’. De ideale infanterist is een mechanische pop.

Dit robotdenken over de mens is gaandeweg ook buiten militaire kringen zeer populair geworden.

L’homme machine is een berucht boek van De la Mettrie, (1709- 1751), een materialistisch Verlichtingsfilosoof . Zijn stelling: de mens verschilt niet wezenlijk van een machine. Geen wonder dat juist in de Parijse Salons van tijdens de Verlichting vernuftig geconstrueerde mechanische poppen zeer populair waren. Die Verlichtingsfilosofen stonden, zoals bekend, aan de vooravond van de Franse Revolutie.

Om in de visie ‘de mens is een machine’ enkel een diabolische reductie van de mens te zien, is overigens te kort door de bocht.

Het mechanistisch denken heeft ook vooruitgang gebracht. Zo besloot de medicus Harvey naar het hart te kijken als naar een pomp ( ‘zie naar het hart als naar een waterpomp’ ) en dat heeft de cardiologie aantoonbaar vooruit gebracht.

En vergeet niet de fiets… De ecologische verantwoorde voortbewegingsmachine bij uitstek! Die machine kan niet genoeg geprezen worden. Dit terzijde.

Maar vaak ook blijkt dat mechanistisch denken rücksichtsloos wordt toegepast. Denk aan de staat als coderingsmachine (de Structuralisten). Denk aan de ‘kille’ architectuurvisie van Le Corbusier: ‘Het huis is een machine’, etc.

Maar hoe zit dat met de Machine van Condorcet?

Markies Marie-Jean de Condorcet (1743 -1794) was een Frans filosoof, een vroege politieke wetenschapper. Ook bekend om zijn bijdragen aan de wiskunde.

Maar hij was allereerst een sociaal bewogen mens die, ofschoon van adel, niettemin de Franse revolutie loyaal steunde. Zo pleitte hij voor grondwettelijk recht, vrij en gelijk publiek onderwijs en gelijke rechten voor vrouwen. En eveneens voor gelijke rechten voor mensen van alle rassen. Zie ook het artikel van Meindert Fennema over Condorcet elders op deze website. Zijn opvattingen over de gelijkwaardigheid van de mensen, maakten hem vrijwel automatisch tot een tegenstander van de monarchie. In dat kader deed hij – ludiek avant la lettre – het voorstel: de monarchie te vervangen door een zelf bewegende pop, de ‘automate royal’.

Mechanische koning

Deze mechanische koning zou alle ceremoniële functies van het Koningschap kunnen vervullen. De machine zou een onvermoeibare handenschudder zijn. De machine zou ook ‘automatisch’ alle wetten tekenen die het parlement had aangenomen en erfopvolging zou niet langer het probleem zijn. En, ook niet onbelangrijk, die androïde zou financieel maar een fractie kosten van een koningschap, uitgeoefend door een mens van vlees en bloed

Inmiddels, zoveel jaren later na de Franse revolutie, zijn al vele functies in onze samenleving geautomatiseerd. En ook de robot stoomt op. De knuffelrobot voor dementen is al werkelijkheid. En sinds de VS onder Obama huiverig is geworden om mensen als ‘boots on the ground’ in te zetten, wordt daar nu in snel tempo een programma ontwikkeld voor de vechtrobot Atlas.

In 2011 organiseerde de afdeling DARPA van het Pentagon een robotwedstrijd. DARPA staat voor Defence Advanced Project Research Agency, het instituut binnen het Amerikaanse Ministerie van Defensie, dat verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van geavanceerde militaire technologie. Ter herinnering, in 1968 begon het instituut (toen nog ARPA geheten) de ontwikkeling van het ARPA-net, dé voorloper van ons Internet. Ook in het ontwikkelen van de huidige algoritme-samenleving gaat DARPA voorop. Vier jaar lang werkten, naast het team van DARPA, een aantal andere teams naar de finale toe in 2015. Toen werden de mogelijkheden van de ontwikkelde robots beproefd in een speciaal parcours. Iedere robot moest een auto kunnen besturen en daar in en uit kunnen klimmen. Daarna een deur openen, een gat in de muur boren, een brandkraan dicht draaien en tenslotte een trap beklimmen.

De vechtrobot Atlas, bedoeld voor ‘boots on the ground’, deed het niet slecht. Hij werd tweede bij de finale. De opgaven bleken voor de meeste andere robots te hoog gegrepen. Slecht enkele robots slaagden er in, buiten nummer Een en Atlas, om heelhuids het parcours af te leggen. Een robot onthoofdde zichzelf per ongeluk ( Dat zouden ze in het Kalifaat ISIS ongetwijfeld zeer hebben gewaardeerd…)

Over die wedstrijd bestaat een videofilmpje. De meeste mensen, die dat filmpje zagen, vonden de robot behalve imposant ook wel angstaanjagend

Want wat is de volgende stap? Hoe lang zal het nog duren of de mensheid wordt onderdrukt door haar eigen schepping?

Krijgen wij een robotapocalyps?

Een ding is zeker: mocht het idee van De Condorcet van ‘de robot-koning’ in zijn eigen tijd nog onuitvoerbaar zijn, zo ’n robot fabriceren is heden eigenlijk een fluitje van een cent.

Robotdag

Krijgen wij dus binnenkort een Robot van Oranje- Nassau, de androïde Willem Alexander II die de taken van de huidige, ‘vlezige’ Willem Alexander overneemt? Zeker wat het uitspreken van de Troonrede betreft, kan dat sowieso nu al door een ‘automate royale’, want van die tekst is geen letter van de Koning zelf…

En begeeft zich dan die robotkoning op Robotdag , voorheen Prinsjesdag, naar de Staten Generaal in een zelfrijdende Gouden Koets? De robotisering van onze samenleving lijkt niet te stuiten, dus uitgesloten is dat allerminst.

 

De Robot

In den beginne wast het Woord

en op het einde was er het algoritme

want in de beginne was God

en God schiep de mens

en toen schafte de mens God af

en schiep de robot

en toen schafte de robot de mens af

to hoe wa bo hoe

en toen was God weer moederziel

alleen in het Heelal!

Correctie : moet dat niet zijn

In den beginne was het ( )oord

en op het einde was er het Walgoritme?

Nee! Want Robots worden geboren zonder W(eeën)…!

 

Het gedicht hierboven, De Robot, laat zich gemakkelijk tot de bron herleiden. Manuel Kneepens deelt namelijk met de jurimetrist Richard de Mulder het blog Knemublog. Jarenlang deden zij samen het strafrechtonderwijs op de Erasmus-universiteit en dat heeft een diepe band geschapen. Op Knemulblog zetten zij naar hartenlust alles op wat hen interesseert. Bij Kneepens is dat de poëzie, bij Richard de Mulder is dat de robot. Zodoende.

1 2 3 8