Nieuws

Roel van Duijn: Bestorming Capitool lijkt op ‘mislukte’ Hitlerputsch van 1923

Arnold Schwarzenegger, voormalig gouverneur van Californië, vergelijkt in een bewogen bewogen video de bestorming van het Capitool met de Kristallnacht. De nacht in 1938 waarin de Proud Boys van toen in Duitsland de synagogen in brand staken. Hij noemt beide gewelddaden aanvallen op de democratie.

Maar de democratie bestond in Duitsland in die vreselijke nacht al bijna zes jaar niet meer en die bestaat in Amerika nog wel degelijk.

De vergelijking die volgens mij wél opgaat is met de Hitlerputsch van 1923 in München. Ook mislukt, zoals ook 6 januari 2021 in Washington een mislukte staatsgreep was. Beiden met de gefrustreerde bedoeling de democratie te vernielen en een autoritair bewind te vestigen.

De Hitler-putsch werd al de volgende dag neergeslagen en van de geplande mars op Berlijn kwam toen niets terecht. Maar Hitlers naam lag op ieders lippen. In het strafproces stal hij de show en hij werd in de ogen van zijn rechters van beklaagde tot aanklager van de democraten in Berlijn. Zo op het paard gezet richtte hij er zich nu op de democratie van binnen uit uit te hollen. Duitsland weer groot maken, toeterde hij. Make Germany great again!

Twee maal een leugen

Beide pogingen om de democratie in het hart te raken werden bezield door een leugen. In het geval van Hitler was de leugen dat het Duitse leger in de Eerste Wereldoorlog aan de winnende hand was, tot het door de linkse en joodse democraten in Berlijn tot overgave werd gedwongen. Ook de opgezweepte massa voor het Capitool was bezeten van een ongelooflijke leugen. Dat Trump tot president is gekozen maar dat de louche democraten en ambtenaren de overwinning gestolen hebben.

Waarom herhaalt zich deze geschiedenis? Beseft men niet dat wanneer de waarheid er niet meer toe doet de weg naar het fascisme open ligt?

Deze vraag hoef je niet te stellen aan mensen die het fascisme keihard nastreven. Maar wel aan de bondgenoten van de leugenaars. In Duitsland waren dat de Von Papens, de Von Schleichers, de Hugenbergs. In Amerika zijn dat Mitch McConnell, Pence, Murdoch, de meerderheid van de republikeinse partij. Al diegenen die meegelift hebben op de macht van het monster.

Opvallend is het klimaat van angst tijdens de beide pogingen tot staatsgreep. In Duitsland heerste verwarring door de militaire nederlaag, door de overmatige eisen van de oorlogswinnaars, door armoede en werkloosheid. En de extreme gevolgen van de Spaanse griep. In Amerika heersen scherpe conflicten over racistische moorden, armoede, de vrees voor overvleugeling door China en de explosie van COVID 19. Treffende overeenkomst is dat in Duitsland groepen werkloze soldaten met wapens zwaaiden terwijl nu in Amerika de ene na de andere extreem–rechtse club schietoefeningen doet.

In beide gevallen angstige werelden, waarin zo’n politieke leugen vergif is.

De voorbereider en de voltrekker

Hitler was niet de uitvinder van de Dolkstootlegende. Dat was de doorgewinterde generaal Erich Ludendorff, die in de laatste maanden van de Eerste Wereldoorlog zijn absolute macht overdroeg aan een parlementaire regering in Berlijn, ten einde de sociaal-democratische leiders daarvan de schande van de nederlaag listig in de schoenen te schuiven. Ludendorff heeft nog wel hand in hand met Hitler in 1923 in de straten van München deelgenomen aan de gewelddadigheden, maar daarmee was zijn rol uitgespeeld.

 

Degene die de Dolkstootlegende vervolgens met groot succes mocht exploiteren was niet de oude generaal zelf, maar zijn jonge geestverwant Hitler. Die was het die het doodvonnis over de democratische republiek van Weimar voltrok en het schrikbewind gebouwd heeft. Later, als Trump definitief tegengehouden is, zullen we kunnen vaststellen dat zijn rol meer die van Ludendorff geweest is, niet als degene die de dictatuur gevestigd heeft, maar als de geslepen voorbereider die de fatale mythe heeft uitgevonden die de weg naar de dictatuur geplaveid heeft.

Daarom is het historisch verantwoord om op grond van gelijkenis tussen de beide staatgrepen, die van nu en die van een eeuw eerder, een onrustbarende voorspelling te doen. Ook wanneer Trump binnen een paar jaar van het toneel is verdwenen, is het gevaar levensgroot dat een opvolger met behulp van zijn legende van de Gestolen Verkiezingsoverwinning alsnog de democratie ten val zal brengen. Iemand als de Texaanse senator en leugen naprater Ted Cruz of gewoon Donald Trump junior zal, als de maatschappelijke angst blijft, dan Trumps griezelige erfenis tot volle bloei kunnen brengen.

Roel van Duijn is auteur van ‘Een zoon voor de Führer, de nazi-utopie van Julia op ten Noort’ en vast columnist van De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht & burgerschap 

 

Professor Karel weet raad (29 en slot): Professor Karel breekt met De Republikein

/

Een dramatische ontwikkeling aan het eind van een even dramatisch jaar: de immens populaire wetenschapper Professor Karel, hoofdredacteur van het succesvolle tijdschrift Totaal Gestoord (oplage 1 miljoen exemplaren), heeft besloten zijn medewerking aan De Republikein te staken. In deze laatste aflevering van de veelgelezen rubriek ‘Professor Karel weet raad’, waarin burgers die in de knel kwamen met de Deep State voor advies terecht konden, licht hij zijn beweegredenen toe. De hoofdredactie van De Republikein reageert.

 

Tekst en illustratie: Sjoerd de Jong

 

 

Hoi professor Karel,

Hoe gaat het met u? Hopelijk alles goed. Ik geniet elke keer van uw supergave antwoorden! Voor school heb ik er een collage van gemaakt op knalgroene en gele A-3-vellen, met uw uitgeknipte portretjes en veel leuke glittertjes erop, echt onwijs retro! Ik heb kaarsen gebruikt om er nog wat vetdruppels overheen te lekken, dat geeft helemaal het goeie sfeertje. Met mijn klasgenootjes nemen we dan buiten eerst een hijs lachgas en dan lezen we mekaar voor wat u schrijft. We gaan helemaal stuk! Echt hartstikke tof!

We hopen dus dat u nog lang doorgaat! Het enigste was we ons wel afvragen is: waar haalt u het allemaal vandaan? In onze schoolboeken lezen we nooit iets zoals u het vertelt! Knap!

Josine

 

Het is met een zwaar gemoed dat ik de brief van deze jongedame beantwoord, niet alleen door de aandoenlijke inhoud en toonzetting, maar vooral omdat het de laatste zal zijn die ik in deze rubriek behandel. Ja, dat leest u goed – het is niet anders. Mijn beweegredenen zal ik zo dadelijk uiteenzetten, maar niet dan nadat – aldus leerde mij J.L. Heldring – ik de kwestie in deze ontroerende brief grondig heb behandeld. Wij mogen de jeugd immers niet in de steek laten met hun terechte vragen!

Wat is het geval? Het is belangrijk om te bedenken dat schoolboeken natuurlijk niets meer zijn dan de arrogante stem van de elite, die ons bepaalde zaken wil doen geloven en andere taboe verklaart. Dat begint al op de lagere school, met lessen in vaderlandse geschiedenis die kleine kinderen moeten wijsmaken dat de politieke moord op Willem van Oranje het werk was van een gestoorde lone wolf of van een huurling in opdracht van de koning van Spanje. Alsof men in dat land het risico zou willen nemen van verminderde inkomsten uit Nederlands massatoerisme! Wil men dat ons echt wijs maken?

Dat verhaal kan dus niet waar zijn, het gaat ook in tegen alles wat we weten als we rustig naar de feiten kijken. Deze Van Oranje, die overigens nog geen woord Algemeen Gemanipuleerd Nederlands sprak, was in feite een bedreiging aan het worden voor de Brusselse zakenelite, die toen bezig was met kartelvorming in de wolhandel en andere sectoren. Juist dat Van Oranje zich trouw betoonde aan de koning van Spanje, tot in het later naar hem genoemde lied, was voor hen een steen des aanstoots! Hij moest dus uit de weg worden geruimd in een eerste Grote Reset van de Europese verhoudingen. De hegemonie van het financiële kapitalisme in de huidige EU zou ondenkbaar zijn geweest onder leiding van een migrant die nog op zijn sterfbed louter om medelijden vroeg. Dit is dan nog maar een klein voorbeeld. Laten we het omwille van de ruimte niet hebben over de talloze leugens die onze schoolboeken vandaag de dag verspreiden over de vermeende uitbuiting van arbeiders in onze koloniën, de dwaasheid die scholieren ingeprent krijgen over gender of de desinformatie die wordt verspreid over het gedwongen vertrek van columnist J.A.A. van Doorn bij NRC Handelsblad, in feite een clandestiene operatie van de CIA en BVD met het oogmerk hun greep op de toenmalige hoofdredacteur van de krant nog te verstevigen door hem in verlegenheid te brengen.

Kortom, gelooft u die schoolboeken niet, jongedame!

Waar ik mijn kennis dan vandaan haal? Wel, ik baseer ik mij al sinds jaar en dag op mijn eigen observatie- en denkvermogen, gescherpt door onophoudelijke en intensieve journalistieke arbeid. Daarnaast lees ik geregeld en veel, met name dagelijks een of twee studies die voor het grote publiek verborgen worden gehouden. Afgewisseld met wat lichtere lectuur, zoals het boeiende werkje Posthumanisme (2020) van de Nederlandse arts en antroposofe Mieke Mosmuller. Zij ziet dezelfde, door de elite van Klaus Schwab geconstrueerde paradigmawisseling in de westerse beschaving als ik, zij het tamelijk intuïtief en minder kernachtig geformuleerd. Bovendien is zij pijnlijk onvolledig in de presentatie van de feiten. Zo ontbreekt in haar studie een compacte weergave van de gang van zaken bij de liquidatie van Bin Laden, een belangrijke omissie omdat juist deze episode het sluitstuk was van de false flag-operatie op 9/11 en daarmee de prelude van de Grote Reset die nu in gang is gezet.

Maar goed, laten we niet verder op de zaken vooruitlopen.

Ik moet dan nu maar uit de doeken doen, beste lezers, waarom het einde van deze rubriek helaas is aangebroken. Ik zou dat graag anders hebben gewild, maar de naakte feiten dwingen mij ertoe.  U zag al dat ik hierboven de naam noemde van Klaus Schwab, de topman van het World Economic Forum die ons zijn Grote Reset wil opdringen met de corona-pandemie als alibi.

Welnu, een contact uit de Nederlandse inlichtingenwereld attendeerde mij erop dat de hoofredacteur van dit orgaan de heer René Zwaap is, voorheen een bekend zij het niet onomstreden reporter van De Groene Amsterdammer en met name in hofkringen een veelbesproken stoorzender. Dat laatste zou voor de man pleiten, dunkt me, ware het niet dat zijn achternaam duidelijk wijst op een connectie met eerdergenoemde Schwab en dus via hem met de Grote Reset. Bovendien weten we dat deze hoofdredacteur niet nader bekende betaalde arbeid verricht in Zwitsersland, waar het WEF is gevestigd en Schwab domicilie houdt. Het ligt dus voor de hand dat hier belangen spelen die voor ons verborgen worden gehouden.

In de drukte waren deze louche banden mij helaas ontgaan. Mede doordat mijn kopij wordt verzorgd door een trouwe bewonderaar van mijn werk, dezelfde die mij met het blad van de heer Zwaap in contact bracht. Deze man, Sjoerd de Jong, deed zich bij mij voor als uitgever van klassieke, huis- aan huis bezorgde leesmappen, waarin ook dit blad zou worden opgenomen. Ook dat blijkt nu een fabeltje te zijn. Navraag naar ’s mans antecedenten leert dat hij al decennia in dienst is van een medium dat volledig de belangen behartigt van de NAVO, de EU en de Grote Reset. Ik vond het ook al wonderlijk dat ik zelden of nooit een waarderende reactie van hem kreeg op mijn artikelen die toch, zoals het briefje van Josine opnieuw laat zien, hun weg niet alleen hebben gevonden naar de rijpere lezer maar ook naar de jeugd. Van publicatie in een leesmap bleek ook geen enkele sprake; deze stukken schijnen zelfs louter op internet te vinden te zijn – waarmee men natuurlijk hoopt mijn woorden te vervluchtigen.

Kortom, er wordt hier een spelletje met mij gespeeld. Beste lezer, dat kan ik natuurlijk niet tolereren. Op geen enkele manier wens ik een ‘excuus Truus’ te zijn of een ‘Kareltje Complot’, in een redactionele omgeving waarin men juist, bewust of onbewust, meewerkt aan de totalitaire transformatie van de mensheid in een gedigitaliseerde slavengemeenschap. Ook de naam van het tijdschrift, De Republikein, heeft voor mij nu, met mijn grondige kennis van de Amerikaanse politiek, een onaangename dubbelzinnigheid, die zich maar slecht verdraagt met mijn streven naar zuivere, feitelijke verslaggeving.

In het licht van deze feiten zit er niets anders op dan mijn werk op dit podium per onmiddellijke ingang te beëindigen en alle banden met dit mogelijk door NAVO-bronnen gefinancierde tijdschrift te verbreken.

Uw suggesties voor podia waarop ik mijn werk kan voortzetten zijn welkom, mits deze verenigbaar zijn met de inhoud en kwaliteit van mijn eigen tijdschrift Totaal Gestoord, dat uiteraard mijn eerste prioriteit blijft houden. Ook zou ik graag in contact komen met de redactie van uw schoolkrant, Josine, om te spreken over een door mij geschreven en geredigeerde rubriek zoals deze, voor scholieren. Ook ben ik bereid om het gesprek aan te gaan over een betrekking als deeltijd-hoofdredacteur van het orgaan in kwestie.

Beste lezers, het ga u goed. Ik  zal voor u elders blijven berichten en denken, in het belang van een mensheid die zich door de elite geen blauw hoedje wil laten opzetten. Onthoudt u dit: wij laten ons niet resetten!

No resetterán!

 

NASCHRIFT HOOFDREDACTIE DE REPUBLIKEIN

 

Het is met leedwezen dat de redactie van De Republikein afscheid neemt van Professor Karel, die in korte tijd was uitgegroeid tot een gewaardeerd medewerker van onze kolommen. Getuige de vele verzoeken die wij uit de lezerskring mochten ontvangen om raad en bijstand van professor Karel, voorzag deze rubriek duidelijk in een behoefte. Deze uitgesproken stem, die altijd goed was voor discussie en debat, zal ten node worden gemist en het is met zwaar hart dat wij afscheid nemen van deze veelgelezen medewerker.

Echter: de beweegredenen die de geachte professor aanvoert ten aanzien van zijn flukse besluit, zouden tot verwarring kunnen leiden en nopen dan ook tot nadere toelichting. De warme banden die professor vermoedt tussen Klaus Schwab, voorzitter van het World Economic Forum, en de hoofdredacteur van dit tijdschrift, hebben zich in werkelijkheid beperkt tot één recente gezamenlijke kaasfondu-maaltijd in Zürich ten behoeve van een informele gedachtenuitwisseling over de mogelijkheid de jaarlijkse conferentie van het WEF te verplaatsen van Davos naar Rotterdam-Zuid. Dit op grond van de klachten van de Duitse zakenman dat de plaatselijke middenstand in Davos de prijzen voor horeca en hotellerie zodanig opdreef tijdens de driedaagse conferentie van het WEF dat de kosten van deelname aan dit evenement zelfs voor Saoedische oliesjeiks niet meer op te brengen waren. Dhr. Zwaap hield bij die gelegenheid een pleidooi ten faveure van Rotterdam-Zuid  als nieuwe lokatie van de WEF-conferenties.  De kosten van onderdak en catering zouden daar vele malen lager uitvallen en in het Ahoy-complex en het winkelcentrum Zuidplein kunnen alle faciliteiten worden gevonden om een dergelijk evenement tot een succes te maken. Dhr. Zwaap liet zich hierbij leiden door de economische problematiek die in het kielzog van de Corona-crisis speelt binnen zijn Rotterdamse geboortegrond, en waarvan de ernst wordt duidelijk gemaakt in deze clip van het Rotterdamse muziekcollectief Op Zuid.

Ter behoud van zijn redactionele onafhankelijkheid nam dhr. Zwaap de kosten voor zijn eigen aandeel in deze kaasfondu voor eigen rekening. Er bestaan geen directe familiaire banden tussen dhr. Schwab en dhr. Zwaap.

Voor wat betreft de aantijgingen van professor Karel aan het adres van dhr. S. de Jong verwijzen wij gaarne naar de afdeling klantenservice van NRC Handelsblad.

 

 

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Met een grotere bijdrage steun je ons nog veel meer. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Mijn gekozen donatie € -

De republiek van een dichter: Gabriele d’Annunzio als wegbereider van Mussolini

Vrouwen en homoseksuelen genoten gelijke rechten in de stadsstaat Carnaro, die de Italiaanse dichter Gabriele d’Annunzio uitriep op de puinhopen van de Eerste Wereldoorlog.  Maar Carnaro was ook de geboortewieg van het fascisme. Manuel Kneepkens over de opkomst en ondergang van de republiek van de ‘goddelijke kale’ en zijn vele epigonen.

 

Tekst: Manuel Kneepkens

 

De stichter van de Republiek van Carnaro, de dichter Gabriele d’Annunzio ( 1863 -1938) werd geboren als de zoon van de burgemeester van Pescara, een stad aan de Adriatische Zee in de regio Abruzzo. Hij groeide op in een huis vol vrouwelijke familieleden , die hem als een prinsje verwenden.

Als zeventienjarige wist hij al de media te bespelen- dat waren de kranten toentertijd. De pers was toen nog volop ‘de koningin van de aarde’. Film en radio als massamedia moesten nog komen.

Toen hij namelijk zijn eerste dichtbundel publiceerde, liet d’Annunzio het gerucht verspreiden, dat hij dodelijk van zijn paard was gevallen. Want hoe jonger gestorven een dichter, hoe groter aandacht voor diens poëzie ….

Erotische escapades

Het leven van d’Annunzio bestond van toen af aan, naast zijn niet gering dichterschap, uit het continu financieel op een te grote voet leven plus een eindeloze serie erotische escapades. Hij hield al zijn veroveringen nauwkeurig bij in een serie notitieboekjes. En daar waren niet geringe namen onder.

Bijvoorbeeld de grote Eleonara Duse, toentertijd naast Sarah Bernhardt de bekendste actrice van het Fin de Siécle, wist hij zelfs negen jaren aan zich te binden. En dat, terwijl hij haar vrijwel continu bedroog.

In 1910 was zijn schuldenlast zo hoog, dat hij Italië hals over kop ontvluchtte. Om vervolgens zijn larger than life-leventje: zijden pakken , kostbare parfums, dure vrouwen, hazewindhonden, enzovoorts – voort te zetten in Parijs. Waar hij met open armen werd ontvangen door de decadente kring rond graaf Robert de Montesquiou, de precieuze dandy, die model heeft gestaan voor het personage Des Esseintes in de roman À rembours van Huysmans en baron Charlus in À la recherche du temps perdu van Marcel Proust.

Geheime overeenkomst

In het voorjaar van 1915 was in Italië de vraag aan de orde of het land moest meevechten in de Eerste Wereldoorlog. De meerderheid van de bevolking was tegen. In het diepst geheim echter had de Italiaanse regering Salandra al een overeenkomst met de Entente (Frankrijk, Engeland, Rusland) gesloten en daarbij allerlei toezeggingen inzake gebiedsuitbreiding in wat later Joegoslavië zou gaan heten, verworven ( Italia irredenta). Het grote publiek was daarmee onbekend.

Op woensdag 5 mei 1915 maakte d’Annunzio zijn grootse (en weloverwogen ) rentree in Italië. Hij onthulde die dag op theatrale wijze het Monumento ai Mille , opgericht ter ere van Garibaldi en zijn rebellenleger op de rots van Quarto aan de baai van Genua. Vanaf deze plek was Garibaldi in 1860 zijn Italiaanse eenwordingsoorlog begonnen, de Risorgimento. Garibaldi en zijn mannen waren inmiddels zoveel jaar later een ware ‘mythe’ geworden in Italië ‘van heroïek en vitaliteit’.

Die rede van D ’Annunzio was een en al vuur: over het vuur van de eenwording, het vuur waarin wapens gesmeed worden , het vuur dat leven schenkt, het vuur dat levens eist, het ontembare vuur, etc. Het vuur zou heel zijn verdere leven zijn favoriete metafoor blijven. In de twee bekendste van zijn toneelstukken, Het Schip en Jorio’s dochter, gooit de heldin zich vrijwillig op de brandstapel. Fiume, waar hij zijn Republiek van Carnaro zou stichten, zou hij steeds de Stad van het Vuuroffer noemen. En zijn soldaten, de Arditi : ‘barnstenen vlammen’

In zijn rede bij het Garibaldi-monument mengde hij moeiteloos teksten uit de Klassieken succesvol met Nieuw-Testamentische beeldspraak. D’Annunzio bestond het daarbij om de meest pacifistische tekst in de Bijbel, de Bergrede (‘Zalig de zachtmoedigen’) om te smeden tot een vurige aansporing tot deelname aan de oorlog.

‘Zalig de jongeren die hongeren naar glorie, want zij zullen bevredigd worden….

Zalig de barmhartigen, want zij zullen een schitterende stroom van bloed te stelpen hebben .. etc.’

Men trachtte de rede af te doen als typisch de retoriek van een dichter, maar in feite begreep d’Annunzio meer van de moderne tijd, die in opkomst was – die van de massa en de massamedia – dan de liberalen en sociaal-democraten, die toentertijd de Italiaanse politiek domineerden. In dat debat over Italië ’s oorlogsdeelname draaide het immers nauwelijks om redelijke argumentatie, maar om emotie. ‘Degene die de emoties het hoogst kan doen oplaaien, die krijgt “het volk” aan zijn zijde…’

Ziedaar het geheim van het rechtspopulisme, zowel toen als nu.

D’Annunzio slaagde er dus in met zijn vurige toespraken, die massaal werden bijgewoond – op de Piazza del Popolo in Rome alleen al 200.000 enthousiaste Italianen – de publieke opinie te bewerken ten gunste van het deelnemen aan de oorlog aan de zijde van Frankrijk. Onze Latijnse zuster !

Kortom, de succesvoller verleider van vrouwen bleek nu ook een succesvol verleider van de massa. Over Frankrijks bondgenoten Engeland en Rusland repte de dichter nooit. D’Annunzio zag de Eerste Wereldoorlog als een strijd tussen het Latijnse en het Germaanse ras (!), waarbij dat laatste moest worden verpletterd.

Gewelddadig

Die toespraken stonden dus bol van gewelddadigheid. De menigte werd o.a. doodleuk aangespoord politici, die tegen de oorlog waren, te bedreigen en te mishandelen. ‘Wacht ze op! Overmeester ze! Als er bloed vloeit, zal het net zo gezegend zijn als het bloed dat vloeide in de loopgraven!’

Als Italië dan in 1915 inderdaad aan de kant van de Entente aan de oorlog gaat deelnemen, ziet d’Annunzio dat dan ook als het resultaat van zijn optreden. En het Italiaanse publiek dacht evenzo.

De strijd tussen Italië en Oostenrijk speelde zich af in het berglandschap, ver in het achterland van Venetië, rond de rivier de Isonzo, in de onherbergzame streek Carso, die wordt geteisterd door een uiterst gure wind, de Bora. Een buitengewoon ongunstige plek voor een leger om de strijd aan te binden. Nog meer dan in de loopgravenoorlog aan het westelijk front, was hier feitelijk sprake van massasuïcide.

De Italianen moesten immers vanuit de dalen aanvallen. De Oostenrijkers genesteld op de hoogten en pieken, waren duidelijk in het voordeel.

De dienstdoende Italiaanse generaal Cardona had weinig consideratie met zijn soldaten, die zijn onmogelijke opdracht ‘alsmaar aan vallen’, rigoureus dienden uit te voeren. De geringste insubordinatie werd streng gestraft. Executie van onwillige soldaten kwam bijna dagelijks voor.

In de twaalfde (!) slag aan de Isonzo wist Oostenrijk gesteund door Duitse hulptroepen Italië zelfs verpletterend te verslaan: ‘de nederlaag bij Caporetto’. Het Italiaanse leger trok zich in wanorde terug achter de rivier de Piave. Duizenden Italiaanse soldaten deserteerden of werden krijgsgevangen gemaakt. Britse, Amerikaanse en Franse troepen moesten Italië te hulp snellen.

Pas in de herfst van 1918 , vlak voor het einde van de oorlog, wist men terug te slaan, ‘de overwinning bij Vittorio Veneto’.

 Übermensch met vleugels

D’Annunzio nam enthousiast deel aan ‘zijn’ oorlog. Maar niet in Cargo. In de lucht. Als vliegenier. Want was ‘de Vliegenier’ niet het prototype van de Übermensch – de mens, hoog verheven boven de anderen, waarop Nietzsche doelde? Hij toonde zich daarbij dapper, op het roekeloze af. Tussen 1915 en 1918 vloog hij in de houtje-touwtje vliegtuigjes van toentertijd over vijandelijk gebied om eigen- handig bommen naar beneden te werpen. Hij raakte zwaar gewond, liep ernstige oogschade op, maar klom, zodra hij kon, weer aan boord.

Zo leidde hij op 4 augustus 1918 het uit negen vliegtuigjes bestaande vliegeskader La Serenissima  op een 700 mijl raid naar het vijandelijke Wenen en terug. Boven Oostenrijks hoofdstad gooide de dichter geen bommen, maar pamfletten.

Deze unieke ‘geweldloze oorlogsdaad’ heet in Italië ‘Il volo su Vienna’.

Bij de vredesbesprekingen in Versailles kwam Italië er bekaaid vanaf. Woodrow Wilson, de Amerikaanse president, achtte de geheime afspraken van Italië met de Entente van nul en generlei waarde. Hij drukte op de Balkan de nieuwe staat Joegoslavië door. Alles wat Italië van Italia irredenta kreeg was de stad Triëst.

Italië was op dat moment intern ontredderd. Er zwierven bendes rond van oorlogsveteranen. Jonge mannen zonder werk, dank zij de oorlog gehard en gewend om geweld te gebruiken. Met een groep van deze Arditi – en vergezeld van twee cameraploegen! – begaf D’Annuzio zich naar de havenstad Fiume (Rijeka) aan de Kroatische kust, een stad met een in meerderheid Italiaanse bevolking. En veroverde de stad zonder een schot te lossen. Van de geallieerde troepen (het waren voornamelijk Italiaanse) die hem hadden moeten tegen houden, liepen de nodige soldaten over. Drie jaar later herhaalde Mussolini, die altijd goed naar d’Annunzio ’s doen en laten gekeken heeft, dit bravourestuk met zijn Mars op Rome.

D’Annunzio stichtte in Fiume de Vrijstaat Carnaro met hemzelf aan top. Carnaro is de naam van de baai waaraan Fiume ligt. Die staat moest een ‘poëtische politiek’ gaan voeren. Als grondwet kreeg de nieuwe staat dan ook een Gedicht. De grondwet werd door d’Annunzio in dichtvorm geschreven.

Voor de sociaal-economische paragraaf daarin tekende de anarcho-syndicalist Alceste De Ambris. Hij voerde het corporatisme in. Ondernemers en arbeiders zitten samen in een corporatie en lossen gezamenlijk hun problemen op. De PBO , de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, was de naoorlogse variant daarvan in Nederland. Waarvan het huidige Poldermodel van overleg, recent nog uitlopend in een Sociaal Akkoord, op zijn beurt weer een late nabloei is.

De Grondwet van Carnaro kende negen van zulke corporaties. Elk representeerde een onderdeel van de gemeenschap. Eén van de zeelieden, een van de ambachtslieden, een van de ‘intellectuele bloem van het volk’ (leraren, studenten, kunstenaars), enzovoort, maar er was ook nog een tiende: de Corporatie van de Superieure Mens (Nietzsche!). Die corporatie had dus maar één lid: duce d’Annunzio.

Volledige gelijkberechtiging

Opvallend was in die grondwet van Carnaro in 1920 de volledige gelijkberechtiging van mannen en vrouwen. Daar was de rest van Europa toen nog niet aan toe. En al helemaal niet aan de volledige gelijkberechtiging van homo- en heteroseksuelen. Daarin liep de dichter d’Annunzio absoluut voorop.

Zeer belangrijk was de instelling van het College van Aediles, (afgekeken van het oude Rome) dat zorg dragen moest voor de kunst en cultuur. Carnaro was een kunstenaarsstaat. Creativiteit was burgerplicht. Muziek het hoogste goed. ‘In het regentschap van Carnaro is de muziek een religieus en sociaal instituut…gelijk het kraaien van de haan het ochtendrood tevoorschijn roept, zo roept de muziek op tot de geestelijke vrijheid van de mens’, heette het in deze eerste en voorlopig enige poëtische grondwet ter wereld.

Duce d’Annunzio had van zijn vrijstaat een veel te hoge dunk. Bijna zo hoog als van zichzelf. Het ministaatje Carnaro moest niet meer en niet minder dan een ‘gidsstaat’ voor de hele wereld worden. Hij presteerde het zijn poëtisch-politieke schepping te vergelijken met, in volgorde, het Athene van Pericles, het Rome van Augustus, het Florence van de Medici en het Weimar van Goethe.

Ongebreidelde paringsdrift

Lees – en huiver- wat de Engelse dichter Osbert Sitwell , die in Fiume tijdens de hoogtijdagen van d’Annunzio’s bewind aanwezig was, schrijft over de ‘vrijstaat’ Carnaro. Allereerst, dat die vrijstaat wel heel letterlijk een vrijstaat was … één grote vrijpartij. De homoseksuelen onder de Arditi omarmden elkaar openlijk in de parken. Ongebreideld was hun paringsdrift; de hetero’s deden niet voor hen onder.

Fervent cocaïnegebruik was niet vreemd aan deze continue orgie.

De gevolgen konden niet uitblijven. Er moest een speciaal hospitaal voor geslachtsziekten worden ingericht.

Fiume was een groot, wellustig Carne vale. Het ene spektakel na het andere; de ene parade na de andere. Alle dagen feest. Iedere dag hield d’Annunzio een gloedvolle speech van af het balkon van het stadhuis. Zijn legionairs begroeten hem dan met de oud-Romeinse groet met de gestrekte arm. Later zou Mussolini die groet voor zijn fascistische beweging overnemen. En ook de ellenlange balkonspeeches.

Zo vrij als Fiume was voor de Italianen, zo onvrij was het overigens voor de Kroatische minderheid, waartegen d’Annunzio’s legionairs soms meedogenloos optraden.

Magisch Centrum Fiume trok uit heel Europa jongeren aan. Als Amsterdam en Californië in de Jaren Zestig. Men was er hippie én Hell’s Angel tegelijk! De soldaten gingen er in de wonderlijkste uniformen van eigen makelij gekleed. En…creatieven. Alleen al uit Italië, om eens een paar namen te noemen: de Futurist Marinetti, ook al zo’ n aanbidder van geweld (‘la guerre est la seule hygiëne du monde’), de jonge dirigent Arturo Toscanini, de uitvinder Marconi, en Benito Mussolini, die in Fiume zijn ogen goed de kost gaf.

Het kon niet uitblijven. Vrolijk, vitaal rechts degenereerde binnen de kortste keren tot decadent rechts. Men kan nu eenmaal geen samenleving in stand houden op een recept van seks, drugs and rock n’ roll.

Dat blijkt meteen al uit de wonderlijke ‘economie’ die de vrijstaat er op na hield.

Fiume was tot dan toe altijd een rijke havenstad geweest, verbonden door een spoorweg met Boedapest in het verre achterland. In feite had het dus altijd als de haven van Hongarije. gediend. Maar handelscontacten met het achterland waren inmiddels geheel stil komen te liggen, o.a. door d’Annunzio’s komst.

En zo ook de haven.

Piraterij

Voor de broodnodige bevoorrading van de stad ging men over tot piraterij. D’Annunzio stelde een ‘task force’ samen uit de Arditi onder leiding van zijn adjudant Guido Keller, die hij de Uscocchi noemde, naar de piraten die actief waren geweest in de 16e eeuw in de Adriatische zee.

De Uscocchi deden hun uitvallen vanuit de haven van Fiume in motorboten en plunderden de depots van de Geallieerden, gelegen langs de baai van Carnaro.

De Uscocchi hoefden maar zelden hun wapens te gebruiken. Veel soldaten van de zogenaamde Geallieerde, maar in feite Italiaanse troepen, sympathiseerden met Fiume. Zij waren maar al te graag bereid even de andere kant op te kijken.

Ook gingen Arditi als verstekelingen aan boord van vrachtschepen in naburige havens. Waren die schepen eenmaal in volle zee, dan kwamen de Arditi in hun imposante zwart-zilver uniformen, plotseling tevoorschijn en dwongen de bemanning koerste zetten naar Fiume. Daar werden de schepen feestelijk ontvangen en feestelijk leeggehaald.

Meer en meer werd de vrijstaat een toevluchtsoord voor criminelen. Die vestigden zich op de verlaten dokwerven en staken al spoedig in wangedrag de Arditi naar de kroon. Het was een reden voor een delegatie van burgers van Fiume om zich in Rome te beklagen en de Italiaanse regering dringend te verzoeken een einde aan het regime van d’Annunzio te maken.

Dictator

Tussen het woord dichter en het woord dictator is maar een paar letters verschil. Maar die zijn dan ook cruciaal. D’Annunzio wiste die letters meer en meer uit. Dichter d’Annunzio werd de dictator d’ Annunzio. Zo voerde hij met de bedoeling de eigenzinnige Arditi meer in de hand te kunnen houden, een hervorming van zijn leger door, die er op neer kwam dat het officierendom werd afgeschaft. Van nu af aan waren alle militairen gelijk. Zeer democratisch, op het eerste gezicht dan…want er was een máár ….er was één persoon en daaraan was men absolute gehoorzaamheid verschuldigd : commandant d’Annunzio! Reden voor menig officier om Fiume te verlaten. Zodat de Arditi onhandelbaarder werden dan ooit.

De nieuw aangetreden Italiaanse minister-president Giolitti durfde eindelijk te handelen tegen de populaire oorlogsheld. In november 1920 sloten Italië en Joegoslavië het verdrag van Rapallo. Fiume werd volgens dit verdrag een onafhankelijke stad, verbonden met Italië. Bovendien kreeg Italië Carso, Zara, bijna geheel Istria en een paar eilanden in de Adriatische zee toegewezen.

Het meeste van wat d’Annunzio jaren lang voor Italië had opgeëist was verkregen, maar het was gebeurd zonder zijn betrokkenheid. Geen Italiaans bloed had de grond ‘doordrenkt’ en ‘geheiligd’, zoals naar de mening van de dichter diende te geschieden, wilde het werkelijk Italiaanse grond zijn. Het was geen heroïsche overwinning, het was in zijn ogen een ordinaire deal. Erger nog, het verdrag verplichte Italië zorg te dragen dat d’ Annunzio afstand deed van het bestuur van de stad.

Mussolini adviseerde de dichter het verdrag te erkennen. Fiume werd onafhankelijk van Joegoslavië en verbonden met Italië, wat wilde hij nog meer? Maar de dichter wenste zijn macht niet op te geven. Fiume was zijn podium. Bovendien had zijn vriend Marconi inmiddels een radio-installatie aangebracht, waardoor de dichter plots een wereldpubliek had en hij zich meer dan ooit ‘wereldleider’ kon voelen. Nee, hij ging niet in de coulissen te verdwijnen. Hij zou niet wijken!

De regering Giolitti blokkeerde vervolgens de haven met twee oorlogsschepen, waaronder de trots van Italië, de Andrea Doria. De strijd om Fiume begon op Kerstavond 1920 en eindigde op Tweede Kerstdag. D’Annunzio, ondanks al zijn stoere retoriek, capituleerde, toen de Andrea Doria het gouvernementspaleis, waarin hij zijn onderkomen had, met granaten begon te beschieten. De enige tegenactie bestond eruit dat d’Annunzio’s adjudant Keller over Rome vloog om een pot rottende wortelen naar beneden te gooien boven het Parlementsgebouw en een witte roos boven het Vaticaan. Een typisch d ‘Annunziaanse act, maar d ’Annunzio had er part noch deel aan. Keller had geheel eigenmachtig gehandeld en in feite had d’Annunzio Keller en zijn Arditi al niet meer in de hand.

Honderden keren had de dichter het volk, verzameld onder zijn balkon, doen uitschreeuwen ‘Fiume o morte!’ en ‘Italia o morte !’ Nu was die heroïsche dood, die hij zo verheerlijkt had, eindelijk onder handbereik … maar nee.

Mars op Rome

Voor een keer triomfeerde zijn gezond verstand over zijn belligerent geraas. De apostel van dood en glorie koos voor het leven. En verliet Fiume.

Drie jaar later volbracht Mussolini zijn Mars su Rome. De Mars op Rome – naar het voorbeeld van Julius Caesar- waarop de dichter d’Annunzio vaak had gezinspeeld, maar die hij nooit had aangedurfd

Legio afvaardigingen vanuit het moederland waren vaak genoeg in Fiume langs geweest om de dichter tot die Mars te smeken. Maar hij liet ze meestal ontvangen door zijn tweede man Giurati, die de leiding had over de dagelijks gang van zaken, waarmee de dichter zich niet bemoeide. Want daar stond hij ver boven. Hij hield zich uitsluitend bezig met zijn redevoeringen en het stichten van steeds grootsere ceremonieën, parades en feesten. D’Annunzio’s spilzucht daarbij bracht Giurati tot wanhoop.

Giurati vertelde die delegaties uit het moederland dan ook strijk en zet, dat de door hen zo aanbeden d’Annunzio volstrekt ongeschikt was om het bestuur over Italië over te nemen. Ze moesten iemand anders verwachten.

Giurati zelf vertrok op een gegeven moment verbitterd uit de republiek van Carnaro. Om drie jaar later op te duiken als minister in de regering Mussolini.

Hij werd in Fiume opgevolgd door Alceste d’Ambris. Maar die hield zich net als d’Annunzio meer met de Grondwet bezig dan met de dagelijkse gang van zaken. Dus er veranderde wat betreft de langzame neergang van Fiume niets.

Prins van Montenevoso

Mussolini, in 1922 eenmaal aan de macht in Italië, ging behoedzaam om met d’Annunzio. De dichter bezat nog altijd veel aanzien, zeker in fascistische kringen.

Hij kocht zijn ijdeltuitige concurrent op het rechtspopulistische front af met de titel Prins van Montenevoso (‘Prins van de Besneeuwde berg’) en liet de Italiaanse staat het Vittoriale bekostigen, het geld verslindende architectuur-project, bij Gardone aan het Gardameer, waarmee d’Annunzio zich onledig hield in zijn laatste jaren, en dat hem bij leven tot paleis diende, en na zijn dood tot mausoleum. .

In 1938 stierf de dichter, niet nadat hij Mussolini herhaaldelijk gewaarschuwd had tegen Hitler. Hij moest nu eenmaal van Duitsers niets hebben. Tevergeefs. In het jaar van d’Annunzio’s sterven zou Mussolini de Führer op grootse wijze ontvangen in Rome. De As was geboren.

Hoe is het gesteld met de erfenis van d’Annunzio? Die is helaas weinig poëtisch te noemen. D’Annunzio verwekte Mussolini en Mussolini Hitler. En Hitler de Tweede Wereldoorlog. Het rechtspopulisme is daardoor jarenlang na de oorlog in Europa nagenoeg niet meer aan de orde geweest.

Maar heden is de Tweede Wereld oorlog ‘geen moreel ijkpunt meer’. Zeventig jaar na de Holocaust is het rechtspopulisme weer salonfähig in Europa, ditmaal in een nieuwe, gematigde variant ( ‘fascisme light’) : de anti-moslimpartijen van Le Pen, Fortuyn, Wilders, etc. ( ‘Zij, met hun bomgordels onder hun djellaba’s, zijn de fascisten! Niet wij!’)

Een aantal minder schokkende ideeën uit de Carnaro-trommel had overigens zijn revival al in de Jaren Zestig. De Vrije Liefde. De gelijkberechtiging van homoseksuelen. En vooral de verering van de Jeugd. ‘La giovennezza, grande bellezza!’, was het lijflied van de Arditi in Fiume, overgenomen alweer door Mussolini , voor zijn fascistische stoottroepen. De futurist Marinetti, zoals vermeld ook aanwezig in Fiume, in vele opzichten een geestverwant van d’Annunzio, hanteerde in zijn Futuristisch Manifest de kreet : ‘Wie ouder dan dertig is, moet dood!’

Mei ’68 in Parijs was milder: ‘Wantrouw iedereen boven de dertig!’

Soms is er niets nieuws onder de zon.

En de ‘poëtische politiek’? Die is heden non-existent.

Iets van een ‘poëtische politiek’ lijkt niettemin gewenst. Al was het maar als tegenwicht tegen het economistisch denken, dat heden het politieke klimaat in Europa beheerst. ‘De lyriek is de moeder van de politiek’ (Lucebert)… maar uit Carnaro dient wel een les getrokken. Dat zo’n politiek zich verre dient te houden van elke vorm van geweld. De poëtische politiek zal een geweldloze activiteit zijn of zij zal niet zijn. Want de poëzie is een humanisme. Die notie was weg bij d’Annunzio.

Tenslotte, de overeenkomsten tussen d’Annunzio en Fortuyn zijn te opvallend om hier ongenoemd te laten. ‘ De gepolijste kale kop’, la testa di ferro.- óók al door Mussolini geplagieerd – waarom Gabriele D’Annunzio door zijn volgelingen ‘de Goddelijke Kale’ werd genoemd. Een koosnaam, waarmee wijlen Theo van Gogh Pim Fortuyn placht aan te spreken.

Het narcisme. Het hedonisme. De media-gerichtheid. De theatraliteit. Het charisma. De verafgoding door de volgelingen.

Het achteloos maken van schulden. De ongebreidelde promiscuïteit. Het dandyisme.

Het operette-achtig militarisme van Duce d’Annunzio in Fiume en het dito ‘At your service!’ van Pim Fortuyn. De geschiedenis een keer als grote klucht en een keer als kleine…

Er zijn natuurlijk ook verschillen. Fortuyn was een columnist (in Elseviers weekblad), geen dichter. Hij was ook niet fysiek gewelddadig ( wel verbaal…) Integendeel. Hij werd het slachtoffer van fysiek geweld.

Maar zoveel is zeker: met Fortuyn is de Italianisering van de Nederlands politiek begonnen. En zijn voornaamste geestelijke erfgenaam blijkt thans de Limburgse ‘dandy’ Geert Wilders te zijn. Na het Kale… het Geblondeerde Hoofd!

Litanesk scanderen

De PVV–leider beoefende zelfs een spreektactiek van d’Annunzio , die Fortuyn ongebruikt liet: het litanesk scanderen.

D’Annunzio, dagelijks, vanaf zijn balkon in Fiume:

‘Aan wie de victorie?’

‘Aan ons!’

‘Aan wie de victorie?’

‘Aan de helden!’

Wilders in een café in Den Haag:

‘Willen jullie meer of minder Europa?’

Minder!

Willen jullie meer of minder Marokkanen?

‘Minder!’

 

Evviva Italia!

 

Manuel Kneepkens ( Heerlen 1942) , is dichter en publicist. Zijn laatst verscheen dichtbundel is Kaleidoscopie van een Jaar (De Contrabas, Utrecht, 2015) Als criminoloog schreef hij: Het Rijk van de Demonen, Het Bombardement van Rotterdam. Hij was twaalf jaar fractievoorzitter van de Stadspartij in de gemeenteraad van Rotterdam ( 1994 -2016).

 

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en dat wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Met een grotere bijdrage steun je ons nog veel meer. Zo help je mee een unieke stem in het Nederlandse medialandschap verder te ontwikkelen.

Mijn gekozen donatie € -

 

 

Koning Robot: het mechanische alternatief voor een feilbare monarch

Het idee van Marie Jean Antoine Nicolas de Caritat, markies de Condorcet (1743–1794), een van de meest vooraanstaande intellectuelen van de Franse Revolutie, om het koningschap over te dragen aan een machine, is met de robotisering van de samenleving zeer uitvoerbaar geworden.

Tekst: Manuel Kneepkens

In zijn succesboek 21 lessen voor de 21e eeuw stelt Yuval Noah Harari dat de technologische revoluties méér ons leven op de planeet aarde bepalen dan de maatschappelijke zoals de Franse revolutie.

Die mening is niet nieuw. Zij werd ook al – heel wat eerder trouwens – geventileerd door Willem Frederik Hermans.

Maar hoewel de Franse revolutie zeker een ander soort revolutie dan de Industriële is, heeft ook zij wel degelijk machines verwekt. Een daarvan is zowaar een ‘revolutie op strafrechtsgebied’: de guillotine. De Franse revolutionairen waren immers geobsedeerd door het begrip Gelijkheid. Meer in elk geval dan door Vrijheid en Broederschap. En de guillotine is de gelijkheidsmachine in optima forma, ‘Als lijken-met-de -kop -eraf zijn wij mensen elkaar zeer gelijk…’

Een heel wat humanere ‘Franse revolutie-machine’ is: de Machine van Condorcet. Daarover straks.

Robotisering

Harari merkt tevens op dat die techno-revoluties – de eerste was dus de Industriële revolutie – in steeds sneller tempo elkaar opvolgen Zo zou de wij ons thans ‘ in de vijfde versnelling’ bevinden: de onstuitbare opkomst van de robotisering.

Maar die robotisering komt niet uit de lucht vallen.

Integendeel, de robotisering van de samenleving blijkt historisch bezien een proces met een lange aanloop. Het begint als het militaire ideaal van de Romeinen: een leger dat beweegt als één machine.

En dat mechanistisch ideaal is in militaire kringen altijd populair gebleven.

Tot op de dag van vandaag pleegt men dan ook rekruten te drillen, d.w.z. ze te onderwerpen aan strenge disciplinering , ofwel ze ‘te ontmenselijken’. De ideale infanterist is een mechanische pop.

Dit robotdenken over de mens is gaandeweg ook buiten militaire kringen zeer populair geworden.

L’homme machine is een berucht boek van De la Mettrie, (1709- 1751), een materialistisch Verlichtingsfilosoof . Zijn stelling: de mens verschilt niet wezenlijk van een machine. Geen wonder dat juist in de Parijse Salons van tijdens de Verlichting vernuftig geconstrueerde mechanische poppen zeer populair waren. Die Verlichtingsfilosofen stonden, zoals bekend, aan de vooravond van de Franse Revolutie.

Om in de visie ‘de mens is een machine’ enkel een diabolische reductie van de mens te zien, is overigens te kort door de bocht.

Het mechanistisch denken heeft ook vooruitgang gebracht. Zo besloot de medicus Harvey naar het hart te kijken als naar een pomp ( ‘zie naar het hart als naar een waterpomp’ ) en dat heeft de cardiologie aantoonbaar vooruit gebracht.

En vergeet niet de fiets… De ecologische verantwoorde voortbewegingsmachine bij uitstek! Die machine kan niet genoeg geprezen worden. Dit terzijde.

Maar vaak ook blijkt dat mechanistisch denken rücksichtsloos wordt toegepast. Denk aan de staat als coderingsmachine (de Structuralisten). Denk aan de ‘kille’ architectuurvisie van Le Corbusier: ‘Het huis is een machine’, etc.

Maar hoe zit dat met de Machine van Condorcet?

Markies Marie-Jean de Condorcet (1743 -1794) was een Frans filosoof, een vroege politieke wetenschapper. Ook bekend om zijn bijdragen aan de wiskunde.

Maar hij was allereerst een sociaal bewogen mens die, ofschoon van adel, niettemin de Franse revolutie loyaal steunde. Zo pleitte hij voor grondwettelijk recht, vrij en gelijk publiek onderwijs en gelijke rechten voor vrouwen. En eveneens voor gelijke rechten voor mensen van alle rassen. Zie ook het artikel van Meindert Fennema over Condorcet elders op deze website. Zijn opvattingen over de gelijkwaardigheid van de mensen, maakten hem vrijwel automatisch tot een tegenstander van de monarchie. In dat kader deed hij – ludiek avant la lettre – het voorstel: de monarchie te vervangen door een zelf bewegende pop, de ‘automate royal’.

Mechanische koning

Deze mechanische koning zou alle ceremoniële functies van het Koningschap kunnen vervullen. De machine zou een onvermoeibare handenschudder zijn. De machine zou ook ‘automatisch’ alle wetten tekenen die het parlement had aangenomen en erfopvolging zou niet langer het probleem zijn. En, ook niet onbelangrijk, die androïde zou financieel maar een fractie kosten van een koningschap, uitgeoefend door een mens van vlees en bloed

Inmiddels, zoveel jaren later na de Franse revolutie, zijn al vele functies in onze samenleving geautomatiseerd. En ook de robot stoomt op. De knuffelrobot voor dementen is al werkelijkheid. En sinds de VS onder Obama huiverig is geworden om mensen als ‘boots on the ground’ in te zetten, wordt daar nu in snel tempo een programma ontwikkeld voor de vechtrobot Atlas.

In 2011 organiseerde de afdeling DARPA van het Pentagon een robotwedstrijd. DARPA staat voor Defence Advanced Project Research Agency, het instituut binnen het Amerikaanse Ministerie van Defensie, dat verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van geavanceerde militaire technologie. Ter herinnering, in 1968 begon het instituut (toen nog ARPA geheten) de ontwikkeling van het ARPA-net, dé voorloper van ons Internet. Ook in het ontwikkelen van de huidige algoritme-samenleving gaat DARPA voorop. Vier jaar lang werkten, naast het team van DARPA, een aantal andere teams naar de finale toe in 2015. Toen werden de mogelijkheden van de ontwikkelde robots beproefd in een speciaal parcours. Iedere robot moest een auto kunnen besturen en daar in en uit kunnen klimmen. Daarna een deur openen, een gat in de muur boren, een brandkraan dicht draaien en tenslotte een trap beklimmen.

De vechtrobot Atlas, bedoeld voor ‘boots on the ground’, deed het niet slecht. Hij werd tweede bij de finale. De opgaven bleken voor de meeste andere robots te hoog gegrepen. Slecht enkele robots slaagden er in, buiten nummer Een en Atlas, om heelhuids het parcours af te leggen. Een robot onthoofdde zichzelf per ongeluk ( Dat zouden ze in het Kalifaat ISIS ongetwijfeld zeer hebben gewaardeerd…)

Over die wedstrijd bestaat een videofilmpje. De meeste mensen, die dat filmpje zagen, vonden de robot behalve imposant ook wel angstaanjagend

Want wat is de volgende stap? Hoe lang zal het nog duren of de mensheid wordt onderdrukt door haar eigen schepping?

Krijgen wij een robotapocalyps?

Een ding is zeker: mocht het idee van De Condorcet van ‘de robot-koning’ in zijn eigen tijd nog onuitvoerbaar zijn, zo ’n robot fabriceren is heden eigenlijk een fluitje van een cent.

Robotdag

Krijgen wij dus binnenkort een Robot van Oranje- Nassau, de androïde Willem Alexander II die de taken van de huidige, ‘vlezige’ Willem Alexander overneemt? Zeker wat het uitspreken van de Troonrede betreft, kan dat sowieso nu al door een ‘automate royale’, want van die tekst is geen letter van de Koning zelf…

En begeeft zich dan die robotkoning op Robotdag , voorheen Prinsjesdag, naar de Staten Generaal in een zelfrijdende Gouden Koets? De robotisering van onze samenleving lijkt niet te stuiten, dus uitgesloten is dat allerminst.

 

De Robot

In den beginne wast het Woord

en op het einde was er het algoritme

want in de beginne was God

en God schiep de mens

en toen schafte de mens God af

en schiep de robot

en toen schafte de robot de mens af

to hoe wa bo hoe

en toen was God weer moederziel

alleen in het Heelal!

Correctie : moet dat niet zijn

In den beginne was het ( )oord

en op het einde was er het Walgoritme?

Nee! Want Robots worden geboren zonder W(eeën)…!

 

Het gedicht hierboven, De Robot, laat zich gemakkelijk tot de bron herleiden. Manuel Kneepens deelt namelijk met de jurimetrist Richard de Mulder het blog Knemublog. Jarenlang deden zij samen het strafrechtonderwijs op de Erasmus-universiteit en dat heeft een diepe band geschapen. Op Knemulblog zetten zij naar hartenlust alles op wat hen interesseert. Bij Kneepens is dat de poëzie, bij Richard de Mulder is dat de robot. Zodoende.

De markies van Condorcet: grondlegger van de Franse republiek

De markies van Condorcet (1743–1794) was een van de grondleggers van de Franse revolutie. Hij was voorvechter van gelijke rechten voor vrouwen en afschaffing van de slavernij. Ook hij ontkwam niet aan de Terreur van Robespierre.

Tekst: Meindert Fennema

Marie-Jean-Antoine-Nicalas Caritat, Markies van Condorcet (1744-1794) zou eigenlijk militair worden: dat was een familietraditie. Maar hij werd wiskundige en publiceerde in 1765 – hij was toen 21 – een innovatief artikel over integraalrekening. Vier jaar later werd hij lid van de Franse Academie voor Wetenschappen, waarvan hij spoedig secretaris zou worden. Hij was bevriend met de belangrijkste verlichtingsfilosofen: Voltaire, Diderot, d’Holbach en D’Alembert. Maar al zijn vrienden stierven aan de vooravond van de Franse Revolutie. Voltaire in 1778 (in datzelfde jaar overleed ook Rousseau), D’Alembert overleed in 1783, Diderot in 1784, d’Holbach overleed in januari 1789. Van de verlichtingsfilosofen nam alleen Condorcet deel aan de Franse Revolutie. Het zou hem niet goed bekomen.

Aanvankelijk leek het Condorcet ook tijdens de Revolutie voor de wind te gaan. De markies had een radicaal temperament. Dat hij onder Lodewijk XVI nog een hoge bestuurlijke functie bekleed had werd hem vergeven. Dat hij zich bij de eerste verkiezingen van de Staten Generaal verkiesbaar stelde namens de adel was niet zo handig. De adel had een hekel aan zijn radicale ideeën. Hij publiceerde midden in de verkiezingstijd een pamflet waarin hij de afschaffing van de slavernij bepleitte. Kort daarvoor had hij zich in een ander pamflet uitgesproken voor het vrouwenkiesrecht. Condorcet was een van de eersten die zich aansloot bij de Club der Jacobijnen.

Openbaar onderwijs

Maar hij werd niet gekozen in de Constituante. Pas aan het einde van 1789 werd hij, mede door toedoen van Lafayette, gekozen in de Commune van Parijs. Maar hij werd in 1791 niet herkozen. Pas in oktober werd hij gekozen in de wetgevende vergadering. Daar maakte hij zich onsterfelijk met een rapport over de inrichting van het openbaar onderwijs, dat de vorm en de inhoud van het onderwijs voor de volgende twee eeuwen zou gaan bepalen.

Maar dan loopt het fout. In de loop van 1792 ontbrandt er een strijd tussen Brissot en Condorcet aan de ene kant en Robespierre en Saint Juste aan de andere. Condorcets functies in het Ancien Regime werden hem steeds meer aangerekend en dat gold ook voor zijn vriendschap met Lafayette. Zijn voorzitterschap van de vereniging ‘Les Amis des Noirs’ werdt maakte hem ook niet populair bij Robespierre. Robespierre was, anders dan Condorcet en Brissot, tegen de afschaffing van de slavernij in de koloniën. Het brood was in Parijs al zo duur geworden, als nu de suiker ook nog duur werd zou de revolutionaire regering dat worden aangerekend.

De terreur brak los en de macht kwam steeds meer te liggen bij de Commune van Parijs. Desondanks zette Condorcet zijn wetgevende arbeid voort en hij wist te bewerkstelligen dat een aantal revolutionaire vrienden uit Amerika, Duitsland en Engeland het Franse burgerschap werd verleend. Dat gold onder meer voor Jeremy Bentham, Tom Paine, Friedrich von Schiller en George Washington.

Danton ten val

Condorcet werd voorzitter van de commissie die zich bezighield met het opstellen van een nieuwe grondwet, waarin – voor het eerst in de geschiedenis – naast het recht op eigendom, het algemeen mannenkiesrecht, ook een aantal sociale grondrechten werden vastgelegd. De concept-grondwet van 1793 werd in de nationale vergadering door de Jacobijnen afgewezen, om partijpolitieke redenen. Zij wilden de Girondijnse regering onder leiding van Danton ten val brengen. Toen dat gelukt was werd de grondwet van Condorcet, met een aantal kleine wijzigingen, alsnog aangenomen.

De Jacobijnse vleugel werd steeds nationalistischer en gewelddadiger. Condorcet verzette zich tegen terechtstelling van de koning, samen met Tom Paine pleitte hij voor zijn verbanning naar Amerika: daar zou de koning kennis kunnen maken met de weldaden van een democratische samenleving. Tevergeefs. Louis XVI zou op 23 januari 1793 geguillotineerd worden. In juni van dat jaar werden 29 Girondijnse volksvertegenwoordigers gearresteerd. Condorcet verzette zich opnieuw. Kort daarna, op 8 juli 1793, wordt ook tegen Condorcet een arrestatiebevel uitgevaardigd. De man die zich al in 1791 voor een Republiek had uitgesproken, toen Robespierre zich nog monarchist betoonde, werd anderhalf jaar later beschouwd als ‘verdediger van de monarchie’. De man, die zich, tot ergernis van Robespierre in 1788 – en op nieuw in 1789 – had uitgesproken voor de afschaffing van de slavernij en die had gepleit voor het vrouwenkiesrecht, werd in 1793 vervolgd wegens ‘contrarevolutionaire activiteiten’.

Meesterwerk

Condorcet onttrok zich aan arrestatie door onder te duiken op een adres vlak bij de Jardin du Luxembourg. Daar schreef hij in zes maanden een meesterwerk dat hem een vooraanstaande plaats zou verschaffen onder de verlichtingsfilosofen: Esquisse d’un tableau historique des progres de l’esprit humain. In ruim 300 pagina’s schetste hij hoe in de loop van de menselijke geschiedenis het idee van de vooruitgang steeds meer terrein wint. Het manuscript eindigt met een ‘Fragment sur l’Atlantide’, een utopie, waarin een geheel op wetenschap gebaseerde samenleving wordt geportretteerd: daar bestaat een universele taal, daar is onderwijs voor iedereen, daar zijn religie en bijgeloof uitgebannen, daar zijn vrouwen bevrijd van hun patriarchale man en de slaven van hun meester, daar heerst volledige vrijheid. De vooruitgang is in de ogen van Condorcet inherent aan de menselijke natuur en wordt slechts tegengehouden door onwetendheid en (bij)geloof, die zich verschansen in religieuze instellingen en tradities. Op hun beurt worden religie en tradities in stand gehouden door degenen die daar belang bij hebben: vorsten, de adel, advocaten en rechters, maar vooral de geestelijkheid. Strijd tegen religie en traditie is dus de plicht van allen die de vooruitgang willen dienen.

Condorcet deed dat zelf met zoveel overgave dat zijn Nederlandse vertaler meende de schrijver tegen zichzelf in bescherming te moeten nemen. Hij schreef in een voorwoord van de Schets van een historisch tafereel der vooruitgang van ’s menschen geest (Haarlem, 1804): ’In een Werk, van dien aart, als dit, geschreven door een Wijsgeer, die (…) in de heerschende Schoole van zijnen tijd, in de Schoole der HELVETIUSSEN EN DIDEROTS gevormd was, kon het niet missen, of moesten enige trekken voorkomen, die den Christelijke Godsdienst min gunstig waren. Ik heb gemeend dat ik wél zou doen deze plaatsen of uitdrukkingen – die nogthans weinig in getal zijn – of te verzachten, of geheel weg te laten.’

Gearresteerd

Toen Condorcet zijn Esquisse af had, in maart 1794, besloot hij zijn onderduikadres te verlaten en ging op weg naar een vriend die in Fontenay aux Roses woonde. Deze durfde hem echter niet binnen te laten omdat zich, naar hij zei, onder zijn huispersoneel Jacobijnen bevonden. Uitgeput zocht Condorcet onderdak in een herberg, waar hij echter argwaan wekte door een omelet van twaalf eieren te bestellen. Hij werd door de gendarmerie gearresteerd en opgesloten in een politiecel. De volgende ochtend, op 28 maart 1794, trof men hem dood in zijn cel. Had hij zelfmoord gepleegd of was hij, geestelijk en fysiek uitgeput, een natuurlijke dood gestorven?

Op 2 april 1795, na de val van Robespierre, besloot de Nationale Conventie zijn ‘Schets’ op staatskosten uit te geven.

Meindert Fennema vertaalde, samen met Geertje Karsten-van der Giesen, Condorcets ‘Beschouwingen over de negerslaverij’ (Heureka, Weesp, (1989, 1991)

Wees niet bang voor de republiek: er valt alles bij te winnen

Nu de koning heeft gebogen voor het volk, ligt in Nederland dan eindelijk de weg open naar de republiek.

 

Tekst René Zwaap

 

‘Betrokken maar niet onfeilbaar’. Het zou eigenlijk het nieuwe motto van het Huis van Oranje moeten worden.  Dat ‘Je maintiendrai’ was toch al behoorlijk sleets geworden, en bovendien spreekt dankzij decennia aan stelselmatige bezuinigingen op het onderwijs hier toch geen hond meer Frans. Misschien dat de koninklijke feilbaarheid nog kan worden vastgelegd in een nieuw Grondwetsartikel, voor zo lang dat nog nodig is? : ‘De koning is feilbaar. De ministers zijn verantwoordelijk’.

Het zou de verhoudingen duidelijker maken.  Hoe het ook zij, sinds gisteren, met de publieke boetedoening van Willem-Alexander op tv voor zijn Griekse schuiver, gezeten naast een gemalin die er overduidelijk zwaar de pest over in had, is het koninkrijk der Nederlanden een nieuwe fase ingegaan. De roestvrijstalen zekerheden van het verleden zijn gesneuveld, in de plaats daarvan zijn de poten onder de troon plots broos en wankel. Nog een paar zetjes en de hele boel stort in. Als zelfs Volkskrant-columnist Bert Wagendorp, de Otto Normalverbrauch onder het nationale columnistengilde, in schrille bewoordingen de monarchie de wacht aanzegt en uitbarst in een juichend ‘leve de republiek’, moeten er ten paleize grote zorgen bestaan over het draagvlak.

Voor het eerst in zijn geschiedenis heeft het Huis van Oranje-Nassau gebogen voor de wil van het volk. De haastige terugtocht van het Griekse vakantieparadijs, aangespoord door de vrees voor nog verder escalerende volkswoede in een land dat sinds de uitbraak van de pandemie van het kroonvirus sowieso al verminderd toerekeningsvatbaar is geworden, heeft grote historische betekenis. Nu is er geen weg terug. De revolutie rammelt aan de poorten van het polderland. Ruim 200 jaar te laat, maar dat is geheel conform de gedachte van Voltaire (of was het Heinrich Heine?) dat als het einde der wereld aanstaande was, hij naar Holland zou vertrekken, omdat daar alles 200 jaar later gebeurt.

Weliswaar schoten de leden van de volksvertegenwoordiging onmiddellijk na de koninklijke excuses ook op de linkervleugel direct weer in de klassieke hermelijnvlooienreflex  (SP’er Ronald van Raak:  ‘Ik ben onder de indruk’,  Jesse Klaver van GroenLinks: ‘Nu  weer samen de schouders eronder’), het mag niet verhullen dat het koninklijke gezag tijden deze Griekse tragedie volkomen afgebladderd is. De vraag is nu wat daarmee moet worden gedaan. Pappen en nathouden of slopen en iets nieuws bouwen?

De crisis van de Nederlandse monarchie staat niet op zichzelf. Ze is onderdeel van een veel bredere crisis. Nederland is op bijna alle essentiële terreinen hopeloos in zichzelf vastgelopen. Het onderwijs is zo structureel verwaarloosd dat er gesproken kan worden van een nationale brain drain. Economisch is de scheiding tussen bezitters en non-bezitters (van huizen of kapitaal) zo radicaal dat de sociale ontwrichting waar Piketty in dit verband op heeft gewezen hier in alle schrilheid zichtbaar is. Op milieugebied is Nederland de vieze man van Europa.  Politiek is het land in de ban geraakt van een achterlijk populisme dat grossiert in haat tussen bevolkingsgroepen en aanstuurt op een isolement binnen Europa dat de zaken nog alleen maar verder zal verslechteren. Kortom, Nederland is er anno 2020 zeer dringend toe om op alle terreinen fundamenteel gerenoveerd te worden. En hoe kan dat beter dan door het staatsbestel te herzien, alle structuren van de staat om te denken? Kortom, het is tijd voor een republiek.

Een republiek, gedragen door de res publica, het algemeen belang, mag voor de meeste andere EU-landen dan wel de normaalste zaak van de wereld zijn, voor Nederland is een het  nog altijd een exotisch vergezicht. Vooralsnog is die republiek hier met angst beladen. Eeuwen van stelselmatige propaganda in naam van het orangisme heeft de massa gehersenspoeld met het idee dat ze zonder Oranje is veroordeeld tot de willekeur van de macht. Hoe meer de tijd vordert, hoe surrealistischer wordt dit argument op het podium gebracht. Lees  bijvoorbeeld deze recente pennenvrucht van Trouw-columnist Hans Goslinga  (in zijn artikel ‘Nederland is toch beter af met een erfelijke koning’, 3 oktober 2020):  ‘ De monarchie mist juist door haar ongerijmdheid elke aanspraak op adequate weergave van de werkelijkheid en leent zich daarom het minst voor misbruik en demagogie’.

Welke politieke commentator in welke zichzelf respecterende krant dan ook zou ‘ongerijmdheid’ zonder schaamte opvoeren als het ideale recept voor de staatsrechtelijke ordening? Zonder twijfel vertolkt Goslinga hier een breed gedragen angst, maar juist dat sentiment heeft ervoor gezorgd dat Nederland inmiddels diep is weggezonken is een moeras van ontkenning en indolentie .

Een nieuw republikeins elan, waar op rationele wijze wordt gezocht naar de beste manier om al het economisch en maatschappelijk kapitaal dat voorhanden in te zetten voor samenleving waar je trots op kunt zijn,  is voor de Nederlandse maatschappij de beste weg om af te rekenen met haar eigen onzekerheid en plaats in te ruimen voor de toekomst. De monarchie is symbool van  de stilstand. De republiek is het podium van de verandering waar dit land inmiddels naar smacht maar tot nog toe geen vorm voor kon vinden.

 

René Zwaap is hoofdredacteur van De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht & burgerschap en is een van de oprichters van de Partij voor de Republiek.  

 

Illustratie Joep Bertrams

 

 

 

 

 

 

De Lockheed-affaire: hoe Den Uyl de kans op de republiek voorbij liet gaan

In 1976 had het kabinet-Uyl met de Lockheed-affaire een gouden kans in handen ter herinvoering van de Nederlandse republiek.  Maar de politieke moed ontbrak. Jack Jan Wirken over de parallellen tussen Lockheed en het schandaal rond Juan Carlos.

 

 

Tekst Jack Jan Wirken

Edwin de Roy van Zuydewijn, de gewezen echtgenoot van prinses Margarita, wist het beeldend te brengen. Ergens op paleis Soestdijk, vermoedelijk in de olifantenkamer, vond een ontmoeting plaats met Bernhard en enkele intimi. Onderwerp van gesprek was de recent gegeven toestemming aan een filmploeg om opnames in het paleis te maken. Dat hadden ze volstrekt verkeerd aangepakt, aldus de prins. De Roy van Zuydewijn, Bernhards accent perfect imiterend: ‘Daar hadden we een bedrag voor moeten vragen’.

Het gegeven dat hij over een ruime uitkering beschikt en dat de kosten van paleis, jacht, vervoer en het regerings-vliegtuig door de overheid gedragen worden staat er kennelijk niet aan in de weg dat het verzoek om filmopnames te mogen maken als een lucratieve deal-opportunity gezien wordt. Zoals ook de idee achter de belastingvrijstelling (Bernhard kocht zijn Ferrari’s zonder BPM) hem er niet van weerhield, de auto’s na enige tijd met winst (de afschrijving viel in het niet bij het belastingvoordeel) te verkopen. Het is een vorm van zakelijkheid die zich slecht verhoudt tot de populaire perceptie van toewijding aan de publieke zaak die Oranje-adepten de leden van het koninklijk huis toedenken. En die tegelijkertijd laat zien hoezeer het monarchale bestel door sommige betrokkenen als verdienmodel gezien wordt. Een model waarbij de reguliere revenuen niet langer de grootste inkomstenbron vormen. Als betrof het basketballers uit de Premier League, geldt voor sommige royals dat de ‘sponsorcontracten’ het standaard inkomen vele malen overtreffen. Juan Carlos heeft de mogelijkheden van persoonlijke verrijking die een koninklijke titel biedt, naar een nieuw niveau getild. Maar ook Bernhard heeft, zij het met de Spaanse omkoopbedragen in het achterhoofd op bescheiden schaal, zijn best gedaan voor een zo groot mogelijk persoonlijk gewin.

Republikeins trauma

De Lockheed-affaire. Het behoort tot een van de grote trauma’s van de republikeinen; de wijze waarop de kansen die de kwestie bood in de strijd voor de afschaffing van de monarchie, door de overvoorzichtige Den Uyl te grabbel zijn gegooid. Voor veel lezers van dit blad zullen de gebeurtenissen in het geheugen gegrift staan; de hoorzittingen van de Commissie Church die, naast heel veel andere omkoopzaken op enig moment de zoeker richt op de vliegtuigindustrie en daarbij al snel stuit op een hoge Nederlandse regeringsofficial. De ‘Dutch prince’ zoals hij werd geduid, een duiding die ook bij niet ingewijden geen verdenking jegens Claus opriep. De prins had, zoals uit de ondervragingen bleek, een groot bedrag ontvangen om daarmee het Nederlandse politieke klimaat gunstig te stemmen voor de aanschaf van Lockheed producten. De suggestie was om hem te belonen door hem een Lockheed JetStar cadeau te doen, een gebaar waarvan hij zelf stelt dat afgewezen te hebben omdat hem al een Fokker Friendship in het vooruitzicht was gesteld. Waarbij de opzichtigheid van het gebaar wellicht meer gewicht in de schaal legde voor de afwijzing nu het niet in Bernhard’s aard lag een viermotorig straalvliegtuig te laten schieten voor een tweemotorig propellor-toestel. De betaling van ruim een miljoen dollar had tot doel de niet doorgegane geste te compenseren. De verontrusting in het Nederlandse kabinet leidde tot de benoeming van de Commissie van Drie die de opdracht kreeg de juistheid van de ten overstaan van de Commissie Church afgelegde verklaringen, voor zover betrekking hebbend op prins Bernhard, te onderzoeken. De commissie zou uiteindelijk een vernietigend rapport uitbrengen. Waar politiek zo goed als niets mee gedaan is.

Ook vierenveertig jaar na dato blijven de details schokkend. De houding van Bernhard natuurlijk in eerste instantie. Na de instelling van de Commissie van Drie publiekelijk de hoop uitsprekend dat het rapport het vertrouwen van de Nederlandse bevolking in zijn persoon zal herstellen. En ondertussen het contact met Lockheed over de betalingen warm houdend. Maar vooral van de Nederlandse politiek, de premier voorop, die alles doet om de explosieve kracht van het rapport te ontkennen en de gevolgen van de openbaarmaking beperkt te houden. Den Uyl wordt nog steeds door velen een enorme kwaliteit toegedacht voor de wijze waarop hij de ‘constitutionele crisis heeft bezworen’. Dat dat gepaard is gegaan met zaken die in de verhouding tussen Kamer en regering als doodzonde gelden -het verzwijgen van de link met Northrop- en met het onder druk zetten van strafrechtelijke waarden -een sepotbeslissing op louter politieke gronden- wordt er meestal niet bij vermeld.

De ontsteker is met de grootst mogelijke omzichtigheid uit de bom gehaald. In politieke zin lagen de kansen voor een omwenteling voor het opscheppen. Bekend is dat Juliana stelde af te zullen treden als haar echtgenoot strafrechtelijk vervolgd zou worden. En dat Beatrix in die situatie haar moeder niet zou opvolgen. Dat zijn niet de contouren van een constitutionele crisis die afgewend moet worden maar de kansen om voor eens en altijd met een constitutioneel bestel dat van crisis naar crisis kruipt, af te rekenen. Den Uyl had naar de Kamer kunnen komen, het Lockheedrapport onder de arm, en plechtig kunnen verklaren dat de bevindingen van de Commissie van Drie aanleiding gaven tot verdenking jegens de prinsgemaal van ernstige strafbare feiten. En dat het kabinet geen andere beslissing kon nemen dan het dossier in handen geven van het Openbaar Ministerie teneinde de mogelijkheid van een strafvervolging te onderzoeken. We leven in een rechtsstaat, had hij eraan toe kunnen voegen, we houden het beginsel van gelijkheid voor de wet als wezenlijk voor ons bestel, we kunnen niet anders dan het OM hierin de ruimte geven die een onafhankelijke aanklager in een rechtsstaat toekomt. Zelfs een SGP-kamerlid zou niet de moed hebben gehad hier bezwaren tegen in te brengen.

Oneigenlijk gebruik van opportuniteitsbeginsel

Den Uyl kwam in de Kamer met een heel ander verhaal. Geïnspireerd door de vrees voor electorale effecten of uit genegenheid voor Juliana die zijn kabinet immers mede mogelijk had gemaakt, kwam hij in het parlement met weinig steekhoudende argumenten om het kortsluiten van de strafrechtelijke weg te onderbouwen. De prins zou al behoorlijk gestraft zijn door de conclusies die het kabinet aan het rapport ging verbinden. Sommige aspecten van de zaak zouden verjaard zijn. Het strafrechtelijk onderzoek zou veel tijd in beslag nemen en een uiteindelijke vervolging was niet zeker. Argumenten waar criminologen en strafrechtjusristen achteraf geen spaan van heel lieten. Argumenten met geen ander doel dan te pogen het optreden van de regering in van een schijn van rationaliteit te voorzien. Het maskeren van het oneigenlijk gebruik van het opportuniteitsbeginsel; niet om maatschappelijke maar om politiek redenen valt er een sepotbeslissing.

En de Kamer hoorde dit met een mengsel van instemming en bewondering aan. Een enkele partij poogde nog een begin van een discussie te starten die enigszins recht zou doen aan de schokkende bevindingen van de onderzoekscommissie. Van der Spek en Van der Lek, de voltallige PSP-fractie, kwamen met een motie om de kwestie aan te grijpen om nog eens na te denken over de rol van de monarchie in het vaderlandse bestel. Om ingediend te kunnen worden droeg de motie, behalve de handtekeningen van de twee PSP’ers ook een aantal handtekeningen van PvdA Kamerleden. Maar toen het op stemming aankwam werd de motie met slechts de stemmen van Van der Spek en Van der lek voor, verworpen. De PvdA’ers feliciteerden de PSP’ers met de motie maar konden hun stem er niet aan geven. Toenmalig fractievoorzitter Van Thijn had fractiediscipline afgedwongen. Zelfs een kleine barst in het raamwerk moest voorkomen worden.

De gelijkenissen tussen de zaak rond Juan Carlos en die rond Bernhard zijn overdonderend. Het geschuif met rekeningen, met koffers met geld, met onduidelijke tenaamstellingen van de begunstigden van de overmakingen, met vriendinnen die financieel gesteund worden, ‘Alles schon mal dagewesen’. Waarbij dan nog wel geconstateerd kan worden dat Bernhard zich, met de kennis van nu, zwaar heeft laten onderbetalen.

De gelijkenis betreft natuurlijk ook de politieke reactie op de omkoopschandalen. Het kost weinig moeite voor PSP Unidas Podemos in te vullen en voor de PSOE uiteraard de PvdA. Dan komt een herhaling van zetten in beeld die symptomatisch is voor het mechanisme dat monarchieën in West-Europa zo lang in het zadel houdt: op een enkele principiële uitzondering na buigt het politieke establishment in vergaande mate mee met de veronderstelde volkswil. Het zal, zowel in Spanje als in Nederland, veel overtuigingskracht kosten om een meerderheid in het parlement te doen beseffen dat meebuigen niet getuigt van pragmatische politiek maar van democratisch tekortschieten.

 

 

 

Praalhanzen en pronkjonkers: Lodewijk Brunt over de 600 verdwenen vorsten van India

Afgelopen weekend overleed socioloog Lodewijk Brunt, die de laatste jaren spraakmakende verhalen publiceerde in De Republikein. Ter herinnering aan deze grote geest publiceert De Republikein hier een oudere bijdrage van hem, gewijd aan India, het land van zijn hart.  Een schets van de kleurrijke maharaja’s, nawabs en nizams die ooit het beeld van Brits-India bepaalden.

Tekst Lodewijk Brunt

Tot enkele weken voor het uitroepen van de onafhankelijkheid van India, augustus 1947, wist niemand nog hoe de nieuwe staat er precies zou gaan uitzien. Het gigantische subcontinent – zo’n vierhonderdmiljoen mensen, honderden talen, moderne steden, primitieve tribale gemeenschappen, religieuze verscheidenheid – dreigde te worden versplinterd. De Muslim League onder Muhammad Ali Jinnah was beducht door de Hindoebevolking onder de voet te worden gelopen. Hij eiste een zelfstandige Moslimstaat: Pakistan. Van de weeromstuit verlangden de Sikhs opeens een eigen Sikhistan. Andere aanspraken volgden. Onder leiding van de laatste Britse gouverneur-generaal, graaf Louis Mountbatten of Burma, die nauw samenwerkte met Jawaharlal ‘Pandit’ Nehru, werd het ideaal van een Indiase eenheid zoveel mogelijk gerealiseerd, maar de onafhankelijkheid van Pakistan kon niet worden voorkomen. In de jaren zeventig maakte Oost-Pakistan zich overigens los van West-Pakistan: Bangla Desh, het land van Bengalen.

3 miljoen doden

De onafhankelijkheid, veelal aangeduid als de Partition, de ‘verdeling’, werd in augustus dit jaar uitbundig gevierd. Zeventig jaar geleden sprak Nehru, de eerste premier van India, zijn befaamde onafhankelijkheidstoespraak uit. Middernacht,15 augustus 1947. Maar de herinneringen aan die heugelijke gebeurtenis zijn niet onverdeeld positief. Ontelbaren sloegen op de vlucht met achterlating van hun hebben en houden: Hindoes van Pakistan naar India en Moslims van India naar Pakistan. Op grote schaal vonden moordpartijen, brandstichtingen, verkrachtingen, berovingen en vernielingen plaats – naar schatting vonden meer dan drie miljoen mensen de dood. Ondanks de uitputtende onderhandelingen over wie wat zou krijgen, stonden de grenzen van de nieuwe staten nog steeds niet vast op het moment dat de onafhankelijkheid werd uitgesproken. Wat moest er met de inheemse vorstendommen gebeuren, de talrijke ‘staten binnen de staat’? Bij de festiviteiten rond het zeventigjarige bestaan van de Partition zijn er aan dat onderwerp nauwelijks woorden besteed. En dat terwijl al die kleurrijke maharaja’s, nawabs en nizams het beeld van Brits-India decennialang hebben bepaald. Alsof de geschiedenis van de Oriëntaalse royalty is uitgewist.

Mogol-dynastie

De East India Company (de Britse versie van de Nederlandse VOC) trof een sterk verdeeld subcontinent aan waarin de Mogol-dynastie geflankeerd werd door een veelvoud van inheemse staten en staatjes. De grenzen waren vloeiend, er was een voortdurend proces van gebiedsuitbreiding aan de gang, onderlinge oorlogsvoering, landjepik. Een voorbeeld is Shivaji, die zich opgeworpen had als leider van de Marathas. Hij wist omstreeks het midden van de 17e eeuw zoveel grondgebied te veroveren dat zelfs de machtige Mogolkeizer Aurangzeb er zenuwachtig van werd en zijn generaals op hem afstuurde. Shivaji riep het Maratharijk uit tot een onafhankelijke staat en kroonde zichzelf tot koning: Chattrapati. Hij is vanwege zijn houding tegenover een Moslimregime nog steeds de grote held van de Shiv Sena, het leger van Shivaji, de uiterst rechtse, hindoefundamentalistische volkspartij die vooral in Maharashtra populair is. De Britten waren aanvankelijk geïnteresseerd in de specerijenhandel en sloten overeenkomsten met de plaatselijke heersers. Ze kregen op een paar strategische plekken voet aan de grond: Surat en Bombay aan de westkust, Madras en Calcutta aan de oostkust. Pas eind 18e begin 19e eeuw, begon de grote imperialistische veroveringswedloop, zowel in Afrika als in Azië. Veel van de inheemse vorsten zullen niet bepaald medailles hebben verdiend voor hun manier van regeren, merkt de Indiase diplomaat Shashi Tharoor op in zijn Inglorious Empire, maar vergeleken met de East India Company waren ze toonbeelden van beschaving. De Britten namen veel grond brutaalweg in beslag, of stelden stromannen aan als hun zaakwaarnemers. Daarbij gingen ze uit van het volgende principe: als een vorst geen mannelijke opvolger had, wezen zij de opvolger aan. Het adopteren van een zoon, de gebruikelijke weg bij de inheemse koninkrijken, werd domweg verboden.

Protectiegeldzwendel

Wie door de East India Company werd benoemd moest trouwens een flinke som betalen: als tegenprestatie voor de bescherming door het handelshuis. Maar het contingent militairen dat daartoe werd ingezet, moest de vorst uit eigen zak betalen. De Britten boden aantrekkelijke leningen aan, zodat het vorstendom binnen de kortste keren aan de grond zat en bij het Britse grondgebied gevoegd werd. Een koninklijke versie van de protectiegeldzwendel waarmee de maffia groot geworden is. De East India Company (minstens zo corrupt en cynisch als de VOC) leunde bij haar praktijken op een omvangrijk huurlingenleger, zorgvuldig samengesteld uit vechtlustige gemeenschappen.

Klaar voor de tijgerjacht in Cooch Behar.
Foto uit: Gayatri Devi, A Princess Remembers. The Memoirs of the Maharani of Jaipur. New Delhi (Rupa) 1995

De ommekeer kwam in 1857. In Barrackpore kwamen de huursoldaten in opstand tegen de Company, dat blijkbaar al veel kwaad bloed had gezet. Het vuur sloeg razendsnel over naar andere legerplaatsen en uit Meerut trokken legereenheden op naar Delhi om de laatste Mogolvorst, de oude en breekbare Bahadur Shah Zafar, tot keizer van heel India uit te roepen. In de Britse geschiedenisboeken staat de gebeurtenis nog steeds te boek als de ‘Muiterij’, maar de Britse aanwezigheid hing aan een dun draadje. De opstand ging gepaard met slachtpartijen aan beide kanten; toen hij eenmaal was neergeslagen, bereikten de Britse wraakacties ongekende hoogtepunten van wreedheid. Shah Zafar werd ontvoerd en verdween in ballingschap. In 1858 nam de Britse kroon het bewind van de East India Company over en werd India onderdeel van het grote, wereldomvattende Britse koloniale rijk. Het Britse kabinet stelde een speciale minister voor India aan en het India House in Londen werd het centrum voor Indiase aangelegenheden. De koloniale overheid streefde naar rust en orde: de staatkundige situatie werd bevroren. De grenzen werden officieel vastgelegd en bij monde van koningin Victoria werd de inheemse vorsten plechtig beloofd dat hun integriteit onder de Britse oppermacht (paramountcy) nooit meer geschonden zou worden. Een prachtige belofte, ook ingegeven door de terughoudendheid die de Indiase vorsten hadden betoond tijdens de opstand. De praktijk was anders: de grenzen bleven weliswaar intact, maar de bemoeienis van de koloniale overheid met de interne aangelegenheden reikte verder dan ooit.

 

Een aantal van de voornaamste prinsen tijdens het Zilveren Jubileum van de Maharaja van Kapurthala, midden jaren 1920. Foto uit: Charles Allen & Sharada Dwivedi, Lives of the Indian Princes. London (Century Publishing Co) 1984

Iedere vorst kreeg een Resident toegewezen, een politieke commissaris, die toezicht hield op de gang van zaken, vooral op financieel en moreel gebied. Ernstig wangedrag werd gemeld bij de gouverneur-generaal die de zondaar op het matje riep; door hem te ontbieden in het gouvernementspaleis in Calcutta (vanaf 1920 New Delhi) of door op tournee te gaan en de toestand met eigen ogen te aanschouwen. De koningen beschikten over een privy purse, een bepaald percentage van de staatsinkomsten dat bedoeld was voor de eigen, persoonlijke uitgaven. Overschrijding van dat percentage kon niet worden toegestaan: de koloniale overheid had de belastingcenten nu eenmaal zelf nodig.

Duizelingwekkende diversiteit

De Britse koloniale overheid stond tegenover bijna 600 inheemse vorstendommen die werden geregeerd naar de eigen inzichten van de heerser. Sommige staten waren zo groot als Frankrijk of Groot-Brittannië zelf, andere waren nauwelijks een vierkante kilometer groot, vaak in het leven geroepen door de East India Company om vriendendiensten te belonen. Bij elkaar besloegen ze bijna de helft van de totale oppervlakte van Brits-Indië en omvatten ze bijna een derde van de totale bevolking: veel kleinere staatjes bevonden zich aan de periferie, zoals het gebied van de Himalaya of in de woestijngebieden van Rajasthan. Ook in andere opzichten was de diversiteit duizelingwekkend. Sommige staten hadden eigen spoorwegen, andere hadden nog geen tien kilometer geplaveide weg; hier en daar bestond iets als een volksvertegenwoordiging, met een moderne bestuurlijke administratie, in veel staten ontbrak het aan de meest elementaire voorzieningen, zoals gezondheidszorg of onderwijs. In noordelijke staatjes als Hunza en Nagar werd de belasting in natura betaald, andere staten hadden een eigen munteenheid. Vanwege de onderlinge verschillen, werden de vorstendommen in categorieën verdeeld. Naast de ruim honderd staten die direct met het Britse gezag te maken hadden, werden er diverse groeperingen van staten gevormd die als collectief vertegenwoordigd waren. Rajasthan was een samenstel van onder andere Alwar, Jaipur, Bikaner, Udaipur enzovoort. Je kon niet van Delhi naar Bombay reizen zonder tenminste dertig staatsgrenzen te passeren. Ook de onderlinge hiërarchie werd nauwkeurig vastgelegd en deze had Byzantijnse proporties, zeker nadat koningin Victoria tot haar grote genoegen tot keizerin van Brits-Indië werd uitgeroepen, een gebied op vele duizenden kilometers afstand van Londen waar ze nooit van haar leven een voet aan de grond had gezet — of zou zetten.

Nieuwe hofcultuur

Er was sprake van koninklijke illusion building, zoals iemand treffend opmerkte. Het Britse koningshuis werd gepresenteerd als de opvolger van de Mogoldynastie en de inheemse vorstendommen werden ingepast in een nieuwe hofcultuur. Daar paste ook een nieuwe titulatuur bij. De Hindoevorsten hielden de titel van Maharaja, of Raja als ze lager op de ladder stonden, de Moslims bleven Nizam of Nawab, maar in de nieuwe rangorde kregen ze allemaal de status van ‘prins’ en hun staten die van ‘prinsdommen’ (princely states). Er mocht uiteraard niemand raken aan de hoogste status van de keizerin, die vertegenwoordigd werd door de Viceroy. De Nizam van Hyderabad had een uitzonderingspositie, vanwege zijn prominente rol onder het Mogolrijk (en zijn onvoorstelbare rijkdom) bleef hij de titel His Exalted Highness voeren. De prinsen kregen een eigen vertegenwoordigd lichaam, de Chamber of Princes, waar ze over hun specifieke kwesties konden beraadslagen. Maar uit de richtlijnen van de kanselier van die Kamer, opgesteld in de jaren 1920, valt op te maken dat als het gaat om ‘status, voorrang en privileges’, de prinsen pas na de organen van het centrale gezag aan de beurt zijn. En dat geldt alleen voor een bepaalde categorie van prinsen. De prinsdommen hebben een eigen hiërarchie: er bestaat een scherpe scheidingslijn tussen prinsdommen mét en prinsdommen zónder saluut. Heersers van ‘saluutstaten’ hebben al naar gelang hun status recht om met een bepaald aantal kanonschoten verwelkomd te worden bij specifieke gelegenheden. Als koningin-keizerin Victoria India bezocht zou hebben, zou ze zijn begroet met 101 saluutschoten. Haar Viceroy had recht op 31 schoten, de belangrijkste prinsen volgden met 21, daarna liep het steeds met 2 schoten af tot 9. Lager bestond niet, verschillen moeten er zijn. De precieze volgorde leidde, begrijpelijkerwijs, tot veel onvrede bij prinsen die zichzelf soms beschouwden als seriously under-gunned, zoals een historicus het uitdrukte.

 

Schilderij van Gayatri Devi, koningin van Jaipur.

Koningin Victoria

Koningin Victoria had romantische gevoelens voor haar Oosterse prinsen met een bruine huidskleur, vaak tot ergernis van haar raadgevers. Viceroy Lord Curzon mopperde: ‘Iedereen met een tulband en juwelen is welkom in Buckingham Palace’. Hij voelde zich soms genoodzaakt de koningin in bedekte termen te waarschuwen voor de bedenkelijke neigingen van de prinsen die haar een bezoek brachten. Het oriëntalisme van het Britse koningshuis leidde in de praktijk tot ornamentalisme. Nu de prinsen geen speciale aandacht meer hoefden te besteden aan oorlogsvoering, konden ze zich met volle overgave storten op hun eigenlijke, koninklijke, bestemming: te leven als praalhans en pronkjonker. Gayatri Devi, de latere Maharani van Jaipur, herinnert zich haar jeugd in het prinsdom Cooch Behar en somt vol trots de grootste prestaties van haar grootvader op: in minder dan veertig jaar 365 tijgers, 311 luipaarden, 207 neushoorns, 438 buffels, 318 antilopen, 259 sambars, 133 beren en 43 bizons neergeknald in de jungles van Assam en Cooch Behar. In één adem stelt ze vast dat dit een prachtvoorbeeld was van natuurbeheer. Zelf schoot ze haar eerste tijger toen ze zes jaar was. Charles Allen signaleert deze combinatie eveneens in zijn fraaie studie Lives of the Indian Princes: hoeveel lippendienst de prinsen ook bewezen aan natuurbeheer, ze waren tegelijkertijd geobsedeerd door het idee zoveel mogelijk te doden – ‘on the theory that the bigger the bag, the more important you were’. Op alles wat liep, kroop of vloog werd gejaagd en de prinsen boden tegen elkaar op met de grootste buit of het aanzienlijkste jachtgezelschap. Naast de jacht waren diverse sporten populair: polo, cricket, tennis. De eigenschappen van een nietsdoende klasse werden ruimschoots geprikkeld: de bouw van imponerende sprookjespaleizen, het verzamelen van dure Rolls Royces en Mercedessen waarmee niet gereden kon worden, juwelen, meubilair, minnaars en minnaressen, fokdieren. De prins van Baroda, Sayaji Rao hield getrainde papegaaien: ze reden op zilveren fietsjes of zaten in zilveren auto’s en konden hele toneelstukjes opvoeren. Zoals de scène dat een papegaai door een auto werd overreden, onderzocht werd door een papegaaiendokter en door papegaaienbroeders in een papegaaienambulance werd afgevoerd. Hoogtepunt was het afschieten van een kanon; iedere toeschouwer schrok zich een ongeluk, de papegaaien zélf bleven ijzig kalm.

Feodale schijnvertoning

Nehru bestempelde de Indiase prinsenkaste als een ‘feodale schijnvertoning’. De vertegenwoordigers van de Congress Party waren niet van plan de plechtige Britse belofte van integriteit te honoreren tijdens de onderhandelingen over de onafhankelijkheid. Hun nadruk op India als eenheidsstaat was overigens een gloednieuw idee: de lange geschiedenis van India is altijd gekenmerkt geweest door Balkanisering. De beoogde Minister van Binnenlandse Zaken, Valabhbhai (Sardar) Patel – de échte sterke man – kreeg de taak om de prinsdommen bij de nieuwe staat onder te brengen. Iedere prinselijke staat die zichzelf fatsoenlijk kan bedruipen mag zelfstandig blijven, beloofde hij, om vervolgens vast te stellen dat geen enkele staat aan die eis voldeed. Onder de verzekering dat de prinsen hun paleizen, titels en privy purses mochten behouden, liet hij ze stuk voor stuk het zogenaamde Instrument of Accession tekenen. Drie prinsdommen hielden voet bij stuk, waaronder het grote Hyderabad. Pas geruime tijd na de onafhankelijkheid zwichtten ze alsnog, de Nizam van Hyderabad nadat het Indiase leger de staat was binnengevallen. Het definitieve doek viel in de jaren zeventig onder premier Indira Gandhi, de dochter van Jawaharlal Nehru: zij schafte de laatste privileges af. Een tijdperk teneinde.

 

 

Het laatste boek dat Lodewijk Brunt publiceerde was in samenwerking met Dick Plukker een vertaling uit het Hindi van De blauwe sjaal en andere verhalen van Anu Singh Choudhary, verzameling korte verhalen, die vanuit verschillende invalshoeken inzicht bieden in het hedendaagse India. Een land van hechte familieverbanden, maar ook van echtscheidingen, religieuze tegenstellingen, jonge mensen die naar de grote stad trekken en daar op ce een of andere manier het hoofd boven water moeten zien te houden. Schrijfster Anu Singh Choudhary belicht daarbij vooral het leven van vrouwen.

De Indiase stedelijke middenklasse maakt uitbundig gebruik van hypermoderne communicatiemiddelen en de ‘zegeningen’ van het moderne kapitalisme. Maar op het platteland doet veel nog denken aan het feodale India van weleer.

Titel: De blauwe sjaal en andere verhalen

Auteur: Anu Singh Choudhary

Vertaald uit het Hindi door Lodewijk Brunt en Dick Plukker

Uitgever: India Instituut, 2020; aantal pagina’s: 176; ISBN: 978 90 801437 7 7

Prijs: € 18,90

U kunt het boek bestellen door € 18,90 + € 3,64 verzendkosten = € 22,54 over te maken op IBAN NL71 INGB 0004 9143 14 van het India Instituut, Amsterdam.

De blauwe sjaal en andere verhalen is ook beschikbaar als een e-boek (epub-formaat). Ga naar www.bol.com of www.kobo.com en zoek op de volledige titel (De blauwe sjaal en andere verhalen)

 

De staatsgreep van de Soldaat van Oranje

Alleen het kroonvirus Corona was in staat de musical Soldaat van Oranje te doen verstommen. Deze hoogmis van het orangistische levensgevoel trok reeds meer dan drie miljoen bezoekers . De voorstelling is gebaseerd op de autobiografie van Engelandvaarder Erik Hazelhoff Roelfzema. Maar hoe heldhaftig was diens betrokkenheid bij de planning van een naoorlogse staatsgreep, waarbij PvdA-coryfee Koos Vorrink zou worden geliquideerd?

 

Tekst Bart Gruson

In een onbezonnen moment heb ik de redactie aangeboden om een recensie te schrijven over een voorstelling die de zintuigen nu al tien jaar lang teistert: Soldaat van Oranje – De Musical. Alleen het SARS-CoV-2 virus is in staat gebleken om aan dit oor- en oogverdovende spektakel een einde te maken, weliswaar voorlopig, maar in elk geval tot ver na de datum waarop ik mijn stukje moet inleveren. Geen recensie dus, maar in plaats daarvan aandacht voor de minder belichte kanten van de held waar het in deze karikaturale musicalproductie om draait: Siebren Erik Hazelhoff Roelfzema, Erik voor zijn vrienden, Soldaat van Oranje voor de inmiddels meer dan 3 miljoen bezoekers van de musical.

Hazelhoff Roelfzema wordt in 1917 in Soerabaja geboren in een Nederlandse patriciërsfamilie. In 1930 verhuist hij met zijn oudere zuster naar Nederland, omdat vader de kinderen een goede opleiding wil laten volgen. De ouders volgen een paar jaar later en het gezin vestigt zich uiteindelijk in Wassenaar. Na het eindexamen gymnasium begint hij in 1937 met de studie rechten aan de Universiteit Leiden. Hij wordt lid van Minerva, de sociëteit waar kinderen uit gegoede families de gelegenheid wordt geboden hun sociaal kapitaal na het afstuderen om te zetten in klinkende munt.

‘Drang naar avontuur’ dreef hem vaak naar het buitenland. Zo maakt Hazelhoff Roelfzema in 1938 een rondreis door de VS en het jaar daarop doet hij als correspondent verslag van de Russisch-Finse oorlog. Die drang naar avontuur vertaalt zich niet in betrokkenheid bij de strijd tegen het opkomende fascisme. We horen of lezen hem niet over Mussolini’s bewind of over Franco’s opstand tegen de Spaanse volksfrontregering. Hij sluit zich evenmin aan bij het Comité van Waakzaamheid van anti-nationaalsocialistische Intellectuelen, opgericht door onder anderen Menno ter Braak, Annie Romein-Verschoor, Rosa Manus, Simon Vestdijk en Jan Tinbergen. Onze rechtenstudent lijkt helemaal geen interesse te hebben in wat zich afspeelt in het Derde Rijk. In 1937, toen hij met de studie begon, was Duitsland al enkele jaren een éénpartijstaat waar tegenstanders van het regime wanneer ze niet direct vermoord werden in concentratiekampen crepeerden. In november 1938, toen hij door de VS toerde, werden overal in Duitsland joodse winkels geplunderd, joodse scholen, ziekenhuizen en synagogen in brand gestoken en joden op straat mishandeld en vermoord.

Op 10 mei 1940 laat Hazelhoff Roelfzema wél van zich horen, maar doet dat in bewoordingen die niet zouden misstaan op een Minerva-borrel: ‘Die kerels waren hier binnengekomen terwijl we ze echt niet hadden uitgenodigd. Ze moesten eruit, daar deed je alles voor, omdat je van Nederland hield’. Ook dan ontbreekt een onverbloemde veroordeling van het nazibewind. ‘Ik ben geen idealist, het was mijn vaderlandsliefde, ik handelde vanuit verontwaardiging’, aldus Hazelhoff Roelfzema in een televisie-interview met Ivo Niehe.

Oorlog of geen oorlog, in 1941 legt Hazelhoff Roelfzema zijn doctoraalexamen rechten af. Even later in dat jaar stapt hij op een Zwitserse boot die hem naar Engeland zal brengen. In de Canon van Museum van Engelandvaarders lezen we dat het schip op weg was naar Kiel en onderweg onderschept werd door een Engels marineschip. Hij is dus bij toeval in Engeland aangeland. Hij noemde zich dan ook in het eerdergenoemde interview een ‘ex-Leidse student die toevallig in die oorlog terecht is gekomen’.

Contact Holland

In Engeland raakt hij betrokken bij het plan om Nederlandse geheimagenten per boot af te zetten op de stranden van bezet Nederland. De praktische uitwerking wordt aan Hazelhoff Roelfzema overgelaten en de regering belast Peter Tazelaar met de operationele leiding van wat Landing Operations Contact Holland gaat heten. Beiden wagen een paar maal de oversteek naar Nederland en riskeren daarbij hun leven. In Hazelhoff Roelfzema’s boek Soldaat van Oranje is het de schrijver zelf die de talrijke spectaculaire acties tot een goed einde weet te brengen. Maar de familie van Peter Tazelaar stelt dat deze de meeste risico’s nam. Na zijn avonturen bij Contact Holland meldt Hazelhoff Roelfzema zich aan bij de RAF en voert als piloot missies uit boven het bezette Europa. Vlak voor het einde van de oorlog wordt hij adjudant van Wilhelmina en samen met haar betreedt hij op 13 maart 1945 Nederlandse bodem.

Al in Engeland is het duidelijk dat onze mannetjesputter zich het prettigst voelt in het gezelschap van lieden die het niet zo nauw nemen met de democratische spelregels. Hij noemt de leden van de regering in Londen ‘ingesukkelde lamzakken’ en laat zich weinig aan hen gelegen liggen. Hazelhoff Roelfzema komt ermee weg omdat hij kan rekenen op de steun van Bernhard en Wilhelmina. Deze laatste voelde, zo schrijft zij in haar autobiografie Eenzaam maar niet alleen, een ‘begeerte naar vernieuwing’. Deze begeerte vertaalde zij in een plan om ‘naar welgevallen’ een koninklijk kabinet samen te stellen dat zonder parlementaire controle drie jaar zou regeren. Daarna moest een grondwetswijziging ervoor zorgen dat haar positie tegenover regering en parlement werd versterkt. Voor de uitvoering van dit plan rekende zij op door haar goedgekeurde verzetsmensen en op Engelandvaarders. Het is dan ook geen wonder dat een aantal Londense Nederlanders, onder wie Jacques Gans, Loe de Jong, A. den Doolaard en Hans Gomperts, in 1944 het Comité van Actie tegen het Neofascisme oprichtten. Zij meenden dat ‘in bepaalde kringen van de Nederlandse gemeenschap absolutistische opvattingen worden gehuldigd’.

Linggadjati-akkoord

Hoewel harde bewijzen ontbreken, bestaat er een redelijk vermoeden dat Hazelhoff Roelfzema in april 1947 een van de architecten was van de staatsgreep die had moeten leiden tot de val van de regering-Beel. Aanleiding is het besluit van het rooms-rode kabinet om een overeenkomst te sluiten met de pas uitgeroepen Republik Indonesia. Dit in de herfst van 1946 gesloten Linggadjati-akkoord leidt tot grote verontwaardiging bij rechts Nederland, omdat erin werd afgesproken dat Indië na een korte overgangsperiode onafhankelijk zou worden. Ook Hazelhoff Roelfzema maakte zich zorgen over het mogelijke verlies van de kolonie. ‘Zeker niet in het minst dat het onbestaanbaar is dat als je je gedurende de oorlog voor vier jaar uitgesloofd hebt voor het herstel van het koninkrijk, je onverschillig zou kunnen zitten toekijken als er nu na de oorlog ietwat mee gegoocheld wordt, om het zo maar uit te drukken’, vertelt hij in 1946 aan Rosette Herzberger.

In april 1947 laat Hazelhoff Roelfzema aan François van ’t Sant, hoofd van de Centrale Inlichtingen Dienst en vertrouweling van de koningin, weten dat leden van het voormalig verzet de regering-Beel zullen afzetten. Hij vraagt hem om Wilhelmina in te lichten en waarschuwt Van ’t Sant dat een besluit van de regering om de putschisten de voet dwars te zetten veel doden zou kosten. Tegelijkertijd ontvangt Van ’t Sant een telegram van ex-premier Gerbrandy waarin deze hem opdraagt zijn medewerking aan de plannen te geven. Gerbrandy was de leider van het Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid, dat het verzet onder rechtse politici en hoge legerofficieren tegen het regeringsbeleid bundelde. Onder de laatste groep was ook de Commandant der Zeestrijdkrachten, admiraal Helfrich. Hij had na het sluiten van het Linggadjati-akkoord in een brief aan zijn vice-admiraal de vraag opgeworpen of de vreedzame ‘staatsgreep in Indië’, zo noemde hij het akkoord, niet met ‘een andere staatsgreep’ moest worden beantwoord.

De coupplegers hadden het volgende scenario voor ogen. Op maandag 14 april 1947 moest een parachutisteneenheid de ministers en staatssecretarissen van het kabinet-Beel oppakken en ergens in het land gevangenzetten. De leiding van de coup zou de staat van beleg afkondigen en het land via de radio en de schrijvende pers daarvan op de hoogte stellen. Er zou een nieuw kabinet gevormd worden waarin Hazelhoff Roelfzema een rol van betekenis zou spelen. Dit kabinet zou alle ‘nationaal georiënteerde’ groepen vragen om een convent te sluiten waarin zou worden vastgelegd dat Indië voor Nederland behouden zou blijven en, niet minder belangrijk, dat de CPN met alle mogelijke middelen zou worden bestreden. Gerbrandy zou de ‘groot-Nederlandse leider’ worden. Het Nederlandse volk moest ervan doordrongen worden dat het ernst was. Om dit te bewerkstelligen zouden de coupplegers Koos Vorrink, de politiek leider van de Partij van de Arbeid, liquideren.

De staatsgreep werd op het laatste moment afgeblazen. Historici vermoeden dat Wilhelmina het plan afkeurde en dat Gerbrandy, die het sein tot de coup moest geven, zonder haar instemming niet tot actie durfde over te gaan. Koos Vorrink had geluk. Het commando dat hem moest vermoorden ­ zij wisten niet dat de coup inmiddels was afgeblazen ­ trof hem niet thuis in zijn Haagse woning. Van een tweede poging is het niet gekomen. Rechts Nederland kalmeerde toen de regering in de zomer van 1947 besloot tot een ‘politionele’ actie om de koloniale belangen te verdedigen.

Gotspe

Alles in ogenschouw nemend is het een gotspe dat de makers van de musical de honderdduizenden bezoekers wijsmaken dat Erik Hazelhoff Roelfzema, deze met zichzelf ingenomen praatjesmaker, iemand die nauw betrokken was bij het plan om de wettige regering met geweld af te zetten en een keurige sociaaldemocraat te vermoorden, ‘een van de grootste verzetshelden van Nederland’ was, zoals het programmaboekje van de musical vermeldt.

Zou het niet prachtig zijn als de makers hun dwaling goedmaken door een productie op de planken te zetten onder de titel Willem Kraan – De Musical? Ik ben bang dat het er nooit van zal komen. Willem Kraan, de man die op 24 februari 1941 op de Amsterdamse Noordermarkt de menigte opriep om in staking te gaan als protest tegen de razzia’s in de Amsterdamse Jodenhoek, was stratenmaker en lid van de communistische partij. Bovendien liep het slecht met hem af. Welke musicalliefhebber wil zich nu met zo iemand identificeren?

 

Voor het relaas over de rol van Erik Hazelhoff Roelfzema bij de poging tot staatsgreep in 1947 leze men  de in 2015 verschenen biografie van François van ’t Sant, Harer Majesteits trouwste onderdaan, geschreven door Sytze van der Zee, waarin deze affaire voor het eerst uit de doeken werd gedaan.   

 

Peter Klashorst scoort met maximale majesteitsschennis op het schildersdoek

Dankzij Bob Dylan wisten we al dat de tijden veranderen, maar voor degenen die nog niet gans overtuigd waren is het bewijs nu onweerlegbaar geleverd met de uitgave van de Dirty Diaries van kunstschilder Peter Klashorst (63). Dat kloeke boekwerk is rijkelijk geïllustreerd met aanstootgevende afbeeldingen van H.M. Máxima I der Nederlanden maar vermocht nochtans geen enkele reactie vanuit het Koninklijk Huis of Justitie uit te lokken.

Het kunstboek verscheen in drie verschillende edities, en op een versie daarvan siert Máxima door Klashorsts erotomane ogen de cover, terwijl zij in het binnenwerk ook te zien is in diverse aanstootgevende poses. Van de Dirty Diaries, volgens uitgever Jaap Holtzapffel ‘het creatieve testament’ van de ernstig zieke schilder, zijn inmiddels zo’n 2000 exemplaren verkocht en dat maakt het volgens hem ‘het meest succesvolle kunstpornoboek uit de vaderlandse geschiedenis’. De zaken hadden natuurlijk nog veel beter kunnen gaan als het boek een klacht wegens majesteitsschennis had opgeleverd, zo weet ook Holtzapffel. ‘Ik heb alles in het werk gesteld om een rel te krijgen. Máxima op een van de drie verschillende omslagen, op de dag van verschijning naar Huis ten Bosch gereden om het “eerste” exemplaar bij de poort af te geven. Maar helaas hebben ze niet gehapt!’

God, Nederland en Oranje

Wat een verschil met 1966, toen het eerste nummer van het cartoontijdschrift God, Nederland en Oranje van de Provo-beweging in beslag werd genomen omdat tekenaar Willem (pseudoniem van Bernhard Holtrop) daar toenmalig koningin Juliana had afgebeeld als raamprostituee. Willem kreeg een boete van 200 gulden voor de prent, waarmee hij de spot dreef met een omstreden verhoging van de toelage voor de koningin, die kwam in tijden dat de rest van het land zuchtte onder loonmatiging. Een jaar later ging Provo Herman Amptmeijer maar liefst voor 30 dagen in het cachot in omdat hij de spotprent had helpen verspreiden.

De verboden tekening van Willem in God, Nederland en Oranje.

Ook de Amsterdamse schilder Aat Veldhoen liet zich graag inspireren voor de combinatie van royalty en erotiek en moest zich bij de politie melden nadat hij in 1975 een spotprent had vervaardigd waarop toenmalig premier Den Uyl in achterwaartse positie copuleerde met koningin Juliana, die op haar beurt de Amsterdamse burgemeester Samkalden oraal bevredigde, met op de achtergrond op dameshakken Prins Claus getooid met een armband van de NSDAP en NAVO-secretaris Joseph Luns in innige verstrengeling met een ezel prijkten. In zijn geval kwam hij er met een waarschuwing vanaf en de anarchistische kunstenaar werd later bestuurlijk ingekapseld door zijn huwelijk met ex-PvdA-minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur Hedy d’Ancona.

Artistieke naaktfoto’s

Ook de redactie van weekblad Nieuwe Revu, in de rebelse jaren ’70 zeer succesvol met de toverformule ‘seks, sensatie & socialisme’ kwam in de problemen nadat ze de kersteditie van 1976 had opgeluisterd met artistieke compositiefoto’s foto’s  ter illustratie van een reeks citaten uit haar befaamde kersttoespraken. De raad van bestuur van VNU, de toenmalige uitgever van Nieuwe Revu, was not amused en gaf opdracht de gehele oplage nog voor uitgifte door de papierversnipperaar te halen, teneinde ‘gevoelens van lezers’ te ontzien. Met steun van de journalistenvakbond NVJ toog de redactie van het weekblad in protest de straat op, onder het motto ‘baas in eigen blad’. Op 31 december 1976 verscheen een ‘dubbeldik noodnummer’, met daarin wél de koninklijke kerstboodschappen, maar alleen beschrijvingen van de bijbehorende foto’s. De censuur had haar werk gedaan.

In de jaren ’80 kreeg iemand nog drie weken cel wegens een fotomontage van koningin Beatrix als model voor  Playboy, maar sindsdien zit de klad er een beetje in bij de artistieke zedenmeesters. Zo maakte in 2012 een hilarisch filmpje van Lucky TV bij de VARA’s De Wereld Draait Door, waarin Beatrix en Willem-Alexander tijdens een fictief staatsbezoek aan Papoea Nieuw Guinea de lokale klederdracht respecteerden (o.m. door het dragen van een peniskoker) alleen nog boze reacties los bij de redactie van het Reformatorisch Dagblad. Individuele burgers met onzedelijke fantasieën richting het koningshuis moesten niettemin op hun hoede blijven. In 2007 werd een 47-jarige man veroordeeld tot een boete van 400 euro voor majesteitsschennis nadat hij de politie had toevertrouwd hoe hij zekere seksuele handelingen wilde plegen met de vorstin.

Staatsieportret

Inmiddels heeft schilder Klashorst er nog een schepje bovenop gedaan. Zijn impressario biedt nu ook een schilderij aan van kroonprinses Amalia in innig contact met een heerschap van Afrikaanse komaf. Klashorst vanuit zijn Thaise woonplaats via Facebook: ‘Het is een staatsieportret en ook een commentaar op Black Lives Matter…een Gambiaanse vriend van mij beweert prins te zijn uit een oud geslacht…in dit geval een enorm geslacht wat ik bescheiden heb afgebeeld…die vriend wil met Amalia een serieus huwelijk zodat zij koningin wordt van Gambia en er straks dus een dubbelmonarchie ontstaat het Groot Nederlands Gambiaans koninkrijk en deze prent is om dat idee te promoten .. het samengaan van twee volkeren en twee mooie mensen…zwart en wit zonder discriminatie, maar met veel liefde… Rembrandt heeft Amalia ook geschilderd.. en met deze prent eer ik ook de grote meester die de naamgenote en familielid van de huidige Amalia waar zij waarschijnlijk naar vernoemd is ooit heeft vastgelegd op het doek…dus helemaal kunst-historisch verantwoord en ik ga er van uit dat binnenkort mijn variatie op een staatsieportret in het Rijksmuseum hangt’.

Uitgever Holzapffel laat weten dat het Amalia-schilderij zal worden opgenomen in een volgende druk van de Dirty Diaries. Het boek is alleen via de persoonlijke Facebook-pagina van Jaap Holtzapffel te bestellen en kost 60 euro.

1 2 3 7