Nieuws

Themanummer: de Ster der Schande

/

De deze week verschenen nieuwe editie van De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht & burgerschap is een themanummer  ter herdenking van de invoering van de Jodenster in Nederland,  80 jaar geleden op 2 mei 1942. Een serie verhalen over ambtelijke collaboratie, Joods verzet en koninklijke schuld.  Gerard Aalders  schrijft over de vlucht van Wilhelmina in mei 1940. Die was niet alleen in strijd met de Grondwet, ze was ook een geschenk uit de hemel voor de Duitse troepen. Anders dan de vorstin later wilde doen geloven, was haar vertrek tot in de puntjes voorbereid. Aan het lot van de Joden in Nederland besteedde ze nauwelijks aandacht. ‘Tijdens haar vierendertig praatjes heeft Wilhelmina het concreet slechts driemaal over joden gehad en dan ook nog terloops.’ Lees het complete verhaal via deze link.

René Zwaap vergelijkt de inbreng van Wilhelmina’s tijdens de bezettingsjaren met die van collega-monarchen, zoals de Deense koning Christian X.  Deze mocht dan wel niet op zijn paard door Kopenhagen rondrijden met een Jodenster op zijn uniform, zoals een populaire mythe wil, hij noteerde wel in zijn dagboek: ‘Als je de onmenselijke behandeling van de Joden ziet, niet alleen in Duitsland maar ook in de bezette landen, begin je je zorgen te maken dat die eis ook ons wordt opgelegd, maar we moeten dit krachtig afwijzen op grond van de bescherming die zij genieten onder de Deense Grondwet. Ik heb verklaard dat ik niet zou instemmen met een dergelijke behandeling van Deense burgers. Als dat toch wordt geëist, zouden we er het beste aan doen allemaal een Davidster te dragen.’

Nederland heeft consciëntieuze, ijverige, zorgvuldige ambtenaren die consciëntieus, ijverig en zorgvuldig hun taken vervullen. Dat deden ze ook vroeger al, voor 10 mei 1940, en ook na die datum, toen daar in opdracht van de Duitse bezetter nieuwe taken bijkwamen, zoals het registreren van Joden. Maurits van den Toorn schrijft over de dunne lijn tussen ‘accomodatie’ en collaboratie. Verzet vanuit de ambtenarij was spaarzaam. ‘Ook het latere opstellen van adressenlijsten van Joden, als voorbereiding op de deportatie, stuitte niet op groot protest of verzet; slechts één burgemeester weigerde medewerking en werd ontslagen. SG Frederiks, eindverantwoordelijke voor de bevolkingsregisters, liet niet van zich horen. Hij protesteerde vervolgens wél toen de Duitsers enkele maanden later alle niet-Joodse mannen wilden registreren voor de Arbeitseinsatz. Er was duidelijk verschil tussen Joodse en ‘gewone’ Nederlanders. Het beeld is niet anders bij de politie waar het vuile werk werd opgeknapt: Joden ophalen, bij razzia’s oppakken, bewaken en begeleiden naar Westerbork of Vught. Confronterender werk dan achter een bureau in de anonimiteit adreslijsten opstellen, maar desondanks werk dat de grote meerderheid van de politiemensen bleef uitvoeren. Een Amsterdamse rechercheur verklaarde na de oorlog: “Aan de Jodenarrestaties heeft 90 procent van de Amsterdamse politie meegedaan. De cellen hebben dag en nacht vol met Joden gezeten zodat er voor criminele gevangenen geen plaats was. Voor zware misdadigers heb iksoms geen arrestantenwagen kunnen krijgen, maar wanneer er Joden gereden moesten worden, werd er niet gesaboteerd, maar stond de wagen klaar”.’

Paul Damen over het meest bekende, defamerende merkteken voor een heel volk: de gele, zeshoekige Jodenster met daarin ten overvloede het woord ‘Jood’. Hoe een nauwelijks bekend embleem een brandmerk werd. ’s middags op 29 april 1942 werd de Joodse Raad van de invoering op de hoogte gesteld, terwijl vrijwel tegelijk de avondkranten al meldden dat die verplicht was. Waarop die Joodse Raad binnen vijf dagen welgeteld 569.355 Jodensterren moest verspreiden. ‘Iedere Jood moest verplicht vier sterren afnemen, voor vier cent per stuk waarmee de Joodse Raad weer nieuwe sterren kon fabriceren, plus een ‘textielpunt’. Wie de ster niet droeg, kreeg zes maanden cel of een boete van hoogstens duizend gulden. Dat viel dan wel mee, denkt u, maar nee: die straf was hoog genoeg om meteen naar het oostenafgevoerd te worden, in de praktijk dus een doodvonnis. De ster moest ook zichtbaar op borsthoogte aan jas, jurk of trui worden vastgenaaid. Maar hoe wisten die Duitsers dan dat een niet-drager niet ook een Jood was? Er moeten enkele duizenden Nederlandse Joden geweest zijn die het risico namen en weigerden met een ster te lopen.’

In een interview herinnert de 88-jarige oud-politica van D66 Anneke Goudsmit zich de dag dat ze haar Jodenster afdeed en in het Amsterdamse Amstelkanaal gooide. ‘Het was 23 juni 1943. Ik was 9 jaar oud en liep samen met mijn broer en de vrouw bij wie we zouden onderduiken in Amsterdam richting het onderduikadres aan de Koninginneweg. We mochten onderduiken in de woning van het jonge echtpaar. Mijn vader had die mensen via een collega bereid gevonden. We konden niet samen met onze ouders onderduiken, dat werd te gevaarlijk geacht, vandaar dat onze onderduikmoeder ons naar het huis begeleidde. Bij de Jan van Goyenkade zei onze nieuwe tante dat we onze sterren nu wel mochten afdoen. Ik zie het ding nog in het kanaal dwarrelen en in het water wegdrijven. Ik kan me nog goed herinneren hoe trots ik toen was. Het voelde als een bevrijding, alsof ik de controle over mijn eigen leven terugkreeg.’ Ze blikt ook terug op haar aanvaringen met minister Van Agt over de voorgenomen vrijlating van de ‘Drie van Breda’, waartegen zij groot protest organiseerde.

De opvatting dat de Nederlandse Joden zich in ‘40-‘45 als lammeren naar de slachtbank lieten voeren berust op gebrekkig historisch inzicht. In werkelijkheid was er sprake van fel verzet. Historicus Ben Braber over de slag tussen Joodse knokploegen en de nazi’s in Amsterdam anno februari 1941. ‘Het verzet van Joden nam veel vormen aan. Ze getuigden van hun geloof of cultuur. Ze lieten zich niet terroriseren. Ze vochten terug. Ze protesteerden. Ze schreven voor illegale bladen en hielpen die te verspreiden, vaak met groot risico voor eigen veiligheid. Ze onttrokken zich aan de deportatie. Bijna 30.000 Joden doken onder, ondanks de Duitse overmacht, de collaboratie van overheidsinstanties, algemene organisaties en individuen, en de onverschilligheid of het gebrek aan betrokkenheid die bij niet-Joden overheersten. Ze zetten organisaties op om elkaar bij te staan. Ze hielpen opgepakte Joden ontsnappen uit deportatietreinen en concentratiekampen. Ze probeerden de deportatie te ontregelen met brandbommen en aanslagen. Ze vormden of sloten zich aan bij niet-Joodse verzetsgroepen– een relatief groot aantal deed dat in vergelijking met niet-Joden. Joden behoorden ook tot de voortrekkers van gewapend verzet.’

Het Weinreb-rapport van 1976 was vernietigend voor de reputatie van de Joodse verzetsman Friedrich Weinreb, maar steeds duidelijker wordt dat de onderzoekers van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie toentertijd waren behept met een tunnelvisie en zich bezondigden aan manipulaties en geschiedvervalsing. De affaire-Weinreb is hard toe aan een cold case-team, betoogt René Zwaap. Lees het hele verhaal via deze link.

Historicus Thomas von der Dunk over de vervalste pas die zijn overgrootmoeder het leven redde en andere vormen van verzet van zijn familie.

Sinds 2020 spelden demonstranten tegen het corona-beleid een Jodenster op om hun ongenoegen over de regeringsmaatregelen kenbaar te maken. Het is geen exclusief Nederlands fenomeen, ook in andere landen gebruiken sommige anti-vaxxers de gele davidster. Bart Gruson wilde weten wat hen beweegt.

Door het Konzentrationslager-syndroom (KZ-syndroom) te scharen onder het koepelbegrip ‘post-traumatische stressstoornis’ (PTSS) ging de psychiatrie in de loop der decennia over tot bagatellisering van de Shoah, stelt medisch historicus Leo van Bergen.

Ries Roowaan schrijft over de Jodenster die Harry Mulisch prominent op zijn werkkamer had hangen. Die was van zijn moeder Alice geweest, een medewerkster van de Joodse Raad. Zijn vader Kurt Mulisch werd in 1941 directeur personeelszaken van Lippmann, Rosenthal & Co, beter bekend als de Liro-bank of ook wel de Duitse roofbank, waar de Joden hun bezittingen moesten onderbrengen. Alice dreigde in het voorjaar van 1944 op transport te worden gesteld, maar Mulisch vader wist  haar vrij te praten bij de Duitse autoriteiten. Kurts achtergrond en vooral zijn betrekking bij de roofbank redde het leven van Alice, zoals het ook Harry bescherming bood: ‘Mijn moeder en ik moeten hem allebei dankbaar zijn dat hij fout was’, schreef Mulisch over zijn vader.

Paul Damen staat stil bij de pijnlijke affaire rond het cold case-team dat een Joodse notaris beschuldigde van het verraad van Anne Frank. ‘Ja, Anne Frank, een Joodse heilige. Alles wat haar omringt is heilig, zelf het ultieme slachtoffer. En dus lucratief, meende uitgeverij Ambo Anthos met haar beoogde bestseller Het Verraad van Anne Frank. Het liep even anders.’

De enige vrouw die na de oorlog in Nederland werd geëxecuteerd vanwege samenwerking met de Duitsers was de Joodse Ans van Dijk. Haar verklaring dat ze puur uit doodsangst voor de Sicherheitsdienst had gehandeld werd door haar rechters niet geloofd. Haar eveneens Joodse partner-in-crime Branca Simons bracht het er wel levend vanaf. Historicus Paul van de Water beschreef hun levens in het deze maand verschenen boek Foute Vrouwen.

René van Rooij schreef een boek over het huwelijk van zijn ouders op 4 november 1942 in Utrecht. Het was tot 1945 het laatste Joodse huwelijk in Nederland dat in een synagoge werd gesloten.

Naast de Jodenster deelden de nazi’s driehoeken uit aan andere ongewenste minderheidsgroepen. De Roma en Sinti kregen een zwarte driehoek. Van hen werden tijdens de Tweede Wereldoorlog naar schatting 1,5 miljoen vermoord. Nog altijd gelden zij in Europa als de zondebok. Els de Groen zette zich als EU-parlementariër intensief voor hen in.

Verder in dit nummer: Roel van Duijn roept de EU op de smeekbede van de Oekraïense president Zelensky voor een versneld lidmaatschap van zijn land te honoreren, historicus Jan Postma over de inschattingsfout van oud-patriotten die leide tot de vestiging van de Oranje-monarchie,  columns van Henk Westbroek en Floris Müller en de Appeltjes van Oranje over de Joodse anarchist Alexander Cohen en het moordmysterie rond ‘Koning Gorilla’.

Mis geen enkele editie meer van dit unieke kwartaalblad en neem een abonnement.

 

De meest overschatte koningin

De vlucht van Wilhelmina in mei 1940 was niet alleen in strijd met de Grondwet, ze was ook een geschenk uit de hemel voor de Duitse troepen. Anders dan de vorstin later wilde doen geloven, was haar vertrek tot in de puntjes voorbereid. Aan het lot van de Joden in Nederland besteedde ze nauwelijks aandacht.

 

Tekst Gerard Aalders

 

De koninklijke familie vluchtte al enkele dagen na de Duitse overval naar Engeland.

Juliana en haar twee dochters vertrokken eerst, een dag later gevolgd door Wilhelmina en het gehele kabinet. Twee dagen voor het uitbreken van de oorlog, op 10 mei 1940, had prinses Juliana nog beweerd dat zij en haar familie nooit zouden vluchten als er gevaar dreigde. Oranjes lieten het land niet in de steek.

In feite hebben ze niet anders gedaan, zodra er gevaar dreigde: Willem de Zwijger en stadhouder Willem V, de vader van koning Willem I, kozen in respectievelijk 1567 en 1795 ook al het hazenpad en zelfs ten tijde van Troelstra’s vermeende revolutiepoging in 1918 stond het vluchtkoffertje van Wilhelmina en haar dochter klaar. Hier werd een eeuwenoude traditie voortgezet.

 

Verraad

Een groot deel van de bevolking toonde zich verbitterd over haar vlucht. Portretten van de koningin werden bij het vuilnis gezet en koninklijke ridderordes weggegooid. Velen vonden het een schande dat de Koninklijke Familie was gevlucht, terwijl soldaten nog hun leven waagden in de strijd tegen de Duitsers. De vlucht van koningin Wilhelmina was slecht voor het moreel. Velen hadden er maar een woord voor: verraad.

Wilhelmina heeft dat naderhand pas aangevoeld. In haar autobiografie, Eenzaam maar niet alleen, die ze na de oorlog schreef, beweert ze dat ze het liefst samen met haar soldaten in de strijd tegen de ‘Moffen’ was gesneuveld. Maar ja, alles was anders gelopen dan ze had gedacht. Ze was zich ‘ten volle bewust’ van de ‘verbijsterende indruk’, die haar vertrek had gemaakt, maar ze had het gedaan omdat het landsbelang het eiste. Uitsluitend daarom – en daarom alleen – had ze zich verplicht gevoeld te vertrekken. Als mensen er schande van spraken dan moest dat maar. Ze had slechts gedaan wat ze als haar plicht zag: Nederland ontvluchten om het vanuit Londen te kunnen bevrijden.

Wilhelmina was geschrokken van de reacties op haar vlucht. Ze was gewend dat het volk alles van haar accepteerde en wat ze deed toejuichte. Het was zaak haar geschonden imago weer op te poetsen. Dat is uitstekend gelukt, dankzij een rammelend verhaaltje dat de Oranje-aanhang – weer helemaal getrouw de traditie – gretig slikte.

Wilhelmina liet zich per auto naar Hoek van Holland brengen. De dappere Juliana die had beweerd nooit te zullen vluchten, zat toen al hoog en droog met Bernhard en haar beide dochters in Londen. Tot haar verrassing zag Wilhelmina bij aankomst in de Hoek een Engelse torpedobootjager, de H.M.S. Hereward, aangemeerd liggen. Klaar voor vertrek.

De vraag is natuurlijk of die boot daar inderdaad zomaar lag –zoals Wilhelmina suggereert – of dat die door de Britse regering was gestuurd om haar op te halen. Dat laatste was het geval. Documenten uit Britse overheidsarchieven laten zien dat haar vlucht naar Engeland was voorbereid.

 

Zeeland

Hare Majesteit ging aan boord van de Hereward – die lag daar toch maar te liggen – en ze vertelde de kapitein dat ze naar Zeeland wilde. Dwars door de mijnenvelden heen. De kapitein vond het blijkbaar volstrekt normaal dat hij plotseling de Nederlandse koningin aan boord kreeg, die hem op de koop toe ook nog bevelen gaf.

Eenmaal onderweg wilde Wilhelmina contact opnemen met de commandant van de troepen in Zeeland, maar de kapitein verbood dat. Het was tegen zijn instructies. Ze heeft nog indringend op hem ingepraat, maar de kapitein bleef onverbiddelijk. ‘Goede raad was duur’, herinnerde Wilhelmina zich in Eenzaam maar niet alleen. Terug naar Hoek van Holland kon niet (waarom wordt niet duidelijk), maar ze kon evenmin door naar Zeeland. Toen besloot ze om maar gelijk naar Engeland over te steken.

Volgens Wilhelmina mocht de kapitein haar volgens zijn instructies wel naar Engeland brengen, maar niet naar Zeeland. Dat impliceert dat de kapitein wel degelijk zijn orders heeft gehad en dat de Hereward niet toevallig in Hoek van Holland lag aangemeerd, zoals Wilhelmina ons probeert wijs te maken.

 

Dubbele bron

Thijs Booy, persoonlijk secretaris van Wilhelmina, heeft het vluchtverhaal ook beschreven in zijn boek De levensavond van Wilhelmina. Dat komt geheel overeen met dat van Wilhelmina. Mooi, een dubbele bron. Het verhaal van de koningin zal dus wel kloppen? Nou nee.

Booy was er zelf niet bij in 1940. Hij trad pas in 1953 bij Wilhelmina in dienst. Alles wat Booy over de koningin schrijft van vóór 1953 komt vrijwel zeker rechtstreeks uit de koker van zijn bazin. Hij trad ook op als ghostwriter bij Eenzaam maar niet alleen, dus hij kende haar verhalen uit den treure.

Wilhelmina had enorm moeite met schrijven, weten we van Booy; haar spelling beheerste ze evenmin vlekkeloos. Booy wel, en bovendien kon hij aardig vertellen. Tenminste, als je bereid bent zijn gedweep met zijn werkgever voor lief te nemen.

Volgens Booy zou Wilhelmina nooit een voet aan boord van het Engelse schip hebben gezet, als ze had geweten dat ze in Engeland terecht zou komen. Na aankomst in Harwich had ze geweigerd door te reizen naar Londen. Vanuit die kustplaats kon ze immers gemakkelijk weer snel terug naar Nederland om haar volk bij te staan, want dat was haar plan (beweerde ze).

Haar begeleiders hebben haar bij wijze van spreken de trein naar Londen in moeten sleuren. Het klinkt allemaal niet overtuigend. Eerst een klaarliggende boot in Hoek van Holland en dan plotseling ook nog een klaarstaande trein naar Londen, waar ze wordt opgewacht – alweer toevallig – door een erewacht om haar te verwelkomen. Het is allemaal té toevallig om nog toeval te kunnen zijn.

Maar er is meer: de particulier secretaris van Wilhelmina, François Van ’t Sant, heeft ruim op tijd uitgebreide voorbereidingen voor een snel vertrek naar het buitenland getroffen voor het geval Nederland zou worden aangevallen. Lange tijd was Bordeaux in Frankrijk het reisdoel, maar tenslotte zou het Engeland worden.

Het staat eveneens vast dat Wilhelmina Van ’t Sant opdracht heeft gegeven haar in ballingschap te volgen, als het zover mocht komen. Financieel had ze haar vlucht ook voorbereid, zodat ze in ballingschap niet op een houtje hoefde te bijten. Kortom: Wilhelmina is met voorbedachten rade en volgens een voorbereid plan gevlucht.

 

Gruwelijke tijd

Als we Booy mogen geloven, brak er in Londen een gruwelijke tijd voor Wilhelmina aan. Ze had weliswaar nooit in een gevangenis of concentratiekamp gezeten, noch honger of kou geleden en al helemaal niet in de vuurlinie aan het front gevochten. Maar toch, beweert Booy, had ze tijdens de oorlog van alle Nederlanders het zwaarst geleden. Ze had zich zó ingeleefd in de vreselijke omstandigheden van haar landgenoten, zó onvoorstelbaar intens meegeleefd dat het leed van haar landgenoten haar eigen, persoonlijke leed was geworden. Daarom keerde ze volgens Booy naar Nederland terug ‘met duizenden doden op haar rug, verdronken strijders ter zee, gefusilleerde illegalen en vergaste joden’.

In haar toespraken voor radio Oranje heeft ze het echter nauwelijks over het lot van de joden gesproken. Wilhelmina heeft er een gewoonte van gemaakt geen controversiële onderwerpen aan te snijden. Zelden zei ze iets opruiends. Het meest opzwependst waarop we haar voor de microfoon van radio Oranje kunnen betrappen was: ‘Slaat den Nazi op den kop’. Of Hitler van die ferme taal is geschrokken, weten we bij gebrek aan bronnen niet.

Wilhelmina was bang dat als mensen letterlijk gehoor zouden geven aan oproepen tot daadwerkelijk verzet – wat tot represaillemaatregelen zou kunnen leiden – zij de schuld zou krijgen van eventuele executies. Dat wilde ze in geen geval. Haar enige doel was – hoe dan ook – terugkeren op de troon. Dat kon alleen als Hitler werd verslagen. Persoonlijk heeft Wilhelmina geen enkele bijdrage aan de bevrijding geleverd. Het leger, de luchtmacht en de marine van de regering in ballingschap waren te verwaarlozen. Voor de bevrijding van Nederland is Wilhelmina van geen betekenis geweest, al zou je het tegendeel gaan geloven als je de aan haar gewijde hagiografieën leest.

Wilhelmina was volkomen afhankelijk van Churchill en Roosevelt en die lieten zich allebei niets gelegen liggen aan een mevrouw die zo pijnlijk duidelijk had gemaakt dat ze van internationale politiek en van het oorlogsverloop niets begreep. Ze namen Wilhelmina niet serieus, al werd dat natuurlijk nooit hardop gezegd.  Eelco van Kleffens, de minister van Buitenlandse Zaken in ballingschap, kon volgens zijn dagboeken bij tijd en wijle nauwelijks een gevoel van schaamte jegens Wilhelmina onderdrukken.

De vlucht was ook in strijd met de Grondwet. Die verbiedt namelijk dat de regering zijn zetel naar het buitenland verplaatst. Nederlands-Indië bijvoorbeeld had wel gekund, maar dat vond Wilhelmina niets. Ze is nooit van haar leven in Indië geweest. Ze vond het daar te warm en het was te ver weg. Smetvrees speelde eveneens een belangrijke rol. Je had daar in de Oost snel een enge ziekte te pakken. Londen lag haar beter, dus bleef ze daar.

Prinses Juliana werd met haar beide kinderen doorgestuurd naar Canada. De reden is duidelijk, al werd ook dat nooit hardop gezegd: de kroonprinses en haar kinderen mochten niet het geringste gevaar lopen. De hoogste prioriteit van ieder vorstenhuis is immers zijn eigen voortbestaan.  De kans om door een Duitse bom in Engeland te worden getroffen was minimaal, maar in Canada nihil. Dus verhuisde kroonprinses Juliana met Beatrix en Irene naar Canada.

Prins Bernhard bleef bij zijn schoonmoeder in Londen achter, waar volgens Wilhelmina zijn hulp hard nodig was om Nederland te bevrijden. Maar evenmin als de koningin zelf, heeft prins Bernhard – alle heldhaftige verhalen ten spijt – iets voor de bevrijding van Nederland betekend. Niet dat hij het niet druk had, maar dat betrof in de eerste plaats vrouwen, drank en uitgaan. De Britse koning Edward VI heeft ooit opgemerkt dat Bernhard de enige was die van de oorlog heeft genoten.

Had Wilhelmina en haar familie dan in Nederland moeten blijven? Waarom niet?

De Deense koning vluchtte niet en liet zich iedere dag in Kopenhagen zien. Dat hield de moed erin. Zijn optreden werd door de bevolking gewaardeerd.

De vlucht van Wilhelmina was slecht voor het moreel van de soldaten die nog doorvochten. Voor de Duitse invallers was het daarentegen een geschenk. Door te vluchten straal je uit dat de strijd is verloren. Een land zonder regering raakt snel stuurloos, wat het gemakkelijk maakt het te bezetten.

Dat Wilhelmina niets snapte van internationale politiek en het oorlogsverloop wordt duidelijk als we kijken naar het moment waarop ze verwachtte terug te kunnen keren naar Nederland. Tot en met eind 1941 heeft ze zich – compleet blind voor de feiten – buitengewoon optimistisch uitgelaten over de eindoverwinning. Zo zag ze op 20 maart 1941 ‘aan de kim de overwinning dagen’. Op 30 juli 1941 had ze het over ‘de laatste loodjes’, terwijl ze nog op 24 december 1941 glashard verkondigde: ‘We zien het tijdstip van de eindoverwinning dagen’. De rest van de wereld zag dat absoluut niet, want het ging de Duitsers en de Japanners op de slagvelden in die periode van de oorlog juist zeer voor de wind.

Amerika was de schok van Pearl Harbor nog niet eens te boven en de Japanse aanval op Nederlands-Indië moest nog beginnen (januari 1942). Opmerkelijk is dat Wilhelmina zelf heilig geloofde in de onzin die ze uitkraamde.

Het antwoord van Wilhelmina op de wereldwijd woedende oorlog waren – bij gebrek aan leger, luchtmacht en marine – radiopraatjes. In totaal heeft ze er vierendertig gehouden, die allemaal ongeveer 10 minuten duurden. Dat is zes uur spreektijd in vijf jaar oorlog.

Daar win je geen oorlog mee, al hebben historici als Loe de Jong en Cees Fasseur haar speeches een immense invloed toegedicht, zonder overigens ook maar een spoor van bewijs te leveren.

Jonge historici als Onno Sinke en Jord Schaap komen op grond van analyse van haar toespraken tot geheel andere conclusies. Schaap vindt ze vooral ‘langdradig’. Wilhelmina reeg woorden aaneen tot ellenlange monsterzinnen. Voor de microfoon struikelde ze dan over haar eigen woorden en ze wist een zin dan niet meer tot een goed einde te brengen.

 

Oorlogsleider

Aan het lot van de joden in het bezette vaderland heeft ze nauwelijks aandacht besteed. Zelfs Fasseur kon dat niet ontkennen. Maar hij had wel een zwaarwegend ‘excuus’. Als verdediging voerde hij aan dat ook andere oorlogsleiders als Roosevelt en Churchill zich terughoudend hadden opgesteld. Wilhelmina als oorlogsleider; je moet maar durven. Tijdens haar vierendertig praatjes heeft Wilhelmina het concreet slechts driemaal over joden gehad en dan ook nog terloops.

En buiten de radio om? Bekommerde ze zich dan wel om haar joodse landgenoten? Jazeker, ze had zelfs een favoriet: de verzetsman en Engelandvaarder Sally Noach. Maar hij was ook de enige. Voor iemand als journaliste en classica Henriëtte Boas, eveneens Sally Noach Engelandvaarder (en na de oorlog befaamd als ingezonden brievenschrijfster te Badhoevedorp) kon ze weinig interesse opbrengen.

Alle Engelandvaarders gingen na aankomst in Londen bij Wilhelmina op de thee. Zo ook mevrouw Boas, die net als iedereen vooraf strenge, protocollaire instructies had gekregen. De belangrijkste: zeg nooit ‘nee’ tegen de koningin en richt in géén geval het woord tot haar.

Na de vraag van Hare Majesteit hoe het met haar ging te hebben beantwoord, kon Boas zich niet inhouden en zei spontaan: ‘Ja Majesteit, maar met de Joden in Nederland gaat het niet goed.’ Wilhelmina stond abrupt op. ‘Dat heb ik u niet gevraagd’ en ging de volgende in de rij lastigvallen met haar obligate hoe-is-het-met-u-vraag.

 

Verder in deze editie…

 

Dit verhaal is onderdeel van een themanummer van De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht & burgerschap ter herdenking van de invoering van de Jodenster in Nederland, op 2 mei 1942.Een themanummer over ambtelijke collaboratie, Joods verzet en koninklijke schuld.  René Zwaap vergelijkt de inbreng van Wilhelmina’s tijdens de bezettingsjaren met die van collega-monarchen, zoals de Deense koning Christian X.  Deze mocht dan wel niet op zijn paard door Kopenhagen rondrijden met een Jodenster op zijn uniform, zoals een populaire mythe wil, hij noteerde wel in zijn dagboek: ‘Als je de onmenselijke behandeling van de Joden ziet, niet alleen in Duitsland maar ook in de bezette landen, begin je je zorgen te maken dat die eis ook ons wordt opgelegd, maar we moeten dit krachtig afwijzen op grond van de bescherming die zij genieten onder de Deense Grondwet. Ik heb verklaard dat ik niet zou instemmen met een dergelijke behandeling van Deense burgers. Als dat toch wordt geëist, zouden we er het beste aan doen allemaal een Davidster te dragen.’

Nederland heeft consciëntieuze, ijverige, zorgvuldige ambtenaren die consciëntieus, ijverig en zorgvuldig hun taken vervullen. Dat deden ze ook vroeger al, voor 10 mei 1940, en ook na die datum, toen daar in opdracht van de Duitse bezetter nieuwe taken bijkwamen, zoals het registreren van Joden. Maurits van den Toorn schrijft over de dunne lijn tussen ‘accomodatie’ en collaboratie. Verzet vanuit de ambtenarij was spaarzaam. ‘Ook het latere opstellen van adressenlijsten van Joden, als voorbereiding op de deportatie, stuitte niet op groot protest of verzet; slechts één burgemeester weigerde medewerking en werd ontslagen. SG Frederiks, eindverantwoordelijke voor de bevolkingsregisters, liet niet van zich horen. Hij protesteerde vervolgens wél toen de Duitsers enkele maanden later alle niet-Joodse mannen wilden registreren voor de Arbeitseinsatz. Er was duidelijk verschil tussen Joodse en ‘gewone’ Nederlanders. Het beeld is niet anders bij de politie waar het vuile werk werd opgeknapt: Joden ophalen, bij razzia’s oppakken, bewaken en begeleiden naar Westerbork of Vught. Confronterender werk dan achter een bureau in de anonimiteit adreslijsten opstellen, maar desondanks werk dat de grote meerderheid van de politiemensen bleef uitvoeren. Een Amsterdamse rechercheur verklaarde na de oorlog: ‘Aan de Jodenarrestaties heeft 90 procent van de Amsterdamse politie meegedaan. De cellen hebben dag en nacht vol met Joden gezeten zodat er voor criminele gevangenen geen plaats was. Voor zware misdadigers heb iksoms geen arrestantenwagen kunnen krijgen, maar wanneer er Joden gereden moesten worden, werd er niet gesaboteerd, maar stond de wagen klaar.’

Paul Damen over het meest bekende, defamerende merkteken voor een heel volk: de gele, zeshoekige Jodenster met daarin ten overvloede het woord ‘Jood’. Hoe een nauwelijks bekend embleem een brandmerk werd. ’s middags op 29 april 1942 werd de Joodse Raad van de invoering op de hoogte gesteld, terwijl vrijwel tegelijk de avondkranten al meldden datdie verplicht was. Waarop die Joodse Raad binnen vijf dagen welgeteld 569.355 Jodensterren moest verspreiden. ‘Iedere Jood moest verplicht vier sterren afnemen, voor vier cent per stuk waarmee de Joodse Raad weer nieuwe sterren kon fabriceren, plus een ‘textielpunt’. Wie de ster niet droeg, kreeg zes maanden cel of een boete van hoogstens duizend gulden. Dat viel dan wel mee, denkt u, maar nee: die straf was hoog genoeg om meteen naar het oostenafgevoerd te worden, in de praktijk dus een doodvonnis. De ster moest ook zichtbaar op borsthoogte aan jas, jurk of trui worden vastgenaaid. Maar hoe wisten die Duitsers dan dat een niet-drager niet ook een Jood was? Er moeten enkele duizenden Nederlandse Joden geweest zijn die het risico namen en weigerden met een ster te lopen.’

In een interview herinnert de 88-jarige oud-politica van D66 Anneke Goudsmit zich de dag dat ze haar Jodenster afdeed en in het Amsterdamse Amstelkanaal gooide. ‘Het was 23 juni 1943. Ik was 9 jaar oud en liep samen met mijn broer en de vrouw bij wie we zouden onderduiken in Amsterdam richting het onderduikadres aan de Koninginneweg. We mochten onderduiken in de woning van het jonge echtpaar. Mijn vader had die mensen via een collega bereid gevonden. We konden niet samen met onze ouders onderduiken, dat werd te gevaarlijk geacht, vandaar dat onze onderduikmoeder ons naar het huis begeleidde. Bij de Jan van Goyenkade zei onze nieuwe tante dat we onze sterren nu wel mochten afdoen. Ik zie het ding nog in het kanaal dwarrelen en in het water wegdrijven. Ik kan me nog goed herinneren hoe trots ik toen was. Het voelde als een bevrijding, alsof ik de controle over mijn eigen leven terugkreeg.’Ze blikt ook terug op haar aanvaringen met minister Van Agt over de voorgenomen vrijlating van de ‘Drie van Breda’.

De opvatting dat de Nederlandse Joden zich in ‘40-‘45 als lammeren naar de slachtbank lieten voeren berust op gebrekkig historisch inzicht. In werkelijkheid was er sprake van fel verzet. Historicus Ben Braber over de slag tussen Joodse knokploegen en de nazi’s in Amsterdam anno februari 1941. ‘Het verzet van Joden nam veel vormen aan. Ze getuigden van hun geloof of cultuur. Ze lieten zich niet terroriseren. Ze vochten terug. Ze protesteerden. Ze schreven voor illegale bladen en hielpen die te verspreiden, vaak met groot risico voor eigen veiligheid. Ze onttrokken zich aan de deportatie. Bijna 30.000 Joden doken onder, ondanks de Duitse overmacht, de collaboratie van overheidsinstanties, algemene organisaties en individuen, en de onverschilligheid of het gebrek aan betrokkenheid die bij niet-Joden overheersten. Ze zetten organisaties op om elkaar bij te staan. Ze hielpen opgepakte Joden ontsnappen uit deportatietreinen en concentratiekampen. Ze probeerden de deportatie te ontregelen metbrandbommen en aanslagen. Ze vormden of sloten zich aan bij niet-Joodse verzetsgroepen– een relatief groot aantal deed dat in vergelijking met niet-Joden. Joden behoorden ook tot de voortrekkers van gewapend verzet.’

Het Weinreb-rapport van 1976 was vernietigend voor de reputaite van de Joodse verzetsman Friedrich Weinreb, maar steeds duidelijker wordt dat de onderzoekers van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie toenterwijd waren behept met een tunnelvisie en zich bezondigden aan manipulaties en geschiedvervalsing. De affaire-Weinreb is hard toe aan een cold case-team, betoogt René Zwaap. Lees het hele verhaal via deze link.

Historicus Thomas von der Dunk over de vervalste pas die zijn overgrootmoeder het leven redde en andere vormen van verzet van zijn familie.

Sinds 2020 spelden demonstranten tegen het corona-beleid een Jodenster op om hun ongenoegen over de regeringsmaatregelen kenbaar te maken. Het is geen exclusief Nederlands fenomeen, ook in andere landen gebruiken sommige anti-vaxxers de gele davidster. Bart Gruson wilde weten wat hen beweegt.

Door het Konzentrationslager-syndroom (KZ-syndroom) te scharen onder het koepelbegrip ‘post-traumatische stressstoornis’ (PTSS) ging de psychiatrie in de loop der decennia over tot bagatellisering van de Shoah, stelt medisch historicus Leo van Bergen.

Ries Roowaan schrijft over de Jodenster die Harry Mulisch prominent op zijn werkkamer had hangen. Die was van zijn moeder Alice geweest, een medewerkster van de Joodse Raad. Zijn vader Kurt Mulisch werd in 1941 directeur personeelszaken van Lippmann, Rosenthal & Co, beter bekend als de Liro-bank of ook wel de Duitse roofbank, waar de Joden hun bezittingen moesten onderbrengen. Alice dreigde in het voorjaar van 1944 op transport te worden gesteld, maar Mulisch vader wist  haar vrij te praten bij de Duitse autoriteiten. Kurts achtergrond en vooral zijn betrekking bij de roofbank redde het leven van Alice, zoals het ook Harry bescherming bood: ‘Mijn moeder en ik moeten hem allebei dankbaar zijn dat hij fout was’, schreef Mulisch over zijn vader.

Paul Damen staat stil bij de pijnlijke affaire rond het cold case-team dat een Joodse notaris beschuldigde van het verraad van Anne Frank. ‘Ja, Anne Frank, een Joodse heilige. Alles wat haar omringt is heilig, zelf het ultieme slachtoffer. En dus lucratief, meende uitgeverij Ambo Anthos met haar beoogde bestseller Het Verraad van Anne Frank. Het liep even anders.’

De enige vrouw die na de oorlog in Nederland werd geëxecuteerd vanwege samenwerking met de Duitsers was de Joodse Ans van Dijk. Haar verklaring dat ze puur uit doodsangst voor de Sicherheitsdienst had gehandeld werd door haar rechters niet geloofd. Haar eveneens Joodse partner-in-crime Branca Simons bracht het er wel levend vanaf. Historicus Paul van de Water beschreef hun levens in het deze maand verschenen boek Foute Vrouwen.

René van Rooij schreef een boek over het huwelijk van zijn ouders op 4 november 1942 in Utrecht. Het was tot 1945 het laatste Joodse huwelijk in Nederland dat in een synagoge werd gesloten.

Naast de Jodenster deelden de nazi’s driehoeken uit aan andere ongewenste minderheidsgroepen. De Roma en Sinti kregen een zwarte driehoek. Van hen werden tijdens de Tweede Wereldoorlog naar schatting 1,5 miljoen vermoord. Nog altijd gelden zij in Europa als de zondebok. Els de Groen zette zich als EU-parlementariër intensief voor hen in.

Verder in dit nummer: Roel van Duijn roept de EU op de smeekbede van de Oekraïense president Zelensky voor een versneld lidmaatschap van zijn land te honoreren, historicus Jan Postma over de inschattingsfout van oud-patriotten die leide tot de vestiging van de Oranje-monarchie,  columns van Henk Westbroek en Floris Müller en de Appeltjes van Oranje over de Joodse anarchist Alexander Cohen en het moordmysterie rond ‘Koning Gorilla’.

Mis geen enkele editie meer van dit unieke kwartaalblad en neem een abonnement.

 

De cold case van Friedrich Weinreb

Het Weinreb-rapport uit 1976 van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie blijkt zoveel fatale fouten te bevatten dat herziening dringend gewenst is. De onderzoekers bleken te lijden aan een  tunnelvisie en gingen uiterst selectief en manipulatief te werk.

Tekst René Zwaap

Op het Holocaust Namenmonument Nederland aan de Amsterdamse Weesperstraat, waar de ruim 102.000 Nederlandse slachtoffers van de Holocaust staan gememoreerd met hun eigen steen, waarop hun naam, geboortejaar en bereikte leeftijd, prijken ook de namen van David Weinreb (15.05.1941, 1 jaar) en Edmond Weinreb (17.07.1913, 28 jaar). Wie hun naam raadpleegt op de website van het Digitaal Monument voor de Joodse Gemeenschap in Nederland, waarin biografische bijzonderheden worden vermeld over de Holocaust-slachtoffers, krijgt de mededeling: ‘Van een of meer mensen in dit gezin hebben wij niet kunnen vaststellen of zij de oorlog al dan niet overleefd hebben.[…] Deze persoon was alleenstaand of van deze persoon is geen gezinsverband bekend of kon niet worden gereconstrueerd.’

Dat is een op zijn minst curieuze mededeling, want David Weinreb was de jongste zoon van Friedrich Weinreb, en die is met kop en schouders de best gedocumenteerde Jood uit de tijd van de bezetting in Nederland. Edmond Weinreb was diens broer. Weinreb (1910-1988) schreef in zijn memoires over beiden, dus informatie had in principe geen probleem hoeven te zijn. De kleine David, de oudste zoon van Weinreb, overleed in kamp Westerbork, het doorgangskamp in Drenthe waar de kindersterfte dramatisch hoog was. Het gezin Weinreb zat er gedetineerd, Weinreb zelf een tijd als ‘strafgeval’, wat in de regel snel transport richting Auschwitz betekende. Daarvan werden hij en zijn gezin gespaard omdat de Jodenjagers van de Duitse Sicherheitspolizei (SiPo) hem als agent dachten te kunnen inzetten, terwijl zijn vrouw en vier kinderen voorlopig als gijzelaar in Westerbork achterbleven. De kinderen werden getroffen door ziekten als roodvonk en kinkhoest, en de kleine David werd dat fataal. Broer Edmond behoorde tot de groep van rond vierhonderd Joodse mannen die bij een vergeldingsactie werden opgepakt en op transport gesteld naar het kamp Mauthausen. Binnen enkele maanden waren zij bijna allemaal vermoord. De meeste slachtoffers kwamen uit Amsterdam, ze werden op 22 en 23 februari 1941 lukraak van de straat geplukt bij de eerste razzia in bezettingstijd. Het was een vergelding voor de rellen tussen Joodse knokploegen en NSB’ers rond het Waterlooplein en in Amsterdam-Zuid, en meer in het bijzonder voor de dood daarbij van de Nederlandse nazi Hendrik Koot, voorman van de Weerbaarheidsafdeling (WA), de knokploeg van de NSB. Edmond Weinreb was al eerder, op 29 december 1940, opgepakt tijdens een razzia op de Scheveningse Parkweg en werd in het beruchte SS-strafkamp in de duinen bij Schoorl bij de Amsterdamse groep gevoegd om later op transport te worden gesteld. Eerst naar Buchenwald, daarna Mauthausen. Hij stierf vermoedelijk op 13 augustus 1941 in de gaskamer van kasteel Hartheim in Oostenrijk, door de nazi’s eufemistisch aangeduid als het ‘Sanatorium Lager Dachau’. Dat alles blijkt uit de reconstructie De razzia’s van 22 en 23 februari 1941. Het lot van 389 Joodse mannen door Wally de Lang (2021). De Lang vermeldt in haar goed gedocumenteerde boek wel dat Edmond de broer was van ‘de later bekend geworden’ Friedrich Weinreb, maar verder gaat zij niet op diens boeken in.

Ongeloof

In zijn oorlogsmemoires Collaboratie en Verzet, een poging tot ontmythologisering (1969) herinnert Weinreb zich hoe hij het nieuws van het overlijden van zijn tweeënhalf jaar jongere broer, met wie hij in Scheveningen de handel in tabakswaren van hun overleden vader had gedreven, had doorgekregen. Vanuit Schoorl had hij een kaartje van zijn broer gekregen met verzoek om hulp. ‘Kort daarop kwam er een kaartje uit Buchenwald, gevolgd door meerdere. Tenslotte een kaartje meldende dat hij zou worden overgebracht naar Mauthausen. Dat was in juli 1941. In september 1941 kreeg ik een oproep van de Haagse politie om “inlichtingen te verstrekken”. Angstig ging ik erheen, niet vermoedende welke inlichtingen ik zou moeten geven. Ik kreeg echter een inlichting: mijn broer zou op 5 september aan embolie zijn overleden.’ Weinreb beschrijft hoe hij daarna te rade ging bij de Haagse opperrabbijn Maarssen. ‘Want men geloofde die berichten niet. Men zag er plagerij van de Duitsers in. Er kwamen er te veel. En als iemands dood niet zeker is mag men hem volgens Joods godsdienstig standpunt niet als dood beschouwen. De heer Maarssen gaf als beslissing: geen rouw. Hij had informaties dat men deze berichten niet serieus mocht nemen. Het heeft dan ook nog maanden geduurd voordat ik bij mijzelf ben begonnen het doodsbericht toch te geloven. Inmiddels waren echter zo vele en zulke gruwelijke details uit Mauthausen doorgesijpeld, dat men er liever helemaal niet meer aan dacht. Dat was al voorbij de dood.’

Voor wie wil weten hoe het was om een Jood in door nazi-Duitsland bezet Nederland te zijn, is het drie dikke delen tellende Collaboratie en verzet verreweg de meest aangewezen lectuur. Alles staat in dit fascinerende egodocument uit eerste hand beschreven, in de meest directe en precieze observaties: de gangster-nazi’s van de Sicherheitsdienst en hun honger naar Joodse deviezen en diamanten, de zelfvoldane hoge heren van de Joodse Raad, de verschrikkelijke spanningen in Kamp Westerbork als er weer een trein naar het oosten moest worden gevuld, de cowboys van het verzet, de verraders, de meelopers. Rob Schouten, toch niet de minste literaire criticus van het land, noemde het ‘onweerstaanbare literatuur van een onvervalste mensenkenner’ (Trouw, 20 juli 2001). ‘Door de overtuigende stijl, door de authentieke details, door het treffende geïmproviseer en gestumper van alle hoofdpersonen, door de psychologie van de bureaucraten, de slachtoffers en ook van de oplichter zelf. Goed of slecht (slecht dus), er moet een soort meesterbrein achter deze boeken zitten, dat je ook na zijn val nog inpakt.’

Maar Weinreb trof het ergste lot dat een schrijver treffen kan. Hij wordt niet gelezen en is al zo goed als vergeten. Tenminste in Nederland, het land waar hij als zoon van Joodse vluchtelingen uit Lemberg (het tegenwoordig Lviv in Oekraïne) via Wenen terechtkwam. Collaboratie en verzet werd nooit herdrukt en is tegenwoordig alleen nog antiquarisch verkrijgbaar (toen ondergetekende jaren geleden de drie boeken voor een spotprijsje in een Amsterdams antiquariaat aanschafte, vroeg de verkoper nog bezorgd: ‘Maar u weet toch wel dat dit werk érg omstreden is?’). De vele andere boeken die Weinreb na zijn vlucht naar Zürich in het Duits schreef over zijn belevenissen in de oorlog zijn hier nooit vertaald en zijn nergens besproken, ook al staat daar een schat aan aanvullende informatie in over de kwestie rond zijn persoon die het land in de jaren zestig en zeventig ten diepste verdeelde en die wel ‘een Nederlandse Dreyfus-affaire’ is genoemd. Een affaire die werd ingeluid door het oordeel van historicus Jacques Presser in 1965 zijn boek Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945: ‘De Jood Weinreb is de zondebok geworden, heeft voor het tekortschieten van talloze niet-Joden geboet. Hij moest gefaald hebben, ook gefaald, omdat zij gefaald hadden. Niet alleen zij hadden hun plicht verzaakt, ook hij. Als er geen joodse verraders waren, moest men ze uitvinden. De paar, die men na de oorlog berechtte, betekenden te weinig. Hier nu was er een van het formaat dat voldeed.’

Hoofdstuk geschrapt

Na het overlijden van Presser in 1970 zorgde Riod-directeur dr. L. de Jong ervoor dat het hele hoofdstuk van Presser over Weinreb als ‘achterhaald’ werd geschrapt in de Engelse vertaling van Ondergang. Een merkwaardige stap, aangezien Presser op basis van zijn eigen uitputtende onderzoek bij zijn overtuiging was gebleven, getuige een interview dat Philo Bregstein hem afnam voor het boek Gesprekken met Jacques Presser (1972). Daarin zegt Presser: ‘Een kleine nuance waarin ik wel iets afwijk van mijn mening in 1965 is een nuance waarin ik Weinreb gelijk geef. Ik heb toen geschreven dat Weinreb de zondebok is geworden van de niet-Joden. Tegenwoordig zou ik hebben geschreven: Weinreb is de zondebok geworden van Joden en niet-Joden samen. Maar dat is geen essentieel verschil.’

Weinreb zelf, zo schrijft hij in zijn autobiografische Meine Revolution, Erinnerungen 1948 bis 1987 (1990), zat eigenlijk met de aandacht van Presser in de maag. Hij vreesde een tegenreactie.  ‘Het merkwaardige was, dat de pers die hele verschrikkelijke tragiek van het uitmoorden van vijfentachtig procent van het jodendom in Nederland alleen maar zijdelings behandelde; hoe diepgaand, bijna poëtisch en toch historisch-wetenschappelijk helder en gefundeerd Presser dat ook beschreven had’, schreef Weinreb.  ‘Maar alle recensenten gingen op het schandaal van mijn behandeling in. Dat duurde enkele weken. Maar dan gebeurde, wat ik al had vermoed: men verdroeg niet, dat zoiets in Holland had kunnen gebeuren. Vooral de overgebleven Joden, meestal niet vervolgd vanwege gemengde huwelijken, wilden niet zien dat zoiets had kunnen gebeuren in het goede, Jodenvriendelijke Holland dat zij zo demonstratief als hun vaderland hadden omarmd en dat zij verder enthousiast prezen[…]Wat van Pressers boek bleef: nu werd ik, alleen ik, aangevallen. Ik moest – een onbewust proces – tot onpersoon worden gemaakt’.

Presser – en na hem Renate Rubinstein, Aad Nuis, Dick Houwaart, Harry Mulisch, Roel van Duijn, René Marres en nog enkele andere publicisten die het opnamen voor Weinreb – hebben geprobeerd Weinreb te rehabiliteren, maar hun werk beklijfde niet in de publieke opinie. Soms gaven ze het zelf al op, murw geslagen door het loden gewicht van het Weinreb-rapport van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie uit 1976. Zo werd Weinreb inderdaad een non-persoon, een onaanraakbare, zelfs zijn naam is nu zo goed als taboe. Hij is in Nederland inderdaad het ‘monster in de huiskamer’, naar de titel van het nog altijd zeer lezenswaardige verdedigingsschrift uit 1979 dat D66-kopstuk Nuis – die samen met zijn toenmalige echtgenote Renate Rubinstein ook tekende voor de redactie van Collaboratie en verzet – aan Weinreb wijdde in een poging het Weinreb-rapport te ontkrachten. Je zou ook kunnen zeggen dat Weinreb door toedoen van dat rapport, geschreven door A.J. van der Leeuw en D. Giltay Veth, de Nederlandse Shylock werd. Aan alle antisemitische stereotypen van de op macht en seks beluste Joodse zwendelaar wordt in dat Weinreb-rapport voldaan. Dit beeld werd verder uitgewerkt in het in 1997 verschenen Een fantast schrijft geschiedenis, de affaires rond Friedrich Weinreb, waarmee historica Regina Grüter promoveerde en onderscheiden werd met de prestigieuze dr. L. de Jong-prijs. In haar boek omschrijft Grüter Weinreb onder meer als ‘oplichter’, ‘fantast’ en ‘bedrieger’: ‘Er klopte iets niet met zijn realiteitszin.’

Nu zou je van de meeste mensen die kozen voor verzet in 1940-1945 kunnen zeggen dat er iets mis was met hun realiteitszin. De euvele moed ook maar iets te ondernemen tegen die gigantische machine van wrede onderdrukking getuigde op zichzelf al van een hoge mate van zelfoverschatting. Daarnaast heeft Weinreb ook nooit ontkend dat bedrog zijn verzetswapen was. Over andere middelen beschikte hij niet. Ook gaf hij na de oorlog ruiterlijk toe dat hij bij de Duitsers de schijn had gewekt dat hij bereid was tot collaboratie. Zonder dat had zijn bedrog ook niet kunnen functioneren. Hij bevond zich in een hopeloze situatie en het is een wonder dat hij en zijn gezin het er levend vanaf hebben gebracht en hij toch nog andere mensen kon helpen. De notie dat Weinreb als Oost-Europese Jood vanaf het prille begin acuut levensgevaar liep in bezet Nederland ontbreekt in het Weinreb-rapport en bij Grüter volledig. Na de bevrijding wist Weinreb dat hij veel uit te leggen had en gaf hij zich vrijwillig aan bij het Militair Gezag. De rechters geloofden niets van zijn goede intenties en uiteindelijk werd hij tot zes jaar cel veroordeeld. De Bijzondere Raad van Cassatie oordeelde in 1948 ‘dat de rechtsorde niet gedoogt, dat enig mens, in vertrouwen op eigen kunnen en naar eigen morele maatstaf, aldus beschikt over leven en lot van anderen.’ Het Onafhankelijk Nationaal Weekblad Op Korte Golf zag in die uitspraak een veroordeling van de gehele illegaliteit in de bezettingsjaren. ‘Oud-illegalen, meld U bij de eerste de beste politiepost, want ge hebt gehandeld “in vertrouwen op eigen kunnen en morele maatstaf” en de “rechtsorde” gedoogt dit niet!’, schreef het blad op 6 november 1948. In dat jaar kreeg Weinreb overigens gratie vanwege de troonsbestijging van Juliana, dus hij hoefde maar de helft van zijn straf uit te zitten.

Weinreb schrijft dat zijn spel met zijn lijsten voor mensen die door een Sperre, in eerste instantie afgegeven door de door hem verzonnen generaal Von Schumann, behoed werden voor deportatie, heel klein begon, met een gunst aan een Haagse kennis, de werkloze Jood Isidore Stiel in begin maart 1942. In hun Weinreb-rapport melden Van der Leeuw en Giltay Veth dat Joden in Den Haag in die periode echter nog helemaal niet voor de werkverschaffing werden opgeroepen. Zij citeren een telex van het Gewestelijk Arbeidsbureau Amsterdam aan het Rijksarbeidsbureau van 20 april 1942, waaruit ‘onomstotelijk’ zou blijken ‘dat er tussen 7 januari en 20 april niets was gebeurd t.a.v. tewerkstelling van Haagse Joden’. Volgens de opstellers van het rapport toonde dit aan dat Weinreb een aperte leugenaar was en dat zijn actie met de verzonnen generaal er alleen op was gericht zijn mede-Joden geld uit de zakken te kloppen. Zij schreven: ‘Wij menen, dat dit een van de belangrijkste resultaten is, waartoe ons onderzoek in de zaak-Weinreb geleid heeft.’ Ook hun chef dr. L. de Jong, directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, zag dit als een majeure vondst: ‘Wanneer reeds bij het begin van de eerste lijst aangetoond is dat Weinreb een leugenaar is, waarom besteedt men in de gehele rest van het rapport dan nog aandacht aan zijn verhalen?’ merkte hij op.

Kardinale schuiver

De Groningse onderzoeker Jan Werkman ontdekte echter dat de onderzoekers van het RIOD hierbij een kardinale schuiver hebben gemaakt. In zijn boek Achterhaalde waarheden: Oorlogsdocumentatie en geschiedvervalsing in Nederland (2018) presenteert Werkman een circulaire van de Rijksdienst voor de Werkverruiming, die het relaas van Weinreb ten volle ondersteunt. Van der Leeuw en Giltay Veth hadden over het hoofd gezien dat ook deze dienst betrokken was bij de werkverschaffing, en dat die in de door Weinreb genoemde periode al van start was gegaan, ook in Den Haag. Niet alleen zagen de onderzoekers dit punt over het hoofd, ze gumden ook passages in de door hun geraadpleegde documenten en getuigenissen die het relaas van Weinreb ten goede kwamen simpelweg uit. De mededeling van de weduwe van Stiel aan de RIOD-onderzoekers dat haar man helemaal niet werkloos was en dus helemaal niet opgeroepen kon worden (daar maakte W.F. Hermans in zijn constante aanvallen op Weinreb een groot nummer van) wordt door Werkman eveneens weerlegd. Stiel was werkzaam bij een Joodse firma die in november 1940 was geliquideerd, en waar vervolgens alle Joodse werknemers in het kader van de ‘arisering’ werden ontslagen. Het aantal werknemers bedroeg per november 1940 ‘nihil’. Kortom, ook op dit punt had Weinreb het gelijk aan zijn zijde en zaten zijn grootinquisiteurs van het Rijksinstituut er volledig naast.

Werkman presenteert van al zijn opzienbarende archiefvondsten kopieën in zijn boek, en het is eigenlijk bizar dat dit niet tot grote opschudding in de media en vragen in de Tweede Kamer heeft geleid. Want als dit ‘onomstotelijke bewijs’ van Weinrebs bedrog al niet klopt, wat klopt er dan nog meer niet in het Weinreb-rapport?

‘Ons onderzoek heeft aangetoond, dat Weinreb een uiterst gevaarlijke bedrieger is en fantast is en dat zijn optreden tijdens de bezetting van den beginne af aan een bedrieglijk karakter had’, rapporteerden Van der Leeuw en Giltay Veth in 1972 in een nota aan staatssecretaris G. Klein van Onderwijs, het ministerie op wiens verzoek hun onderzoek was gestart. Dat onderzoek had eigenlijk moeten gaan over de vraag of Weinreb geen onrecht was aangedaan door de Bijzondere Rechtspleging, zoals Presser had gesteld. Maar de RIOD-onderzoekers gaven daar een draai aan en maakten van hun rapport een nieuwe rechtszaak tegen Weinreb. ‘Zelfs de SD is in het geval van de eerste lijst dupe van zijn leugens en fantasie geweest,’ schreef Van der Leeuw. De SD de ‘ dupe’? Ocharm! Dat was natuurlijk een totaal bizarre uitspraak, die later niet in het rapport zou worden opgenomen, maar ze weerspiegelde de tunnelvisie die de onderzoekers inmiddels hadden ontwikkeld.

Staatssecretaris Klein zat er danig mee in zijn maag. Van der Leeuw had hem nog voordat het rapport klaar was geschreven dat ‘Weinreb nu eenmaal een misdadig psychopaat is’. De chef Onderzoeksbeleid van het ministerie zette grote vraagtekens bij die opmerking. ‘Ik acht deze bewering, ook al geschiedt deze in een vertrouwelijk verslag, niet zonder bedenking.’ In de kantlijn van de nota schreef Klein: ‘Deel uw ongerustheid over objectiviteit studie.’ In zijn memoires Over de Rooie schreef Klein later: ‘Ik gruwde van de gedachte dat het rapport in de publiciteit zou komen.’ Hij schoof de hete aardappel door naar minister van Justitie Van Agt, die dan maar moest bepalen wat er met het rapport moest gebeuren. Deze bepaalde dat ‘dit rapport dadelijk nadat het gereed is gekomen openbaar zal worden gemaakt zonder dat de Minister tevoren kennis heeft genomen van de inhoud ervan.’ Klein: ‘Belachelijker kon het niet. Een compleet wegduiken voor de eigen verantwoordelijkheid. En waarom? Ik weet het nog steeds niet.’

Als Van der Leeuw en Giltay Veth na zeven jaren onderzoek dan eindelijk hun bevindingen publiceren, komen zij weer met hun kardinale vondst van die fout gedateerde eerste lijst op de proppen, maar ze voegen daar een publicitair dodelijk element aan toe: ‘Weinrebs sinds 1945 gedane mededelingen over het ontstaan van die lijst zijn onjuist gebleken. Die lijst was géén middel om aan tewerkstelling in Noordoost-Nederland te ontkomen, maar een op niets berustende fantasie van Weinreb. Hij is met die lijst ook niet begonnen om lotgenoten bij te staan maar om eigen behoeften aan macht, geld en sexuele lust te bevredigen.’

Om te beginnen met die lotgenoten die niet werden bijgestaan: Werkman noemt met naam en toenaam tien Joodse mannen die dankzij de eerste lijst niet naar de werkkampen in Noordoost-Nederland hoefden af te reizen. Dus de list met de verzonnen generaal sorteerde toch wel degelijk effect. Vervolgens publiceert Werkman een hele rij van verklaringen van Joden die zeggen aan de Weinreb hun leven te hebben te danken. Die verklaringen waren eertijds soms al opgenomen in het strafdossier van de Bijzondere Rechtspleging (het dossier dat Van der Leeuw naar later bleek lang bij zich thuis had nog voordat hij de opdracht voor zijn rapport had gekregen), maar in dat rapport ontbreekt van die ontlastende verklaringen ieder spoor. Daarnaast presenteert Werkman 49 ondertekende verklaringen van Joden die stellen dat Weinreb hen gratis op zijn lijst had gezet dan wel financieel had gesteund om onder te duiken en hen valse persoonsbewijzen te bezorgen, wat lijnrecht indruist de conclusie van de RIOD-onderzoekers dat het hem alleen maar om die honderd gulden inschrijfgeld te doen was.

Verdacht spel

Ten aanzien van die beschuldiging dat Weinreb zijn lijsten was begonnen om zijn vleselijke lusten te botvieren speelden de RIOD-onderzoekers eveneens een verdacht spel. Ze maakten gretig gebruik van het feit dat Weinreb op 18 april 1968 door de rechtbank in Rotterdam was veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf en drie jaar proeftijd ‘wegens het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst en schennis van de openbare eerbaarheid’. Dit op grond van gebeurtenissen in Vlaardingen, waar hij onder valse medische voorwendselen enkele vrouwen onheus zou hebben betast. Weinreb tekende hoger beroep aan, maar dat leidde alleen maar tot een verdubbeling van de straf. Voor de RIOD-onderzoekers was dit een dodelijke troefkaart. Hoofdstuk 6 van het Weinreb-rapport is geheel gewijd aan beschuldigingen van seksueel misbruik tijdens de bezettingsjaren. Maar was dit ook zo?  Reclasseringsambtenaar A. Lahuis, die na de Vlaardingse zedenzaak op het dossier-Weinreb werd gezet, en een intensief onderzoek uitvoerde, stelde een honderd pagina’s tellend rapport op waarin hij grote twijfel uitte over de waarachtigheid van de beschuldigingen. Later schreef hij: ‘De analyse van het strafdossier, gesprekken met de onderzoekers en gesprekken met een serie van getuigen hebben bij mij ernstige twijfel aan de objectiviteit van het gerechtelijke vooronderzoek doen rijzen. Langs de kanalen die voor mij openstonden heb ik geprobeerd de autoriteiten op mijn twijfel attent te maken. Die pogingen waren tevergeefs.[…] Het was en is mijn overtuiging dat op Weinrebs handel en handel in zedelijk opzicht niets aan te merken was.’ Dit uit de mond van een onderzoeksambtenaar die naar eigen zeggen meer dan tachtig gesprekken met Weinreb voerde. Van der Leeuw en Giltay Veth deden het met heel wat minder en gingen liever te rade bij meer dan driehonderd personen die in het boek van Weinreb werden genoemd, meestal niet in gunstige zin, wat hun inktzwarte vertelling ten goede kwam.

De beschuldigingen  tegen Weinreb over zedenmisdsrijven tijdens de bezetting begonnen  na de verschijning van Pressers Ondergang met een ingezonden brief van een zekere Josef Rakower aan het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW).  In Meine Revolution schrijft Weinreb dat Rakower, die ook Joods was, sinds 1942 voor de Gestapo had gewerkt als informant na samen met een handlanger te zijn gearresteerd vanwege verboden goudhandel. Weinreb: ‘Beiden kwamen na een dag in de cel direct weer vrij. Ik kende de zaak, omdat de vrouw van de handlanger mij direct bezocht en mij vroeg alles in het werk te stellen om haar man weer vrij te krijgen. Ik had haar verteld dat ik zoiets niet kon doen, maar was erg verrast toen de man met zijn vriend de volgende dag weer thuis was en dat beiden gedurende de hele oorlog met rust werden gelaten door de nazi’s. Nu was deze man al direct in juli 1945 een hetze tegen mij gaan voeren, omdat ik wel de enige overlevende was, die zijn activiteiten tijdens de oorlog kon doorzien. Het had echter allemaal niets uitgericht, omdat men bij de politie wel zag, dat er behalve de haat van de lasteraar niets concreets was. De man wist echter van geen ophouden, en ging door de officier van Justitie te bestoken. Maar ook deze zal hebben ingezien, dat hij met hem niets kon aanvangen, hoe graag hij dat ook zou willen. Nu hij zag, hoe na Pressers boek alles zich, geheel tegen de verwachting, tegen mij keerde, stuurde hij een ongelofelijk smerige ingezonden brief over mij in, met naam ondertekend. Dat het blad deze afdrukte, was verbazingwekkend en toonde slechts aan dat er een nieuwe fase was begonnen om mij “om te brengen”. ‘ Tot zijn verbazing zag hij Rakower later terug als bestuurslid van het Auschwitz-comité. ‘Zo ziet de Witz van de geschiedenis eruit’, schrijft hij daarover in Meine Revolution.

De ingezonden brief in het NIW miste zijn uitwerking niet. Weireb schrijft : ‘Niet alleen werd mijn aanklacht wegens smaad afgewezen, waar anders al een tiende van zulke verdachtmakingen zonder meer tot een proces zou voeren – nu kwamen er opeens aanklachten tegen mij, van het Openbaar Ministerie zelf’.  Volgens Weinreb was de toenmalige minister van Justitie – Ivo Samkalden, de latere burgemeester van Amsterdam – de kwade genius hierachter. ‘Hij was van joodse komaf en was mij om meerdere redenen, zoals ik vernam, zeer vijandig gezind […]Het bleek niet zo moeilijk mensen te vinden die bereid waren allerlei vuiligheid en abnormaliteiten over mij te spuien. Maar dat is meer iets voor pornografen en is ook alleen maar te begrijpen als men rekening houdt met de accumulatie van psychische afwijkingen in Holland als gevolg van het geaccumuleerde schuldgevoel’.

Niet onpartijdig

Hoofdstuk 6 van het Weinreb Rapport is geheel gewijd aan beschuldigingen van seksueel misbruik tijdens de bezettingsjaren. Weinreb zelf schrijft in zijn memoires Collaboratie en Verzet in hoofdstuk 13  dat medische keuringen noodzakelijk waren om zijn spel met de lijsten een schijn van authenticiteit te geven. Hij schrijft dat mensen die op de emigratielijst van zijn verzonnen generaal waren geplaatst zelf om keuringen vroegen, aangezien het gebruik was bij de Duitse autoriteiten om toestemming tot emigratie te koppelen aan een verklaring van goede gezondheid. Mensen wendden zich tot de Joodse Raad om te vragen wanneer de keuringen zouden plaatsvinden. Weinreb was bang dat de Joodse Raad daarover de Duitsers zou benaderen en dat zou zijn hele operatie in gevaar brengen. Dus begon hij te improviseren: een kennis had een neef die bijna klaar was met zijn studie medicijnen. Deze Edward van Lier onderzocht zo’n 800 personen, maar soms sprong Weinreb zelf in als deze geen tijd had. Vanwege de veroordelingen van 1957 en 1968 stelden Van der Leeuw en Giltay Veth een onderzoek in naar die medische keuringen tijdens de bezetting. Hun kroongetuige was een vrouw die inmiddels in Israël verbleef – ‘mevrouw F.U’ in het Weinreb-rapport -die in 1942 was gekeurd voor de Weinreb-lijst en daarvoor ook gynaecologisch was onderzocht. ‘Hij deed me daarbij zoveel pijn, dat ik het uitschreeuwde’, staat in het rapport.   F.U. zegt echter niet dat deze ‘dokter’ Weinreb was. Sterker nog, zij noemt de naam van Van Lier. Van der Leeuw en Giltay Veth  maken dan een vreemde manoeuvre: ‘ Het is denkbaar dat Weinreb in het geval van F.U. bewust de naam van Van Lier misbruikte. Maar ook gezien de aard van het onderzoek dat mevrouw F.U. moest ondergaan, is het voor ons boven alle twijfel verheven dat het Weinreb was die haar onderzocht’.  Echter, in een brief van F.U. aan Van der Leeuw gedateerd  op  20 oktober 1976, schrijft deze: ‘Begin dit jaar las ik op de voorpagina van De Telegraaf een artikel over “meneer” Weinreb. Ik herkende de foto die bij het artikel was geplaatst niet, maar hoewel ik eraan twijfel dat ik dr. Lier zou herkennen, geloof ik niet dat het meneer Weinreb was die mij heeft onderzocht’. Natuurlijk staat deze brief niet in het Weinreb Rapport, dat toen al verschenen was. Zonder het relaas van F.U. is het verhaal van Weinrebs seksueel misbruik tijdens de bezettingsjaren zo goed als van tafel. Wat Van der Leeuw en Giltay Veth hier hebben gedaan waren de veroordelingen van 1957 en 1968 met terugwerkende kracht inzetten in hun bewijsvoering. Onpartijdig is hun onderzoek, dat maar liefst zes jaar duurde zonder Weinreb enige redelijke kans tot weerwoord te geven, in ieder geval niet. Alles dat sprak tegen hun bevindingen, filterden ze uit hun rapport. Zoals de bevindingen van Weinrebs reclasseringsambtenaar A. Lahuis, die er na grondig onderzoek van overtuigd was geraakt dat de veroordelingen in de zedenzaken tegen Weinreb onterecht waren.

Kortom: wordt het niet eens tijd voor een cold case-team dat het rapport van Van der Leeuw en Giltay Veth minutieus doorvlooit op alle feitelijke onjuistheden en verdraaiingen? Het boek van Werkman en de verklaring van Lahuis geven daar alle aanleiding toe. Het kan toch niet zo zijn dat het rapport domweg door zijn massieve dikte van 1683 pagina’s tot in de eeuwigheid onweersproken blijft? Als een gepensioneerde onderwijzer als Werkman met zijn jaren van archieven doorspitten al zoveel ongerijmdheden aan het licht kan brengen, wat zou er gebeuren als een onafhankelijke professionele onderzoeksgroep op het rapport wordt losgelaten?

Aan het slot van Collaboratie en Verzet maakt Weinreb – niet voor niets statisticus van beroep – de slotbalans op van het resultaat van zijn spel met de Sperre-lijsten. Hij rekent uit dat hij daarmee in totaal rond de vierhonderd jaar aan uitstel van deportatie heeft kunnen organiseren voor duizenden mensen. Uitstel, geen afstel. Maar dat kun je hem niet kwalijk nemen. Er schijnt een moment te zijn geweest dat er uit Westerbork geen trein kon vertrekken omdat er niet genoeg mensen zonder Sperre te vinden waren. Als je die gedachte volgt, zou Weinreb kunnen worden beschouwd als een van de belangrijkste redders van levens in Nederland anno 40-45. In ieder geval probeerde hij iets. Alleen al daarom is een heropening van zijn zaak een morele plicht in een land dat nog zo hevig in de knoop met zichzelf ligt over het Joodse leed in bezettingstijd.

In het boek van Werkman komt ook een verklaring van H. Birnbaum voor. Deze was in Westerbork  de leider van het zogeheten Weeshuis, waar kinderen waren ondergebracht van ouders die waren gedeporteerd of ondergedoken en die zonder ouders in het kamp terecht waren gekomen. Toen Birnbaum na de oorlog hoorde dat Weinreb door de Nederlandse justitie was opgepakt en er in de krant een oproep verscheen om zich als getuige à decharge te melden, legde hij de volgende verklaring af (hier letterlijk en ongecorrigeerd geciteerd):

‘In Westerbork kwam ik als leider van het zogenoemde ‘Weeshuis’ in het belang van de mij toevertrouwden kinderen herhaaldelijk met den Heer Wijnreb in contact. De registratie of beter het buro dat zich ermee bezich hield de offers voor de transporten zamen te stellen wist haar offers vaak in het weeshuis te zoeken. Dikwijls betrof het een aantal van 20 of 30 kinderen die plotseling op ‘transport’ gesteld waren. Met inspanning van al ons kracht en inschakeling van alle relaties buiten en binnen het kamp, probeerden wij de kinderen te redden. Ik wil hier niet uiteenzetten met welke moeilijkheden en tegenwerkingen wij toen tekampen hadden Het was erg, heel erg! Maar ik wil het ook niet verzwijgen dat de Heer Wijnreb ons in een moment van hoge nood o schitterende manier geholpen heeft. Jammer genoeg is mijn geheele karthoteek met alle belangrijke aantekeningen in Bergen Belzen verloren gegaan. Maar ik vergeet het nooit hoe toen door medewerking van den Heer W. een heele groep van op transport gestelde kinderen van de transportlijst geschrapt werden en dus toen niet op transport moesten Bij al mijn besprekingen met den Heer Wijnreb had ik de indruk met een man te maken te hebben met de beste bedoelingen en met het streven te helpen. Hij was opvallend beschijden en eenvoudig, en het is haast niet voor te stellen, dat deze zachte, stille, ernstige man ooit met opzet verkeerd zou handelen. Wanneer u mij nodig hebt wil ik mijn best doen en voor U goed doel mee te werken en ik hoop en wens van al mijn hart, dat de heer Wijnreb niet allein spoedig vrij zal komen maar ook volkomen rehabilitiert zal worden.’

 

THEMANUMMER: STER DER SCHANDE

 

Illustratie Joep Bertrams

Dit verhaal is onderdeel van een themanummer van De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht & burgerschap ter herdenking van de invoering van de Jodenster in Nederland, op 2 mei 1942.Een themanummer over ambtelijke collaboratie, Joods verzet en koninklijke schuld. Met daarin ook de vaste column van Gerard Aalders: hij gaat in op de vierendertig praatjes voor Radio Oranje die Wilhelmina in 40-45 heeft gehouden. ‘Daarin heeft ze het concreet slechts driemaal over de Jodenvervolging gehad en dan ook nog terloops. Ook verder toonde ze zich nauwelijks in hun lot geïnteresseerd’. De vlucht van Wilhelmina in mei 1940 was niet alleen in strijd met de Grondwet, ze was ook een geschenk uit de hemel voor de Duitse troepen. Anders dan de vorstin later wilde doen geloven, was haar vertrek tot in de puntjes voorbereid. Feit is dat Wilhelmina’s inbreng inderdaad erg bleekjes afstak tegen die van collega-monarchen, zoals de Deense koning Christian X.  Deze mocht dan wel niet op zijn paard door Kopenhagen rondrijden met een Jodenster op zijn uniform, zoals een populaire mythe wil, hij noteerde wel in zijn dagboek: ‘Als je de onmenselijke behandeling van de Joden ziet, niet alleen in Duitsland maar ook in de bezette landen, begin je je zorgen te maken dat die eis ook ons wordt opgelegd, maar we moeten dit krachtig afwijzen op grond van de bescherming die zij genieten onder de Deense Grondwet. Ik heb verklaard dat ik niet zou instemmen met een dergelijke behandeling van Deense burgers. Als dat toch wordt geëist, zouden we er het beste aan doen allemaal een Davidster te dragen.’

Nederland heeft consciëntieuze, ijverige, zorgvuldige ambtenaren die consciëntieus, ijverig en zorgvuldig hun taken vervullen. Dat deden ze ook vroeger al, voor 10 mei 1940, en ook na die datum, toen daar in opdracht van de Duitse bezetter nieuwe taken bijkwamen, zoals het registreren van Joden. Maurits van den Toorn schrijft over de dunne lijn tussen ‘accomodatie’ en collaboratie. Verzet vanuit de ambtenarij was spaarzaam. ‘Ook het latere opstellen van adressenlijsten van Joden, als voorbereiding op de deportatie, stuitte niet op groot protest of verzet; slechts één burgemeester weigerde medewerking en werd ontslagen. SG Frederiks, eindverantwoordelijke voor de bevolkingsregisters, liet niet van zich horen. Hij protesteerde vervolgens wél toen de Duitsers enkele maanden later alle niet-Joodse mannen wilden registreren voor de Arbeitseinsatz. Er was duidelijk verschil tussen Joodse en ‘gewone’ Nederlanders. Het beeld is niet anders bij de politie waar het vuile werk werd opgeknapt: Joden ophalen, bij razzia’s oppakken, bewaken en begeleiden naar Westerbork of Vught. Confronterender werk dan achter een bureau in de anonimiteit adreslijsten opstellen, maar desondanks werk dat de grote meerderheid van de politiemensen bleef uitvoeren. Een Amsterdamse rechercheur verklaarde na de oorlog: ‘Aan de Jodenarrestaties heeft 90 procent van de Amsterdamse politie meegedaan. De cellen hebben dag en nacht vol met Joden gezeten zodat er voor criminele gevangenen geen plaats was. Voor zware misdadigers heb iksoms geen arrestantenwagen kunnen krijgen, maar wanneer er Joden gereden moesten worden, werd er niet gesaboteerd, maar stond de wagen klaar.’

Paul Damen over het meest bekende, defamerende merkteken voor een heel volk: de gele, zeshoekige Jodenster met daarin ten overvloede het woord ‘Jood’. Hoe een nauwelijks bekend embleem een brandmerk werd. ’s middags op 29 april 1942 werd de Joodse Raad van de invoering op de hoogte gesteld, terwijl vrijwel tegelijk de avondkranten al meldden datdie verplicht was. Waarop die Joodse Raad binnen vijf dagen welgeteld 569.355 Jodensterren moest verspreiden. ‘Iedere Jood moest verplicht vier sterren afnemen, voor vier cent per stuk waarmee de Joodse Raad weer nieuwe sterren kon fabriceren, plus een ‘textielpunt’. Wie de ster niet droeg, kreeg zes maanden cel of een boete van hoogstens duizend gulden. Dat viel dan wel mee, denkt u, maar nee: die straf was hoog genoeg om meteen naar het oostenafgevoerd te worden, in de praktijk dus een doodvonnis. De ster moest ook zichtbaar op borsthoogte aan jas, jurk of trui worden vastgenaaid. Maar hoe wisten die Duitsers dan dat een niet-drager niet ook een Jood was? Er moeten enkele duizenden Nederlandse Joden geweest zijn die het risico namen en weigerden met een ster te lopen.’

In een interview herinnert de 88-jarige oud-politica van D66 Anneke Goudsmit zich de dag dat ze haar Jodenster afdeed en in het Amsterdamse Amstelkanaal gooide. ‘Het was 23 juni 1943. Ik was 9 jaar oud en liep samen met mijn broer en de vrouw bij wie we zouden onderduiken in Amsterdam richting het onderduikadres aan de Koninginneweg. We mochten onderduiken in de woning van het jonge echtpaar. Mijn vader had die mensen via een collega bereid gevonden. We konden niet samen met onze ouders onderduiken, dat werd te gevaarlijk geacht, vandaar dat onze onderduikmoeder ons naar het huis begeleidde. Bij de Jan van Goyenkade zei onze nieuwe tante dat we onze sterren nu wel mochten afdoen. Ik zie het ding nog in het kanaal dwarrelen en in het water wegdrijven. Ik kan me nog goed herinneren hoe trots ik toen was. Het voelde als een bevrijding, alsof ik de controle over mijn eigen leven terugkreeg.’Ze blikt ook terug op haar aanvaringen met minister Van Agt over de voorgenomen vrijlating van de ‘Drie van Breda’.

De opvatting dat de Nederlandse Joden zich in ‘40-‘45 als lammeren naar de slachtbank lieten voeren berust op gebrekkig historisch inzicht. In werkelijkheid was er sprake van fel verzet. Historicus Ben Braber over de slag tussen Joodse knokploegen en de nazi’s in Amsterdam anno februari 1941. ‘Het verzet van Joden nam veel vormen aan. Ze getuigden van hun geloof of cultuur. Ze lieten zich niet terroriseren. Ze vochten terug. Ze protesteerden. Ze schreven voor illegale bladen en hielpen die te verspreiden, vaak met groot risico voor eigen veiligheid. Ze onttrokken zich aan de deportatie. Bijna 30.000 Joden doken onder, ondanks de Duitse overmacht, de collaboratie van overheidsinstanties, algemene organisaties en individuen, en de onverschilligheid of het gebrek aan betrokkenheid die bij niet-Joden overheersten. Ze zetten organisaties op om elkaar bij te staan. Ze hielpen opgepakte Joden ontsnappen uit deportatietreinen en concentratiekampen. Ze probeerden de deportatie te ontregelen metbrandbommen en aanslagen. Ze vormden of sloten zich aan bij niet-Joodse verzetsgroepen– een relatief groot aantal deed dat in vergelijking met niet-Joden. Joden behoorden ook tot de voortrekkers van gewapend verzet.’

Historicus Thomas von der Dunk over de vervalste pas die zijn overgrootmoeder het leven redde en andere vormen van verzet van zijn familie.

Sinds 2020 spelden demonstranten tegen het corona-beleid een Jodenster op om hun ongenoegen over de regeringsmaatregelen kenbaar te maken. Het is geen exclusief Nederlands fenomeen, ook in andere landen gebruiken sommige anti-vaxxers de gele davidster. Bart Gruson wilde weten wat hen beweegt.

Door het Konzentrationslager-syndroom (KZ-syndroom) te scharen onder het koepelbegrip ‘post-traumatische stressstoornis’ (PTSS) ging de psychiatrie in de loop der decennia over tot bagatellisering van de Shoah, stelt medisch historicus Leo van Bergen.

Ries Roowaan schrijft over de Jodenstger die Harry Mulisch prominent op zijn werkkamer had hangen. Die was van zijn moeder Alice geweest, een medewerkster van de Joodse Raad. Zijn vader Kurt Mulisch werd in 1941 directeur personeelszaken van Lippmann, Rosenthal & Co, beter bekend als de Liro-bank of ook wel de Duitse roofbank, waar de Joden hun bezittingen moesten onderbrengen. Alice dreigde in het voorjaar van 1944 op transport te worden gesteld, maar Mulisch vader wist  haar vrij te praten bij de Duitse autoriteiten. Kurts achtergrond en vooral zijn betrekking bij de roofbank redde het leven van Alice, zoals het ook Harry bescherming bood: ‘Mijn moeder en ik moeten hem allebei dankbaar zijn dat hij fout was’, schreef Mulisch over zijn vader.

Paul Damen staat stil bij de pijnlijke affaire rond het cold case-team dat een Joodse notaris beschuldigde van het verraad van Anne Frank. ‘Ja, Anne Frank, een Joodse heilige. Alles wat haar omringt is heilig, zelf het ultieme slachtoffer. En dus lucratief, meende uitgeverij Ambo Anthos met haar beoogde bestseller Het Verraad van Anne Frank. Het liep even anders.’

De enige vrouw die na de oorlog in Nederland werd geëxecuteerd vanwege samenwerking met de Duitsers was de Joodse Ans van Dijk. Haar verklaring dat ze puur uit doodsangst voor de Sicherheitsdienst had gehandeld werd door haar rechters niet geloofd. Haar eveneens Joodse partner-in-crime Branca Simons bracht het er wel levend vanaf. Historicus Paul van de Water beschreef hun levens in het deze maand verschenen boek Foute Vrouwen.

René van Rooij schreef een boek over het huwelijk van zijn ouders op 4 november 1942 in Utrecht. Het was tot 1945 het laatste Joodse huwelijk in Nederland dat in een synagoge werd gesloten.

Naast de Jodenster deelden de nazi’s driehoeken uit aan andere ongewenste minderheidsgroepen. De Roma en Sinti kregen een zwarte driehoek. Van hen werden tijdens de Tweede Wereldoorlog naar schatting 1,5 miljoen vermoord. Nog altijd gelden zij in Europa als de zondebok. Els de Groen zette zich als EU-parlementariër intensief voor hen in.

Verder in dit nummer: Roel van Duijn roept de EU op de smeekbede van de Oekraïense president Zelensky voor een versneld lidmaatschap van zijn land te honoreren, historicus Jan Postma over de inschattingsfout van oud-patriotten die leide tot de vestiging van de Oranje-monarchie,  columns van Henk Westbroek en Floris Müller en de Appeltjes van Oranje over de Joodse anarchist Alexander Cohen en het moordmysterie rond ‘Koning Gorilla’.

Mis geen enkele editie meer van dit unieke kwartaalblad en neem een abonnement.

 

 

Inhoud maart-editie 2022: Nelleke Noordvervliet over de terugkeer van de republiek

/

In de nieuwe editie van De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht & burgerschap, een interview met schrijfster Nelleke Noordervliet naar aanleiding van haar Hans van den Bergh-lezing op 18 maart 2022 in Utrecht.

Ze kon haar oren niet geloven toen ze de koning op tv aan het woord zag over zijn besluit de Gouden Koets ‘voorlopig’ op stal te houden, ‘ totdat het Nederlandse volk er weer aan toe is’. Ze vertelt: ‘Het eerste wat ik me afvroeg: is dit aandoenlijke verhaaltje echt door een professionele speechschrijver in elkaar gezet? Het kwam allemaal zo onbeholpen op me over. De enige manier dat het nog gewerkt had kunnen hebben, was als hij het met vette ironie had gebracht, een beetje in de stijl van Koning Willy op Lucky-tv. Maar ja, daar was het weer het podium niet voor.’

Ook inhoudelijk kon de schrijfster, die in haar werk veelvuldig aandacht besteedt aan het Nederlandse koloniale tijdperk (ook in haar nieuwste roman Wij kunnen dat spelen de ‘politionele acties ‘ in Indonesië een rol) weinig met de koninklijke speech. ‘Het is natuurlijk een waanidee dat die koets met zijn beladen koloniale geschiedenis en die treurige plaatjes op de zijkant ooit nog met goed fatsoen de straat op kan. Het is goed dat dat ding nu in een museum staat en dat moet vooral zo blijven.’ Ook de politieke polarisatie in het kielzog van de pandemie en de rehabilitatie van door haar diep bewonderde Menno ter Braak komen aan de orde.

Verder in dit nummer: Roel van Duijn over de maskers van Vladimir Poetin en diens erkenning met de fake-republiekjes Donjetzk en Loehansk als opmaat naar de Russische inval in Oekraïne. ‘Misplaatste empathie met Poetin kan ons nog lelijk opbreken.’

Veel aandacht voor de Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië, in het spoor van de recente publicatie van het officiële onderzoek van NIOD c.s. Over de Grens en het boek De Indische Doofpot van Mauric Swirc. De excuses van premier Rutte aan  Indonesië zouden een gepast vervolg krijgen als Willem-Alexander daar verontschuldigingen aan  vastknoopt voor het door de Indonesiërs nog zo immer innig gehate ‘Cultuurstelsel’. Die systematische uitbuiting was uiteindelijk exclusief de verantwoordelijkheid van diens soevereine voorvaderen Willem I en Willem II. Daarnaast vergt het door Maurice Swirc gememoreerde  voorstel van Prins Bernhard in 1946 om gedetineerde Nederlandse SS’ers in te zetten tegen de Indonesische vrijheidsstrijders beslist nader onderzoek.

Columnist Gerard Aalders vraagt zich af waarom Willem-Alexander nog steeds wegkomt met het koloniale verleden van de Oranjes. ‘Ruim 500.000 mensen werden gedood in de tijd dat Nederland een Oranje als staatshoofd had. De Belgen, wier koning Leopold II zich in de Congo tussen 1880 en 1910 misdadig misdroeg, hebben zich wél rekenschap gegeven van die periode. Willem-Alexander echter gaat schaamteloos voorbij aan zijn eigen achtergrond en geschiedenis.’

Na de ‘diepe excuses’ van premier Rutte aan Indonesië voor het gebruikte geweld tijdens de politionele acties is het tijd dat Nederland zich zelf eens aan de invordering van oude historische schulden zet, aldus Thomas von der Dunk. Ten behoeve van het ministerie van Buitenlandse Zaken maakt de historicus de balans op, en hij geeft vooral een claim tegen Italië op grond van het optreden van de Romeinen tegen de Batavieren een goede kans.

Ex-PvdA-senator Joop van den Berg reageert op het voorstel van premier Rutte voor een comeback van de koning aan de formatietafel. ‘Niemand kan mij het positieve effect van ’s konings optreden uitleggen.’

Ricus van der Kwast maakt de balans op van de schade van twee lange zware pandemiejaren, zowel op het gebied van gezondheid, internationale veiligheid als bestuurlijk. ‘Door vast te houden aan een vals idee van vrijheid en inspraak laten we ons juist opsluiten in hokjes, verliezen we onze individualiteit en zetten we onze democratie op het spel.’

Een debat over een kuur tegen het populisme: inperking van het kiesrecht door middel van een test in elementair burgerschap kan een kuur zijn tegen de snelle erosie van het democratisch draagvlak, betoogt socioloog Johan Oud. Redacteur Maurits van den Toorn van De Republikein deelt de zorg van Johan Oud,  maar stelt dat het voorgeschreven middel van het kiesexamen zijn eigen gevarenzones kent.

In de rubriek ‘Van het republikeins front’ aandacht voor het republikeinse vuur dat in het 70ste jubileumjaar van Elizabeth II opflakkert in het Verenigd Koninkrijk, Australië en andere landen binnen de Britse Gemenebest die nog steeds met de Queen zijn opgezadeld. De Britse publiciste Polly Toynbee gaat ervan uit dat de Britse monarchie deze eeuw niet meer haalt: ‘De steun voor dit disfunctionele stuk antiek neemt met iedere generatie verder af en is fragiel geworden.’

Met zijn ontkenning van de zware mensenrechtenschendingen in China tegen de Oeigoerse minderheid heeft hoogleraar Tom Zwart van het Cross Cultural Human Rights Centre van de Vrije Universiteit zich als onafhankelijk wetenschapper gediskwalificeerd, meent publicist Rolf Wennekes. ‘Wat een ontwaarding van de titel hoogleraar‘.

Raymond van den Boogaard bekeek de nieuwe superproductie waarmee het Duitse RTL de Sisi-cultus uit de jaren vijftig met Romy Schneider nieuw leven inblaast. Het sentimentele fondant van weleer maakt plaats voor uitbundige seks, maar voor het overige blijft het sprookje intact, constateert hij. ‘Wat dat betreft conformeert ook de nieuwe Sisi zich dus aan de historische leugen die achter elke monarchie steekt: die van een buiten tijd en plaats staand instituut van een hogere orde. Iets ‘bij de gratie Gods’, om eens een middeleeuwse formulering te citeren, waaraan het volk zich – aan de kant van de weg of voor het tv-scherm – mag vergapen.’

De nabestaanden van de veelgelauwerde historicus Hermann von der Dunk kregen na diens overlijden een brief van de Kanselarij van de Nederlandse Orden: of het verleende eremetaal in de Orde van de Nederlandse Leeuw subiet kon worden geretourneerd. Alternatief was de betaling van een borgsom.  Reden voor zoon Thomas von der Dunk zich nader te verdiepen in de prijskaartjes die aan de diverse koninklijke onderscheidingen hangen: ‘Het goedkoopst was de eremedaille van de Orde van Oranje-Nassau, voor 46 euro had je die. Althans de versie in zilver, voor de gouden kwamen er nog twaalf euro boven op. Het duurste bleek het Ridder Grootkruis in de Orde van de Nederlandse Leeuw: 3384 euro droog aan de haak. Daar konden we niet aan tippen, die was vast alleen voor zeer kapitaalkrachtige personen. Het Ridderschap bleek zonder dat grootkruis metallurgisch in elk geval nog geen vijfde daarvan waard. Voor welgeteld 590 euro mochten we de “onze” houden.’

Dichter Manuel Kneepkens herkent in mede-Limburger Geert Wilders veel van de traditionele ‘buuttereedner’ tijdens het carnaval in hun provincie van herkomst. Maar daarbij maskeert de geboren Venloër de traditionele Limburgse gemoedelijkheid met een haast calvinistisch-Hollands fanatisme.

Aandacht voor de eerste aflevering van Dissident, het blad van de jongerenafdeling van Baudet’s Forum voor Democratie, waar de allerzwartste reactie gepaard gaat aan ‘seks met veel geluid en veel orgasmes’, conform de wensen van de partijleider in een groot interview.  ‘Dat wordt oordopjes mee bij het komende zomerkamp van de JFvD.’

De Duitse havenstad Lübeck was tijdens het keizerrijk van Wilhelm I en Wilhelm II een zelfstandige republiek. Wellicht een nastrevenswaardig voorbeeld voor ‘de republiek Amsterdam’? De Duitse historicus Michael Hund laat zien hoe de trotse Lübeckers zelfs niet bezweken voor de grootheidswaan van Kaiser Wilhelm II.

Maurits van den Toorn bespreekt de biografie De Zwijger, het leven van Willem van Oranje door René van Stipriaan.  ‘Van Stipriaan portretteert een man die vooral op sleep wordt genomen door de gebeurtenissen om hem heen en die als reactie daarop aanvankelijk schromelijk boven zijn macht grijpt.’

Roel van Duijn las de autobiografie van GroenLinks-politicus Alexander de Roo, sleutelfiguur in de Europese vergroening. Het boek laat zich lezen als ‘een geschiedenis van de groene partijvorming in de wereld’ .

In de serie ‘Appeltjes van Oranje’ aandacht voor de betrokkenheid van Prins Bernhard en Philips bij een geheim atoomproject in het Argentinië van dictator Juan Perón, uitgevoerd door de Oostentijkse kerngeleerde Ronald Richter, die eerder was betrokken bij pogingen om Hitler aan een atoombom te helpen.

Verder columns van Henk Westbroek over de geschrapte passages in de Amalia-biografie van Claudia de Breij, Manuel Kneepkens over de wenselijkheid van een Groene Koets,  Simpliccisimus over nepotisme in de Raad van State en Republiek-voorzitter Floris Müller over de Rijksvoorlichtingsdienst als verlengstuk van monarchale marketing. Natuurlijk ook de vaste Blik van Joep Bertrams.

 

Mis geen nummer meer van dit unieke kwartaaltijdschrift en neem een abonnement via deze link.

De Republikein nr 4 2021: Afscheid van de Gouden Koets & Protest op het Loo

/
Heden is verschenen de nieuwe editie van De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht & burgerschap. De gerenommeerde jurist-republikein Ulli Jessurun d’ Oliveira ontvouwt zijn exit-strategie voor Amalia en haar zusjes. Volgens hem moeten ouders die hun kinderen klaarstomen voor het koningschap als enige beroepsoptie eigenijk uit de ouderlijke macht worden ontzet. Hij biedt de kroonprinses en de rest van de ‘Triple A’ een sierlijke juridische uitweg uit hun gouden kooi. Ze hoeven enkel te opteren voor de Argentijnse nationaliteit. Verder een gesprek met historicus Stephan Malinowski over de nieuwe ‘Historikerstreit’ in Duitsland om de restitutie-eisen van het Huis Hohenzollern, de collaboratie van het ex-koningsgeslacht met de nazi’s en de juridische klopjacht die het hoofd van het Huis tegen hem en collega’s voert als zij dat verleden oprakelen. ‘Hohenzollern heeft met zijn claims een Doos van Pandorra geopend.’ Jack Jan Wirken over het koloniale trauma in het klatergoud van de Gouden Koets. Aangaande de eindbestemming van het rijtuig is nu een advies aan koning en premier ingediend. Nooit meer gebruiken op Prinsjesdag en opbergen in een museum. Schril blijft het dat de dankbare ‘huldebrengers’ uit de overzeese gebiedsdelen die op de koets staan afgebeeld indertijd met één pennenstreek van hun Nederlandse nationaliteit werden beroofd. Schrijfster en ex-europarlementariër Els de Groen begaf zich tussen de demonstranten op kroondomein Het Loo , die hun ijver zagen beloond met een forse bekeuring van twijfelachtig karakter. Zij vraagt zich af hoe groot de ecologische footprint van Willem-Alexander is: zeker is die ‘king size’. Columnist Gerard Aalders reflecteert op het jongste staatsbezoek aan Noorwegen: ‘Voor vrouwen die nog meer hebben gezopen en gesnoven dan Mette-Marit, is zij een symbool van hoop’. Maurits van den Toorn onderzoekt de waarachtigheid van de steeds meer gecultiveerde inzet van burgerschap als smeerolie van een vastgelopen politiek systeem. ‘Burgerinitiatieven worden vooral omhelsd als ze aansluiten bij de wensen van de gemeente.’ René Zwaap over het drama van Walter Winchell, de razende reporter die de strijd aanbond met America First, de beweging die voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog aandrong op een aparte vrede tussen de VS en nazi-Duitsland en zelf ook fascistische elementen had. Zijn hechte band met FBI-chef J. Edgar Hoover grensde aan het onbetamelijke en kostte mogelijk het leven aan Winchells enige zoon. In Philip Roth’s distopische succesroman The Plot Against America, over een fascistische machtsovername in de VS anno 1940, speelt Walter Winchell echter niet voor niets een heldenrol. Adel-kenner Titus von Bönninghausen over de DNA-salon in Paleis Huis ten Bosch en het genealogische gehossel van het koninklijk paar. Naar de letter van het adelwezen is alles aan de koninklijke titelatuur fictie, en ook de Baskische roots van het huis van Zorreguieta komen neer op verzinsels, blijkt bij het doorvlooien van de beide stambomen. Provo-oprichter Roel van Duijn kreeg Thierry Baudet aan de lijn over zijn kritiek op de complottheorieën waarin de FvD-leider grossiert en besloot tot een weerwoord in boekvorm. Onze Rotterdamse huisdichter Manuel Kneepkens krijgt uitgeversadvies voor een Houellebecq-roman op z’n Hollands: over een polderrepubliek met een ‘shariah light’. Onder professoren in coronatijd: Ricus van der Kwast over de Belgische ‘geluksprofessor’ Lieven Annemans, met zijn feitenvrije wetenschap een van de favoriete geleerden in de kringen van Willem Engel’s Viruswaanzin (in tegenstelling tot Annemans ultieme tegenvoeter Marc van Ranst), en Sjoerd de Jong presenteert een nieuw avontuur van ‘complotprofessor’ Karel, die voor de rechtbank op zoek gaat naar de chip in het hoofd van de koning. In de kelder van het Darwin-museum in Moskou deed kunstenaar Fredie Beckmans een curieuze ontdekking. Aldaar rust, opgezet en al, de laatste hond van Stalin. Jachthond Milka was een geschenk van koningin Wilhelmina. Gastcolumniste Daniela Hooghiemstra voorziet een toekomstige machtgreep van het Huis van de Oranje Postcodeloterij. Henk Westbroek verklaart nu ook de jacht op het volk voor geopend op de Kroondomeinen en Republiek-voorzitter Floris Müller kapittelt ANP-hoofdredacteur Freek Staps om diens gebrek aan verzet tegen de Mediacode. Classicus Anton van Hooff beschrijft de 16e eeuwse renaissance van de tirannenmoord en vergelijkt deze met de motivatie van de latere anarchistische koningsmoordenaars en jihadisten. Boekrecensies van Het Brusselse moeras. Achter de schermen van de macht in Europa van Tijn Sadée en Bert van Slooten en Friso; het tragische leven van Johan Willem Friso door Ronald de Graaf . En natuurlijk De Blik van Joep Bertrams.

Operatie Máxima: de Teloorgang van een Biografe

Met een kritiekloze biografie van de hand van Marcia Luyten en een aansluitend stukje schuifdeurentoneel in interviewvorm met Matthijs van Nieuwkerk op de publieke tv werd breed uitgepakt voor de 50ste verjaardag van Máxima. Onwelgevallige passages in haar levensloop werden zorgvuldig weggeretoucheerd.

Tekst René Zwaap

 

In Moederland, het eerste deel van haar tweedelige biografie van Máxima Zorreguieta, begint Marcia Luyten met de mededeling dat ze het aanbod van haar uitgever om zich aan dit werk te zetten aanvankelijk had afgewezen. ’Ik had daar geen belangstelling voor’, aldus de ervaren reporter, verbonden aan onder meer De Volkskrant, RTL en Buitenhof. ‘Nooit had ik mij met een koningshuis beziggehouden. Geen plakboeken aangelegd of koekblikken verzameld. Nooit roddelbladen gekocht om over de Oranjes te lezen. En wat het zwaarst woog: ik zag mijzelf niet met een schrijfblokje in de struiken van een paleistuin liggen. Want als de Oranjes één ding duidelijk maken, is het dit: hun privacy is heilig. Zonder toegang tot primaire bronnen is zo’n boek niet te schrijven. Dus bedankte ik voor de eer’.

Na lezing van de biografie kan je alleen maar verzuchten dat Luyten er beter aan had gedaan het bij die eerste ingeving te houden. Maar ze liet zich toch ompraten. Met betreurenswaardig gevolg. Want ‘Moederland’ is als biografie een monument van journalistiek onvermogen, een poesiealbum geschreven door een bakvis op gevorderde leeftijd, gespeend van ieder kritisch vermogen voor de door haar geportretteerde figuur. Haar boek doet met al haar luchtige invoelende gekwebbel nog het meest denken aan een nagekomen aflevering van de Joop ter Heul-serie van Cissy van Marxveldt, de avonturen van een opgewekte secretaresse, een soort chick lit uit de monarchale stal.

Lijntje met paleis

Het onheil, zo kunnen we opmaken uit het voorwoord van Moederland, dient op het conto van haar uitgever te worden geschreven. Deze had kennelijk een lijntje lopen met het paleis. Luyten meldt over dier inbreng: ‘Wat als we kunnen praten met mensen om de koningin heen? Stel dat koningshuis ruimte laat voor een zo goed en correct mogelijke weergave van Máxima’s leven? Er was wel een kroonjaar in aantocht’. Een klein halfjaar later, aldus nog steeds Luyten, liet de Rijksvoorlichtingsdienst weten dat er ‘geen bezwaar was tegen het voorgestelde boek’. Luyten: ‘Ik zou familie, studiegenoten en oud-collega’s kunnen interviewen, als die daar zelf voor voelden’. Met andere woorden, op voorspraak van het hof kreeg Luyten exclusief toegang tot de intieme kring van Máxima in Argentinië. De biografe legt uit: ‘Het boek werd begrensd door twee afspraken. Als schrijver ben ik onafhankelijk, vrij om te praten met wie ik wil. En het boek wordt niet geautoriseerd. Daaruit volgde dat ik geen toegang had tot leden van het Koninklijk Huis, aangezien die onder ministeriële verantwoordelijkheid staan, en dan is autorisatie onvermijdelijk. Het hof en de RVD hebben het manuscript vooraf niet ingezien’.

Afstandsbediening

Dat inzien was ook helemaal niet nodig, want met het getroffen arrangement kreeg het hof het arbeidsproces van de biografe met afstandsbediening in handen. Hoezeer zoiets kan wringen blijkt als Luyten komt met de curieuze mededeling dat het notenapparaat van haar boek wat betreft de gesprekken die ze voerde ten behoeve van haar biografie niet openbaar is. ‘Alleen in een uitzonderlijk geval van onduidelijkheid kan het worden ingezien.’ Luyten: ‘Deze werkwijze stelde mij in staat te spreken met Máxima’s beste vrienden en familieleden’. Naar eigen zeggen interviewde Luyten voor haar door het Prins Bernhard Cultuur Fonds ondersteunde werk 132 personen, van wie 89 specifiek voor Moederland, maar wie wat zei blijft meestal anoniem, en als er wel citaten met bronvermelding worden opgevoerd, zijn die geheel vrijblijvend of nietszeggend. Er is werkelijk niet één vriendin of familielid die ook maar iets kritisch over Máxima te melden heeft.

Geen wonder ook: de voornaamste bronnen blijken Máxima’s vriendinnen uit haar studententijd met wie ze regelmatig reünies belegt op het buitenverblijf van haar schoonmoeder in Toscane en haar eigen strandpaleis op een Griekse schiereiland. Stuk voor stuk dames uit de Argentijnse upper ten die wel link zouden uitkijken hun meest succesvolle vriendin tegen de haren in te strijken. Op deze liefdevolle vleugels gedragen transformeert de biografe in een aspirant-buitenlid van de Zorreguieta-clan. Tekenend voor dit inkapselingsproces is dat Luyten op een gegeven moment niet meer spreekt van Jorge Zorreguieta, maar de vader van Máxima steevast opvoert onder zijn bijnaam in intieme kring ‘Coqui’ (spreek uit ‘Kokkie’). Daarmee verkrijgt wijlen de mastodont van een gruwelijk regime op totalitaire grondslag ineens een hoog aaibaarheidsgehalte. Hetgeen wordt versterkt door sentimentele uitschieters die in Luytens vertelling over het familieleven van de Zorreguieta’s opduiken: ‘Even later stak Coqui zijn hoofd om de slaapkamerdeur. Hij keek stilletjes naar zijn kinderen, diep in slaap’.

Ten aanzien van de jaren van de junta en de rol van pa Zorreguieta daarin doet Luyten een spagaat. Enerzijds bespaart ze niet op beschrijvingen van de gruwelen zoals begaan door het militaire regime, maar zodra er een verbinding moet worden gelegd tussen die gruwelen en de vader van haar hoofdfiguur, neemt Luyten haar toevlucht tot vreemde constructies. In plaats van dat pa Zorreguieta – nota bene mede-auteur van de grondwet in wier naam de junta haar tegenstanders gedrogeerd uit vliegtuigen de oceaan in dumpte – wordt geschilderd als onderdeel van dat bloeddorstige apparaat, transformeert hij in Luytens narratief vooral in iemand die zelf vervolgd werd. En een antifascist bovendien, want Luyten gaat ver mee in de het bij leven door Jorge Zorreguieta uitgedragen imagomanagement – exclusief gericht op het Nederlandse publiek – dat dictator Juan Perón ‘een waarachtige fascist’ was en hij als diens tegenstander derhalve aan de goede zijde moet worden geschaard.

Nu blijkt uit Zorreguieta’s politieke cv helemaal niets van een antifascistische gezindheid. De junta die hij met alle overtuiging steunde was in woord en daad zwaar aan het nazisme schatplichtig, inclusief een sterke antisemitische component. Het enige dat hem niet aan Perón zal zijn bevallen, was diens populistische mobilisatie van de ‘decamisados’, de ‘hemdlozen’, de onderliggende klassen van Argentinië, die in de visie van de politieke school die Zorreguieta aanhing juist met de knoet eronder moesten worden gehouden. Daarnaast was Perón voorstander van onteigeningen van Argentijnse grootgrondbezitters, de klasse die Zorreguieta juist altijd met verve heeft vertegenwoordigd en tot wier gelederen zijn dochter dankzij haar sprookjeshuwelijk inmiddels ook heeft kunnen toetreden.

In Luytens vertelling treffen we Zorreguieta vooral als slachtoffer, niet als dader. Als de peronisten op 25 mei 1973 de verkiezingen winnen, trekken zij in lynchstemming naar het hoofdkantoor van de Sociedad Rural de Argentina (SRA), de koepelorganisatie van de almachtige landbouwsector waar Zorreguieta een topfunctie heeft, om af te rekenen met de ‘hoerenzonen’ van de landbouwelitie. Uit angst voor een aanslag wordt het personeel naar huis gestuurd. Luyten: ‘Eén persoon weigert te vertrekken. Jorge Zorreguieta stond erop te blijven. Hoewel thuis zijn vrouw met een baby en een peuter zat, besloot hij de nacht door te brengen in het kantoor van de SRA. Zorreguieta koos ervoor zijn leven te riskeren om te getuigen van zijn loyaliteit’. En als de lezer nu nog niet overtuigd is van de heroïeke contouren van deze figuur, volgt drie jaar later deze beschrijving van zijn benoeming tot minister van Landbouw:  ‘Op de dag dat Jorge Zorreguieta werd beëdigd op het ministerie van Landbouw was voor Calle Parrere 121 een politieagent neergezet. Hun voordeur in het appartementencomplex had een stalen pantser gekregen. Wanneer Zorreguieta thuis was, waren er twee of drie agenten in het gebouw. De beveiliging was dan wel in burger, buren waren bang dat juist de bewaking hun flat doelwit van aanslagen zou maken. Maar Maxi en Martín [Máxima’s broer Martín – rz] wisten niet beter.’

Vooral Máxima’s moeder had er zwaar onder te lijden, weet Luyten. ‘Van haar stoere opgewektheid was niet veel meer over. De functie van haar man had haar gezin in de voorste linie van de strijd met de guerilla gebracht. Ze waren nu een eerste klas doelwit. Coqui drukte zijn vrouw op het hart elke dag een andere route te kiezen. Ook Maxi en Martín kregen van papa steeds weer die les: neem nooit twee keer dezelfde weg.’ Pa Zorreguieta, zo lezen we, droeg onder zijn jasje steevast een Colt. 38 en bij iedere rit had hij een volgauto met vier bewapende beveiligers erin.

Ook Luyten kan er niet omheen dat Jorge Zorreguieta’s ontkenningen tijdens de jaren van zijn ministerschap ook maar iets geweten te hebben van de verdwijningen en de moorden als fabeltjes moeten worden gezien, maar op die pijnpunten toont ze zich telkens uiterst kortaf en discreet. Ze omschrijft Máxima’s vader als ‘moreel lenig’ , maar tot een afdoend waardeoordeel wil het maar niet komen. Erger nog, plots duikt in de vertelling dit zinnetje op: ‘Het was een daad van patriottisme dat Máxima’s vader zich in die moeilijke tijd had hard gemaakt voor de export’. Daarin echoot precies die uitspraak waarmee Máxima zelf indertijd de controverse rondom haar vaders rol in de junta de wind uit de zeilen nam, namelijk dat  ze ‘spijt’ had dat haar vader ‘zijn best voor de Argentijnse landbouw heeft gedaan in de verkeerde tijd’. Beter was het geweest hier een citaat in te voegen van de Argentijnse historicus Miguel Bonasso: ‘Het is alsof een staatssecretaris van Hitler zegt: ik was technicus en had niks te maken met de vernietigingsovens in Auschwitz’.

 Daddy’s girl 

Luyten zegt het nooit met zoveel woorden, maar in alle beschrijvingen van de band tussen vader en dochter blijkt Máxima een uitgesproken ‘daddy’s girl’. ‘Ook Máxima verdraagt het slecht als ze haar zin niet krijgt’, aldus Luyten over de overeenkomsten tussen vader en dochter, maar daar lijkt het niet mee gedaan. Op 1 augustus 1980 bewondert Máxima haar vader de minister bij de opening van een grote landbouwtenstoonstelling. Staand in een zwarte limousine met open dak komt Jorge Zorreguieta zij aan zij met dictator Videla het stadion binnenrijden. Luyten zwijmelt van de ‘jongensachtige lange man in bruin pak, een filmster om te zien’. Wanneer de landbouwminister in het stadion een stier die het beste zaad heeft geboden een eervolle penning om de nek hangt, tekenen ‘zijn gemak en de jovialiteit jegens het beest de man van het land’. Invoelend peinst Luyten:  ‘In haar jonge jaren zal Máxima‘s verlangen naar betekenis nooit groter zijn geweest dan op die middag bij de Inauguración van de Exposición Rural im 1980. Net negen was ze, en ze zag haar vader als een Romeinse keizer in zijn open wagen stapvoets het stadion van Palermo binnenrijden. Haar vader stond voor een leven van invloed en eer’.

Invloed en eer. Daar biedt zich nu een mooi spoor voor een biografe om haar hoofpersonage te doorgronden. Legio zijn de aanwijzingen dat Máxima inderdaad haar leven wijdde aan het trouw volgen van het vaderlijke voorbeeld. Zo werd ze natuurlijk ook opgevoed.  Zo lezen we bij Luyten dat Máxima op last van haar ouders catechese liep bij padre Rafael Braun, die als hoofdredacteur van het ultrakatholieke periodiek Criterio een van de felste verdedigers van de junta was en later overigens ook de sleutelrol kreeg toebedeeld om als katholieke geestelijke het huwelijk van Máxima en Willem-Alexander in de Nieuwe Kerk op te luisteren met een gebed. Luyten schrijft: ‘Over de miltaire staatsterreur van tien jaar eerder is het vrijwel zeker nooit gegaan. Braun was een fel verdediger van de militaire regering, en alle jongeren in zijn catecheseclub kwamen uit welgestelde families. Hier deelde men een ander beeld van de recente geschiedenis, namelijk dat van een communistische guerilla die het op hun familie en levenswijze had voorzien, en van een groep militairen en burgers die hun patriottische plicht hadden gedaan. Dat duizenden mensen waren ontvoerd, gemarteld en gedood, was een gruwelijke fout. Dat had nooit mogen gebeuren. Maar erover spreken deden de jongeren niet. Thuis gebeurde dat ook nauwelijks. En al helemaal niet met de man die die politiek de zegen had gegeven’.

Deze passage zit vol met aannames die in hedendaags communicatiejargon als ‘framing’ worden aangeduid. Want waarom zou het daar in dat catechismusklasje ‘ vrijwel zeker’ nooit over de militaire staatsterreur zijn gegaan? Ligt het niet eerder voor de hand dat padre Braun zijn pupillen juist doordrong van de historische noodzakelijkheid van de eliminatie van het goddeloze rode gevaar met alle middelen? Hij was uiteindelijk een van de belangrijkste propagandisten van die harde lijn. En als de familie Zorreguieta daar moeite mee had, waarom zou padre Braun dan die eervolle rol bij het huwelijk van Máxima zijn vergeven? Was dat niet eerder een bevestiging dat zijn opvattingen ook door Máxima sterk werden geëerd? En uiteindelijk ook door haar Hollandse bruidegom? Uiteindelijk roemde Máxima padre Braun bij haar kennismakingsinterview met de  Nederlandse pers als een ‘vriend en een inspirerende man’.

Maar nee, ook Máxima was in de visie van Luyten een slachtoffer van de ‘ vuile oorlog’. Ze schrijft: ‘Het militaire regime was gevallen, de guerilla gevlucht, gedood of van zijn passie beroofd; voor het eerst kon Máxima onbekommerd over straat.’ 

 

Een heldin geboren

De eerste scène waarin Luyten haar hoofdfiguur in levenden lijve opvoert, zet de toon voor de rest van het boek. Máxima is studente economie en tijdens een les in het verplichte bijvak theologie van een aartsconservatieve priester die trouw aan de leer van Thomas van Aquino de natuurlijke ondergeschiktheid van de vrouw aan de man predikt, tekent zij protest aan: ‘Als het klopt wat u zegt, waarom zouden wij vrouwen dan naar de universiteit gaan?’ Padre Storni ontsteekt in woede over zoveel brutaliteit en verbant Máxima terstond uit het klaslokaal. Luyten schrijft: ‘Máxima pakt rustig haar spullen en loopt naar de deur. De kalmte is schijn. De verwijdering uit het college stelt haar voor een immens probleem. Theologie is een belangrijk vak. Zwaar, en verplicht bovendien. Zonder colleges heeft ze geen toegang tot het examen.’ Hier worden met één pennenstreek de contouren van een heldin geschetst. En zoals dat bij heldinnen betaamt, gaat dat aan tragiek gepaard. ‘Niet één van haar vrienden gaat staan. Niemand neemt het voor haar op. Door een vacuüm beweegt Máxima zich naar de uitgang’.

Soulmate

Vanaf dat moment staat dat de biografe pal naast haar heldin. Van kritische afstand kan en zal verder geen sprake meer zijn. Legio zijn de kleine karakterschetsen waarin Luyten als soulmate (ze voelt zich inderdaad verbonden met Máxima omdat zij ook econome is en ‘een werkende moeder met drie kinderen en dol op feestjes’, zoals ze in de biografe meldt) lijkt versmolten met haar hoofdfiguur: ‘Máxima is een groepsdier dat ook duidelijk haar eigen keuzes maakt. Iemand die ook duidelijk haar eigen keuzes kan maken. Iemand die ook haar eigen zaken kan regelen. Een goede vriendin noemt Máxima ‘’een buitengewone overlever’’. Zet een groep mensen op een onbewoond eiland en volgens haar is Máxima degene die oveleeft omdat ze bomen zou weten te kappen en een huis zou bouwen. Máxima is een fysiek sterke vrouw.’

En zo zwijmelt Luyten maar voort. Máxima was als scholier ‘ontzettend sterk en de beste in speerwerpen en kogelstoten’,‘het toonbeeld van beheersing’, haar motto was ‘geen half werk, optimaal voorbereiden’ – en dan is het eigenlijk een wonder dat Luyten geen toegang krijgt tot Máxima’s schoolrapporten. Als student economie met een voorliefde voor statistiek en wiskunde is Máxima ‘een erfgename van Florence Nightingale’, aldus Luyten. Ze citeert een naamloze vriendin: ‘Máxima leeft naar haar naam. Ze heeft een sterke drive het maximale uit haar leven te halen’. Ook roemt ze haar plooibaarheid. ‘Máxima vindt in verschillende werelden haar draai. Ze neemt de kleur van haar omgeving aan, op zo’n manier dat iedereen het vanzelfsprekend vindt dat zij er is […]De vanzelfsprekende wendbaarheid van Máxima Zorreguieta is deels talent en deels verworven, en van kapitale aard voor het rol in het Nederlandse koningshuis.’ Tevens is zij ‘een conquistadore, een nieuwsgierige avonturier, de vrouw die het hart van een man verovert. Een vrouw die vaak en graag wint’. Ruimte voor twijfel is er niet: Willem-Alexander heeft een Superwoman aan de haak geslagen.

 Het enthousiasme van de biografe voor haar hoofdpersoon begint al met haar conceptie. Het feit dat Máxima werd geboren uit een buitenechtelijke romance van haar vader met een secretaresse op de werkvloer van zijn kantoor pleit volgens Luyten met een verwijzing naar Leonardo da Vinci voor haar ingeboren goedheid: ‘De man die agressief en ongemakkelijk gemeenschap heeft, zal kinderen verwekken die lichtgeraakt en onbetrouwbaar zijn. Maar als de gemeenschap volstrokken wordt met veel liefde en begeerte, zal het kind erg verstandig zijn, slim, levendig,en lief.’ Luyten, die kennelijk getuigen heeft opgeduikeld van het bewuste liefdesspel, stelt vast: ‘Als Da Vinci gelijk heeft, was deze dochter van geboorte gezegend.’

Al snel blijkt de jonge Máxima gepredestineerd tot een bestaan in de Lage Landen. ‘In de winter is de pampa een stilleven in hard Hollands licht. Dan jakkert de wind en zakt een lucht als leisteen tot laag boven het bleke veld’, heet het vrij naar Jaques Brel’s Le Plat Pays in een beschrijving van het wekelijkse familietochtje van de Zorreguieta’s naar hun buitenverblijf in Pergamino, alwaar Máxima opgroeit in een pastorale idylle van de latifundo, compleet met gauchos en polowedstrijden.

Jantje van Leiden

Luyten wijdt in haar biografie graag uit over jurkjes, diëten, favoriete muziek en vriendjes, maar bij gevaarlijkere onderwerpen maakt ze zich er met een Jantje van Leiden vanaf. En dat gevaar dient zich al direct aan bij de eerste dienstbetrekking van Máxima, nog in de tijd dat zij studente is. Luyten schrijft: ‘De connecties van haar vader brachten haar binnen bij Mercado Abierto S.A. In 1986 was Zorreguieta bestuurslid geworden van de Banco Republica. Aan die bank was het handelshuis Mercado Abierto verbonden, dat handelde in buitenlandse valuta en in obligaties en aandelen. Volgens haar eigen CV deed Máxima er ‘’onderzoek naar op de financiële markt gerichte software’’. Het is niet duidelijk wat ze er precies deed: financiële software was er toen nog niet en het is niet waarschijnlijk dat een derdejaars economiestudent zou beslissen over de aanschaf of het ontwerp van nieuwe software. Het is mogelijk dat ze medewerkers hielp met het gebruik van computers. Toen in 1998 Mercado Abierto schuldig werd bevonden in de grootste witwasoperatie van drugsgelden in Argentinië, was Máxima er al vijf jaar weg. Het is ondenkbaar dat zij als jongste bediende die zich met computerprogramma’s bezighield, iets meekreeg van witwaspraktijken aan de top’.

En dat is werkelijk alles dat Luyten over deze episode kwijt wil. Terwijl er zoveel meer over valt te vertellen. Mercado Abierto is namelijk de publicitaire Achilleshiel van Máxima Zorreguieta. In hun in 2009 verschenen boek Máxima, de Argentijnse jaren gingen de Argentijnse journalisten Alvarez Guerrero en Soledad Ferrari ook in op de avonturen van Máxima bij de Mercado Abierto. Zij vonden een document van de Argentijnse arbeidsinspectie waaruit bleek dat Máxima niet van 1989 tot 1990 bij Mercado Abierto had gewerkt, zoals de Rijksvoorlichtingsdienst in het officiële cv van Maximá vermeldt, maar van 1991 tot 1993. Een futiel verschil op het eerste gezicht, ware het niet dat 1992 wordt genoemd als de start van het witwassen van geld via een spookbank van de Mercado Abierto-groep op de Kaaimaneilanden en de Citibank in New York. Dan was het wel zo handig dat Máxima dan niet meer aan deze criminele spookbank was verbonden. Maar daarvoor moest haar cv wel een beetje worden bewerkt.

Een Amerikaanse senaatscommissie onder leiding van de onlangs overleden democratische senator Carl Levin wijdde in 2000 een vuistdik rapport aan de beschuldigingen tegen Mercado Abierto. Het betrof een witwasoperatie waar ook vader Jorge Zorreguieta een belangrijke rol in speelde. Die was in de jaren negentig bestuurslid van de Banco República, die in handen was van de Argentijnse mediamagnaat Raul Moneta. Zowel de commissie-Levin als een Argentijnse parlementaire onderzoekscommissie onder leiding van politica Elisa Carrió wezen deze exclusieve handelsbank aan als witwasstation van onder meer het Juarez-drugskartel uit Mexico en als kanaal voor omkopingen in het Argentijnse bedrijfsleven. De bank werd ook in verband gebracht met illegale wapenleveranties aan onder meer Kroatië en Ecuador in de vroege jaren ‘90. De Banco República pompte in die jaren voor niet minder dan 10 miljard dollar van Buenos Aires via rekeningen van offshorebanken in op de Kaaimaneilanden, Bermuda en de Nederlandse Antillen, waarna het witgewassen en wel werd gestort op parallelle rekeningen van de cliënten bij de Amerikaanse Citibank.

De Banco República was een handelsbank met slechts één kantoor en stond bekend als een ‘Vip-bank’. De exclusieve clientèle telde de nodige leden van de gewezen Argentijnse junta. Zij konden via de bank hun geld witwassen dat ze hadden verdiend aan de privatisering van de Argentijnse staatsbedrijven, met name in de telecom. Het was een vorm van kapitaalvlucht die een belangrijke factor was in de Argentijnse pesocrisis, die het rijkste land van Zuid-Amerika rond 2000 aan de bedelstaf bracht.

Olifantenjacht

Jorge Zorreguieta kwam via zijn beschermheer José Martinez de Hoz in de leiding van de Banco República terecht. Jorge Zorreguieta was staatssecretaris van Landbouw op het ministerie van Economische Zaken tijdens de dictatuur van Jorge Videla, en daarmee was hij de tweede man onder Martinez de Hoz, die als minister van Economische Zaken geestelijke vader van het economische beleid van de Argentijnse junta was. Martinez de Hoz beschikte bij leven over een miljoen hectare privégrond en kende prins Bernhard lang voordat de Zorreguieta’s ten paleize mochten verschijnen. Op grond van zijn overweldigende rijkdom was hij namelijk uitverkoren toe te treden tot de 1001-Club, een exclusief gezelschap dat Bernhard in 1971 had opgericht om te fungeren als donor van het Wereldnatuurfonds. Martinez de Hoz was niet alleen de politieke mentor maar ook een boezemvriend  van Jorge Zorreguieta, met wie hij in de betere jaren gaarne op olifantenjacht in Afrika mocht gaan. Voor zijn persoonlijke betrokkenheid bij de dictatuur, die tijdens de Argentijnse ‘Vuile oorlog’ aan meer dan 30.000 mensen het leven heeft gekost, werd Martinez de Hoz in 2010 in preventieve hechtenis in zijn eigen huis geplaatst, maar hij stierf op tijd om verder justitieel ongemak te ontlopen.

De Mercado Abierto-bank van zakenman Aldo Ducler, die net als Zorreguieta zijn sporen had verdiend tijdens de jaren van de Videla-junta, was samen met de gelijksoortige Federal-bank opgericht om als doorgeefluik van het zwarte geld van de Banco República te fungeren. Dat ging nu precies met die financiële software waarmee Máxima naar eigen opgaaf zo druk mee in de weer was geweest.

Diskrediet

Logisch dat de RVD er veel aan gelegen was voornoemde Máxima-biografie van het Argentijnse journalistenduo in diskrediet te brengen, daarbij gesteund door bijvoorbeeld Albert Verlinde, die tijdens een uitzending van RTL Boulevard de kijkers opriep het boek van de Argentijnen te boycotten. De kwestie werd nooit opgepikt door de grote Nederlandse media. Hetgeen ook weer opmerkelijk mag worden genoemd. Het zeiltochtje van Mabel op de boot van hasjkoning Klaas Bruinsma kostte haar echtgenoot prins Friso indertijd de aanspraken op het koningschap, maar stond in geen enkele verhouding tot het kaliber gangsterdom dat zich rond Mercado Abierto had verzameld. Als Friso en Mabel op gezag van premier Balkenende moesten accepteren dat hun huwelijk vanwege die paar overnachtingen van Mabel op de Neeltje Jacoba nooit de goedkeuring van het parlement zou kunnen wegdragen, dan had Willem-Alexander op grond van de episode van zijn bruid to be bij Mercado Abierto zeker ook dezelfde prijs moeten betalen.

De chef van de Mexicaanse afdeling van Interpol Juan Miguel Poce Edmonson stelde in 2000 dat Mercado Abierto-oprichter Ducler gevangenisstraf verdiende vanwege zijn rol in het witwasschandaal. Maar Ducler wist de zaak te schikken met een afkoopsom aan de Amerikaanse autoriteiten. Veel geluk bracht de voormalige werkgever van Máxima dat niet, want in juni 2017 zou hij na weer een ander financieel schandaal onder verdachte omstandigheden overlijden. Volgens zijn zoon Juan Manuel Ducler zou hij zijn vergiftigd. ‘Ik ben ervan overtuigd dat mijn vader door dezelfde groep is vermoord als Nisman’, verklaarde de zoon van Ducler, verwijzend naar de dood van de Argentijnse procureur Alberto Nisman in 2015, die op de dag dat hij grote onthullingen aankondigde over witwasschandalen in Argentinië door onbekende handen werd vermoord.

Opluchting

De komst van Mauricio Macri als president van Argentinië in 2015 moet ook bij Máxima tot grote opluchting hebben geleid. Marcri kondigde namelijk amnestie af voor alle betrokkenen bij de kapitaalvlucht met de offshorebanken. Rechter Canicoba Corral, die gemoeid was met het onderzoek naar de affaire rond de Banco República, kreeg zijn congé. Hij beklaagt zich in de Argentijnse media over obstructie van de rechtsgang door de regering Marci. Máxima kon het prima vinden met Macri, die ze in 2018 ontmoette tijdens het World Economic Forum in het Zwitserse Davos. Vervolgens werden de Macri’s uitgenodigd voor een staatsbezoek aan Nederland. Foto’s in de Argentijnse bladen van het hartelijke samenzijn van Máxima, Macri en diens echtgenote Juliana Awada gaven in Argentinië lucht aan de theorie dat de koningin van Nederland een rol had gespeeld bij de komeetachtige opkomst van Mauricio Macri. De omstreden benoeming van Máxima’s zus Inés tot Hoofd van het Kantoor van de Algemene Directie van Beheer van het Uitvoerend Secretariaat van de Nationale Raad voor het Coördinatie van het Sociale Beleid van de President voedde de geruchten. Lang mocht Inés er niet van genieten. In 2018 pleegde ze zelfmoord. Inmiddels is Macri weer president af. Zijn politieke erfenis is desastreus.

Beerput

De glanzende loopbaan van Máxima Zorreguieta als internationaal bankierster begon met een diepe duik in een financiële beerput. Het problematische aspect betreft wellicht niet zozeer haar eigen activiteiten bij Mercado Abierto, als wel het feit dat ze met deze functie direct in het hart van de financiële maffia van haar land terecht kwam, daarheen geleid door een vader die ondanks al diens vrome ontkenningen van ook maar enige malversaties af te weten, een leidende rol speelde in een netwerk dat door het Argentijnse Openbaar Ministerie meerdere malen is getypeerd al een criminele organisatie. In een biografie geschreven door een financieel specialiste had dat wel wat meer moeten worden belicht dan in die ultrakorte, oppervlakkige en slecht gedocumenteerde passage die Marcia Luyten er in haar boek aan wijdt. In dat geval had Matthijs van Nieuwkerk ook iets substantieels te bespreken gehad met Máxima toen hij haar voor een exclusief verjaardagsinterview opzocht in Paleis Huis ten Bosch en bij aanvang Luytens boek pontificaal op tafel plaatste. Máxima liet toen weten het boek nooit te hebben gelezen en dat ze ook niet van plan was dat te doen. Dat was zoals dat een groot deel van dat veelbekeken interview vast een stukje schuifdeurentoneel. Zij zal zich net als de RVD vast erg gelukkig prijzen met zo’n heerlijk luchtige hagiografie die met elegante damespasjes over ieder pijnpunt trippelt. (En of ze in werkelijkheid ook zo dol is op de poëzie van Pablo Neruda die ze als verjaarddagscadeau door de presentator kreeg overhandigd is ook maar de vraag: de Chileense dichter was als communist nu precies dat subversieve type waarmee papa en padre Braun zo graag zagen afgerekend). En weer ligt in koninklijk kielzog een journalistiek imago aan gruzelementen.

 

Dit artikel verscheen in kortere vorm in De Republikein, nr. 3/2021

 

Heeft u dit artikel gewaardeerd en wilt u dat uitdrukken met een donatie aan De Republikein? Dat kan via deze link:

Doneer € -

Dit artikel verscheen in De Republikein nr 4/2021. Verder in dit nummer:

Een gesprek met historicus Stephan Malinowski over de nieuwe ‘Historikerstreit’ in Duitsland om de restitutie-eisen van het Huis Hohenzollern, de collaboratie van het ex-koningsgeslacht met de nazi’s en de juridische klopjacht die het hoofd van het Huis tegen hem en collega’s voert als zij dat verleden oprakelen. ‘Hohenzollern heeft met zijn claims een Doos van Pandorra geopend.’

Jack Jan Wirken over het koloniale trauma in het klatergoud van de Gouden Koets. Aangaande de eindbestemming van het rijtuig is nu een advies aan koning en premier ingediend. Nooit meer gebruiken op Prinsjesdag en opbergen in een museum. Schril blijft het dat de dankbare ‘huldebrengers’ uit de overzeese gebiedsdelen die op de koets staan afgebeeld indertijd met één pennenstreek van hun Nederlandse nationaliteit werden beroofd, zoals Ulli Jessurun d’ Oliveira reconstrueert in zijn monografie De Gouden Koets en zijn koloniale kant.

Schrijfster en ex-europarlementariër Els de Groen begaf zich tussen de demonstranten op kroondomein Het Loo , die hun ijver zagen beloond met een forse bekeuring van twijfelachtig karakter. Zij vraagt zich af hoe groot de ecologische footprint van Willem-Alexander is: zeker is die ‘king size’.

Columnist Gerard Aalders reflecteert op het jongste staatsbezoek aan Noorwegen: ‘Voor vrouwen die nog meer hebben gezopen en gesnoven dan Mette-Marit, is zij een symbool van hoop’.

Maurits van den Toorn onderzoekt de waarachtigheid van de steeds meer gecultiveerde inzet van burgerschap als smeerolie van een vastgelopen politiek systeem. ‘Burgerinitiatieven worden vooral omhelsd als ze aansluiten bij de wensen van de gemeente.’

René Zwaap over het drama van Walter Winchell, de razende reporter die de strijd aanbond met America First, de beweging die voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog aandrong op een aparte vrede tussen de VS en nazi-Duitsland en zelf ook fascistische elementen had. Zijn hechte band met FBI-chef J. Edgar Hoover grensde aan het onbetamelijke en kostte mogelijk het leven aan Winchells enige zoon. In Philip Roth’s distopische succesroman The Plot Against America, over een fascistische machtsovername in de VS anno 1940, speelt Walter Winchell echter niet voor niets een heldenrol.

Adel-kenner Titus von Bönninghausen over de DNA-salon in Paleis Huis ten Bosch en het genealogische gehossel van het koninklijk paar. Naar de letter van het adelwezen is alles aan de koninklijke titelatuur fictie, en ook de Baskische roots van het huis van Zorreguieta komen neer op verzinsels, blijkt bij het doorvlooien van de beide stambomen.

Provo-oprichter Roel van Duijn kreeg Thierry Baudet aan de lijn over zijn kritiek op de complottheorieën waarin de FvD-leider grossiert en besloot tot een weerwoord in boekvorm.

Onze Rotterdamse huisdichter Manuel Kneepkens krijgt uitgeversadvies voor een Houellebecq-roman op z’n Hollands: over een polderrepubliek met een ‘shariah light’.

Classicus Anton van Hooff beschrijft de 16e eeuwse renaissance van de tirannenmoord en vergelijkt deze met de motivatie van de latere anarchistische koningsmoordenaars en jihadisten.

Onder professoren in coronatijd: Ricus van der Kwast over de Belgische ‘geluksprofessor’ Lieven Annemans, met zijn feitenvrije wetenschap een van de favoriete geleerden in de kringen van Willem Engel’s Viruswaanzin (in tegenstelling tot Annemans ultieme tegenvoeter Marc van Ranst), en Sjoerd de Jong presenteert een nieuw avontuur van ‘complotprofessor’ Karel, die voor de rechtbank op zoek gaat naar de chip in het hoofd van de koning.

In de kelder van het Darwin-museum in Moskou deed kunstenaar Fredie Beckmans een curieuze ontdekking. Aldaar rust, opgezet en al, de laatste hond van Stalin. Jachthond Milka was een geschenk van koningin Wilhelmina.

Gastcolumniste Daniela Hooghiemstra voorziet een toekomstige machtgreep van het Huis van de Oranje Postcodeloterij. Henk Westbroek verklaart nu ook de jacht op het volk voor geopend op de Kroondomeinen en Republiek-voorzitter Floris Müller kapittelt ANP-hoofdredacteur Freek Staps om diens gebrek aan verzet tegen de Mediacode.

Boekrecensies van Het Brusselse moeras. Achter de schermen van de macht in Europa van Tijn Sadée en Bert van Slooten en Friso; het tragische leven van Johan Willem Friso door Ronald de Graaf . En natuurlijk De Blik van Joep Bertrams.  Abonneren via deze link, nabestelling losse nummers via klantenservice@virtumedia.nl

Professor Karel zoekt de chip van de koning

‘Complotprofessor’ Karel spant een rechtszaak aan tegen de Staat der Nederlanden ter openbaarmaking van de chip van de koning.

 

Tekst Sjoerd de Jong

Illustratie Gabriel Kousbroek

 

We waren halverwege de zitting toen de pepermunt begon te werken. Ik beet keihard op mijn tong, het tabletje knakte doormidden. ’Godverdomme, wat is dat spul scherp’, riep ik naar mijn adjudant, terwijl ik een mondvol witte brokjes uitspuugde naar de perstribune. ‘Is het soms een nieuwe, slinkse manier om vaccins toe te dienen? Waar heb je die krengen gekocht, bij Hugo de Jonge, in familieverpakking? Bij kleingrutter D. Gommers?’

Mijn adjudant haalde zijn schouders op. ‘Wat maakt het uit, professor’, zei hij, ‘fucked zijn we toch’. Hij begon te oreren over de nieuwe transgenderwetgeving die eraan zat te komen, het einde van de menselijke beschaving. ‘Geloof me, professor, straks zijn we allemaal non-binaire robots met blauw haar, op onze knietjes prevelend voor het altaar van Bill Gates.’

Ik zweeg, lichtelijk verontrust. Begon mijn adjudant nu ook al te twijfelen aan de Goede Zaak? Waren we dan radeloos en reddeloos verloren? Peinzend staarde ik naar het portret van de jonge koning achter de rechter. In zijn ogen herkende ik iets van mijn vertwijfeling. Hij had de benevelde blik van een Rotterdamse student die na een kroegentocht de laatste nachtbus nakijkt. Hij kan nog zien hoe zijn vrienden, die de bus wel hebben gehaald, hem vanaf de achterbank lachend toezwaaien. Hoe moet hij nu thuiskomen?

Je vraagt je af hoe de man het volhoudt. Nou ja, het antwoord is duidelijk. Het moet komen door de chip die bij hem is geplaatst, direct achter de hersenschors waar alle relevante informatie uit de Winkler Prins, de serie Groten Aller Tijden en andere onmisbare naslagwerken wordt opgeslagen en geanalyseerd. Je kunt dat ook zien aan zijn ogen, die dof worden bij het naderen van met name journalisten en vreemd oplichten als zijn vrouw in de buurt is. Allemaal voorgeprogrammeerd, natuurlijk.

Hoewel ik aan de technische details nog steeds twijfel. Want zoals ik leerde in mijn jarenlange ervaring als verslaggever en correspondent voor wereldwijde media, moet je altijd een slag om de arm houden. Maakt niet uit waarover – maar hou die slag, achter de arm wel te verstaan. De Deep State deinst immers nergens voor terug, en het zou me niet verbazen als achter informatie van mijn – goed ingevoerde – bronnen toch weer desinformatie schuilgaat. Dus dat we worden misleid over de aard van de misleiding. Ik bedoel, het hele idee van een ‘hersenschors’ klinkt mij in de oren, als je er even over nadenkt, als iets dat is verzonnen door een CIA-agent. Hoezo ‘schors’? Zit er behalve een balk in ons oog ook nog een boom in ons hoofd? Moeten we dat geloven?

 

Hersenoperatie afgewezen

Goed, we zullen het voorlopig niet weten. Misschien wel nooit. Want onze eerste eis – een hersenoperatie bij de koning om de chip te verwijderen – werd direct door de rechter afgewezen. Ondanks de spijkerharde medische garanties in ons verzoek en het genereuze aanbod van gratis danstherapie in het kader van zijn revalidatie. De rechter vond dat we voor de operatie – ik verzin het niet – ten onrechte een beroep deden op de WOB. Onbegrijpelijk. Als er nu iets onder de Wet Openbaarheid van Bestuur moet vallen, is dat wel het brein van het staatshoofd. Hoe dan ook, het oordeel van de rechter zegt ook iets: die chip zit er, dat staat wel vast. In het koninklijke hoofd.

Maar wat was er opeens met mijn adjudant? Ik had het kunnen zien aankomen. In zijn jonge jaren, op een kleinschalig gymnasium in Rotterdam, was hij een doorzetter geweest – urenlang kon hij ’s nachts docenten uit hun bed bellen, gewoon om ze te treiteren. Vooral op de kale gymleraar had hij het voorzien, een man die zijn handen of in elk geval zijn ogen niet kon thuishouden in de meisjeskleedkamer, het heilige der heiligen. Lag het daaraan dat hij sindsdien gefascineerd was geraakt door de naderende ondergang van de beschaving, de Grote Afrekening die ons te wachten stond?

Maar nu keek ik van de koning naar hem, mijn adjudant, en naar zijn geblokte vlinderdas. Waar kwam die opeens vandaan? Een vlinderstrik is een fuck you van wufte couturiers naar elk maatschappelijk engagement. Ik droeg zo’n ding nooit meer, sinds de mondiale noodsituatie tot me was doorgedrongen. Open boordje, overhemd, jasje – akkoord. Maar totale mentale focus, mensen. Aan de slag. Geen tijd te verliezen met frivole kledij!

 

Psychedelische stoffen

Was hij dus nog wel te vertrouwen? Ik huiverde bij de gedachte en besloot me te concentreren op de monoloog van de rechter, die nu was beland bij onze twaalfde eis. Ook ongegrond. Nee, we kregen geen toestemming de garderobe van Máxima en de prinsesjes te laten onderzoeken door een helderziende op psychedelische stoffen. Het verbaasde me niet. De markt voor helderziendheid is verpest door Uri Geller met zijn lepeltjes. Niets meer aan te doen.

In de metro terug namen we het vonnis door. Natuurlijk had de rechter ook al onze andere vorderingen afgewezen. Zelfs het intens humanitaire voorstel om het Griekse zomerverblijf van de koning te verbouwen tot opvangcentrum voor Syrische vluchtelingen, een kleine moeite. Ook ons voorstel om de Gouden Koets te herdopen tot ‘Gouden Kooi’ – een semantische nuance die niemand iets zou kosten – werd achteloos terzijde geschoven.

Het meest beschamende nog wel was zijn regelrechte en totaal onberedeneerde afwijzing van onze hoofdeis: onmiddellijke sloop van het Paleis op de Dam en de bouw van de Professor Karel Volksuniversiteit aldaar. De magistraat zag er niks in, ondanks de tot op de komma uitgewerkte begroting voor deze toch zo hoogst noodzakelijke verdedigingslinie tegen de indoctrinatie van met name de bloem der natie door de massamedia. Ook de aanvullende eis op verzoek van mijn massale achterban – de toevoeging van een gebeeldhouwde beeltenis van mijzelf aan het Monument op de Dam (met de tekst ‘Professor Karel weet raad’) – werd zonder ook maar het begin van een argumentatie arrogant afgewezen.

Breedbeeld-tv

Op station Amstel haalde ik in een kiosk twee blikjes bier en plastic bekers, om de teleurstelling wat te verzachten. We liepen naar het eind van het winderige perron, tegenover het oude Philips-gebouw. Bijna twintig jaar geleden had een 59-jarige inwoner van Uithoorn zich in die toren door het hoofd geschoten – volgens het officiële verhaal. Eerst had hij er achttien mensen gegijzeld, uit protest tegen de introductie van breedbeeld-tv. Hij had ontdekt dat kijkers werden gemanipuleerd met verborgen boodschappen via de zwarte stroken onderin het tv-beeld. Goed gezien! Een vooruitziende blik van de man uit Uithoorn die de autoriteiten uiteraard niet konden tolereren. Ik trok mijn blikje bier open en hief het bruisend naar de toren. ‘Respect, vriend’, zei ik. ‘Jij had het door. En het was nog maar het begin.’

Toen het bier op was liepen we door de lege stationshal, op weg naar onze lunchafspraak in een etablissement om de hoek. We zouden er een gewezen radioloog van een Haags hospitaal ontmoeten die ons had gebeld na een oproep in ons tijdschrift (‘Spreek U Uit Over De Koninklijke Chip’). Hij zei te beschikken over hoogst gevoelige informatie, die zou uitwijzen dat de chip bij de aanstaande koning op last van zijn moeder al op zeer jeugdige leeftijd was geïmplanteerd, gezien zijn ongeregelde gedrag op het voetbalveld. Zijn team verloor zelfs tegen junior-verenigingen uit Rotterdam-Zuid.

Van andere bronnen hadden we al gehoord over de sportieve wanprestaties van de kroonprins en het ongenoegen van zijn moeder erover, dus we waren geïntrigeerd. We wisten dat zulke chips uit voorzorg waren gemaakt voor tal van Oranjes, maar nog niet precies welke aanleiding bij hem de doorslag had gegeven om te zeggen: ‘Okay, genoeg, nu gaat de chip erin!’ Ten slotte was ons bekend dat enkele digitaal uitgedaagde leden van de koninklijke familie de software aanzagen voor microfoontjes, of zelfs spijkers. Haha, die Oranjes! Maar dit zou dus wel eens het sluitstuk kunnen zijn van ons onderzoek. Je weet nooit waar een lead naar leidt – bovendien hadden we honger.

‘Laten we nog wat te drinken meepakken’, zei mijn adjudant toen we de AH To Go in de stationshal passeerden. Hij beefde een beetje – nog steeds van slag door de totalitaire onwil van de rechter om de redelijkheid van onze eisen in te zien. Maar ik had haast. ‘Kom op’, zei ik. ’Het is vlakbij. Straks kun je drinken wat je wilt. Ook wodka, of tomatensap. Kijkt niemand van op, daar– allemaal yuppen en woke miljonairs met een hoodie.’

Maar hij slofte de winkel al binnen en begon met beide handen blikjes bier uit het rek te pakken. Hij draaide zich om met armen vol blikjes en liep naar de zelfscankassa, klaar voor de Start-knop.

‘Ben je helemaal gek geworden!’, siste ik. Ik wees naar het apparaat en duwde hem terug naar het rek. ‘Scan één zo’n blikje en de halve inlichtingenwereld weet alles van je, niet alleen je pincode!’ Hij knikte, alsof hij het begreep. Met tegenzin rommelde hij de blikjes terug in de rij. ‘Het is maar bier’, bromde hij teleurgesteld. Meende hij dat? ‘Niets is “maar” iets in deze business’, sprak ik vermanend. ‘Trouwens, bier drinken is de minste van onze zorgen. Het gaat om de toekomst van homo sapiens.’

 

QR-slavenketting

We staken het verkeersplein over naar het eetlokaal. Mijn adjudant stootte me aan, hij voorzag een complicatie. ‘Hoe komen we binnen, weer door het raam?’ Uiteraard hadden we geen QR-code, die slavenketting op zakformaat van de tot-gevaccineerden-gemaakten. Bij een eerdere ontmoeting in hetzelfde etablissement – met een voormalige groenbrigadier van Paleis Soestdijk die in de loop der jaren een indrukwekkende verzameling sigarenbandjes van Prins Bernhard bij elkaar had geprikt – waren we erin geslaagd door een keukenraam naar binnen te klimmen. Het was niet voor herhaling vatbaar.

‘Maak je geen zorgen’’, zei ik, ‘aan alles is gedacht.’ Op de achterkant van twee Zwaluw-luciferdoosjes had ik nauwkeurig zwarte vierkantjes getekend, in de vorm van een QR-code. Ik gaf hem een van de doosjes. ‘We laten gewoon dit zien en lopen door.’ Mijn adjudant tuurde verbluft naar het doosje. Hij was duidelijk onder de indruk. Of niet? ‘Wacht even professor’, begon hij, ‘het punt van die code is dat ze hem willen scannen. Dan vallen we door de mand!’

Ik begon te lachen. Hoe bang kan een mens zijn om niks? Ik nam een lucifer uit het doosje en streek hem aan. De vlam walmde ons in het gezicht. ‘Hoe zou je dit dan noemen? Het werkt toch? Niemand die het verschil ziet. Kijk, we weten allemaal dat corona bullshit is, en de enige manier om dat te overbluffen is met nog grotere bullshit.’

Bij de ingang van het restaurant hielden we onze luciferdoosjes omhoog. Er stond niemand aan de deur, diep in het lokaal wenkte een ober. ‘Zie je wel’, zei ik, ‘het gaat erom dat je het spel meespeelt, dát is wat ze willen. De rest doet er niet toe. Denk aan de film Spartacus: zolang slaven zich gedragen als slaven, vinden de powers that be het best. Ze wéten tenslotte dat het allemaal fake is, ze hebben het zelf uit hun duim gezogen! Ja, als iedereen dapper zou opstaan en zou zeggen “IK ben professor Karel” wordt het een heel andere ball game. Die tijd komt nog!’

De radioloog zat aan een tafeltje bij het raam. Een kleine, kalende man in een vaalgroen maatpak, met een goudgerand brilletje en een plastic map voor zich. Hij roerde in een glas thee. Warempel, ook hij droeg een vlinderstrik! Wat was hier aan de hand? Terwijl ik tegenover hem plaatsnam staarde ik gebiologeerd naar het onder zijn kin bungelende symbool van kleinburgerlijke zelfingenomenheid. ‘Het zal toch niet waar zijn’, mompelde ik voor me uit, in de hoop dat mijn adjudant me niet zou horen. Hij was net weer rustig.

De man begon nerveus aan zijn strik te plukken en schraapte een paar keer zijn keel. Ik kon me niet inhouden. ‘Waarom bent u zo nerveus?’, vroeg ik. ‘Trouwens, bent u niet wat te lichtzinnig gekleed, gezien de barre tijden waarin we leven?’ Hij keek me vragend aan en haalde zijn schouders op. Mijn adjudant kuchte. ‘Zullen we ter zake komen?’ stelde de man voor. Ik voelde agressie opkomen. Kwam het door die strik, of door de manier waarop hij in zijn glas thee bleef roeren, telkens lichtjes tegen het glas tikkend? Wilde hij daarmee suggereren dat hij beschaafder was dan wij?

Dat zou een gotspe zijn. Als jarenlange correspondent in Japan heb ik complexe theeceremonies meegemaakt waarbij zijn getik tegen het glas afsteekt als een plastic polshorloge bij de Big Ben. Of als een kindersnotje bij de Fat Boy, die de Amerikanen op Nagasaki wierpen om… Nou ja, ik dwaal af.

Ik tapte met een wijsvinger op het mapje dat de radioloog voor zich had liggen. ‘Wat is dit? It better be good, mijn beste. We komen net van de rechtbank. Ik hoop dat u meer te bieden heeft.’ De radioloog boog zich voorover. ‘Maakt u zich geen zorgen. Dit… (nu tapte hij op het mapje).. is dynamiet.’ Ik voelde de aderen in mijn nek opzwellen. Zou het? Ik keek peilend naar mijn adjudant. Hij geeuwde, rekte zich uit en wenkte een ober.

 

Staatsgeheim

De radioloog wees op het mapje. ‘Wat hier in zit is staatsgeheim, dat begrijpt u’, zei hij. Hij legde uit dat hij via radiologische contacten in het bezit was gekomen van foto’s van het gebit van de koning, gemaakt bij tandartsbezoek in zijn studententijd. Gave foto’s, waarop alles te zien was. Oude en nieuwe vullingen, aangetast glazuur, dopjes van bierflessen, een rafelig stuk zijde (mogelijk afkomstig van een jurk). De radioloog raakte enthousiast van zijn eigen uitleg en begon door de glimmende foto’s in het mapje te bladeren. ‘Kijk hier: een heel oud honingdropje. Een uniformknoop! Je vraagt je af wat die jongen uitspookte in militaire dienst.’ Hij schoof een foto over de tafel. ‘En kijk dit: stukjes chips. Paprika. Hoe onsmakelijk.’

Ik trommelde met twee vingers op tafel. ‘Ja, heel aardig allemaal. Maar wat zegt het nu over de chip? Zijn er metaalsporen in het gebit te zien? Het logo van Microsoft?’ De ober bracht onze drankjes, wierp een schuine blik op een van de gebitsfoto’s en maakte zich uit de voeten. ‘Daar kunnen we het later over hebben’, fluisterde de radioloog, ‘als we het eens zijn over de prijs.’ Hij schoof de foto terug in het mapje. We zwegen.

Daar was het. De prijs. Het was te verwachten. In plaats van een patriot hadden we een profiteur tegenover ons, een man die beter wilde worden van onze noodsituatie als mensheid. Aan de andere kant, als deze foto’s het bewijs leverden van die chip waren we een eind verder op weg naar de waarheid over de wereldsamenzwering van cynische, transhumane miljardairs! Ik pakte een servetje en depte mijn voorhoofd. ‘Nou, weet u’, zei ik, ‘geld is het minste van onze zorgen. Maar waar had u aan gedacht? Voor zulke informatie bestaan geen richtlijnen van Sotheby’s of de CIA. Het is wat de gek ervoor geeft, en ik kan u één ding verzekeren: gek zijn we niet.’

De radioloog sloeg het mapje dicht. ‘Vijf miljoen’, zei hij. ‘We hebben het hier over informatie die het einde van de Nederlandse monarchie kan betekenen – in uw handen. Die mag wat kosten. Terwijl de boel instort, wil ik rustig op mijn Thaise eiland kunnen zitten. Dat kunt u me niet kwalijk nemen.’ Hij glimlachte. Ik keek voor advies naar mijn adjudant, die de glazen bier al achterover had geslagen en was begonnen aan de wijn.

‘Op hoeveel zitten we met Totaal Gestoord, qua verkochte oplage?’, vroeg ik hem achter mijn hand. Hij keek op van zijn glas en fronste zijn wenkbrauwen – dat zei genoeg.

Dit riep om daadkracht. Ik weet niet wat me beving, maar opeens kwam alles samen: de achteloze manier waarop de rechter al onze vorderingen had afgewezen, de verdachte dood van de ziener in de Philips-toren, de zelfscan-kassa die mijn adjudant bijna had verleid, het lauwe bier op het winderige perron, het tikkende lepeltje van de radiologische profiteur.

‘Okay, luister’, zei ik tegen de radioloog, ‘kent u dat nummer van Lou Reed?’ Hij keek me niet-begrijpend aan. Ik boog me naar hem toe en gromde: ‘Hoor eens, mannetje, jij wilt dus een walk on the wild side? Met je gebitsfoto’s en je Thaise eiland!’ Ik greep hem bij zijn vlinderstrik, trok hem over de tafel en sloeg met mijn andere hand het lepeltje uit zijn theeglas. Het rinkelde door de zaak. ‘Zie je dit?’ siste ik. ‘Lepel ik zo je ogen mee uit je schedel. Leg ik ze naast de rekening. Heb ik geleerd van de Yakuza waar ik tussen woonde in Tokio. Fijne jongens. Snijden zo je hoofd af en zetten het op je romp voor je het in de gaten hebt. Je blijft gewoon je rijst eten. Totdat je merkt dat die korrels er meteen weer uitvallen. Ja, want je bent dood. Begrijp je?’

De radioloog schoot overeind, rukte zich los en strompelde naar achteren, weg van de tafel. ‘Jullie zijn totaal gestoord! Ik dacht dat ik link bezig was, maar jullie zijn echt ver heen!’ Hij slingerde de zaak uit, het mapje onder zijn arm. De ober keek hem geschrokken na. Twee borden met Italiaanse broodjes zalm stonden op de bar.

‘Wat was er eigenlijk aan de hand’, vroeg mijn adjudant terwijl hij zich de laatste wijn inschonk. ‘Was er een probleem?’

Terug in het station trokken we twee kroketten. Somber tuurden we in de luikjes van de FEBO. ‘Niet echt een productieve middag’, zei mijn adjudant, aangeschoten van de wijn. ‘Maar ik heb er wel iets van geleerd. Dit kan écht niet meer.’ Met een vloeiend gebaar deed zijn vlinderstrik af en deponeerde deze in een vuilnisbak, tussen de mondkapjes. ‘Toch jammer van die foto’s’, mompelde hij.

Geeft niks, zei ik. Gebitsfoto’s? De koning heeft toch geen tanden.

 

 

Walter Winchell contra ‘America First’

In Philip Roth’s dystopische succesroman The Plot Against America over een fascistische machtsovername in de Verenigde Staten anno 1940, is een hoofdrol weggelegd voor Walter Winchell. Hij was de machtigste journalist van zijn tijd en bond ook in werkelijkheid de strijd aan met het isolationisme van de America First-Beweging, waarachter vaak een pro-nazistische gezindheid school. Zijn hechte band met FBI-chef J. Edgar Hoover had een hoge prijs.

 

Tekst René Zwaap

 

Philip Roth hoefde in The Plot Against America (2004) niets te verzinnen om het personage van Walter Winchell kleurrijk te maken. Met zijn achter op het hoofd staande vilten hoed, opgerolde hemdsmouwen, losgetrokken stropdas en eeuwige sigaret in de mondhoek, was Winchell ook in werkelijkheid het archetype van de Amerikaanse razende reporter. Dat Winchell eigenlijk helemaal geen journalist was, maar een mislukte vaudeville-artiest die een journalist speelde, vormde daarbij geen beletsel. Vijftig van de zeventig miljoen volwassenen die Verenigde Staten in de jaren dertig telde, stemden iedere zondag af op zijn radioshow (die steevast werd ingeleid met de woorden ’Here’s Winchell, he knows it all, he sees it all!’). Zijn geschreven dagelijkse column vol schimpscheuten, roddel en achterklap uit de coulissen van Broadway, Hollywood en Washington, geschreven in een even sappige als koortsachtige stijl vol ‘slanguage’, werd in meer dan 2000 dagbladen over de gehele natie afgedrukt. De helft van de abonnees van het krantenimperium van persbaron Randolph Hearst las de krant puur om Winchell en hij was de eerste journalist die even torenhoge gages opstreek als filmsterren, gevierde zangers en kampioenen van het honkbalveld. Winchell was de koning van de Jazz Age. Presidenten dongen naar zijn gunst, evenzeer als filmsterren en gangsterbazen. ‘Winchell begrijpen is een test in Amerika-kennis’, schreef een krant op het hoogtepunt van Winchells roem. ‘Niet minder dan in staat zijn de Amerikaanse Grondwet uit te leggen.’

 

New Deal

Met zijn eigen afkomst uit een straatarm Russisch-joods gezin in New York was Winchell de belichaming van de Amerikaanse Droom. ‘Democratie is waar iedereen elkaar een schop onder de kont kan geven’, luidde zijn motto. Met aanstekelijk gebrek aan eerbied voor welk instituut dan ook zette hij de sloophamer in de tot dan toe gescheiden compartimenten van de klassensamenleving. Met één terloopse opmerking kon Winchell carrières maken of breken. Zijn loopbaan lag geplaveid met geknakte reputaties en intense vetes. Tegelijkertijd was hij tijdens de Grote Depressie een onvermoeibare kruisvaarder ten bate van Roosevelts New Deal. Anders dan in Philip Roths roman werd Winchell geen presidentskandidaat en evenmin werd hij op campagne doodgeschoten, maar feit is wel dat zijn leven al vanaf 1933 in het teken stond van het mobiliseren van krachten tegen het Europese fascisme en diens handlangers in de VS. In de jaren vijftig was hij evengoed op weinig verheffende wijze betrokken bij de heksenjacht van senator Joseph McCarthy en zijn Comité voor On-Amerikaanse Activiteiten op iedereen die in een communistische reuk stond. Zijn hechte band met FBI-chef J. Edgar Hoover grensde aan het onbetamelijke.

 

Bittere armoede

Walter Winchell werd geboren in 1897 in de Lower East Side van New York. De familie heette eigenlijk Weinschel. Zijn overgrootvader was rabbijn in het Russische Minsk, zijn grootvader Chaim Weinschel was chazan (voorzanger) in de synagoge en een gevierd dichter in het Jiddisch, die in 1881 naar de Verenigde Staten was geëmigreerd. Vader Jacob Weinschel was een onfortuinlijke kleine handelaar in zijde en Walter beleefde een jeugd van bittere armoede. Moeder Jennie Bakst was eveneens van Russisch-joodse komaf en probeerde haar kinderen met wisselend succes op te voeden in de observante traditie. Bij Walter had dat weinig effect. Het antisemitisme waarmee hij als kind werd geconfronteerd maakte hem voor de rest van zijn leven wel ‘een intuïtieve Jood’, zoals hij het zelf noemde.

Vanaf zijn dertiende trad hij op in vaudevilleshows als tapdanser, zanger en komiek. Echt succesvol was hij niet. ‘Walters probleem was dat hij niet van het publiek hield’, aldus een vriend uit die tijd, opgevoerd in de biografie Winchell: gossip, power and the culture of celebrity van Neal Gabler (1994). ‘Hij was er bang voor en dus wilde hij slimmer zijn dan zijn toeschouwers, om zichzelf ervan te overtuigen dat hij beter was dan zij. Hij hield niet van hen en dat hadden ze in de gaten.’ Winchell zou later schrijven dat zijn tropenjaren in halflege theatertjes hem hadden geleerd hoe je de aandacht van het publiek moest veroveren.

 

Spaanse griep

Het was door de pandemie met de Spaanse griep van 1918, die in de Verenigde Staten een miljoen doden kostte, dat Winchell een alternatief vond voor zijn noodlijdende artiestenbestaan. Nu de theaters gesloten waren begon hij een nieuwsbrief te schrijven vol met roddels over collega-artiesten. Die sloeg zo goed aan dat hij al snel vaste bijdragen leverde aan theater-vakbladen. Zijn sappige roddels uit de toneelwereld trokken aandacht van een zakentycoon die zijn presidentiële ambities wilde verwezenlijken met een nieuw te stichten krant, de Evening Graphic. Die richtte zich met een cocktail van sport, seks en misdaad op de kleine man. Winchells werk kleurde uitstekend bij de Graphic, en behalve roddels uit Broadway en de gangsterwereld, die hij oppikte in de nachtclubs waar hij iedere nacht tot zonsopgang verbleef, begon hij ook hardhandige theaterkritieken te schrijven. Die bezorgden hem een toegangsverbod tot de dertig theaters van de gebroeders Jacob en Lee Shubert. Toen de Marx Brothers in een van die theaters de première opvoerden van hun show Animal Crackers – waarin onder de naam Wally Winston een figuur gemodelleerd op Winchell opdook – smokkelde Harpo Marx de met een valse baard getooide Winchell de zaal in.

In 1927 was de Evening Graphic al zo op stoom gekomen dat de Society for the Suppression of the Vice aandrong op een verschijningsverbod. Winchells werk trok de aandacht van de oppermachtige krantenmagnaat William Randolph Hearst. In 1929 verkast Winchell naar Hearts Mirror, zodat zijn columns via Hearts’s persbureau King Features nu ook in honderden andere Hearst-kranten worden doorgeplaatst. Terwijl de VS na de Wall Street Crash in een diepe crisis storten (‘De situatie is zo erg dat wanneer een kerel incheckt in een luxehotel en een kamer vraagt op de 17e verdieping, de receptionist vraagt of het om te slapen of te springen is’, bericht Winchell) gaat het met zijn eigen carrière juist crescendo. NBC huurt hem in als presentator van een wekelijks radioprogramma dat wordt gesponsord door het sigarettenmerk Lucky Strike. In het voorjaar van 1932 prijkt Winchell in smoking op 45.000 billboards verspreid over 18.886 Amerikaanse steden met zijn slagzin ‘OK America’, gevolgd door de reclametekst ‘Luckies are kind to your throath – I know’.

 

Al Capone

In de concurrerende pers worden verontruste commentaren gewijd aan ‘Winchellism’, dat met zijn sensatiehonger en gebrek aan respect als een gevaar voor de gehele journalistiek wordt gekenschetst. Maar niemand minder dan Hemingway prijst Winchell als ‘de grootste krantenman die ooit heeft bestaan’. Het is de tijd dat ook gangsterbazen glamourfiguren worden en op vakantie in Miami wordt Winchell met alle egards onthaald door Al Capone, die hem als welkomstgeschenk een stapeltje reeds ingevulde wedformulieren voor de paardenraces geeft. Elk formulier blijkt de winnaar juist te hebben. Gangsterbaas Frank Costello investeert in de Stork Club, de nieuwe exclusieve nachtclub in New York waarvan Winchell mede-eigenaar en het levende uithangbord wordt. Gezeten aan de exclusief voor hem gereserveerde tafel in de club ontvangt hij een eindeloze parade aan tipgevers, bewonderaars en revuedanseressen die hogerop willen. Winchells hechte banden met de onderwereld worden wat al te inzichtelijk als hij in zijn column aankondigt dat er een aanslag op het leven van een jonge gangster genaamd Vincent Coll, alias Mad Dog, in voorbereiding is. De krant is nog warm van de pers als Mad Dog inderdaad met kogels wordt doorzeefd. Tegelijkertijd staat hij elders in het gangstermilieu in een kwade reuk omdat hij iets onvriendelijks schrijft over een concurrerende nachtclub van de Stork. Bevreesd voor schadeclaims wegens laster en smaad krijgt hij Hearst zo ver dat deze zich er contractueel toe verplicht alle financiële schade die voortvloeit uit Winchells publicaties op zich te nemen. Winchell is vanaf dat moment verzekerd tegen smaadprocessen. Die carte blanche draagt bij aan zijn journalistieke moed.

 

Moordaanslag op Roosevelt

In 1932 wordt in Miami een aanslag gepleegd op het leven van presidentskandidaat Franklin Delano Roosevelt. De dader, de Italiaanse metselaar Giuseppe Zangara, mist zijn doelwit op een haar na, en treft in plaats van Roosevelt burgemeester Anton Cermak van Chicago, die aan zijn verwondingen overlijdt. Winchell slaagt erin door te dringen tot de politiecel waar Zangara verblijft en krijgt een exclusief interview. Zangara verklaart een hekel aan rijke mensen te hebben en dat hij eerder al heeft geprobeerd de koning van Italië te vermoorden. Winchell bewijst zijn vakgenoten zo dat hij meer is dan alleen een entertainer.

De actie ontsnapt ook niet aan de aandacht van Roosevelt, die eenmaal verkozen tot president Winchell in maart 1933 uitnodigt voor een tien minuten durend gesprek in het Witte Huis. Winchell is diep onder de indruk van de presidentiële ontvangst, die zijn toch al niet bescheiden ego streelt. De komende jaren is hij een onvermoeibare pleitbezorger van Roosevelt, die hij prijst als ‘de nieuwe held van de natie, die voor een rechtvaardiger verdeling van inkomen zal zorgen’. Hij ontpopt zich nu als de advocaat van de kleine man die alles te winnen heeft bij Roosevelts New Deal.

Tegelijkertijd begint Winchell zich als geen ander in de Amerikaanse media uit te spreken tegen Hitler, die dan net aan de macht is gekomen. Hij spreekt van ‘nazi-gorilla’s’ die de Duitse bevolking terroriseren. ‘Te erg voor woorden dat een man als Hitler, die zo intens haat, het zo ver kan schoppen in de politiek’, schrijft Winchell in 1933. ‘Zijn haat tegen de Israëlieten is verachtelijk – en wanneer een moordenaar hem op een dag neerknalt zouden een boel mensen daar niet rouwig om zijn’. Het bezorgt hem een heldenstatus bij de joodse gemeenschap in de VS en de intense haat van Hitlers Amerikaanse fanclub.

Ook binnen de VS tiert het fascisme welig. Winchell voedt de FBI met informatie die hij oppikt uit de kringen van Amerikaanse nazi’s, zoals de Silver Shirt-beweging rond William Dudley Pelley, Hitler-bewonderaar en virulent Jodenhater. De nazi’s van Milwaukee beginnen een lastercampagne tegen Winchell en noemen hem ‘een gevaar voor onze zaak’. Winchells repliek: ‘Reken maar dat ik dat ben.’ Van Roosevelt krijgt hij een speciale status als inlichtingenofficier van de Amerikaanse marine.

Tussen FBI-baas J. Edgar Hoover en Winchell bloeit in die tijd op instigatie van het Witte Huis een hechte relatie op. Hoover-biograaf Anthony Summers schrijft in Offcial and confidential: the secret life of J. Edgar Hoover (1993) dat Winchell de FBI-directeur en diens onafscheidelijke assistent Clyde Tolson vaak ontving in de Stork club, en dat Winchell zo ongetwijfeld op de hoogte moet zijn gekomen van toentertijd hoogst geheim gehouden homo-erotische betrekkingen tussen Hoover en Tolson. Ook bij de gangsterbazen die de nachtclub bezochten was de seksuele oriëntatie van ’s land hoogste politiechef blijkbaar een vertrouwd gegeven. Dat moet de hoogste criminaliteitsbestrijder van het land chantabel hebben gemaakt, stelt Summers, daarbij aanvullend dat Hoover inderdaad niet erg genegen was een punt te maken van georganiseerde criminaliteit, wat hem in het Kennedy-tijdperk op een vete met Bobby Kennedy kwam te staan.

 

Handel in geheimen

‘De grootste overeenkomst tussen hen was dat zij beiden handelden in geheimen’, schrijft Neal Gabler over de band tussen Winchell en de FBI-chef. ‘Hoover met zijn dikke onderzoeksdossiers, Winchell met zijn roddel en achterklap. Hun levens draaiden om het verborgene, en waarschijnlijk waren er geen twee andere mannen die de waarde van geheimen zo goed inzagen als zij – om ze te vinden, te exploiteren en zichzelf tegen hen te beschermen’. De relatie levert beide zijden voordeel op: Winchell draagt sterk bij aan het imago van Hoover als ’s lands opperste ‘crime fighter’ en krijgt van Hoover toegang tot dossiers die voor anderen gesloten blijven.

In Philip Roth’s roman is Winchell’s tegenkandidaat om het Amerikaanse presidentschap Charles Lindbergh, de legendarische piloot die bij leven inderdaad de isolationistische lijn van Amerikaanse afzijdigheid in de Tweede Wereldoorlog bepleitte, en zijn bewondering voor Hitler-Duitsland niet onder stoelen of banken schoof. In werkelijkheid troffen beide mannen elkaar op een ander podium, en wel de rechtbank. Lindbergh was uitgegroeid tot een nationale held toen hij in 1927 als eerste een transatlantische solovlucht had uitgevoerd van New York naar Parijs. Het hele land leefde met hem mee toen in 1932 zijn baby uit huis werd ontvoerd en kort daarop, ondanks betaling van het losgeld, dood werd gevonden in de buurt van de villa van de Lindberghs in New Jersey. Winchell stortte zich met huid en haar op de zaak. Hij beroemde zich erop dat het aan zijn speurwerk te danken was dat de ontvoerder, de Duitse timmerman Bruno Hauptmann, kon worden gearresteerd nadat in diens woning een deel van het losgeld was gevonden. Het daaropvolgende proces in 1935 groeide uit tot een ongekend mediaspektakel, met 130 fotografen en 350 reporters in de rechtszaal. Het was alsof niet Hauptmann, maar Winchell terecht stond, zo merkte een van de aanwezige journalisten op. Met de veroordeling van Hauptmann was Winchells status als journalistieke superheld helemaal gevestigd. De brief van FBI-directeur Hoover, waarin deze hem om zijn rol in de Hauptmann-zaak prees, liet hij inlijsten en ophangen boven zijn bureau.

 

In de winter van 1935 wordt Winchell naar eigen zeggen ’s nachts op straat in elkaar geslagen door twee Amerikaanse nazi-aanhangers. Trots doet hij er in zijn column verslag van. Zijn ster blijft stijgen. In 1936 kan Winchell zich miljonair noemen, in 1938 siert zijn beeltenis de cover van Time Magazine. Tegenover een verslaggever maakt hij gewag van een verschuivende interessesfeer. ‘Het kan me niet meer zoveel schelen wie een scheet laat op Broadway, maar als Hitler en Mussolini een scheet laten is dat nieuws’. Het Witte Huis ziet Winchell als een van de belangrijkste liberale krachten van het land. Zijn baas Hearst, geen vriend van Roosevelt, is minder enthousiast. ‘Je bent ingehuurd voor een roddelrubriek vanuit Broadway’, waarschuwt hij zijn vedette. ‘Alle politieke columns in mijn kranten zullen in geest Amerikaans zijn. Ze zullen democratisch gestemd zijn, niet communistisch of fascistisch.’ Waarmee de krantenmagnaat eigenlijk bedoelt dat zijn stercolumnist naar zijn smaak te liberal is geworden en zich ook niet moet bemoeien met buitenlandse politieke aangelegenheden. Op last van Hearst worden de berichten van Winchells correspondente in de Spaanse Burgeroorlog Lillian Hellman in de meeste kranten waarin de Winchell-column verschijnt weggesneden vanwege haar klare verdediging van het republikeinse anti-Franco- kamp.

 

Kennedy

Winchell laat zich er niet door van de wijs brengen. Wanneer de Britse regering in september 1938 blijvende vrede met Hitler-Duitsland denkt te hebben bereikt met het Verdrag van München, is Winchell de meest kritische stem in de Amerikaanse populaire pers. ‘Te proberen vrede te sluiten met Hitler is hetzelfde als proberen af te vallen door meer te eten’, houdt hij zijn miljoenenpubliek voor. ‘Die Europese landen hebben ons een nieuwe definitie van rechtvaardigheid gegeven: een misdadiger geven wat hij verlangt in plaats van wat hij verdient’. Zijn politieke instincten blijken telkens juist: in zijn columns voorspelt hij zowel de Duitse annexatie van Tsjechoslowakije als het Molotov-Von Ribbentrop-Pact. Consequent is hij ook: wanneer de pro-nazistische Britse ex-koning Edward, nu Hertog van Windsor, zich samen met zijn Amerikaanse bruid Wallis Simspon bij de Stork Club aanmeldt, wordt het paar op last van Winchell geen toegang verleend.

Er sluipt een zekere megalomanie in hem als Winchell daags na de Duitse inval in Polen een telegram stuurt aan Joseph P. Kennedy, ambassadeur van de VS te Londen, met een dringend advies aan de Britse regering. ‘Mag ik u met alle respect de suggestie doen, dat als Groot-Brittannië de oorlog verklaart, deze verklaring niet wordt geformuleerd als «oorlog tegen Duitsland» maar als oorlog tegen Hitler persoonlijk en zijn persoonlijke regime, om te beklemtonen dat Hitler niet echt de wil van het grootste gedeelte van de burgerbevolking vertegenwoordigt. Zo’n verklaring zou een verbazingwekkend effect hebben om het Duitse volk wakker te schudden, zeker als zo’n verklaring bekend zou worden gemaakt aan het Duitse volk.’ De ambassadeur slaat de raad beleefd af als ‘grondwettelijk onmogelijk’.

In de ogen van Winchell is Europa na het offer van Tsjechoslowakije aan Hitler ‘moreel bankroet’ en hij blijft er bij de Amerikanen op aandringen om zich voor te bereiden op een oorlog tegen Hitler en zijn handlangers. ‘We hebben geen grotere vloot nodig om een oorlog te beginnen, maar om te beëindigen’, legt hij uit. ‘Ik ben tegen weer een Amerikaans leger op vreemde bodem. Maar ik ben nog meer tegen een buitenlands leger op Amerikaanse bodem.’ De pro-Duitse factie in het Amerikaanse Congres van Afgevaardigden ziet in Winchell een agent van de Britten. Congreslid Jacob Thorkelson noemt Winchell ‘een joodse vuilspuiter die iedereen aanvalt die het niet heeft op zijn eigen georganiseerde minderheid’. Senator Burton Wheeler van Montana, ook een openlijke racist, stelt dat ‘Winchell probeert Amerika de oorlog in te blitzkriegen’.

 

Vijfde kolonne

Iedere week komt Winchell weer met nieuwe onthullingen over de ‘isolationalisten’, in wier kringen hij vooral een vijfde kolonne van nazi-collaborateurs, antisemieten en racisten ziet. Zijn tips krijgt hij onder meer van de Anti-Defamation League, de beweging voor gelijke burgerrechten. Zo vergaart hij een imposante collectie vijanden, van autofabrikant Henry Ford en diens antisemitische krant The Dearborn Independent, de white supremacy-beweging van senator William Bilbo van Mississippi, generaal George van Horn Mosley, die openlijk de invoering van het nazisme in Amerika bepleit, en Fritz Kuhn, de chef van de Amerikaanse Nazi Bund. Volgens Winchell belt Kuhn hem geregeld met verdraaide stem op om hem met valse tips tot uitglijders te bewegen. Wanneer Winchell komt met het nieuws dat de Gestapo plannen heeft om Amerikaanse spoorwegen op te blazen, reageert Hoover geprikkeld. ‘Ik krijg genoeg van zijn hysterie’, laat hij zijn medewerkers weten. Toch verordonneert hij iedere tip van Winchell na te trekken. ‘Zodat we niet voor schut staan als er echt iets gebeurt’. Mogelijk laat de FBI-chef de telefoon van Winchell ook afluisteren.

 

Lindbergh

Opvallend is dat de ‘vijfde kolonne’ ook na Pearl Harbor, de Japanse aanval van 7 december 1941, waarna Roosevelt namens de VS de oorlog verklaart aan Japan, onvermoeibaar doorgaat met het bepleiten van een apart vredesverdrag tussen de VS en Duitsland. Roosevelt voorzag dat zelfs toen nog het verzet tegen een oorlog tegen Duitsland zo groot zou zijn dat hij het niet aandurfde Duitsland en Italië ook formeel oorlog te verklaren (al vochten de Amerikanen op de Atlantische Oceaan de facto al lang met de Britten mee tegen Hitlers U-Boote). Gelukkig waren Hitler en Mussolini zo gedienstig om een paar dagen later, op 11 december, de oorlog aan de VS te verklaren. Maar zelfs dat vermocht America First nog niet overtuigen. Vliegheld Lindbergh, inmiddels uitgegroeid tot de belangrijkste stem van de isolationistische beweging, en niet alleen in de ogen van president Roosevelt ‘een absolute nazi’, bepleit zelfs nog in 1941 voor het Huis van Afgevaardigden een apart vredesverdrag tussen de VS en Duitsland. Lindbergh was innig bevriend met autofabrikant Ford en de laatste liet zich tegenover een FBI-agent ontvallen: ‘Als Charles hier in Detroit bij me langs komt, praten we alleen maar over de Joden.’

Winchell mikt zijn pijlen niet uitsluitend op extreemrechts in Amerika. Gesouffleerd door Hoover bindt hij ook de strijd aan tegen vakbonden die zouden zijn geïnfiltreerd door agenten van de Sovjet-Unie. Als Hitler Parijs verovert houdt hij zijn publiek voor dat op het moment Stalin gevaarlijker voor Amerika is dan Hitler. ‘Stalin staat aan de poorten van de Amerikaanse fabrieken.’ De vakbond voor het zeetransport klaagt hem in 1940 aan met een eis tot schadevergoeding van een miljoen dollar voor zijn beschuldigingen dat zij een marionet is van Moskou. Hearst schikt de zaak uiteindelijk met een afkoopsom van 10.000 dollar. Dat is zeer tegen de zin van Winchell, die zich beroept op informatie uit de top van de regering. Het communistische dagblad The Daily Worker ziet er vooral imagomanagement in: ‘Toen Winchell begon met nazi’s aan te vallen, stond hij in de vuurlinie van die communistenvreters die toen zeiden dat alle joden die zich tegen het fascisme keerden communisten waren. De makkelijkste manier om te bewijzen dat hij geen rooie is was door de roden aan te vallen. Het was een kwestie van lafheid.’

‘Op zondagavond moesten we tot het optreden van Walter Winchell om negen uur de programma’s van diverse komieken uitzitten’, schrijft Philip Roth in The Plot Against America. ‘Als hij dan uiteindelijk kwam en datgene had gezegd, wat wij van hem hoopten, en het ook met de verachting uitsprak die we van hem hadden willen horen, brak bij ons in de steeg zo’n bijval uit, alsof de beroemde journalist niet in een radiostudio zat aan de andere kant van de Hudson, die brede grensrivier, maar hier bij ons, strijdlustig in ons midden, met losgetrokken stropdas, met opengeknopen hemd, de grijze vilten hoed naar achteren geschoven, alsof hij aan de keukentafel van de buren zat,met de microfoon op een handdoek’. De aanbidding van Winchell die Philip Roth in zijn roman beschrijft binnen de joodse gemeenschap van Amerika, was er ook in werkelijkheid. Hij werd vanuit die kringen bedolven onder eerbewijzen. De dankbare joodse gemeenschap van Lakewood, New Jersey, vernoemt zelfs bij leven al een straat naar hem als ‘de eerste soldaat van het land in de strijd voor de democratie’ en de joodse organisatie B’nai B’rith nam hem al in 1934 op in haar Hall of Fame omdat ‘niemand meer had gedaan dan deze heer met zijn roddel en zijn columns om het nazisme van de kaart te lachen.’ Maar naarmate de oorlog voortduurt, groeit de druk, zeker in opmaat naar de presidentsverkiezingen in de herfst van 1944, wanneer Roosevelt voor zijn derde termijn opgaat. De America First-beweging haalt alles uit de kast. Het republikeinse congreslid Clare Hoffman beschuldigt presidentsvrouw Eleanore Roosevelt van communistische sympathieën en probeert een mars op Washington te organiseren met als doel onmiddellijke stopzetting van de oorlog met Duitsland en Italië. Tegelijkertijd eist de afgevaardigde een onderzoek naar de banden van Winchell met het ministerie van Justitie, lees de FBI. Ook dient hij een wetsvoorstel in om de Anti-Defamation League, Winchells belangrijkste informatiebron, te verbieden. De afgevaardigde John Rankin (Mississippi), een openlijke antisemiet, krijgt de lachers in het congres op zijn hand met anti-joodse grappen over Winchell. De laatste toont zich verbijsterd. ‘Kijk hoe laat het is. We zijn in oorlog met nazi-Duitsland, waarvan de leiders aan de macht kwamen met een programma van racistische vervolgingen en moord. Nu, in het Amerikaanse Congres, krijgen deze vooroordelen van Hitler applaus en geschater.’

Als Roosevelt op 12 april 1945 sterft door een hersenbloeding, is Winchell gebroken. ‘Er hoeft geen monument voor F.D.R. te komen’, schrijft hij. ‘Zijn monument is voor altijd in de harten van het gewone volk.’ Met diens opvolger Truman krijgt Winchell geen warme band, integendeel. Het zou Winchell ter ore zijn gekomen dat Truman hem een ‘kike’ – scheldwoord voor joden – had genoemd, zo stelt Neal Gabler in zijn biografie. Truman maakt een eind aan de New Deal, Winchell noemt hem in private kring een ‘son of a bitch’.

 

Met Hitlers ondergang en de Japanse capitulatie na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, moet Winchell zichzelf opnieuw uitvinden. Nadat de Russische onderminister van Buitenlandse Zaken Andrei Vishinsky op 26 september 1946 in een 2,5 uur durende speech voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties een speciale vermelding van Walter Winchell als ‘oorlogshitser’ inlast, en van de Amerikaanse overheid een wet eist om hem het zwijgen op te leggen, vindt hij die nieuwe bestemming. ‘De Russische revolutie is de opstap naar de wereldrevolutie’, houdt Winchell zijn gehoor voor. ‘Nooit eerder verkeerde Amerika in zo’n groot gevaar.’ Met zijn nieuwe obsessie voor het rode gevaar vervreemdt Winchell zich van een deel van zijn oude aanhang en wordt hij voor regeringskringen juist een ideaal communicatiekanaal. Dat wordt nog erger als senator Joseph McCarthy uit Wisconsin zijn heksenjacht op al dan niet vermeende communisten begint. Winchell en McCarthy hebben een geweldige klik en de mannen speelden met het idee om zich gezamenlijk verkiesbaar te stellen voor het Witte Huis. Het aureool van Winchell bladdert zo verder af.

 

Josephine Baker

In 1951 loopt Winchells reputatie als kampioen van de burgerrechten ernstige schade op als de gevierde zwarte danseres Josephine Baker met haar gevolg in Winchells Stork Club op last van diens zakenpartner niet wordt bediend en vervolgens met steun van de zwarte gemeenschap een grote perscampagne begint wegens racisme. Winchells nieuwe concurrenten op de radio, onder wie Ed Sullivan, spinnen er goed garen bij. Voorheen had Winchell zich altijd sterk ingezet voor een gelijke behandeling van de afro-Amerikaanse gemeenschap. Met zijn zwarte vriend bokskampioen Sugar Ray Robinson had hij in Las Vegas hotels bezocht die verboden waren voor ‘honden en zwarten’ en samen met hem demonstratief een kamer geboekt. Nu voelt hij zich aangevallen. In plaats van de kwestie te verzoenen kiest Winchell voor een publicitair tegenoffensief. Hij duikt in zijn archief en beschuldigt Baker ervan in de jaren dertig steun te hebben gegeven aan Mussolini’s oorlog in Ethiopië en in Frankrijk ook met het Pétain-regime te hebben gecollaboreerd. Het maakt zijn zaak niet sterker. Allengs zinkt zijn populariteit.

Als radio plaatsmaakt voor tv als het belangrijkste massamedium, slaagt Winchell niet in een succesvolle transformatie. Zijn opgewonden staccato-dictie werkt op de radio fantastisch, maar voor tv-kijkers is het een afknapper. Zijn zoon Walt jr., die met weinig succes in de voetsporen van zijn vader probeerde te treden, had dat al voorspeld: ‘Als ze hem op tv zien, zouden ze alle respect voor hem verliezen.’ Dat bleek waar. Winchells tv-carrière bij ABC was een kort leven beschoren. De producent van Winchells tv-programma noemt de samenwerking ‘de ergste tijd van mijn leven’. Op het medium bleef zijn blikken stem uit vervlogen dagen wel nog jaren klinken als aankondiger van de geliefde detective-serie The Untouchables.

Een persoonlijk drama overkwam hem toen zoon Walt in het huwelijk trad met Eva von Klebow, wier vader in Duitsland een aanhanger van Hitler was geweest en als ingenieur actief was geweest voor de Luftwaffe van het Derde Rijk. Vader Von Klebow werd na de oorlog naar Amerika gehaald om te werken voor de Amerikaanse luchtvaartindustrie, maar op zijn werkkamer prijkten verborgen achter andere beelden nog altijd portretten van Hitler, vertelt zijn kleindochter Kenya Winchell aan De Republikein. Walter Winchell verbrak alle contact met zijn zoon en zijn jonge gezin. Walt jr. raakte verslaafd aan alcohol en drugs en zou in 1968 zelfmoord plegen. Volgens Kenya Winchell was haar vader al op jonge leeftijd getraumatiseerd vanwege de logeerpartijen die zijn vader hem oplegde in het huis van J. Edgar Hoover en zijn partner Clyde Tolson. Verhalen over seksueel misbruik deden de ronde. Als dat inderdaad zo was, betaalde Winchell de allerhoogste prijs aan zijn belangrijkste tipgever en beschermheer.

Toen Walter Winchell op 20 februari 1972 stierf aan een slepende kanker, was hij al zo goed als vergeten. Een poging van zijn laatste bewonderaars om in New York Times Square naar hem te vernoemen liep op niets uit. Het verdiende eerbewijs kwam pas veel later, met een roman van een van Amerika’s grootste romanciers. In Philip Roth’s The Plot Against America leeft een betere Winchell voort dan hij in het echt was. De duistere krachten die hij bij leven zo adequaat bestreed, zijn echter weer ontwaakt. Donald Trump, popelend om straks het roer van Joe Biden over te nemen, noemt zijn beweging niet voor niets ‘America First’.

Heeft u dit artikel gewaardeerd en wilt u dat uitdrukken met een donatie aan De Republikein? Dat kan via deze link:

Doneer € -

Dit artikel verscheen in De Republikein nr 4/2021. Verder in dit nummer:

Een gesprek met historicus Stephan Malinowski over de nieuwe ‘Historikerstreit’ in Duitsland om de restitutie-eisen van het Huis Hohenzollern, de collaboratie van het ex-koningsgeslacht met de nazi’s en de juridische klopjacht die het hoofd van het Huis tegen hem en collega’s voert als zij dat verleden oprakelen. ‘Hohenzollern heeft met zijn claims een Doos van Pandorra geopend.’

Jack Jan Wirken over het koloniale trauma in het klatergoud van de Gouden Koets. Aangaande de eindbestemming van het rijtuig is nu een advies aan koning en premier ingediend. Nooit meer gebruiken op Prinsjesdag en opbergen in een museum. Schril blijft het dat de dankbare ‘huldebrengers’ uit de overzeese gebiedsdelen die op de koets staan afgebeeld indertijd met één pennenstreek van hun Nederlandse nationaliteit werden beroofd, zoals Ulli Jessurun d’ Oliveira reconstrueert in zijn monografie De Gouden Koets en zijn koloniale kant.

Schrijfster en ex-europarlementariër Els de Groen begaf zich tussen de demonstranten op kroondomein Het Loo , die hun ijver zagen beloond met een forse bekeuring van twijfelachtig karakter. Zij vraagt zich af hoe groot de ecologische footprint van Willem-Alexander is: zeker is die ‘king size’.

Columnist Gerard Aalders reflecteert op het jongste staatsbezoek aan Noorwegen: ‘Voor vrouwen die nog meer hebben gezopen en gesnoven dan Mette-Marit, is zij een symbool van hoop’.

Maurits van den Toorn onderzoekt de waarachtigheid van de steeds meer gecultiveerde inzet van burgerschap als smeerolie van een vastgelopen politiek systeem. ‘Burgerinitiatieven worden vooral omhelsd als ze aansluiten bij de wensen van de gemeente.’

Adel-kenner Titus von Bönninghausen over de DNA-salon in Paleis Huis ten Bosch en het genealogische gehossel van het koninklijk paar. Naar de letter van het adelwezen is alles aan de koninklijke titelatuur fictie, en ook de Baskische roots van het huis van Zorreguieta komen neer op verzinsels, blijkt bij het doorvlooien van de beide stambomen.

Provo-oprichter Roel van Duijn kreeg Thierry Baudet aan de lijn over zijn kritiek op de complottheorieën waarin de FvD-leider grossiert en besloot tot een weerwoord in boekvorm.

Onze Rotterdamse huisdichter Manuel Kneepkens krijgt uitgeversadvies voor een Houellebecq-roman op z’n Hollands: over een polderrepubliek met een ‘shariah light’.

Classicus Anton van Hooff beschrijft de 16e eeuwse renaissance van de tirannenmoord en vergelijkt deze met de motivatie van de latere anarchistische koningsmoordenaars en jihadisten.

Onder professoren in coronatijd: Ricus van der Kwast over de Belgische ‘geluksprofessor’ Lieven Annemans, met zijn feitenvrije wetenschap een van de favoriete geleerden in de kringen van Willem Engel’s Viruswaanzin (in tegenstelling tot Annemans ultieme tegenvoeter Marc van Ranst), en Sjoerd de Jong presenteert een nieuw avontuur van ‘complotprofessor’ Karel, die voor de rechtbank op zoek gaat naar de chip in het hoofd van de koning.

In de kelder van het Darwin-museum in Moskou deed kunstenaar Fredie Beckmans een curieuze ontdekking. Aldaar rust, opgezet en al, de laatste hond van Stalin. Jachthond Milka was een geschenk van koningin Wilhelmina.

Gastcolumniste Daniela Hooghiemstra voorziet een toekomstige machtgreep van het Huis van de Oranje Postcodeloterij. Henk Westbroek verklaart nu ook de jacht op het volk voor geopend op de Kroondomeinen en Republiek-voorzitter Floris Müller kapittelt ANP-hoofdredacteur Freek Staps om diens gebrek aan verzet tegen de Mediacode.

Boekrecensies van Het Brusselse moeras. Achter de schermen van de macht in Europa van Tijn Sadée en Bert van Slooten en Friso; het tragische leven van Johan Willem Friso door Ronald de Graaf . En natuurlijk De Blik van Joep Bertrams.  Abonneren via deze link, nabestelling losse nummers via klantenservice@virtumedia.nl

Interview Ulli Jessurun d’Oliveira: Exit-strategie voor Amalia

Van de naar schatting 500 uitgesproken republikeinen in Nederland legt prof. mr. Hans Ulrich (‘Ulli’) Jessurun d’Oliveira (1933) veruit het meeste gewicht in de schaal. Het kersverse advies van de emeritus-hoogleraar van de rechtenfaculteit van de UvA om de Gouden Koets nooit meer te gebruiken was nog maar net uit of hij kwam al met een kant en klare exit-strategie ten bate van kroonprinses Amalia. De hoogste tijd om bij te praten.

 

Tekst René Zwaap

In uw recente advies over de toekomst van de Gouden Koets schrijft u: “Een koning die zich steeds burgerlijker voordoet om in de gunst van de bevolking te blijven, en die zich beter thuis voelt bij vliegtuigen, speedboten en snelle auto’s, zou er goed aan doen de hele naar onbestemde tijden archaïserende poppenkast met opgefrunnikte paarden, met voor niemand meer iets vertellende harnachementen, operettelakeien, blokkenisten, wandelkoetsiers en militair praalvertoon op Prinsjesdag af te schaffen”. Dat is dan gelijk het einde van uw warme betrekkingen met de koning, lijkt me zo…

‘Welnee, de koning lijkt het sportief op te nemen. Ik stuurde mijn boekje niet zo lang geleden op naar het paleis, en warempel, gisteren trof ik een bedankbriefje van de directeur van het kabinet van de koning in de brievenbus waarin hij namens de majesteit de hartelijke groeten aan mij overbrengt. Ik ga ervan uit dat onze relatie even vriendelijk blijft als voorheen. Toen ik hem een paar jaar geleden trof bij het feestelijke jubileum van de Maatschappij der Letterkunde, waarvan ik lid ben en hij erfelijk beschermheer, verzekerde Willem-Alexander mij nog dat republikeinen er vanuit zijn visie ook moeten zijn, want, aldus de majesteit, “jullie houden ons scherp”. Zoals ik eerder al eens zei: Het is een doodgoeie jongen, alleen zijn baantje deugt niet.’

In de zogeheten ‘klankbordgroep’ die het Amsterdam Museum formeerde om na te denken over de toekomst van de Gouden Koets zat u onder meer met de voorzitter van de Bond van Koninklijke Oranjeverenigingen Pieter Verhoeve, ook bekend als de burgemeester van Gouda. Zelf was u lid van het Republikeins Genootschap, nu van de vereniging Republiek, u gaf samen met Pierre Vinken de eerste zet aan de oprichting van dit tijdschrift, De Republikein, van de stichting die dit blad uitgeeft was u ook lange tijd voorzitter, en u bent ook nog eens medeauteur van Een Grondwet voor de Republiek Nederland uit 2004. Ik neem aan dat u en Verhoeve elkaar behoorlijk in de haren zijn gevlogen?

‘Ook dat viel reuze mee. Sterker nog, Pieter en ik zijn in de loop van het proces goede maatjes geworden. Bij de officiële opening van de tentoonstelling van de Gouden Koets in het Amsterdam Museum, waar Willem-Alexander ook bij was, wees directeur Judikje Kiers er zelfs op dat Verhoeve haar eerder over mij had toevertrouwd: “Ik weet niet hoe het komt, maar ik ben een klein beetje van die man gaan houden”. Andersom is dat overigens ook zo. En uiteindelijk is Verhoeve, thuis in het staatsrecht, het ook wel met me eens geworden dat het uiteindelijk de premier is die de beslissing over het ceremoniële gebruik van de brik neemt. Het woord daarover is nu aan de premier, al zwaait de koning wel de scepter over die koets. Dat heet: de Gouden Koets is sinds 1968 samen met het schip De Groene Draeck en regalia als de scepter, de rijksappel, de kroon en het rijkszwaard ondergebracht in de Stichting Kroongoederen van het Huis van Oranje-Nassau, maar die heeft maar één bestuurslid: de koning zelf. Dat wil weer niet zeggen dat Willem-Alexander in die Gouden Koets voor zijn eigen lol over het strand van Scheveningen kan toeren. Ook dat zou de ministeriële verantwoordelijkheid waarschijnlijk activeren. De statuten van die stichting reppen van gebruik ter “uitoefening van de koninklijke waardigheid”, dus gelegenheden waarbij het staatshoofd als officieel ambtsdrager optreedt. Bij die gelegenheden geldt volgens dat raadselachtige artikel 42 lid 2 van de Grondwet: “De koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk”. Dus is het uiteindelijk toch de premier die het als primus inter pares in de ministerraad voor het zeggen heeft. Daardoor draait ook niet de koning op voor die niet misselijke 6 miljoen euro die nodig bleek voor het opkalefateren van de koets, maar drukken die kosten op de staatsbegroting.‘

Zou het niet een beter idee zijn dat onding om te smelten en de baten te doen uitgaan naar de nabestaanden van de slaven en anderszins uitgebuite personen in het koloniale tijdperk?

‘Ach, het is allemaal maar klatergoud, de opbrengsten zouden te verwaarlozen zijn. Daarnaast ben ik niet zo onder de indruk van die damnatio memoriae-golf die momenteel het hele land overspoelt. Het iconoclasme op onwelgevallige monumenten, het verwijderen van namen en hele episodes uit de geschiedenis, lijkt mij niet de aangewezen methode voor een geslaagd proces van “Vergangenheitsbewältigung”. Het is zinvoller dat getroebleerde collectieve verleden onbevangen onder ogen te komen en zich daar rekenschap van te geven. Domweg uitgummen zoals Stalin liet doen op de foto’s van in ongenade gevallen kameraden is niet de weg. Wat mij betreft wordt Amsterdam de eindbestemming van de Gouden Koets. Uiteindelijk gaat het om een geschenk aan Wilhelmina van de dankbare Amsterdamse burgerij. Op die manier komt het cadeau retour afzender en kan het onderdeel worden van een breder voorlichtingsprogramma over vooral het koloniale tijdperk. De Gouden Koets staat nu tot maart volgend jaar op een binnenplaats van het Amsterdam Museum, netjes getakeld met een enorme hoogwerker. Het Amsterdam Museum was voorheen het Burgerweeshuis, en daar hebben vlijtig bordurende weesmeisjes een fors aandeel gehad in de vijftien miljoen steekjes die benodigd waren voor het interieur van de koets. Maar helaas gaat het museum binnenkort dicht voor een verbouwing en pas in 2025 gaat het weer open. Voorheen stond de koets in de Koninklijke Stallen, maar daar paste ze eigenlijk niet in, zodat het dak ervan telkens moest worden verwijderd. Dat euvel schijnt verholpen in een nieuw ondergronds paviljoen bij Paleis ‘t Loo, waar de koets in de tussentijd waarschijnlijk wordt gestald. Intussen kunnen de koning en de premier op hun wekelijkse onderonsjes op maandagochtend tot een vergelijk komen hoe verder met de koets.’

Nu de net meerderjarig geworden kroonprinses Amalia. U heeft een exit-strategie voor haar ontwikkeld om zich van het koningschap los te weken. Hoe steekt die in elkaar?

‘Allereerst: tot koning maken is een moderne vorm van slavernij, die je niemand mag aandoen in een beschaafd land. De voorbereiding daartoe is au fond geestelijke kindermishandeling en in strijd met het internationale Kinderrechtenverdrag waar ook Nederland aan gehouden is. Dus eigenlijk zou de rechter de ouders uit de ouderlijke macht hebben moeten ontzetten en Amalia en haar zusjes, de zogeheten Triple A, onder haar hoede moeten nemen. Maar er is nog een andere ontsnappingsroute. Zoals bekend heeft moeder Máxima een dubbele nationaliteit: de Argentijnse door geboorte en de Nederlandse via een speciale procedure die ook voor topsporters wordt gebruikt. Kinderen van Argentijnen die buiten Argentinië geboren worden kunnen door optie de Argentijnse nationaliteit krijgen. Dat staat in de Argentijnse nationaliteitswet. Bij mijn beste weten bezitten de drie koningskinderen nu alleen de Nederlandse nationaliteit. Maar nu ze meerderjarig is, kan Amalia ook zelf deze stap zetten. Als ze daarvoor kiest, is het onvermijdelijke gevolg dat zij haar Nederlanderschap verliest. En het effect daarvan is verstoting uit de troonsopvolging. Dat staat niet in de Grondwet, maar in de Wet op het lidmaatschap van het Koninklijk Huis. Dat zegt dat het lidmaatschap van het Koninklijk Huis niet wordt verkregen bij gemis van het Nederlanderschap en dat het eindigt bij verlies van het Nederlanderschap. Wie uit het Koninklijk Huis valt, verliest zijn of haar aanspraken op de troon. Een sierlijke ontsnapping, lijkt mij zo, die ik de gehele Triple A graag in overweging geef.’

Tot slot een persoonlijke vraag. Hoe komt een Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, zoals u bent, eigenlijk in republikeins vaarwater terecht?

‘Dat was een langer proces. Ik was allang van republikeinse gezindheid toen ik in 2004 dat lintje ontving. Door het koninklijk behagen ben ik niet gepaaid. Voor het Nederlands Juristenblad schreef ik  later in het kader van een speciale editie met adviezen voor de koning een pleidooi voor de herinvoering van de republiek. Ik besloot de voordracht van mijn advies met een welgemeend en krachtig “hoepel op” richting koning, en dat leidde toen nog tot uiterst geschokte reacties onder de aanwezige collegae-juristen. Kijk, ik ben natuurlijk niet zo’n republikein die iedere nacht knarsetandend van woede in zijn bed ligt te woelen omdat we nog steeds een koning hebben. De monarchie op zich is een idiote staatsvorm, maar er zijn talloze ergere misstanden. Dat vergemakkelijkt de communicatie met andersdenkenden.’

 

Dit artikel verscheen in De Republikein nr 4/2021. Verder in dit nummer:

Een gesprek met historicus Stephan Malinowski over de nieuwe ‘Historikerstreit’ in Duitsland om de restitutie-eisen van het Huis Hohenzollern, de collaboratie van het ex-koningsgeslacht met de nazi’s en de juridische klopjacht die het hoofd van het Huis tegen hem en collega’s voert als zij dat verleden oprakelen. ‘Hohenzollern heeft met zijn claims een Doos van Pandorra geopend.’

Jack Jan Wirken over het koloniale trauma in het klatergoud van de Gouden Koets. Aangaande de eindbestemming van het rijtuig is nu een advies aan koning en premier ingediend. Nooit meer gebruiken op Prinsjesdag en opbergen in een museum. Schril blijft het dat de dankbare ‘huldebrengers’ uit de overzeese gebiedsdelen die op de koets staan afgebeeld indertijd met één pennenstreek van hun Nederlandse nationaliteit werden beroofd, zoals Ulli Jessurun d’ Oliveira reconstrueert in zijn monografie De Gouden Koets en zijn koloniale kant.

Schrijfster en ex-europarlementariër Els de Groen begaf zich tussen de demonstranten op kroondomein Het Loo , die hun ijver zagen beloond met een forse bekeuring van twijfelachtig karakter. Zij vraagt zich af hoe groot de ecologische footprint van Willem-Alexander is: zeker is die ‘king size’.

 

Columnist Gerard Aalders reflecteert op het jongste staatsbezoek aan Noorwegen: ‘Voor vrouwen die nog meer hebben gezopen en gesnoven dan Mette-Marit, is zij een symbool van hoop’.

 

Maurits van den Toorn onderzoekt de waarachtigheid van de steeds meer gecultiveerde inzet van burgerschap als smeerolie van een vastgelopen politiek systeem. ‘Burgerinitiatieven worden vooral omhelsd als ze aansluiten bij de wensen van de gemeente.’

René Zwaap over het drama van Walter Winchell, de razende reporter die de strijd aanbond met America First, de beweging die voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog aandrong op een aparte vrede tussen de VS en nazi-Duitsland en zelf ook fascistische elementen had. Zijn hechte band met FBI-chef J. Edgar Hoover grensde aan het onbetamelijke en kostte mogelijk het leven aan Winchells enige zoon. In Philip Roth’s distopische succesroman The Plot Against America, over een fascistische machtsovername in de VS anno 1940, speelt Walter Winchell echter niet voor niets een heldenrol.

Adel-kenner Titus von Bönninghausen over de DNA-salon in Paleis Huis ten Bosch en het genealogische gehossel van het koninklijk paar. Naar de letter van het adelwezen is alles aan de koninklijke titelatuur fictie, en ook de Baskische roots van het huis van Zorreguieta komen neer op verzinsels, blijkt bij het doorvlooien van de beide stambomen.

Provo-oprichter Roel van Duijn kreeg Thierry Baudet aan de lijn over zijn kritiek op de complottheorieën waarin de FvD-leider grossiert en besloot tot een weerwoord in boekvorm.

Onze Rotterdamse huisdichter Manuel Kneepkens krijgt uitgeversadvies voor een Houellebecq-roman op z’n Hollands: over een polderrepubliek met een ‘shariah light’.

Classicus Anton van Hooff beschrijft de 16e eeuwse renaissance van de tirannenmoord en vergelijkt deze met de motivatie van de latere anarchistische koningsmoordenaars en jihadisten.

Onder professoren in coronatijd: Ricus van der Kwast over de Belgische ‘geluksprofessor’ Lieven Annemans, met zijn feitenvrije wetenschap een van de favoriete geleerden in de kringen van Willem Engel’s Viruswaanzin (in tegenstelling tot Annemans ultieme tegenvoeter Marc van Ranst), en Sjoerd de Jong presenteert een nieuw avontuur van ‘complotprofessor’ Karel, die voor de rechtbank op zoek gaat naar de chip in het hoofd van de koning.

In de kelder van het Darwin-museum in Moskou deed kunstenaar Fredie Beckmans een curieuze ontdekking. Aldaar rust, opgezet en al, de laatste hond van Stalin. Jachthond Milka was een geschenk van koningin Wilhelmina.

Gastcolumniste Daniela Hooghiemstra voorziet een toekomstige machtgreep van het Huis van de Oranje Postcodeloterij. Henk Westbroek verklaart nu ook de jacht op het volk voor geopend op de Kroondomeinen en Republiek-voorzitter Floris Müller kapittelt ANP-hoofdredacteur Freek Staps om diens gebrek aan verzet tegen de Mediacode.

Boekrecensies van Het Brusselse moeras. Achter de schermen van de macht in Europa van Tijn Sadée en Bert van Slooten en Friso; het tragische leven van Johan Willem Friso door Ronald de Graaf . En natuurlijk De Blik van Joep Bertrams.  Abonneren via deze link, nabestelling losse nummers via klantenservice@virtumedia.nl

 

 

Kerstmis in de Lik

Tekst Manuel Kneepkens

 

Mr. Hubert Vrakken antwoordde op recepties en dergelijke als iemand hem naar zijn maatschappelijke functie vroeg: ‘Forensisch Filantroop’… En dat was niet zomaar voor de grap.

Hij was immers al zeker al twaalf jaar bezig de maatschappelijke positie van de gevangenen in Nederland te verbeteren. Misschien omdat hij bij zijn pogingen enkel het harmoniemodel hanteerde, had hij tot nu toe eigenlijk maar weinig succes gehad. Behalve dan dit!

In zijn hand hield hij maar liefst vijf uitnodigingen van directeuren van Huizen van Bewaring en Gevangenissen om het Kerstmaal in hun instelling mee te vieren.

Mr. Vrakken was niet zo dol op dit soort invitaties. Want behalve jurist was hij ook een gastronoom, een lekkerbek. En lekkerbekken hebben in de gevangenis niets te zoeken. Het eten vertoont daar maar weinig variatie. Vermicellisoep, rode kool, gekookte aardappels en een miniem stukje vlees, meestal een schriele karbonade of dito hamburger. Dan had je het zo ongeveer wel gehad.

En het enige waarin het Kerstmaal zou verschillen van het menu van alledag, zou hoogstens zijn dat de porties wat royaler dan gebruikelijk! Wat een droefheid! Daar was de Heere Jezus toch niet voor op aarde gekomen!

Met tegenzin scheurde hij de laatste envelop open. Een invitatie uit de koepelgevangenis te Haarlem! Het gezicht van Mr. Vrakken klaarde op. Dat was andere koek! In de gevangenis te Haarlem was recent Pollepel Johnny opgesloten, in het dagelijks leven niet alleen een onverbeterlijke antiekdief, maar óók de souschef van een gerenommeerd restaurant in Scheveningen (twee sterren!). Het Kerstmaal kon wel eens een culinair hoogstandje worden, daar in Haarlem!

Mr. Vrakken greep onmiddellijk de pen om de heer Brandauer, directeur van de gevangenis aldaar, te melden dat hij op Eerste Kerstdag stipt om een uur ’s middags aan de poort zou staan.

Sneeuw knerpte onder de schoenen van Mr. Vrakken, toen hij de deur van zijn auto sloot, vlakbij de kasteelachtige poort van de gevangenis in Haarlem. Hij belde aan. Het deurtje in de poort zwaaide open en daar stond een kleine vijftiger, de adjunct-directeur Schacht. Een meestal wat vermoeid ogende man – want directielid van een gevangenis, ga er maar aan staan! –  maar nu stralend alsof het al Lente was in Haarlem. Quod non.

‘Komt u gauw naar binnen, meneer Vrakken!Wij dienen stipt op tijd te beginnen. Er komt Hoog Bezoek!’

‘Hoog bezoek?’

‘Ik zeg niets. Het is een verrassing voor de gedetineerden ….voor ons allemaal, trouwens! Deze kant uit!’

Ze liepen nu in snel tempo de donkere gang door, die het poortgebouw verbond met het eigenlijke cellengebouw. De versleten kokosmat die hier voorheen op de granieten vloer placht te liggen, bleek vervangen door een gloednieuwe roodfluwelen loper. Overal hingen takjes groen en glommen kerstballen. Weggemoffeld achter crêpe papier kweelden de Damrakkertjes via de loudspeakers ‘Nu sijt wellecome, Jesu Lieve Heer!’

De binnenpoort zwaaide open en nu stonden ze op ’het vlak’: de grote, centrale ruimte van de koepelgevangenis. Het eerste wat Hubert Vrakken opviel was de stilte. Meestal is het vlak vervuld van een ware kakofonie. Gevangenen en bewaarders bonken op de ijzeren wenteltrappen rondom. Deuren slaan open dicht. Schoonmakers ratelen met hun emmers. Bewaarders schreeuwen orders naar hun collega’s op de ringen.

Maar ditmaal niets van het normale inferno. Stilte. Op wat stemmige Kerstmuziek na dan.Midden op het vlak stond een gigantische tafel in T-vorm gedekt. Aan de lange zijde hadden de gedetineerden plaats genomen, aan de korte de autoriteiten.

Schacht deed Vrakken aan de hoofdtafel aanschuiven. Naast de stoel van directeur Brandauer was nu nog één stoel onbezet. Zeker voor het Hoog Bezoek. Wie zou het zijn?

Minister van Agt? Staatssecretaris Glastra van Loon? (Ja, dit verhaal speelt in lang vervlogen tijden…). In elk geval iemand die uitgekookt genoeg was om het Kerstmaal uit te zitten in de gevangenis, waar Pollepel-Johnny was opgesloten.

Opnieuw zwaaide de poort naar het vlak open…en daar stond, gigantisch naast de nietige gestalte van de adjunct, onder een kolossale hoed, het Rubensachtige lichaam in marineblauw mantelpak, de Kroonprinses…

‘Bea…!’, mompelde mr. Hubert Vrakken.

Maar zijn gemompel ging verloren in de klanken van een schor Wilhelmus dat de gedetineerden onder enige pressie van de autoriteiten inzetten.

De Kroonprinses naderde nu vriendelijk groetend de hoofdtafel, Reeds waren de twee oranjezonnetjes van haar blozende wangen onder haar hoed te zien. Nog even…ja, daar schudde hij haar grote, witte handschoen.

Ook zij had hem herkend.

‘Hubert!’

‘Bea!’, stotterde hij. ‘Bea!’

‘Hubert! Jij hier?…’ Ze herstelde zich: ‘Meneer Vrakken, wat leuk u hier te zien.’

‘Meneer Vrakken studeerde tegelijkertijd met mij!’, zei ze, terwijl ze zich omdraaide naar Brandauer en Schacht: ‘Een énige tijd, niet, meneer Vrakken ?!’

En vlug schoot ze langs hem naar haar plaats aan de hoofdtafel. Bang zeker dat hij  confidenties aan Brandauer en Schacht zou gaan doen over ‘die énige tijd’. Alsof hij dat van plan was. … Dat ze elkaar ooit gekust hadden… Een zwoele tongkus, dát ook nog… in een stoffige inham in de bibliotheek van het Criminologisch instituut aan het  Rapenburg, op een regenachtige herfstmiddag, toen ze daar helemaal moederziel alleen waren. Een oprisping van plotselinge … ja, van wat eigenlijk? Onbeholpen liefde?

Waarvan zij beiden behoorlijk schrokken. Vrakken nog het meest. De Prinses bleef er veel kalmer onder. Hervond al snel haar waardigheid. Veegde haar mond af met een batisten zakdoekje – door een burgerjongen gekust, nietwaar –  en ging vervolgens doodleuk door met het lezen van het boek, dat voor haar open geslagen lag. ‘Misdaadkunde’, van Prof. Mr. Dr. J.M. van Bemmelen, de Dikke Van Bemmelen…

(Jaren later nog, kon Hubert Vrakken het boek nog voor zich zien, zoals het toen daar lag, De 17de, geheel hernieuwde druk).

Wel gebaarde de Kroonprinses nog driftig dat Hubert Vrakken de ruimte moest verlaten! Hare Koninklijke Hoogheid wilde blijkbaar nu helemaal alleen zijn. Dringend. Om het onverwachte te verwerken… De ‘misdaad’ jegens haar gepleegd…

Bij die ene kus – DE KUS ! – daar was het bij gebleven. Zij had het eigenlijk al uitgemaakt, nog voordat het begonnen was. Zij deed het niet met een burgerjongen, . Dat kón niet, dat kón nu eenmaal niet! Zij was de Kroonprinses!

Maar De Kus, hoe had die dan in Godsnaam plaats kunnen vinden? Want… het was van haar uitgegaan! Van haar! Zij was op hem afgekomen in die duistere nis. Had hem plotseling omhelsd en diep gekust, Niet andersom! En …hem toen weer even plots losgelaten en, volkomen raadselachtig, uitgeroepen: ‘Je bent het niet! Je bent het niet ! Holy shit!’ Of woorden van een dergelijke strekking. Waarna ze resoluut en weer op haar plaats aan de bibliotheektafel was gaan zitten, duidelijk verdrietig boos, achter haar Van Bemmelen.

Wat was de verklaring van dit onbegrijpelijk ‘onkroonprinselijk’ gedrag van de Kroonprinses? Want er moest een verklaring zijn! Plotseling opgekomen geilheid? Hubert Vrakken brak zich dagenlang het hoofd er over. Was het Nurture of Nature? Een combinatie van beiden? Heel de psychologische criminologie ging eigenlijk over die vraag.

Subvraag: Wat maakt personen eigenlijk voor elkaar aantrekkelijk? De feromonen? De status?

Had zij, de Kroonprinses, aangevoeld dat hij haar wel mocht en was dat gevoelen haar te sterk geworden?

Had het haar overmand?

Want, inderdaad… Hubert vond haar inderdaad niet onaardig toentertijd, met die blozende sinaasappeltjeswangen met een kuiltje erin als ze lachte. En die enigszins  deinende loop van haar. Waarschijnlijk veroorzaakt door een lichte bekkenverbuiging, het gevolg van te veel paardrijden, aldus een clubvriend van Hubert, een malicieuze student medicijnen.

De Prinses droeg het haar toen ook nog tamelijk normaal. En niet zoals later in die merkwaardige gietijzeren pruikvorm. Als van de Kaartenkoningin (‘Kop eraf!’)  in Alice in Wonderland.

Je kon haar ’s ochtends zien deinen daar in Leiden over de kasseien van de Kloksteeg richting het Juridisch Centrum Gravensteen met zo’n rieten mandje aan de arm, het ėlle-mandje geheten. Elles, zo heetten toen in de wandeling de leden van de VVSL, de Leidse Vrouwelijke Studentenvereniging, waarvan toen vrijwel alle meisjesstudenten lid waren. En die meisjesvrouwen droegen allemaal zo’n mandje alsof ze allemaal Roodkapjes waren op weg naar Bedlegerige Grootmoeders – pas voor de Wolf in de Breestraat! – in plaats van naar het ochtendcollege Burgerlijk Recht.

Het raadsel werd de week daarop, onverwacht, ‘opgelost’ door een incident in het Gravensteen met een paparazzo. Het bleek dat hij, Hubert Vrakken, een dubbelganger had, of, pijnlijker gezegd, dat hij, Hubert Vrakken, de dubbelganger was van een andere Leidse student, een veel bekendere dan hij. Van iemand, die de prinses zeer toegenegen was.

In die dagen was een groot deel van het Nederlandse volk, het vrouwelijke voorop, plus een groot deel van de Nederlandse pers, de Trojegraaf voorop, almaar bezig met de vraag of de kroonprinses al een vriendje had… En als dat zo was, wie dan wel?

Nu had de Kroonprinses inderdaad in die dagen een vriendje, ene Wobbe, Wob of Bob Teenstra – Wie is de Bob ?– het kan ook Feenstra of Steensma of misschien zelfs Spleenstra geweest zijn, what’s in a name?

Die jongen werd door zijn Leidse medestudenten toentertijd spottend Prins Wob genoemd. Spottend, want fluister… fluister… het kon nooit iets worden tussen die twee, want die arme Wobbe leed aan hetzelfde ‘zware’ euvel als Hubert Vrakken.

Hij was niet van adel, het was een doodgewone burgerjongen, ‘de zoon van een notaris’  (Vergelijk: jaren later – le histoire se repète –  Willem Alexander en Emily Bremer ‘de dochter van een tandarts’).

Daar kon het Koningshuis zich natuurlijk niet mee encanailleren.

Nee, het water was veel te diep.

Prins Wob was een lange, schrale jongen met op z ’n neus zo’n streng stalen ziekenfondsbrilletje, als geliefd in die dagen bij het Leidse mannelijke studentendom. Hubert Vrakken droeg het ook. Ook hij was lang en in die dagen werkelijk Piet Paaltjens-achtig mager.

Als Prins Wob.

En toen gebeurde het. Het incident! Een Trojefotograaf wist het Gravensteen binnen te dringen en er bliksemsnel een foto te maken van de Prinses die daar in de hal een kopje thee stond te drinken met wat jaargenoten. Geheel aan de andere kant van de hal bij een groepje eerstejaars stond hij, Hubert Vrakken, eveneens met een kopje thee.

Daarbij had die louche paparazzo de snapshot zo weten te nemen dat Hubert plots recht tegenover de prinses bleek gekatapulteerd.

‘De Kroonprinses en haar vaste vriend Wobbe Teenstra’, stond als onderschrift bij de zwart-wit foto, die de volgende dag groot op de voorpagina prijkte van de Trojegraaf! Een Primeur!

Nu was de aloude, roemruchte Maastrichter Gazette in die dagen verworden tot een kopblad van de Trojegraaf.

Blijkbaar lag die krant bij Huberts tantes in Maastricht ’s ochtends op de vloermat, want prompt kreeg hij, Hubert Vrakken, een brief van tante Hortense Lambermont uit de Grote Looyerstraat, de oudste zuster van zijn moeder, de alom in Maastricht gerespecteerde voorzitster van het MKV, de Maastrichter Katholieke Vrouwenvereniging.

‘Mooi, Hubert, dat je je in de hoogste kringen van het land weet in te werken, maar denk er aan .. zij is niet katholiek!’

Ja, protestant versus katholiek , dat was toen de wij zij -tegenstelling. Moslims waren nog in geen velden of wegen te bekennen! Dus waren wij, christenhonden, gedwongen, toentertijd, het met elkaar te doen….ons favoriete nationale spel Mens -erger – je–niet!

Én de Kus? De ‘Kus der Kussen’? Die was blijkbaar dus niets anders dan het (on) gelukkige gevolg van een persoonsverwisseling!

Klaarblijkelijk had de Kroonprinses daar in die duistere nis in de Criminologische Bibliotheek Hubert Vrakken aangezien voor Wobbe Teenstra (de Oranjes zijn kippig) en blijkbaar besloten haar niets vermoedende Wob te verrassen met een innige omhelzing. Te laat bemerkte de Verliefde, ocharm, dat het niet Prins Wob was die zij in haar armen gesloten had, maar Prins Hubert…

Of… was er toch door die ondoordachte kus een of andere chemie ontstaan tussen hen beiden? Zo ja, hoe lang werkte zo’n chemie dan? Kan het zijn dat zo’n chemie nooit ophoudt…  Ther are more things in heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophie!

Het Diner overtrof Hubert Vrakkens stoutste verwachtingen. Vooraf Schildpadsoep met een forse scheut Madeira erin. Ganzenpastei als eerste tussengerecht. Truite bleu als tweede. Geef mij maar rolmops, hoorde hij een gedetineerde meesmuilend zeggen. Bij sommige gevangenen is het toch ook nooit goed!

En als klapstuk: reerug, op Elzassische wijze met buikspek gelardeerd… En rijkelijk opgediend met cranberries! En Pommes Parisiens! En Compote Macedoine!

En toen dan ook samen met een kolossale ijstaart – ‘het toetje’ – Pollepel-Johny het vlak betrad, ging er een luid gejuich op. Plus een klaterend applaus.

En Vrakken hoorde Brandauer opmerken tegen de Kroonprinses: ‘Jammer dat Johnny niet van het Antiek kan afblijven, ander zou het een héle goeie zijn voor bij uw moeder in de keuken op Soestdijk!’

Na de ijstaart stond de prinses op. Nee, ze had geen tijd meer voor de koffie. Zij moest, helaas, gaan. Zij gaf de autoriteiten een handje en wuifde gracieus naar de gedetineerden. Hier en daar aan de tafel werd aarzelend opgestaan en opnieuw het Wilhelmus aangeheven.

Toen boog ze zich naar Hubert.

‘Meneer Vrakken, het zou mij een genoegen zijn, als u mij naar de poort zou begeleiden…’

‘Eh .. ja, maar natuurlijk, Koninklijke Hoogheid,’ stotterde hij.

En daar gingen ze, voorafgegaan door de kwikzilveren Schacht, luid rinkelend met zijn sleutelbos, een curieuze Cupido.

Nog tamelijk plotseling stonden ze op straat. Dooi had ingezet. Sneeuwwater druppelde van de lantaarns. In de verte draaide een laatste pekelwagen van de gemeente de binnenstad van Haarlem in.

Waarom had zij hem mee naar buiten gevraagd? Ging zij hem… kussen ? Plotseling en hartstochtelijk… als toen? Was voor haar die zwoele tongkus  van zoveel jaren terug even onvergetelijk gebleven als voor hem? Was dat wat er er stond  te gebeuren?

Wat een onzin! Wat haalde hij zich in zijn hoofd?

Want de Hofauto was inmiddels al geruisloos glanzend aangereden en even later hield de chauffeur al uitnodigend de portierdeur open.

‘Hubert,” zei ze: ‘Toe, beloof me, je moèt eens langs komen op Drakesteyn!’

Even zweeg de forensisch filantroop. Toen zei hij:

‘Maar natuurlijk, Bea, ten slotte ben ik het gewend gevangenissen te bezoeken!’

1 2 3 9