Artikelen - Page 3

De Avonturen van Dick Stein, privé-detective, deel X: Koningsdag

/

Een privé-detective aan lager wal raakt verzeild in hofintriges op het hoogste niveau en komt in aanvaring met ondergrondse republikeinse verzetsgroepen, al even fanatieke Oranjeklanten en nietsontziende geheime diensten. Dick Stein, voormalig undercover-agent van de Amsterdamse politie, liefhebber van jazz, Feyenoord en femmes fatales (niet noodzakelijk in die volgorde) houdt kantoor op de Amsterdamse Wallen. Gewapend met een bruine band judo, een basistraining in de Joodse zelfverdedigingstechniek Krav maga en gekweld door een zwak hart, weet de privédetective zijn zaken toch telkens weer tot een einde te brengen, al is het soms geen goed einde. In deel X verdiept Dick Stein zijn band met de koninklijke familie op Koningsdag in Amsterdam en blijkt hij in weerwil tot zijn eerdere vermoedens toch niet verkeerd gereïncarneerd


Tekst: René Zwaap

Hoofdstuk 10

KONINGSDAG

Dick Stein schrok wakker van het ijlhoge geblaf van dwergterriër Didi, die in hoogste staat van alarm was geslagen vanwege de rinkelende deurbel. Met ferme tegenzin maakte hij zich los uit de omarming van de aanbiddelijke Joni, die vredig bleef slapen na een lange en intensieve liefdesnacht. Haar lichtblonde krulletjehaar lag als een waaier uitgespreid over het kussen. Terwijl Stein zichzelf grommend uit bed hees en zijn ochtendjas omsloeg reconstrueerde hij met enige moeite de gebeurtenissen van de voorgaande uren. Al zijn chakra’s waren probaat doorgesmeerd, zoveel was zeker.

Hij drukte op de knop van de deuropener en liep naar het trapportaal om te zien wie zich had aangemeld. Beneden aan de trap stond majoor Van Tichelen van de Nationale Veiligheidsdienst in zijn onafscheidelijke groene jagersjas.

‘Menner Stein! Waar blijft u nou?’, riep deze paniekerig naar boven. ‘Het is Koningsdag! De Koning wacht op u!’

‘Ach ja, Koningsdag. Glad vergeten’, riposteerde Stein met zijn sonore basstem, die altijd meer rust suggereerde dan waarover hij in werkelijkheid beschikte.

Op Van Tichelen had deze nu ook geen kalmerend effect. ‘Vergeten! Hoe is het in vredesnaam mogelijk? Onmiddellijk meekomen! Nu!’

‘Beginnen jullie maar alvast’, zei Stein. ‘Ik kom er later bij. Moet nog even douchen en ontbijten’.

‘Geen sprake van!’, gilde Van Tichelen, terwijl hij ontzet de smalle steile trap kwam opgerend. ‘De Koningin zet geen stap door Amsterdam zonder u aan haar zijde!

Joni was inmiddels ook wakker geworden en kwam gekleed in alleen het jasje van Steins flanellen pijama de keuken in lopen, waar een hevig transpirerende majoor Van Tichelen aan tafel had plaatsgenomen terwijl Stein koffie zette,

‘Jeetje, wat een boel beschadigd aura heeft u om u heen hangen’, sprak ze tot Van Tichelen, terwijl ze hem met haar grote ronde lichtblauwe kijkers in ogenschouw nam.

‘Pardon?’, antwoordde deze, nog immer buiten zichzelf, maar toch ook duidelijk onder de indruk van deze onverwachte engelachtige verschijning in de deuropening.

‘Joni hier is manueel therapeute’, legde Stein uit, terwijl hij een paar eieren brak en de dooiers in de pan gooide. ‘Ze doet wonderen met haar handen’.

‘Het gaat niet om de handen maar om de mind-set’, zei Joni zoetgevooisd, terwijl ze naast Van Tichelen plaatsnam. ‘Mag ik even?’ Ze pakte een hand van Van Tichelen en begon de nagelriemen van iedere vinger een voor een zacht te masseren. Van Tichelens aanvankelijke weerstand smolt weg als sneeuw voor de zon en als betoverd staarde hij mer een milde glimlach rond de lippen naar het gezicht van de liefelijke Joni, die nu zijn ringvinger bewerkte.

‘Deze vinger leidt naar de dikke darm’, legde ze uit. ‘Die is bij u helemaal van slag. U heeft zeker veel stress?’

‘Dat kunt u wel zeggen’, beaamde Van Tichelen dankbaar, en terloops wierp hij een vermanende blik richting Stein, terwijl deze gulzig zijn gebakken eieren verorberde.

***
De Nieuwmarkt was al afgeladen met stands voor de traditionele vrijmarkt op Koningsdag toen Van Tichelen en Stein door het gewoel richting de Prins Hendrikkade liepen. Van Tichelen blafte instructies in Steins oor, terwijl deze in gedachten nog altijd bij het romantische samenzijn met Joni van de voorgaande nacht was. Ze had puur op grond van zijn sterrenbeeld geopteerd voor een nadere kennismaking. Als hij Ram, Steenbok of Schorpioen was geweest had hij het kunnen schudden, maar Waterman paste volgens haar astrologische agenda precies goed bij haar Vissen, en hij beschikte ook nog eens over de vereiste bijpassende ascendant. Het idee dat hij verkeerd was geïncarneerd, dat hem placht te achtervolgen, werd zo eens voor een keertje overtuigend weerlegd. Hij werd er stante pede spiritueel van.

‘Altijd gepaste afstand houden van de majesteiten!’, riep Van Tichelen. ‘Nooit iets tegen hen zeggen zonder dat u iets wordt gevraagd! En bij ieder onraad onmiddellijk erop af!’

‘Komt goed, Van Tichelen’, zei Stein.

Een wagen van de Nationale Veiligheidsdienst stond gereed aan de Prins Hendrikkade, die hen vliegensvlug naar het Marineterrein aan ‘t IJ reed, waar in een hal het hele koninklijke circus al gereed stond.

‘Meneer Stein, daar bent u eindelijk!’, riep de Koning enthousiast, toen Stein en Van Tichelen kwamen binnenlopen. Enthousiast schudde hij Steins hand. Minister Steffi Dros toonde zich al even ingenomen met zijn komst en omhelsde Stein zo lang dat Stein het er benauwd van kreeg. Ook de Amsterdamse burgemeester was aanwezig. Ze nam Stein van top tot teen op en gaf hem een lauw handje. Een hele rits van familieleden van de koning en andere hoogwaardigheidsbekleders volgden met hetzelfde begroetingsritueel.

‘U draagt uw onderscheiding niet’, merkte de koning enigszins teleurgesteld op, met een blik op het revers van Steins colbertje.

‘Een betreurenswaardige samenloop van omstandigheden’, legde Stein naar waarheid uit. ‘Het lintje belandde in de gracht.’

‘We laten u wel een verse bezorgen’, stelde de koning gerust. ‘Lintjes genoeg uiteindelijk.’

Tot een van de beveiligers die om hem heen stonden sprak de koning gebiedend: ‘Zeg mijn vrouw dat de kust nu veilig is. Meneer Stein is gekomen’.

Een paar minuten later kwam de koningin op haar vervaarlijke hoge hakken de hal inlopen. Haar donkere ogen spuwden vuur. Haar ietwat onzekere tred verried dat ze zich mogelijk enige moed had ingedronken. Maar voor de rest: wat een slagschip van een vrouw, bedacht Stein zich, terwijl hij ter begroeting onwillekeurig een beleefd buiginkje maakte.

‘Meneer Stein, ik ben zo blij dat u er bent’, zei de koningin met haar charmante Latijns-Amerikaanse tongval. ‘Mijn man zegt me maar de hele tijd dat wij niets te vrezen hebben in Amsterdam, maar ik ben er niet gerust op. Wat als dat verschrikkelijke Bataafse Bevrijdingsfront weer opduikt? Horribele!’

Ze verwees naar de gebeurtenissen op de voorgaande Prinsjesdag, toen tijdens de rondrit door Den Haag bij de opening van de Staten-Generaal op Prinsjesdag de Gouden Koets was besmeurd met rode verfbommen. Maar de vermoedelijke dader daarvan, Peter Verbraak, was dankzij Stein al lang en breed ingerekend en vooralsnog ontbrak van medestanders van hem ieder spoor.

‘Het komt goed, majesteit’, zei Stein. ‘Zo erg als in 1980 zal het niet snel worden’.

‘1980? Wat was in 1980?’, riep de koningin verontrust uit.

‘Niets bijzonders. Een paar opstootjes’, stelde haar man haar gerust. En daarna, geamuseerd tot het hele gezelschap: ‘Ik begreep dat meneer Stein toen zelf ook nog is gearresteerd omdat hij de Mobiele Eenheid had belaagd.’

‘Toen werkte ik undercover’, legde Stein uit, nadat hij zijn keel had geschraapt. ‘Dat staat of valt met geloofwaardigheid’.

‘De hoogste tijd tijd om in de bus te gaan!’, riep minister Dros.

Terwijl het gezelschap zich naar de buiten geparkeerde geblindeerde koninklijke bus begaf, schoot de broer van de koning, die zich al die tijd met een flauwe glimlach rond de dunne lippen op afstand had gehouden, Stein in het voorbijgaan even aan.

‘Je bent in de bus of je bent uit de bus’, fluisterde hij zacht in Steins oor.

Nog voordat Stein iets kon terugzeggen was de prins al gevlogen.

***

Amsterdam kolkte van opwinding toen de bus zich naar de Jordaan begaf, waar de koninklijke familie zich volgens het programma tussen het volk zou begeven.

‘Een thuiswedstrijd’, hoorde Stein de koning zijn vrouw verzekeren, terwijl ze de bus verlieten. ‘De Jordaan heeft onze familie altijd liefgehad. En die liefde is wederzijds’.

Stein drong zich tussen het legertje gorilla’s met oortjes van de beveiligingsdienst naar voren in het gedrang en verlangde naar het moment dat hij naar huis kon om zijn kennismaking met Joni nog verder te verdiepen. Hij had altijd een intense hekel gehad aan de de rituele gekte van Koningsdag – ook toen het nog Koninginnedag heette – en de aanblik van iedere oranje pruik in de menigte die zich samenperste in de straten van de Amsterdamse binnenstad was wat hem betreft een uitdrukking van ontoerekeningsvatbaarheid. Het zou wel te maken hebben met zijn Rotterdamse genen, bedacht hij zich, want zijn geboortestad was in de tijd dat hij daar nog verbleef altijd volmaakt stoïcijns gebleven voor het koninklijke feestje. Daar had men de mislukte coup van P.J. Troelstra in november 1918 nog altijd niet geheel verwerkt. Amsterdam daarentegen liet zich op deze dag altijd van zijn minst aangename kant zien.

Het officiële programma van de viering stond gepland in de Willemsstraat, waar de koninklijke familie werd toegezongen door een kinderkoor, enthousiast werd gezakloopt en gekoekhapt, de burgemeester een speech hield over hoe lief haar stad wel niet was, en achter de dranghekken een massa mensen geheel uit de bol ging zodra het koningspaar plus aanhang al handenschuddend voorbij liep.

De walmen van de grillstands in de omgeving sloegen op Steins borst en even hield hij pas op de plaats. Terwijl hij met zijn handen op zijn knieën uitblies, ontwaarde hij in de menigte achter de hekken plotseling een lange magere man die strak voor zich uitkeek, met nijdige ogen. In zijn hand hield hij een bordje waarop geschreven stond: ‘Leve de republiek!’.

Stein bedacht zich geen moment. Vliegensvlug rende hij naar voren, sprong met onvermoede kracht over het hek, en terwijl de omstanders het uitschreeuwden van angst werkte hij de man in één vloeiende beweging tegen de grond, waarbij hij het hoofd van zijn opponent met kracht achterwaarts drukte. Alles precies gedaan volgens het boekje van de Krav maga, de zelfverdedigingstechniek ontwikkeld door de joodse worstelaar Irich ‘Imi’Lichtenfeld uit Bratislava, die Stein als jongeman onderwezen had gekregen tijdens zijn verblijf in een kibboets in het Heilige Land.

Majoor Van Tichelen was minder gelukkig met de ingreep.

‘Stein, waar ben je in vredesnaam mee bezig?’, riep hij vertwijfeld uit, nadat hij hijgend was komen aangerend en de situatie in ogenschouw had genomen. ‘Er is demonstratievrijheid! Deze man heeft al het recht hier met zijn bordje te staan!’

‘Sorry’, zei Stein, terwijl hij de man van de grond hielp. ‘Ik reageerde in een reflex.’

‘Wat is dit voor politiestaat?’, protesteerde de man, nog bedremmeld van de actie. ‘Wie bent u? Ik dien een aanklacht tegen u in wegens mishandeling!’

Van Tichelen putte zich uit in excuses en gaf de man zelfs zijn bordje terug.

Stein verwijderde zich enigszins besmuikt van het plaats delict. Maar terwijl hij de schaamte over zich voelde komen, keek hij op en zag hij koning en koningin beiden met een tevreden glimlach naar hem kijken. Naast hen gaf de broer van de koning hem een kort applausje, waarna de menigte volgde.

***

Toen Stein die avond dodelijk vermoeid terug kwam naar huis werd hij verwelkomd door Joni, die een bad voor hem had bereid gevuld met rozenblaadjes en etherische oliën ter reiniging van zijn gehavende chakra’s. Toen het badwater wegspoelde, spoelde zijn bedrukte gemoed mee door de goot. Hij wist nu wat hem te doen stond.

Zal Dick Stein het gewonnen vertrouwen van het Koninklijk Paar verder weten uit te bouwen? En welk doel heeft hij daarbij in gedachten? U leest het verder in deel 11 van ons feuilleton De Avonturen van Dick Stein: In Naam van de Koning, en wel via deze link.

De voorgaande aflevering van dit feuilleton leest u via deze link.

Het feuilleton De Avonturen van Dick Stein, privé-detective: In Naam van de Koning is een werk van fictie. Elke overeenkomst met bestaande personen, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten, behalve waar dat zo gemeend is.

Een Duit voor Dick?

Als u dit feuilleton waardeert en dat wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan!

Mijn gekozen donatie € -

De Avonturen van Dick Stein, privé-detective, deel IX: Persmuskieten

/

Een privé-detective aan lager wal raakt verzeild in hofintriges op het hoogste niveau en komt in aanvaring met ondergrondse republikeinse verzetsgroepen, al even fanatieke Oranjeklanten en nietsontziende geheime diensten. Dick Stein, voormalig undercover-agent van de Amsterdamse politie, liefhebber van jazz, Feyenoord en femmes fatales (niet noodzakelijk in die volgorde) houdt kantoor op de Amsterdamse Wallen. Gewapend met een bruine band judo, een basistraining in de Joodse zelfverdedigingstechniek Krav maga en gekweld door een zwak hart, weet de privédetective zijn zaken toch telkens weer tot een einde te brengen, al is het soms geen goed einde. In deel IX zet Dick Stein zijn visie op werken met journalisten uiteen, maakt hij een premature afscheidstocht langs de stegen van De Wallen en wordt zijn liefdesleven voorzien van een krachtige impuls.


Tekst: René Zwaap

Hoofdstuk 9

PERSMUSKIETEN

Dick Stein had gedurende zijn werkzame leven veel contact met journalisten gehad, en bijna onveranderd voelde hij zich na afloop als een koorknaap na een weekenduitstapje met het patersgilde: bezoedeld.

Journalisten waren naar Stein’s voortschrijdende inzicht de laagste menselijke levensvorm in de voedselketen. Het ergste waren de journalisten die gedurende een interview niets zeiden en alleen maar gedwee ‘ja’ knikten, alsof ieder woord dat je uitsprak op zijn volledige instemming mocht rekenen. Als je het stuk dan terug las in de krant bleek dat zo’n kerel (de enkele dame die Stein in het op één na oudste beroep van de wereld was tegengekomen was een categorie apart) je de hele tijd hartgrondig had gehaat en in de hem beschikbare ruimte verscheurde hij je als een wild beest.

Ook met journalisten die joviaal deden en je deden geloven dat je hun beste vriend was, was voorzichtigheid geboden. Tussen al die glimlachjes en schouderklopjes door waren ze eigenlijk op zoek naar die ene ongerijmdheid in je verhaal, en als ze die eenmaal te pakken hadden, richtten ze onder het mom van ‘journalistieke objectiviteit’ een bloedbad met je aan.

Loyaliteit onder het persvolk, zo had Stein met pijn en moeite geleerd, is een spaarzaam goed. Het waren stuurloze ééndagsvliegen, meewaaiend op elke wind. Op rijpere leeftijd was Stein dan ook tot de slotsom gekomen dat het het beste was, de persmuskieten op zo’n groot mogelijke afstand te houden.

Zijn assistente Fatima had hij instructies gegeven de hoorn onmiddellijk op de haak te gooien als er iemand belde van de krant, radio of tv.

Voor één journalist maakte Stein echter een uitzondering: Barry Jurgens, misdaadverslaggever van Het Parool, kon bij hem een potje breken. Ze hadden elkaar een keertje ontmoet in café Dolly, tegen sluitingstijd, toen Jurgens bij het voldoen van de rekening ineens ontdekte dat hij geen cent op zak had, en omdat Stein toen zo vriendelijk was geweest de helpende hand te bieden, kreeg hij als blijk van Jurgens’ dankbaarheid diens perskaart onder de verzekering dat hij zo ‘altijd gratis naar de film’ kon.

Dat laatste bleek tegen te vallen, maar Stein had het gebaar gewaardeerd en een soort van vriendschap was geboren. Het voordeel van Jurgens was dat hij zoveel dronk dat hij alles wat je hem vertelde de volgende dag vergeten was. Dat praatte een stuk gemakkelijker. Als Stein iets kwijt wilde in de krant, maakte hij graag gebruik van de diensten van Jurgens, want aangezien die sowieso te beroerd was zelf iets uit te zoeken nam hij maar wat al te graag een verhaal aan als hem dat kant en klaar werd aangeboden. En precies zo’n verhaal had Stein nu in petto voor hem.

Voor een alcoholist in de categorie zwaargewichten zag Barry Jurgens er verbazingwekkend fris uit toen hij zich bij de steeg waar het kantoor van Stein Detectives zich in bevond aanmeldde. Stein opende het roestige gietijzeren hek en schudde Jurgens hand. Barry had een rozige blos op zijn vlezige wangen, die een eerste indruk van jeugdige levenslust gaf, maar in werkelijkheid de uitdrukking was van een vervaarlijk hoog opgelopen bloeddruk. Hij droeg nog steeds hetzelfde geblokte colbertje van twintig jaar geleden. Zijn zwaar geërodeerde haardos had hij strategisch over zijn schedel verdeeld. Stein had hem bewust vroeg in de ochtend bij hem besteld, de enige garantie dat hij nog niet geheel beneveld zou zijn, en hoogstens nog de kater van de voorgaande nacht moest verwerken. Zuchtend en heftig transpirerend plofte Jurgens op de stoel tegenover Stein neer, terwijl Fatima hem trakteerde op een beker straffe zwarte koffie .

‘Hoe is het op de krant?’, vroeg Stein.

‘Waardeloos’, zei Jurgens, terwijl hij een sigaret opstak. ‘Nog een paar jaartjes en dan is het pensioen. Godzijdank’.

‘Misschien tijd om nog een keertje te vlammen?’, opperde Stein.

‘Wat had je in gedachten?’, vroeg Jurgens.

‘Het verhaal van de eeuw’.

In kort bestek en met weglating van de privé-omstandigheden vertelde Stein het verhaal van Esther Blom en het grote onderzoek dat zij had gedaan naar de misdragingen van de Koninklijke Oliemaatschappij in Cabinda. Aan de opflakkerende lichtjes in Jurgens ogen zag hij diens belangstelling snel groeien.

‘Maar in de hotelkamer van die ex-vriend hebben ze het moordwapen aangetroffen’, zei Jurgens, opkijkend van zijn notitieblok. ‘En dat hij oprichter was van het Bataafs Bevrijdingsfront had die jonge Verbraak zelf al toegegeven. Volgens Justitie is de zaak rond. Liquidatie uit naam van een gebroken hart’.

‘Misschien ging de oplossing van de zaak een beetje te makkelijk?’, suggereerde Stein. ‘Wie had er werkelijk belang bij dat Esther Blom werd opgeruimd?’

Hij zag Jurgens’ hersenpan overuren draaien.

‘Je bedoelt de Koninklijke Oliemaatschappij?’

‘Jij zegt het’, antwoordde Stein. Hij overhandigde Jurgens het rapport van Esther Blom dat hij van Helga Keller in Scheveningen had gekregen. ‘Snuffel daar maar eens in’, opperde hij. ‘Maar één ding: je laat mij erbuiten. Beroep je maar op door gaans goed geïnformeerde anonieme bronnen. En voor publicatie laat je het mij lezen, zodat ik de puntjes op de i kan zetten’.

Jurgens beloofde het plechtig.

***

Stein was zelf ook nog niet geheel hersteld van het nachtje doorzakken met barman Rinus in café Dolly, dus besloot hij na het vertrek van Barry Jurgens een wandeling te maken over De Wallen, de buurt waar hij een groot deel van zijn werkzame leven had doorgebracht. Onder het motto ‘Open de Stegen’ voerde de gemeente Amsterdam op de Wallen enige jaren een actief beleid om stegen die ooit gesloten werden weer open te stellen voor het publiek, en het leek Stein tijd het resultaat van die inspanningen nader in ogenschouw te nemen.

Het stadsbestuur was immers van plan op korte termijn ook de hekken van de steeg waar Stein Detectives was gevestigd open te gooien. Het was een vooruitzicht waarmee Stein in zijn maag zat en hij bestookte het stadsbestuur met protestbrieven tegen het onzalige voornemen. Hij vreesde onder meer dat de uiterst smalle steeg die dienst deed als entree tot zijn kantoor voortaan zou worden gebruikt als pissoir van horden dronken Britten en als verdeelpunt van de ambulante straathandel in opwekkende middelen, hetgeen in zijn ogen geen goede reclame was voor een detectivepraktijk.

Stein trok de kraag van zijn regenjas op tegen de straffe Amsterdamse voorjaarskilte en verliet zijn steeg bij de uitgang naar de Oudezijds Voorburgwal (de andere uitgang bevond zich aan de Zeedijk), waarna hij het hoofdkwartier van het Leger des Heils passeerde en de Heintje Hoeksteeg in liep, die even tevoren was opengesteld voor het publiek. De steeg was vernoemd naar Heyntgen Hoec, een lid van de Amsterdamse schutterij die toenterijd – we schrijven rond 1500 – als politiemacht fungeerde. Tot begin twintigste eeuw gold de steeg als een probleemgebied waar extreme armoede en cholera heersten. Nu was het het werkterrein van onder meer een strenge meesteres wier cliëntèle zo luid placht te kermen dat omwonenden een pettie waren begonnen om te vragen of het een toontje lager kon.

Stein inspecteerde de steeg en zag zijn vermoedens bevestigd. De vrolijk gekleurde bloembakken aan de gevels waren overdekt met onaangenaam riekend braaksel van nachtelijke vertierzoekers en een messcherpe urinegeur wasemde rond in de hele steeg. Diverse vuilniszakken waren uit de vuilcontainer gehaald en de inhoud lag royaal over de steeg verspreid, naar Stein aannam in een desperate zoektocht naar nog niet gans geconsumeerde peuken van de klanten van de coffeeshop die een van belendende etablissementen vormde.

Stein gromde iets onbestemds en liep terug naar de Oudezijds, stak de brug over naar de Spooksteeg en de Vredenburgsteeg en liep naar het warme hart van De Wallen, een rij stegen waar de vleesverwerkende industrie van het prostitutiebedrijf sinds jaar en dag geconcentreerd was. Rond 1500 was de bloeiende bedrijfstak nog in handen van de schouten, het toenmalige stadsbestuur, en die hadden verordonneerd dat de hoererij alleen mocht worden bedreven in de Pijlsteeg en de Halsteeg (de tegenwoordige Damstraat). Prostituees die buiten die twee afwerkplekken in uitoefening van hun ambt werden aangetroffen werden onder trommelgeroffel naar de twee gedoogstegen teruggevoerd. Vlak na de Alteratie van 1578, toen het katholieke Amsterdam onder de knoet kwam van het nieuwe protestantse bewind, werd de prostitutie verboden op straffe van tuchthuis, schavot, geseling en/of verbanning, maar dat viel niet lang vol te houden.

Zo kwam de Dolle Begijnensteeg in het leven. Een ‘dolle begijn’ stond voor zoiets als ‘wilde non’ en was zo’n typisch Amsterdams eufemisme. De Dolle Begijnensteeg werd samen met de Brandesteeg, Bethlehemsteeg, Enge Kerksteeg, Goldbergersteeg, Gordijnensteeg, Molensteeg, Oudekennissteeg, de Trompettersteeg en de Stoofsteeg de kern van het fameuze Red Light District. De Stoofsteeg – vernoemd naar een armetierige eenkamerwoning die hier gewoon was – genoot ooit landelijke faam als werkplek van de uit Suriname afkomstige ‘Zwarte Lola’, de eerste zwarte prostituee van Amsterdam. Voor haar peeshok, zo wilde de legende, stonden de mannen urenlang in de file, ondanks het feit dat het de jaren van de grote Depressie waren.

Nu was de steeg vooral het werkterrein voor dames uit diverse Oost-Europese landen, die hun taak nogal fabrieksmatig opvatten en verveeld kauwgom kauwend achter hun ramen stonden in hun Hunkemöller-setjes terwijl de colonnes dagjesmensen aan hen voorbijtrokken.

Stein herinnerde zich van zijn jaren als agent van Bureau Warmoesstraat nog maar al te goed het rijke verleden. Toentertijd had hij iedere dame achter de ramen bij naam gekend. Ze waren zijn beste informatiebronnen voor wat er loos was in de buurt. Anders dan enkele collega’s op het bureau had hij nooit gebruik gemaakt van hun werkelijke diensten, ook al werden deze soms gratis aangeboden en was de verleiding soms niet onaanzienlijk. Maar het maakte dat hij altijd met opgeheven hoofd door de buurt kon wandelen.

Bij het raam van Annie Eénbeen hield Stein even halt. Annie Eénbeen was haar artiestennaam, en inderdaad bewoog ze zich voort op slechts één ledemaat, resultaat van een vreselijk ongeval. Maar op dat ene gebrek had Annie een bloeiende onderneming weten te grondvesten. Ze was de pensioengerechtigde leeftijd al gepasseerd maar uit liefde voor haar cliënten stelde ze haar vertrek van De Wallen telkens weer uit.

Blij verrast Stein voor haar raam te zien tikte ze, zittend op haar troon, enthousiast met haar stok tegen het raam.

‘Koppie koffie, Dick?’, vroeg ze, terwijl al haar zes onderkinnen meetrilden met haar aanstekelijke lach.

‘Daar zeg ik geen nee tegen’, zei Stein, en hij betrad het proper geboende atelier.

Annie Eénbeen sloot haar gordijnen en serveerde de koffie uit een thermoskan die naast haar op de grond stond.

‘Hoe gaan de zaken, Annie?’, vroeg Stein.

‘Ach, het is allemaal liefdewerk, oud papier, jongen’, zei Annie, klagend zoals als het een goed middenstander betaamt. ‘Die toeristen komen alleen maar op de bonnefooi. Kijken, kijken, maar niks kopen. Maar intussen jagen ze mijn klanten weg. En nu wil de gemeente ons ook al weghebben. We geven De Wallen een slechte naam, zegt die nieuwe tut-hola die ze net burgemeester hebben gemaakt. Zonder ons bestonden De Wallen niet eens!’

Ernstig aangetast in haar beroepseer voegde Annie enkele krachttermen toe aan haar observaties over de nieuwe burgemeesteres, die bij haar aantreden inderdaad had opgemerkt dat het prostitutiebedrijf op De Wallen moest worden gezien als een perfide epicentrum van vrouwenonderdrukking waarmee zo snel als mogelijk diende te worden afgerekend.

‘Ik ben nog nooit van mijn leven onderdrukt, Dick’, verzekerde Annie. ‘De eerste kerel die mij eronder kan houden moet zich nog melden!’

‘Dat geloof ik graag’, antwoordde Stein beleefd.

***

De ontmoeting met Annie Eénbeen had Stein gesterkt in het sombere eindtijdgevoel dat hem toch al dagen beklemde. Terwijl hij zich over de Zeedijk terug naar zijn kantoor begaf, drong de gedachte zich op dat de hele wereld die hij als de zijne had leren kennen langzaam tegen haar einde liep. De Wallen stonden net als voorheen De Jordaan op het punt te worden overgenomen door kleinburgerdom en valse chique. De horden toeristen die nu rondliepen in deze kasba van Europa kon je beschouwen als het voorteken dat alles op het punt van verdwijnen stond. Het was geen toerisme, maar een massaal bezochte uitvaart waar het lijk nog moest arriveren. Net zo goed als die van Annie Eénbeen waren zijn dagen hier in de buurt geteld.

Stein liep binnen bij de Chinese apotheek van meneer Tsjing, die een speciaal kruidenpreparaat verkocht waar Stein in het verleden veel baat bij had gehad als hij zich slap en zonder doorzettingsvermogen voelde. Tegen katers hielp het ook. Terwijl hij bij de toonbank aan het wachten was op zijn bestelling, die meneer Tsjing onder het uitroepen van korte barse commando’s in het Chinees liet samenstellen door zijn assistente, viel het oog van Stein onwillekeurig op een jonge vrouw in een zwarte trenchcoat met lichtblond krulletjeshaar, die haar fiets voor de winkel van meneer Tsjing parkeerde en vervolgens het etablissement betrad, met een engelachtige glimlach rond haar volle rode lippen.

‘Verkoopt u ook etherische oliën voor de meridiane chakra-massage?’, wilde ze van meneer Tsjing weten.

Meneer Tsjing vertrok geen spier en begon terstond zijn stacccato orders in het Chinees uit te delen aan zijn assistente, die achter in de zaak nog immer met de compositie Steins wonderthee bezig was.

‘Het zal mij benieuwen waar hij mee komt’, zei Stein.

‘Ik kom hier wel vaker’, zei de jonge vrouw. ‘Het gaat altijd goed’.

‘Volgens mij kunnen mijn chakra’s ook ook weleens een goede massage krijgen’, zei Stein.

‘Nou, geen probleem hoor’, zei de vrouw met een hemelse glimlach die rook naar appelbloesem. ‘Hier heb je mijn kaartje’

Ze heette Joni.

***

Terug op kantoor stond Fatima klaar met de tekst die Barry Jurgens in opmerkelijk tempo in elkaar had gedraaid en nu ter goedkeuring aan Stein had voorgelegd. Hij had ieder jaartal verkeerd, iedere naam foutief gespeld en voor het overige rammelde het verhaal ook nogal, dus haalde Stein het zelf nog een keer door de machine. Misschien lag het aan de wonderthee van meneer Tsjing, misschien aan zijn kennismaking met de hemelse Joni, maar Stein voelde zich opeens krachtig als in zijn beste jaren en na een uur of wat stuurde hij de geheel herziene tekst aan Jurgens terug.

Toen ze belden verkeerde Jurgens in de hoogste staat van opwinding.

‘Je had gelijk, Dick: dit wordt een knaller, sprak Jurgens verrukt. ‘Mijn hoofdredacteur heeft voor het eerst sinds mensenheugenis weer tegen me gesproken. Zullen we het vanavond vieren in Café Dolly?’

Stein bedankte voor de eer en zei naar waarheid dat hij voor die avond andere plannen had.

***

Uit Het Parool van de volgende dag:

AFRIKAANSE SCHIMMEN


Een nieuw spoor in de moord op activiste Esther Blom wijst in de richting van een rechtszaak tegen de Koninklijke Oliemaatschappij (KOM) vanwege betrokkenheid aan grootschalige schendingen van de mensenrechten in het voormalige Afrikaanse koninkrijk Cabinda.

Van onze misdaadverslaggever Barry Jurgens

AMSTERDAM – Het was een gure lentemorgen onder een loodgrijze hemel toen het lichaam van de voormalige ‘koningin van de kraakbeweging’ Esther Blom eind verleden maand levenloos werd aangetroffen in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt. Twee kogels door het hoofd hadden een eind gemaakt aan een bewogen leven dat in het teken had gestaan van een permanent gevecht tegen onrecht, waar ook ter wereld.

De vermoedelijke dader van de executie werd snel gevonden. Het zou gaan om Peter V., die ervan verdacht wordt oprichter te zijn van het Bataafs Bevrijdingsfront, een verboden organisatie die verleden jaar in het nieuws kwam door een aanslag op de Gouden Koets op Prinsjesdag. Peter V. en Blom waren ooit geliefden. Justitie gaat ervan uit dat de liquidatie een wraakneming was voor het feit dat Blom de relatie had verbroken. Het pistool waarmee de liquidatie werd uitgevoerd werd na de arrestatie van V. gevonden in diens hotelkamer. V. ontkent echter iedere betrokkenheid bij de moord op zijn ex en verblijft momenteel in afwachting van zijn proces in de zwaarbewaakte gevangenis van Vught. Zo lang een veroordeling ontbreekt, moet het vermoeden van onschuld bestaan. Uit documenten die deze krant in handen heeft, blijkt in ieder geval dat de dood van Blom nog wel meer partijen niet ongelegen kwam.

Esther Blom werd geboren in een arbeidersmilieu in Oss en kwam al op jonge leeftijd in aanvaring met de autoriteiten. Op 16-jarige leeftijd werd ze gearresteerd omdat ze op heterdaad betrapt was bij het schilderen van een hakenkruis op de muren van elektronicagigant Philips in Eindhoven nadat bekend was geworden dat de firma tijdens de bezetting gebruik had gemaakt van Joodse dwangarbeiders. Ze werd actief in de anti-kernenergiebeweging en trad in de loop van de jaren ’80 toe tot de Amsterdamse kraakbeweging. Met haar ravissante verschijning en welbespraaktheid werd ze al snel een van de meest mediagenieke vertegenwoordigers van de krakers. In de pers gold ze sindsdien als ‘de koningin van de kraakbeweging’, een predicaat waar ze zich fel tegen verzette.

Tegelijkertijd volgde ze een studie culturele antropologie aan de Universiteit van Amsterdam en toen ze deze had voltooid vertrok zij naar Afrika. Blom werkte vele jaren als ontwikkelingswerkster voor diverse NGO’s in Afrika. In Mozambique haalde ze de woede van VN-militairen op de hals toen zij deze namens een Scandinavische NGO beschuldigde van seksueel misbruik van minderjarigen in de hoofdstad Maputo. De affaire lokte veel commotie uit en uiteindelijk zag Blom zich na vele bedreigingen gedwongen het land te verlaten. In Angola, haar volgende standplaats, was Blom wederom het middelpunt van een grote affaire. In de door decennia van onlusten geplaagde provincie Cabinda zamelde zij getuigenissen in die moesten leiden tot een strafklacht tegen de Koninklijke Oliemaatschappij (KOM). De KOM heeft grote belangen in het olierijke gebiedsdeel en keert volgens critici op grote schaal steekpenningen uit aan de lokale machthebbers om die positie te behouden.

Blom onderhield nauwe contacten met het zogeheten Volksfront voor de Bevrijding van Cabinda, dat sinds 1974, toen Angola ophield een kolonie van Portugal te zijn, strijdt voor onafhankelijkheid. De organisatie beroept zich daarbij op oude toezeggingen van de Portugese overheerser aan de toenmalige koning van Cabinda dat het land als een autonoom protectoraat zou worden behandeld. Met het vertrek van de Portugese machthebbers ontbrandde een hevig oorlog tussen de diverse partijen over de zeggenschap over de rijke olievelden. De lokale bevolking moet het nog altijd met veel leed bekopen.

Samen met een Cubaanse arts die zich in Cabinda had gevestigd verzamelde Blom getuigenissen over moordpartijen en systematische schendingen van de mensenrechten. Op basis van het rapport dat Blom schreef bereidde de Amsterdamse advocate Helga Keller een strafklacht tegen de KOM voor, die binnenkort zou moeten dienen bij de rechtbank in Den Haag. ‘Kern van de zaak is dat de KOM vanwege steun aan het regime en omkoping van de machthebbers medeschuldig is aan genocide en onderdrukking’, licht advocate Keller toe. ‘Met de dood van mijn cliënte komt het proces echter op losse schroeven te staan. Ook daarom is het van het grootste belang dat een einde komt aan alle onzekerheid over de ware toedracht van deze liquidatie’.

Prangend blijft de vraag wat het verband is tussen het proces dat Esther Blom wilde aanspannen tegen de KOM en het Bataafs Bevrijdingsfront. Zij en Peter V. leerden elkaar kennen in Afrika, waar ook V. ontwikkelingswerker was. V. moet op de hoogste zijn geweest van het onderzoek dat Blom in Cabinda uitvoerde. Doorgaans welingelichte kringen verzekeren dat het Nederlandse koningshuis nog altijd over een fors aandelenpakket in de KOM beschikt.

Zal Dick Stein zijn crisis weten te overwinnen en er achter komen voor welke belangen hij werkelijk is ingezet? U verneemt het verder in deel 10 van ons feuilleton De Avonturen van Dick Stein: In Naam van de Koning, te lezen via deze link.

De voorgaande aflevering van dit feuilleton leest u via deze link.

Het feuilleton De Avonturen van Dick Stein, privé-detective: In Naam van de Koning is een werk van fictie. Elke overeenkomst met bestaande personen, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten, behalve waar dat zo gemeend is.

Een Duit voor Dick?

Als u dit feuilleton waardeert en dat wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan!

Mijn gekozen donatie € -

Het Nieuwe Leger, deel I: Het ontslag van generaal Reynders

/

Ko Smit schrijft exclusief voor de website van De Republikein een serie artikelen over de machinaties binnen de Nederlandse legertop en de regering voor, tijdens en na de bezetting. Hij baseert zich daarbij op het in 1970 verschenen ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog – Alternatieve Geschiedenis’, een kritische analyse van de verhoren die tussen 1947 en 1956 werden gehouden voor de Parlementaire Enquête regeringsbeleid 1940-1945 (PEC). In deel 1: het ontslag van generaal Reynders en de vlucht van Wilhelmina.

door Ko Smit

Deze maand staan we volop stil bij de bevrijding van de Duitse bezetting, nu vijfenzeventig jaar geleden. Een andere verjaardag staat hierbij wat meer bescheiden op de achtergrond. We kunnen namelijk ook dit jaar herdenken dat Nederland tachtig jaar geleden een nieuw leger kreeg. Of – vanuit een alternatief perspectief gezien – dat het Nederlandse leger in vreemde handen overging. Het is ter gelegenheid van dit jubileum dat de uit 1970 daterende uitgave Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog – Alternatieve Geschiedenis is afgestoft en in een digitale remaster is uitgebracht.

Met deze alternatieve geschiedenis als leidraad, zal aan de hand van enkele betekenisvolle momenten bij de wordingsgeschiedenis van dit nieuwe leger worden stilgestaan. De geïnteresseerde republikeinse lezer komt aan zijn trekken, want meer nog dan in ‘het oude leger’, zijn in de historie van het nieuwe leger glanzende hoofdrollen weggelegd voor leden van de oranje-dynastieke familie, al dan niet ingetrouwd.

Anders dan de officiële geschiedenis, kent een alternatieve geschiedenis geen eenheid in compositie en komt zij stukje bij beetje, in snippers, tot ons. Dit kan zijn in de vorm van een dagboekfragment, een krantenknipsel, een bekentenis op een sterfbed of wat er tussen de regels door in de parlementaire-enquêteverslagen kan worden gelezen. Een alternatieve geschiedenis is ook niet snel af.

In de vorm van een feuilleton laat de geschiedenis van het nieuwe leger zich lezen als een Machiavelliaans plot. Een historie waarin rechtschapenheid het wel moet afleggen tegen gekuip, heldenmoed tegen list, en stille coups worden afgewisseld met fantastische bliksemcarrières.

De fragmenten zullen elkaar niet per se in de tijd opvolgen. Iedere lijn die de lezer in deze fragmenten meent te herkennen, is het product van zijn of haar eigen verbeeldingskracht.

Pamflettengeneraal
Oud-opperbevelhebber van het Nederlandse leger Izaäk Reynders wordt na de bevrijding op het matje geroepen bij minister van Oorlog Jo Meynen. Er is in de jaren 1945-1946 een brochurestrijd ontbrand tussen de oud-generaal en oud-minister van Oorlog Adriaan Dijxhoorn. Hiermee revancheert Reynders zich met terugwerkende kracht tegen de omslag in het krijgsbeleid, tegen zijn ontslag en vervanging door generaal Winkelman. Dit speelt zich af in de kritieke maanden van de mobilisatie, slechts luttele maanden voor de Duitse inval.

In het gesprek probeert minister Meynen Reynders ervan af te brengen om zijn tweede brochure te publiceren. Meynen geeft daarbij twee argumenten: de brochures van Reynders zouden de al bestaande tegenstellingen tussen het oude en nieuwe leger verder vergroten en zouden een vorm van nestbevuiling zijn waarbij geallieerde mogendheden achteraf munitie zouden kunnen vinden tegen de Nederlandse invulling van haar neutraliteitspolitiek. Meynen doet een beroep op Reynders om het staatsbelang boven zijn persoonlijke belang te stellen en zich als goed vaderlander te scharen achter de opbouw van het nieuwe leger, dat zonder geallieerde middelen niet tot stand kan komen. Reynders laat zich echter niet overhalen om zijn brochure in te trekken en negeert het aanbod van Meynen voor een financiële schadeloosstelling. Ook zijn tweede brochure bereikt het publiek. Ondanks dat Reynders erin slaagt zijn morele gelijk te halen, blijft zijn stem slechts als een tijdelijke rimpeling in de vijver. De opmars van het nieuwe leger zet onverminderd door.

In het latere onderzoek van de Parlementaire Enquêtecommissie naar het beleid tot in de meidagen van 1940 (PEC) passeren de bij de in de brochurestrijd betrokken partijen opnieuw de revue, wanneer zij door de commissie onder ede worden gehoord. Het is daarbij opmerkelijk om te zien hoe de commissie de echte gevoelige kwesties uit de weg weet te gaan. Dit is ook niet verwonderlijk wanneer we bedenken hoe het een en ander via de enquête-wet is ingericht. In een mogelijke poging tot waarheidsvinding is de commissie met twee handen op de rug gebonden doordat het object van onderzoek – dit is het regeringsbeleid – feitelijk van onderzoek is uitgesloten. Van de Kroon moeten zowel de rol van leden van de dynastie, als de interne besprekingen van ministers, buiten beschouwing blijven.

Door als vast commissielid de huisvriendin van de Oranjes, freule Wttewaall van Stoetwegen, te benoemen worden naar de familie nog eens extra zekerheden ingebouwd. De freule vervult haar rol voortreffelijk. Het is aardig om te zien hoe van de commissieleden het juist de freule is die kritisch bevraagt maar tegelijkertijd met veilige afstand de oranjeklippen weet te omzeilen.

Bij wijze van een cordon rond de staatsveiligheid kennen getuigen de ontsnappingsclausule dat zij een verklaring mogen weigeren met beroep op het staatsbelang. In de praktijk hoeft van dit beroep weinig gebruik gemaakt te worden, want zowel de leden van de commissie als de meeste getuigen blijken als goede vaderlanders geconditioneerd en weten haast intuïtief netelige kwesties te vermijden.

Dus wat naar buiten toe, naar de Kamer en de burger, een proces van politieke zelfreiniging had moeten zijn, wordt achter de schermen handig omgebogen naar een zelfbevestigend ritueel voor de zittende en gecontinueerde staatsmacht.

Het is dan ook niet verbazingwekkend dat in de conclusie van dit parlementaire onderzoek het beeld wordt bevestigd dat de regering Reynders geheel terecht, als recalcitrante schooljongen, de laan heeft uitgestuurd.

Het breekijzer
Terug naar najaar 1939. Het is de periode van mobilisatie en het novemberalarm. Wilhelmina informeert bij de Opperbevelhebber van Land- en Zeestrijdkrachten (OLZ) generaal Reynders hoeveel tijd het zou vragen om haar dochter en kleinkinderen naar Frankrijk te laten evacueren. Maar in dit heikele moment waagt Reynders het om Wilhelmina niet naar de mond te praten. Hij geeft haar als antwoord dat een vlucht van het prinselijk gezin een slechte indruk op het Nederlandse volk zou achterlaten. Ongetwijfeld moet de opperbevelhebber daarbij ook hebben gedacht aan het schadelijke effect op het moreel van zijn troepen. Tot dan toe was de koninklijke familie volop tegenwoordig bij legeroefeningen en inspecties. Wanneer juist onder oorlogsomstandigheden de familie verstek zou laten gaan, dan laat het zich raden dat dit een extra vernietigende uitwerking op het moreel der manschappen zou hebben.

Nu spreek je een monarch niet tegen, wanneer zij op haar nachtkastje de ‘bijbel van Da Costa’ heeft liggen, een geschrift dat claimt dat een gekroonde oranjetelg als Stedehouder Gods is aangesteld en in gezag boven dat van de constitutie uitgaat. Je brengt zeker een vorstin, die naar buiten haar imago hooghoudt als een martiale en onverzettelijke persoonlijkheid, niet in uiterste verlegenheid door haar te confronteren met een heimelijk defaitisme.

Wilhelmina zal haar verdere leven een bittere wrok tegen Reynders blijven koesteren. Het lot van Reynders is hiermee bezegeld. Hij moet en zal weg, ook al is het midden in de mobilisatie. Met Wilhelmina is in het breekijzer voorzien. Zij zal met regelmaat naar minister van Oorlog Dijxhoorn bellen om te vragen of de opperbevelhebber al is ontslagen.

Ook andere partijen binnen de regering zinnen op het ontslag van Reynders. De rechtlijnige generaal ligt bij een bepaalde ‘inner circle’ binnen de regering niet goed. Hij staat pal voor zijn opdracht en ziet zijn mandaat als opperbevelhebber rechtsstatelijk gefundeerd in de grondwet. Kernpunt is voor hem een ondubbelzinnige verdediging van de neutraliteit. Die houdt ook een loyaliteitsverplichting in naar de geallieerden. Reynders is verder niet de man die openstaat voor dubbele agenda’s en spelletjes achter de coulissen. Van zijn militaire inlichtingenbureau maakt Reynders zeer terughoudend gebruik.

Op vrijdag van 26 januari 1940 ontvangst Wilhelmina via haar adviseur Beelaerts van Blokland het heugelijke nieuws dat OLZ Reynders voor zijn ontslag wordt voorgedragen en zal worden vervangen door de volgzame generaal Winkelman, voorheen adviseur van de NV Philips in evacuatievraagstukken. Ze is nu verlost van een belangrijk obstakel voor haar plannen. Met de vervanging van de onverzettelijke Reynders staat niets meer in de weg voor een symbolische landsverdediging, prioritering in het zekerstellen van industriële belangen en, last but not least, een soepele evacuatie van de koninklijke familie.

De credits voor het voorbereidende handwerk komen in de eerste plaats toe aan minister Dijxhoorn, in nauw overleg met minister van Buitenlandse Zaken Eelco van Kleffens. De twee brengen iedere zondag samen door in het huis van Van Kleffens om het beleid van hun departementen af te stemmen.

De machinaties van beide ministers waren erop gericht om Reynders’ invloed in te perken, hem vleugellam te maken door op zijn terrein te treden, een wig te drijven tussen hem en zijn staf, zijn gezag te ondermijnen naar de pers en de bevolking.

Buiten medeweten van Reynders onderhield Van Kleffens goede contacten met de Duitsers. In 1937 werd Van Kleffens, samen met een andere vertrouweling van de koningin, vicevoorzitter van de Raad van State Beelaerts van Blokland, geridderd met de Duitse Adelaars Orde. Een onderscheiding voor personen die blijk hebben gegeven van een juiste ‘Gesinnung’ voor het Nieuwe Duitsland. Op vrijdag 26 januari 1940 verleent de regering aan kapitein B. B. R F. Hasselman bij Koninklijk Besluit vergunning tot het dragen van de Duitse Adelaars Orde. De ster van de uitgesproken pro-Duitse, notoir antisemitische kapitein zal in een fantastische bliksemcarrière, zowel tijdens als na de oorlog, tot ongekende hoogte rijzen.

Anders dan in België en Frankrijk ontvangen tal van vooraanstaande Nederlanders via het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken deze nazi-onderscheiding. Bijzonder in aanmerking komen leden van de hofhouding, diplomaten van Buitenlandse Zaken en officieren van de Militaire Inlichtingendienst. Voor iedere onderscheiding verleent de regering bij Koninklijk Besluit een vergunning. Niemand van de 66 Nederlandse gedecoreerden zal ooit publiekelijk zijn onderscheiding retourneren.

Van Kleffens wijdt vileine woorden aan Reynders, die volgens hem blijk gaf van ‘een soort van zelfverzekerdheid […] dat hij ook in het negatieve juist handelde’. Het is tekenend voor de werkwijze van de politieke overlever Van Kleffens. Kennelijk kwamen de overige leden van het kabinet niet in verzet tegen dit staaltje zwarte psychologie van de minister van Buitenlandse Zaken. Uit dit soort uitspraken blijkt wel hoezeer Reynders tegenover een muur van onwil kwam te staan.

Wilhelmina zal verantwoordelijk worden voor de brochurestrijd die na de bevrijding tussen Reynders en Dijxhoorn ontbrandt. Een gevecht dat op straat komt te liggen met gevaarlijke implicaties voor de staatsveiligheid. Nooit heeft zij Reynders maar enigszins willen rehabiliteren door hem opnieuw in te schakelen met een functie als chef-staf van het Militair Gezag of als bevelhebber Binnenlandse Strijdkrachten. Hiervoor was zij blijkbaar te diep gekrenkt.

Een symbolisch defensief

De avond van 9 mei 1940 besluit opperbevelhebber Winkelman om nog wat uurtjes thuis te slapen. Onduidelijk is tot nog toe gebleven waarom de Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht dit korte nachtje niet op zijn hoofdkwartier doorbracht. De militaire dreiging verkeerde op het toppunt. Minister van Oorlog Dijxhoorn is wel de hele nacht op zijn departement.

Eerder die avond had Winkelman zich er nog eens van vergewist dat het geplande evacuatietransport van zijn ex-werkgever Philips van Eindhoven naar Engeland volgens plan verliep. Met man en macht was Philips Eindhoven dag en nacht in touw geweest om een zending van een productielijn en 25.000 strategische EF50 radiobuizen en 250.000 buisvoeten gereed te maken voor transport naar Engeland. Een truck met machines en onderdelen zal ’s avonds naar de haven van Vlissingen vertrekken om daar de lading met een schip van de Stoomvaart Maatschappij Zeeland naar Engeland te transporteren. Wanneer men achteraf de balans zal opmaken van de Philipsactiviteiten, zowel in Nederland als Engeland, dan zal blijken dat Philips Nederland als Luftwaffebetrieb 40 procent van zijn orders voor de Luftwaffe (radiobuizen) heeft geproduceerd en Philips Engeland 40 procent van de Engelse vraag naar radiobuizen.

Nadat Winkelman eerst van de minister van Oorlog toestemming heeft gekregen tot het vernielen van de bruggen ten oosten van de Maas en de IJssel en andere voorbereide vernielingen in dat gebied, geeft hij rond middernacht zijn orders door aan zijn staf. Veel objecten zouden echter ongeschonden in handen van de Duitsers vallen omdat zij niet of niet op tijd met springlading onklaar werden gemaakt. Zo laat Winkelman niet de springladingen van de Moerdijkbruggen op scherp zetten, vermoedelijk om het Philipsevacuatieplan geen risico te laten lopen. Opmerkelijk is dat zowel de fabrieken van Philipsfabrieken als de dochterbedrijven van het concern, onder meer het strategische Hazemeyer in Hengelo, volledig ongeschonden in Duitse handen overgaan. Hazemeyer is zozeer strategisch dat zij gedurende de oorlogsjaren de hydraulische systemen voor de V-wapens zal leveren.

Winkelman vertrekt na middernacht met zijn chauffeur korporaal Henk van der Pol naar Wassenaar nadat hij vermoedelijk eerst zijn staf instructies heeft gegeven om hem thuis verder niet te storen. Dit laatste is aannemelijk omdat later nooit is gebleken van enig contact tussen de woning van de opperbevelhebber en het hoofdkwartier. Nadat Van der Pol Winkelman thuis heeft afgezet, rijdt hij 800 meter verder de Schouwweg af naar de chauffeurswoning, om daar zelf de nacht door te brengen.


De generaal die te laat op de oorlog kwam

Vanaf 1:36 uur meldt de Luchtwachtdienst de eerste grensoverschrijdingen van een grote Duitse luchtvloot. Dit is geen aanleiding om de OLZ te alarmeren. De majoor der artillerie Henri Dürst Britt wordt net als vele andere officieren gewekt door afweergeschut en het gedreun van vliegtuigen. Het dringt niet tot hen door dat het oorlog is, want geen van hen had die avond daarvoor een waarschuwing ontvangen. De OLZ is echter een diepe slaper want hij slaapt door al het geronk heen.

Om 2:40 uur wordt de familie Winkelman door de deurbel opgeschrikt. Het huis is dan volledig in rust. We kunnen aannemen dat er tot op dat moment geen contact is geweest met het hoofdkwartier. De dochter des huizes opent de deur. Het is buurman Gleichman. Deze was kort daarvoor gewekt door laag overvliegende Messerschmitts en Junker-toestellen. Hij werd snel overtuigd van hun vijandige bedoelingen want hij zag dat de boordmitrailleurs naar beneden waren gericht.

In de overtuiging dat nu de oorlog met Duitsland was uitgebroken en in het besef dat naast hem de Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht woont, werpt Gleichman een snelle blik naar buiten op het huis van Winkelman. Het huis is nog volledig donker. Beter dan naar zijn buurman te bellen schiet hij in de kleren om de opperbevelhebber persoonlijk te waarschuwen.

Het moet Gleichman niet veel tijd gekost hebben om Winkelman te overtuigen van de ernst van de situatie. De generaal was namelijk als niemand anders geïnformeerd over de ins en outs van te verwachten inval. Maar tot verbazing van Gleichman vertoont hij geen enkel initiatief.

Om 3.20 uur komen bij het luchtverdedigingscommando meldingen binnen, dat zich sterke vliegverbanden boven Limburg en daarna boven Zeeland bevinden. Men denkt dat er een Duitse aanval op Engeland plaatsvindt, maar onderneemt geen actie om de neutraliteit van het Nederlandse luchtruim te verdedigen door gereedstaande vliegtuigen te laten opstijgen.

Tegen 3.30 uur bereiken kolonel Van Alphen van de militaire inlichtingendienst GS III berichten dat Duitse troepen de grens bij Kerkrade en Vaals zijn gepasseerd. Hoewel mensen als minister Dijxhoorn na de oorlog aan GSIII een onnozele rol hebben toegedicht, is deze militaire inlichtingendienst als beste geïnformeerd omdat zij de Duitse berichten afluistert, als ook al het Nederlandse diplomatieke verkeer.

Van Alphen besluit om niemand te waarschuwen. Niet Winkelman, niet de minister van Oorlog Dijxhoorn, niet minister van buitenlandse zaken Van Kleffens, ook niet de commandant Luchtverdediging generaal-majoor Piet Best. Ook doet hij geen order uitgaan om alle overige troepen in staat van alarm te brengen.

Wie deze informatie wel ontvangen, waarschijnlijk afzonderlijk, zijn prins Bernhard en minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens. Bernhard wordt tegen half vier gewekt met het bericht dat de Duitsers op enkele plaatsen de grens hebben overschreden. Van Kleffens heeft het bericht kennelijk al eerder ontvangen want hij belt om half vier Gerbrandy thuis op met de mededeling: ‘Het is mis, ze zijn de Oostgrens over’.

Delen Van Alphen, Bernhard en Van Kleffens dezelfde anonieme informant?

Wie schitterend in dit rijtje ontbreken zijn opperbevelhebber Winkelman en minister-president De Geer. Beide cruciale functies, legerleider en regeringsleider, werden ingevuld door heren van gevorderde leeftijd. Generaal Winkelman was sinds enige jaren gepensioneerd en de 70-jarige De Geer stond bij de Duitsers te boek als ‘Mümmelgreis’. Beiden hadden de afweging gemaakt om deze kritieke nacht thuis door te brengen en werden zodoende in het uur U des te makkelijker door de inner circle gepasseerd.

Terug naar Winkelman in Wassenaar. Het is inmiddels 3:45 uur, ruim een uur nadat de OLZ van zijn bed werd gebeld door buurman Gleichman. Deze begint onderhand wat nerveus te worden van de onverstoorbaarheid van de generaal en dringt er bij hem met klem op aan zich naar het hoofdkwartier te begeven. De burger Gleichman moet gedacht hebben dat een opperbevelhebber in oorlogstijd, en zeker in de kritieke beginfase, niet thuis hoort te zijn, maar aan het hoofd van zijn troepen.

Omdat Winkelman vergeefs op zijn chauffeur moet wachten, biedt zijn buurman hem een lift aan naar Den Haag. Wanneer zij op het Lange Voorhout arriveren is het 4:45 uur. Ruim twee uur zijn verstreken nadat Winkelman door zijn buurman is gewekt. Wanneer Winkelman om 5:00 uur aan de koffie zit, landen Duitse para’s bij de Moerdijkbruggen.
Op het hoofdkwartier aangekomen ziet Gleichman de stafofficieren geleidelijk binnendruppelen. Chef-staf luitenant-generaal baron Van Voorst tot Voorst, adjudant van Wilhelmina, eertijds eerste keus van minister Dijxhoorn boven Reynders als OLZ, komt aangefietst op een geleend damesrijwiel. De oorlog begint zeer gemoedelijk. De regering heeft hulpverzoeken aan Frankrijk, Engeland en België verzonden zonder dat er sprake van enige betrokkenheid van de opperbevelhebber is geweest. Ten aanzien van de Nederlandse landsverdediging zien we in de wisselende presentie van leger en regering de bijzondere figuur terug dat in de opening de pionnen afwezig zijn en in het eindspel de koningin.

Winkelman heeft altijd om verzwegen wat de achtergrond was van zijn uiterst trage opstart in het uur U. Pas enige jaren geleden heeft de familie van zijn chauffeur een tip van de sluier opgelicht. Op hun website vermelden de kinderen dat vader Henk van der Pol door sluipschutters in de bomen bij de chauffeurswoning werd weerhouden om generaal Winkelman op te halen. Met dit apocriefe verhaal worden echter nog meer vragen opgeroepen dan er al waren. Een daarvan blijft de bijzonder intrigerende vraag hoe de aanvang van de landsverdediging zou zijn verlopen zonder de alerte burger Gleichman.

Om 7:00 uur valt het bruggenhoofd bij de Moerdijkbruggen in Duitse handen. Op hetzelfde moment geeft Winkelman opdracht om Noord-Brabant vervroegd te ontruimen. Met dit besluit wordt het lot van de Vesting-Holland bezegeld. Winkelman belt vrijwel constant met het vergaderende kabinet over de van uur tot uur verslechterende militaire situatie.

Met het vrijkomende IIIde Leger dacht Winkelman het zuidfront van Vesting Holland te versterken. In het oorspronkelijke verdedigingsplan was het de opzet om het IIIde leger onder dekking van de nacht volgend op de eerste oorlogsdag terug te trekken. Deze nachtelijke dekking is cruciaal bij het verplaatsen van een leger van zo’n 30.000 man, want anders valt het onmiddellijk ten prooi aan de vijandelijke luchtmacht.

Op het hoofdkwartier was Winkelman inmiddels wel geïnformeerd over de doorbraak van de Peelstelling bij Mill, de bezetting van de Maasbruggen in Rotterdam en de landingen van Duitse parachutisten bij Dordrecht en Den Haag. Het nieuws van de bezetting van de Moerdijkbruggen had Winkelman nog niet bereikt. Anders had hij geweten dat de zuidelijke doorgang naar Vesting Holland was afgesloten.

Reeds om 9:00 uur begint de terugtrekking van het IIIde Legerkorps. Als een rondreizend circus breken de ongeoefende troepen hun kampementen op om over smalle wegen en noodbruggen aan een chaotische en demoraliserende aftocht te beginnen. Wonderwel laat de Luftwaffe de terugtrekkende troepen ongemoeid. Het zal zijn bommen sparen voor later.

De terugtrekking komt de Duitsers geenszins ongelegen, omdat zij vrij baan maakt voor de komende pantserdivisie die zo onbelemmerd via de Langstraat en Moerdijk naar Rotterdam kan oprukken.

In zijn overhaaste besluit om het IIIde Legerkorps terug te trekken heeft Winkelman niet eerst de reactie van de geallieerden op het Nederlandse hulpverzoek afgewacht. De militaire gezant voor Frankrijk en België, Van Voorst Evekink, neemt om 10:00 uur contact op met de Generale Staf in Den Haag. We staan even stil bij het tijdsverloop. Rond 4:00 uur werd vanuit Den Haag contact opgenomen met Van Voorst Evekink, om 7:00 uur biedt de militaire gezant aan de Franse generaal Gamelin de verzegelde brief aan, dit is dan drie uur later. Tot Evekink met Den Haag contact opneemt zijn weer drie uren versteken. De terugtocht is inmiddels dan een voldongen feit en al een uur in gang.

Dinsdag 14 mei 1940 11.45 uur. Het is de laatste dag van de vijfdaagse oorlog, die voor OLZ Winkelman zo traag op gang kwam. Zijn echte capitulatie heeft hij er al opzitten met het moment waarop hij Wilhelmina adviseert om de wijk te nemen naar Engeland. Omwille van de eenheid van de Kroon zou het kabinet in haar kielzog volgen. Winkelman wist dat de strijd gedaan was. Niet lang zou het nieuws van de vlucht meer nodig hebben om de strijdmacht tot in al haar haarvaten te bereiken met een vernietigende uitwerking op het moreel der manschappen.

Op noordelijke Maasoever van Rotterdam hebben de Nederlandse troepen onder leiding van kolonel P.W. Scharroo een bij elkaar geraapt, maar toch behoorlijk efficiënte verdedigingslinie opgeworpen. De Nederlandse marine grijpt in met een torpedobootjager, die de Duitse opmars over de Maasbruggen onmogelijk maakt.

De verdediging van Rotterdam had nog veel efficiënter kunnen zijn als daar niet het mysterieuze optreden was van luitenant-kolonel C.D.H. Dijxhoorn, broer van de minister van Oorlog. Luitenant-kolonel Dijxhoorn heeft in mei 1940 het commando over zo’n 1000 goed geoefende Nederlandse militairen, gelegerd bij het Depot Vaartuigendienst van de Koninklijke Landmacht in de Schiehaven. Direct na de Duitse landing bij de Waalhaven kiest Dijxhoorn echter het hazenpad, met medeneming van al zijn officieren, zonder enige instructie achter te laten voor zijn troepen. Die blijven daardoor gedesorganiseerd achter en nemen in het geheel niet deel aan de strijd. Luitenant-kolonel Dijxhoorn zou na de oorlog worden beschuldigd van het in de steek laten van zijn eigen troepen en stond terecht bij een geheim tribunaal van het Militair Hooggerechtshof, dat hem echter vrijsprak. (Zijn broer de minister, die in 1941 moest vertrekken uit de Nederlandse regering in ballingschap in Londen vanwege zijn ideeën over de onvermijdelijkheid van de eindoverwinning van nazi-Duitsland, was overigens lid van datzelfde Hooggerechtshof).
De Duitse troepen worden teruggedreven van de noordelijke Maasoever, alleen een vooruitgeschoven post van de Duitsers blijft achter in het gebouw van de Nationale Levensverzekeringsbank, maar deze groep zit daar afgesneden en kampt met munitiegebrek. De Duitse troepen hebben wel het Noordereiland – tussen Rotterdam-Zuid en Rotterdam-centrum – in bezit. Deze situatie duurt in feite voort tot de 14e mei, met als dramatisch hoogtepunt de – mislukte – poging van de mariniers om de Willemsbrug te veroveren.

Dan begint het drama van de capitulatieonderhandelingen. De Duitse Oberstleutnant Friedrich Plutzar, die verloofd is met de dochter van een Nederlandse architect, krijgt van generaal Schmidt opdracht de tekst van het ultimatum te vertalen. Plutzar is echter niet zo sterk in het Nederlands, waardoor het ultimatum in krom Nederlands luidt:

‘Aan de Kommandant van Rotterdam
Aan Burgemeester en Wethouders en die Autoriteiten van den staat in Rotterdam

De weerstand, die in het open stad Rotterdam tegen de offensieve der Duitsche troepen getoond wordt noodzak mij indien Uwe weerstand niet onmiddelik gestakt wordt, die doelmatige maatregelen te nemen. Dit kan de volledige vernieling van het stad ten gevolge hebben. Ik verzoek U als een man die verantwordingsgevoel bezit, daarop aan te dringen, dat het stad niet dit zware verlies lijden moet. Als teeken van overeenstemming verzoek ik U dadelijk een parlementaire te sturen, welke die noodige volmacht bezit. Indien ik binnen twee uuren na de overhandiging van deze mededeling keen antwoord ontvang, ben ik genoodzakt die scherpste maatregelen van vernieling te nemen.

De Kommandant van de Duitse troepen.’

Terwijl burgemeester van Rotterdam Pieter Oud in de kamer meeluistert, zoekt Kolonel Scharroo vanuit Rotterdam telefonisch verbinding met het hoofdkwartier in Den Haag. Winkelman klinkt gedecideerd: ‘Geen capitulatie. Een behoorlijk ondertekend ultimatum is nodig met de kwaliteit van de afzender erbij vermeld’.

Een vondst. Nederland heeft niet gezegd dat het de capitulatie van Rotterdam weigert, maar ook niet dat het capituleert. De vernietiging van de stad kan zo moeilijk op het conto van Nederland geschreven worden en de vaderlandse eer is gered. Het bombardement van Rotterdam levert Nederland de eerste jaren van de oorlog dankbare strategische propaganda op. Zowel Van Kleffens als De Jong publiceren dat Nederland wel moest capituleren nadat 30.000 burgers in het bombardement van Rotterdam waren omgekomen. In werkelijkheid waren dat er 800.

Van Kleffens schreef in zijn in 1940 verschenen boek The Rape of the Netherlands:

‘At any time during the five days of the struggle, the Dutch would have been free to bargain for some humiliating armistice. But, whilst they are said to be good bargainers in matters of commerce, they showed disdain for negotiation when the country’s highest interests were at stake. They fought until further fighting was impossible; the honour of the country was saved. Glory has been added to the ancient war records of Holland’.

In deel II: de oorlog als propagandaslag van het Oranjehuis.

Waardeer dit artikel!

Als je dit artikel waardeert en dat wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Met een grotere bijdrage steun je ons nog veel meer. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Mijn gekozen donatie € -

De Avonturen van Dick Stein, privé-detective: In Naam van de Koning, aflevering 1

/

Een privé-detective aan lager wal raakt verzeild in hofintriges op het hoogste niveau en komt in aanvaring met ondergrondse republikeinse verzetsgroepen, al even fanatieke Oranjeklanten en nietsontziende geheime diensten. Dick Stein, voormalig undercover-agent van de Amsterdamse politie, liefhebber van jazz, Feyenoord en femmes fatales (niet noodzakelijk in die volgorde) houdt kantoor op de Amsterdamse Wallen. Gewapend met een bruine band judo, een basistraining in de Joodse zelfverdedigingstechniek Krav maga en gekweld door een zwak hart, weet de privédetective zijn zaken toch telkens weer tot een einde te brengen, al is het soms geen goed einde. Ons feuilleton begint met een kingsize aflevering, waarin ter introductie Dick Stein zelf aan het woord komt.

Tekst: René Zwaap

AFLEVERING I

HET WESPENNEST

Stein is de naam, Dick Stein. Voormalig rechercheur van de Amsterdamse narcoticabrigade,  gewezen  undercover-agent van de  Dienst Speciale Operaties en nu, na te hebben gefunctioneerd als zondebok voor de steken die mijn superieuren lieten vallen, al bijna tien jaar directeur van de firma Stein Detectives B.V, waar ik samen met mijn lieftallige assistente Fatima het enige personeelslid van ben.

Als u ouder dan 50 bent heeft u ongetwijfeld gehoord van mijn roemrijkste moment, toen ik de naar Zuid-Amerika ontkomen Nederlandse SS’er Hein Grunten, alias de ‘Jodenjager’, voor het oog van de lopende tv-camera’s had opgespoord in zijn ballingsoord in Patagonië. Grunten had altijd beweerd dat hij Joden kon ruiken binnen een straal van een kilometer, maar toen hij de deur van zijn hacienda opende waar ik had aangeklopt, reageerde hij toch nog redelijk verrast.

Maar roem is een bederfelijk goed en niet van gevaren ontbloot. Ik kreeg enige onverkwikkelijke affaires met dames die het niet perse goed met mij voorhadden, en voor ik het wist trof ik op een ochtend de stukken op mijn bureau aan waarin mijn Trudy na 20 jaren huwelijksgeluk scheiding van bed en tafel aanvroeg vanwege ‘duurzame ontwrichting’ van ons huwelijk.

Trudy zette een bloedhond van een advocaat in bij de onderhandelingen over de alimentatie, die dreigde dat ik onze kinderen nooit meer zou zien als ik niet akkoord ging met een alimentatie zo torenhoog dat ik voor de rest van mijn leven aan de bedelstaf zou zijn. Onder invloed van te veel whisky stemde ik direct in. Ik raakte nog meer aan de drank en verloor mijn laatste trouwe klanten. Na een onverhoedse hartstilstand in mijn slaap, waarvan ik op het nippertje werd gered door een uit de kroeg opgepikte verpleegster, probeer ik mijn leven weer op het juiste spoor te krijgen en te stoppen met het zwelgen in zelfbeklag en vooral met de whisky. Nu verdien ik de – karige – kost hoofdzakelijk met bescheiden klusjes die ik  krijg toegeworpen van de laatste mensen die mij nog welgezind zijn.

Een dag per week werk ik bij de hoofdstedelijke vestiging van een niet nader te benoemen warenhuisketen, die ik hier voor het gemak zal aanduiden als Het Wespennest.

De taak van een warenhuisdetective is redelijk overzichtelijk. Zodra de winkel ‘ s ochtends de deuren opent word ik geacht mij discreet en onopvallend op te houden tussen de clientèle teneinde winkeldieven op heterdaad te kunnen betrappen en af te voeren ter overdracht aan de bevoegde autoriteiten, terwijl zij dan ook worden geacht een boete  te betalen ter compensatie van de veroorzaakte overlast en de toegebrachte schade aan het object van hun begeerte. Geheel vrij in mijn beroepsuitoefening ben ik niet, want vanuit de controlekamer van Het Wespennest word ik  op mijn vingers gekeken door het hoofd van de beveiligingsdienst, een zekere Mulder (zijn voornaam is mij ook na drie maanden in deze functie nog steeds onbekend), een buitengewoon suspecte figuur die het hele warenhuis in de gaten houdt via een gesloten systeem van bewakingscamera’s met inzoomfunctie en mij via het oortje dat ik verplicht moet dragen voortdurend orders toeblaft.

Van alle verkoopsters van warenhuis Het Wespennest is juffrouw Janny van de muziekafdeling mij het sympathiekst. Ze is niet ouder dan 25, een spichtig kind met punky peenhaar, maar ze weet meer van jazz dan menig oud lijk dat al zijn ganse leven rondhangt in het BIM-huis, een van de laatste restanten van de ooit zo bloeiende jazzcultuur van Amsterdam. Toen ik tijdens mijn patrouille mijn favoriete  rondje bij de afdeling jazz maakte, kwamen we te spreken over de beste uitvoering van ‘Walk tall‘ van de onvergetelijke Cannonball Adderley. Die kwestie luistert nauw, want er bestaan tientallen opnames van dat nummer, dat overigens geschreven werd door de roomblanke Oostenrijkse toetsenist Joe Zawinul, die daarmee alle rassentheorieën die gepaard gaan aan discussies over het wezen van de jazz naar de vuilnisbelt verwees. Ik beschouw ‘Walk tall’ als mijn lijflied en als balsem voor de ziel als ik weer eens door tegenslag dreig te worden overmand. Het geniale van het nummer is het spel met de stilte. Die langgerekte intervallen van blanco leegte maken het nummer tot een sensatie, uit de leegte volgt schepping, precies volgens het principe van tzim tzum in de kaballa, de mystieke leer van de middeleeuwse joden die ik tijdens mijn langdurige ziektebed ben begonnen te bestuderen. Tzum tzum is het moment dat de onbenoembare G’d zich tijdens de creatie van de wereld, nu ruim 5500 jaar geleden, terugtrok om ruimte te geven aan de voltooiing van zijn eigen creatie. Walk tall is tzim tzum binnen muzikaal bestek maar evengoed een G’dswonder van muzikaal vernunft. Jazz is ruimte scheppen. De  meeste kenners komen op de vraag welke uitvoering het meeste recht doet aan deze geniale compositie op de proppen met de versie op het album ‘Country preacher’ uit 1963, waarop de bijbehorende inleidende woorden worden uitgesproken door dominee Jesse Jackson.

Die uitvoering ging inderdaad de geschiedenis in als een klassieker, maar zoals juffrouw Janny terecht stelde bestaat er een nóg betere versie, en wel een van latere datum, waarop het identieke motto van het lied wordt uitgesproken door Cannonball zelf, die de woorden van bemoediging met nog meer ‘soul’ uitspreekt dan dominee Jackson en de uitvoering nog gelikter is.

‘Cannonball speelde deze uitvoering in een club in Los Angeles die werd gerund door een vriend van hem’, zei Janny, nadat ze op mijn verzoek het nummer  had laten schallen over de afdeling. ‘Er bestaat bij mijn weten geen enkele andere opname van welk muziekstuk dan ook waarop je het publiek zo intens en zo adequaat hoort reageren op iedere  wending. De band bespeelt het publiek als een bedreven minnaar, en brengt het helemaal in extase door de lang aangehouden intervallen waarop het nummer telkens even tot stilstand komt’.

Ik had het wicht  spontaan willen omhelzen, maar bedacht me op tijd dat de huisregels op het gebied van ongewenste intimiteiten aan de rigide kant zijn in Het Wespennest.

‘Juffrouw Janny’, sprak ik in plaats daarvan in alle oprechtheid, ‘U heeft mijn vertrouwen in uw generatie in een klap hersteld. Het feit dat u deze cruciale nuance zo trefzeker weet te verwoorden, toont aan dat u het verschil echt aanvoelt, dat u het fenomeen Cannonball echt heeft doorgrond. Dan is deze planeet toch niet gedoemd onder te gaan aan goedkope gimmicks en effectbejag’.

‘Gut, meneer Stein, u doet me blozen’, sprak juffrouw Janny verlegen, en net toen ik op het punt haar te vragen wat voor plannen ze had na het werk, begon Mulder vanuit zijn alziend observatorium in mijn oortje te tetteren.

‘We betalen je niet om ons personeel van hun werk te houden, Stein! Ga onmiddellijk naar de afdeling boeken. We hebben weer een hele lading hangbejaarden in de leeshoek en volgens mij laadde er eentje net een boek in haar boodschappentas’.

Het Wespennest heeft ter promotie van de met uitsterven bedreigde leescultuur sinds kort een leeshoekje op de boekenafdeling, bestaande uit een witlederen bankstel en een paar ouderwetse fauteuils, en al direct sinds de opening oefent deze plek een magische aantrekkingskracht uit op een gezelschap ouderen, met name dames, die de plek gebruiken als pleisterplaats. Ze pakken eenvoudigweg een boek uit de schappen en vleien zich neer, waarop ze de hele dag keuvelend doorbrengen en soms even wegdommelen. Van mij mag het, ik heb veel respect voor de oudere medemens die dit land heeft helpen opbouwen, maar de directie ziet hen als een soort sprinkhanenplaag en heeft het personeel instructies gegeven om de oudjes zonder pardon weg te sturen als ze te lang blijven plakken. Eigenlijk is dat wegsturen een taak van de beveiligers in uniform die hier rondlopen, maar Mulder – kennelijk om mij het leven zo onaangenaam mogelijk te maken – heeft besloten het  ondankbare klusje op mijn bord te schuiven.

Ik beschouw het als het meest onaangename onderdeel van mijn werkzaamheden hier in Het Wespennest.

‘Weg? Hoezo weg? Ik heb het volste recht hier te zitten! Scheer je  weg, vlerk! Ik ben nog niet klaar met lezen’, protesteerde een oude dame met een soort jagershoedje waarop heel sierlijk een veer was bevestigd. Ze had een heruitgave van ‘Oorlog en Vrede’ ter hand genomen. Ze kwam op me over als de natuurlijke leider van het gezelschap, dus dacht ik met haar zaken te kunnen doen.

‘Maar mevrouw, het draait hier om proeflezen’, legde ik geduldig uit. ‘Het is niet de bedoeling dat u het hele boek uitleest. Dat beschouwt de directie als diefstal’.

‘Maar oude mensen lezen nu eenmaal niet zo snel, jongeman’, riposteerde het schrandere besje, terwijl de grijsaard  die naast haar op de bank zat met ‘50 tinten grijs’ in slaap was gesukkeld  luidruchtig begon te snurken. ‘Ik ben nog niet verder dan pagina twee en ik weet nog niet of ik dit boek wens aan te schaffen of niet’.

‘Kom nu toch, mevrouw. Volgens mij kunt u het werk van Tolstoj al dromen’, mikte ik op haar ijdelheid. ‘Ik vind het echt heel vervelend, maar als u hier de hele dag neerstrijkt met uw vriendinnen is er voor de andere klanten geen ruimte meer, en dat is niet de bedoeling.’

Van alle kanten werd ik getroffen door  blikken vol verachting uit droeve oude ogen. Hoe kan het toch, zo schoot mij onwillekeurig te binnen, dat het lijkt alsof oude mensen altijd oud geweest zijn? En ook dat het niet meer zo erg lang zou duren voordat ook ikzelf moeiteloos in dit gezelschap zou kunnen opgaan.

Mulder meldde zich via de oortelefoon. ‘Stein, als ze niet van plan zijn een boek aan te schaffen dienen die oude lijken subiet op te krassen! Het Wespennest is geen bejaardenflat!’

Ik slaakte een diepe zucht. De vrouw met het jagershoedje koos nu voor de aanval als beste verdediging.

‘Wie bent u eigenlijk?’, riep ze met haar messcherpe stem, die regelrecht leek te komen uit de tijd dat het Nederlands nog tot in iedere lettergreep probaat werd uitgesproken. ‘Waarom valt u mij lastig? Moet u niet naar uw werk of zo?

‘Mevrouw, dit ís mijn werk’, zei ik en ik presenteerde haar met tegenzin mijn identificatiekaart van het bedrijf, die zij meteen aandachtig bestudeerde.

‘Detective?’, bracht ze uiteindelijk smalend uit. ‘Een warenhuisdetective? Ik wist niet eens dat zoiets bestond’.

De leden van het om haar heen verzamelde groepje begonnen nu met haar mee te gniffelen. Tussen de eau de cologne en de vage geur van incontinentieluiers rook ik opstand. Ik moest nu ingrijpen, anders walsten deze grijze wolvinnen voor altijd over mij heen.

Ik griste Oorlog en Vrede  uit de handen van de dame met het hoedje en legde het boek demonstratief terug op de stapel met aanbiedingen.

‘Nou ja zeg!’, protesteerde  de vrouw met het hoedje, maar met mijn blik maakte ik haar duidelijk dat met mij niet te spotten viel, en ze begreep het. Zonder mij nog een blik waardig te keuren beende ze ervandoor.

‘En nu opkrassen, allemaal!’, sprak ik luid en duidelijk. Dat maakte de benodigde indruk op de grijze panters. Onzeker begonnen ze op te krabbelen en sloegen de aftocht, enigen van hen achter de rollator.

Alleen de oude man die naast de dame met het hoedje in slaap was gevallen met 50 tinten grijs op zijn schoot bleef achter. Voorzichtig probeerde ik hem te wekken.

Hij keek even gedesoriënteerd om zich heen, verstelde de knop van zijn gehoorapparaat, en richtte zich op met zijn wandelstok.

‘Vergeet uw boek niet’, merkte ik op.

‘Goed dat u het zegt’, antwoordde hij, terwijl hij moeite had zijn kunstgebit op de juiste positie te  houden. ‘Kunt u het wel even voor me inpakken alstublieft?’

Na dit beulswerk was mijn stemming er niet beter op geworden. Mijn innerlijke stem vervloekte Mulder en ook mijzelf, dat ik mezelf had toegestaan zo laag te zinken. In gedachten zag ik de verwijtende blik van mijn eigen oude vader, die mij altijd op het hart drukt in alle omstandigheden een ‘Mensch’ te zijn, ook wanneer dat in het werk soms niet erg gelegen komt. Wat zou ik mezelf in de spiegel moeten vertellen? ‘Befehl ist Befehl’?  Er schoot prompt een kramp in mijn hartstreek.

‘Stein, onmiddellijk naar de afdeling dameslingerie’, commandeerde Mulder door mijn oortje. ‘Een dame met een negroïde uiterlijk maakt verdachte bewegingen bij de bak panty-aanbiedingen’.

Ik ben geen voorstander van etnisch profileren en ik laat mij ook niet graag toeblaffen, maar Mulder heeft vanaf dag 1 de pik op me en laat geen kans onbenut mij de tent uit te werken. Dus begaf mij vol tegenzin naar de lingerie-afdeling.

‘Links voor je’, siste Mulder in mijn oor. ‘Die negerin met die tent van een bloemetjesjurk. Genoeg opslagruimte daar om de hele zaak leeg te roven’.

De mededeling van Mulder was volmaakt overbodig, want ik had de dame in kwestie al meteen toen ik van de roltrap kwam in het vizier. Hoe zou het ook anders kunnen, want we hadden het hier over een buitengewoon indrukwekkende verschijning, de Koningin van Sheba in hoogsteigen persoon, gekleed in een wijdvallend rood Afrikaans tuniek, met een indrukwekkende bos rastavlechten, een slagschip van een vrouw met lange fel gekleurde nagels, grote goudkleurige oorbellen en vuurspuwende ogen zo fel schitterend dat ze een man zouden kunnen doen flauwvallen bij één indringende blik. Ze droeg een  tas over haar schouders, en haar linkerhand liet ze bedachtzaam glijden over de uitgestalde waren.

Het probleem met de lingerieafdeling is dat je er als man nauwelijks ongemerkt kunt grasduinen tussen de uitgestalde waar. Je valt direct op, zeker met die regenjas van me, en hoewel de verkoopsters op de afdeling zoals al hun collega’s zijn geïnstrueerd om mij met rust te laten, trek je als vent van meer dan middelbare leeftijd hoe dan ook de aandacht van het publiek en daarmee ook van de te observeren personen.

‘Verdomme Stein, waar wacht je op?’, riep Mulder met overslaande stem door mijn oortje.

Ik had er veel voor gegeven als de techniek mij in staat had gesteld Mulder terug toe te blaffen wat ik  van hem vond, maar meer dan een beetje met mijn wenkbrauwen fronsen richting de verborgen camera in het plafond boven me was me vooralsnog niet gegeven.

De Koningin van Sheba had me inmiddels in de peiling. De gepijnigde uitdrukking op mijn gelaat toen Mulder zijn vernederende instructies had uitgesproken moesten me hebben weggegeven.

Resoluut draaide ze zich om. Pas nu kon ik haar in alle glorie aanschouwen. Ze liep met de gratie van een panter, en bij iedere stap wiegde haar hele lichaam mee in één sierlijk golvende beweging. Een  waarlijk majesteitelijke tred.  .

‘Stein! Wat sta je daar te dromen, man! Erachteraan!’ Mulder heeft zichzelf nauwelijks meer in de hand als hij denkt te kunnen scoren. Hij behoort stellig tot het meest verachtelijke mensentype, dat van de premiejagers. Maar wat was er inmiddels van mij geworden, de grote voormalige superspeurder met zijn cv om bij in katzwijm te vakken, nu op klopjacht op de lingerieafdeling van Het Wespennest, de Sherlock Holmes van de damesslipjes?

Met een U-bocht langs de herenafdeling, een tactische manoeuvre die door de nu geheel overspannen Mulder niet op zijn waarde werd geschat (ik maakte nu een paar geïrriteerde gebaren richting mijn rechteroor waarin het zendertje zat verborgen ten teken dat er iets mis was met de verbinding, hetgeen niet zo was), belandde ik weer in het kielzog van de Koningin van Sheba – die wat mij betreft zoveel bh’s en babydolletjes en netkousen in haar tas mocht proppen als ze maar kon dragen – wier oog nu gevallen was op een rek met met opengewerkte kanten gevalletjes. Ze graaide enige exemplaren van het rek en begaf zich naar de pashokjes.

‘Nu hebben we d’r te pakken!’, riep Mulder buiten zichzelf. ‘Wedden dat ze hoogstens de helft teruggeeft en de rest aantrekt onder die jurk? Heterdaadje, Stein, heterdaadje!’

In mijn korte loopbaan bij Het Wespennest, zo moet ik op deze plaats uitleggen, heb ik inmiddels enige strategische posities ontdekt waarin een zeker zicht mogelijk is op datgene dat zich afspeelt achter de gordijnen van de pashokjes. Ik maak daarbij handig gebruik van de spiegels in de hokjes en de speling die er altijd is tussen het gordijn en de diverse scheidswanden, waarbij het vooral een millimeterkwestie is van de juiste hoek kiezen. Vol zicht verkrijgen is nooit mogelijk – daarvoor zou men eenvoudigweg op de grond moeten gaan liggen met het hoofd onder het gordijn en zo ver wil zelfs Mulder niet gaan. Op last van de directie werd zijn verzoek om camera’s in de pashokjes op te hangen van de hand gewezen.  Maar aan de hand van de te registreren patronen die uit de deelbewegingen van de te observeren persoon zijn af te leiden, kan men in de regel een eind komen met tactische observatie.

Verdekt opgesteld achter een   etalagepop ving ik via de passpiegel een glimp op van een eindeloos lijkend dijbeen en de daarboven volgende welvingen, en in dit schitterende geheel was geen enkel stukje textiel te bekennen.

Toen de Afrikaanse koningin ging zitten op het bankje van het pashok bleek de schitterende rastahaardos een pruik, want die lag nu als een schoothondje naast haar op het bankje. De vlammende nagels bleken eveneens demonteerbaar, want werden één voor één van de lange ranke vingers gepeld en in een piepklein zilveren doosje gestopt. Daarna bleken de rastavlechten een pruik te zijn, een glanzend zwarte schedel blonk mij toe. De koningin van Sheba bukte zich nu voorover  om haar schoenen uit te trekken. Ik zakte nog dieper door mijn knieën vanuit mijn positie achter de etalagepop en was getuige van een transformatie die mij redelijk van mijn stuk bracht. De Koningin van Sheba bleek ontegenzeggelijk een koning te zijn.

‘Heb je d’r te pakken, Stein?’, wilde Mulder weten via het oorzendertje. Ik vermande mijzelf en hernam mijn positie. In de weerkaatsing van de spiegel zag ik hoe de slanke jongeman zich met katachtige snelheid in een vale jeans hees en een wit t-shirt over zijn hoofd trok, daarna glipte hij uit het pashok, uiteraard met medeneming van de buit.

‘Stein! Stein! Waar is ze nou? Is ze nog steeds in de pasruimte? Zie je ze nog?’

Ik haalde mijn schouders op richting de camera, terwijl de jongeman  met verende tred naar de lift beende, de goed gevulde tas achteloos over zijn schouder geslagen. Intussen vocht mijn beroepseer tegen mijn geweten. Iedere speurder heeft zo zijn zwak voor een geniale dief.

‘Het was pure voodoo’, verklaarde ik even later in de directiekamer, ter verantwoording geroepen door een briesende Mulder. ‘Ze verdween gewoon in een klap in het niets’.

Ik kwam ermee weg. Mulder wilde me onmiddellijk de laan uitsturen, maar daar stak de directie een stokje voor. Het finale oordeel luidde dat ik misschien een beetje overwerkt was geraakt en dat ik maar vroeger naar huis moest gaan om op adem te komen van alle hectiek. Ik moest diep in het stof om mijn huid te redden. Een tweede keer zou ik het niet laten gebeuren.

Het kantoor van Stein Detectives BV bevindt zich in een steeg met aan beide zijden een groen gietijzeren hek tussen de Warmoesstraat en de Oudezijds Voorburgwal, op een steenworp afstand van de Kop van de Zeedijk. Toen ik de sleutel in het gammele slot van het hek stak, schuifelde een roedel toeristen langs, voorgegaan door een stevige matrone die een knalrode paraplu de lucht in stak zodat haar schaapjes niet op drift zouden raken in deze poel des verderfs.

Mijn geliefde Wallen zijn veranderd in een soort openluchtmuseum. Het ontbreekt er nog maar aan dat de dames achter de ramen op last van de burgemeester worden uitgedost met Mickey Mouse-oren en ijsco’s uitdelen aan het meegetroonde grut. De voormalige zelfkant van Amsterdam is veranderd in een soort Efteling. Zelfs de laatste drugs die nog worden gedeald op straat zijn nep.

Dertig jaar geleden zouden diezelfde dagjesmensen zich hier nooit hebben vertoond, en wanneer wel, waren ze in een wervelwind van graaiende armen binnen mum van tijd ontdaan van  al hun verhandelbare bezittingen. Ik krijg steeds meer heimwee naar die tijd toen de ‘Dijk’ en omgeving nog angstvallig gemeden werden door iedere godvrezende burger en neem het mezelf steeds meer kwalijk dat ik als jong agent heb bijgedragen aan het ‘schoonvegen’ van de Zeedijk. Nu zou ik al die junkies met liefde terugbrengen naar hun oude stek. Soms denk ik serieus aan verhuizen. Maar waarheen? En waarvan?

Ik groette de kok van het belendende Italiaanse restaurant die in de steeg zijn sigaar stond te roken, opende de deur van mijn kantoor en liep de smalle steile trap op.

Mijn assistente Fatima had al koffie gezet. Fatima, die altijd een felgekleurde hoofddoek omgeslagen heeft maar dat compenseert met een minirok en kittige nepkrokodillenleerzen laarsjes, doet een avondstudie HBO-rechten, is onderlegd in de kickbokssport, heeft in haar jeugd in de jungle van Amsterdam-West genoeg straatervaring opgedaan, beschikt ook nog een over de nodige administratieve vaardigheden en is vastbesloten alle kneepjes van het detective-vak onder de knie te krijgen. Het enige waar het me nu nog aan ontbreekt zijn opdrachten van enig gewicht.

Sinds mijn scheiding – waarbij mijn ex-echtgenote als vennoot in de firma 50 procent van de waarde van de firma toegewezen kreeg  – zijn de liquide middelen van de firma zo goed als uitgeput geraakt.  Trudy trad al die jaren als boekhoudster van de B.V. Stein op. Dat was de grondigheid van haar claims bij de rechtbank ten goede gekomen.

Om aan mijn verplichtingen te voldoen heb ik alles van waarde onder mijn bezittingen moeten verkopen: de motorboot waarmee ik ‘s zomers op ‘t IJ trok, mijn Citroën BX, mijn gehele verzameling eerste persingen van het Blue Note Label en (het ergste van alles) mijn kostbare collectie Feyenoord-memorabilia, de club die ik ondanks het feit dat ik de Maasstad – waar ik meer dan een halve eeuw geleden het licht heb gezien –   al lang heb verlaten, ben blijven koesteren. Slechts weinig Amsterdammers wensen te begrijpen waarom ik met mijn Joodse achtergrond (half-Joods eigenlijk, mijn moeder was een volbloed Rotterdamse uit een geslacht waarvan bijna iedere man ergens op zee is verdronken, maar ‘beter een halve Jood dan een lege dop’, aldus de 1e Wet van Stein) mijn sportieve hart blijf verpanden aan de Kuip, waar het enthousiaste thuispubliek bij iedere wedstrijd toch met overgave zong dat het Uitverkoren Volk aan het gas moet.

Het is moeilijk uit te leggen, clubliefde. Dat ik hier op de Wallen sinds jaar en dag bekend sta als ‘de Kakkerlak’(de koosnaam die Amsterdammers voor het Rotterdamse broedervolk gebruiken), neem ik op de koop toe.

Nadat ik de opbrengsten van mijn grote uitverkoop aan Trudy had overgemaakt, en behalve mijn boot, auto en lp-verzameling ook mijn gesigneerde shirt van Coen Moulijn, de handschoenen van Eddy Pieters Graafland, een voortand van Theo Laseroms én de glasscherven van het brilletje van Joop van Daele van na de wereldcupfinale Feyenoord-Estudiantes de la Plata van 1971 (1-0) kwt was geraakt, verdwenen de meest schrikaanjagende aspecten van Trudy’s lynchstemming. In ieder geval trok ze het door haar advocaat ingediende verzoek dat ik het recht had verspeeld om ook maar in de buurt van onze kinderen te komen, ten langen leste in. Het waren de benauwdste momenten uit mijn leven, en ik was bij de narcoticabrigade toch wel het een en ander gewend. Maar liever vecht ik met tien doorgesnoven hooligans tegelijk dan nogmaals in die rechtszaal te moeten kijken in de door dalendiepe verachting getekende ogen van Trudy, mijn Molukse prinses, wier liefde ik na vijftien stormachtige huwelijksjaren voorgoed verspeeld heb. Tegen die hooligans zou ik met mijn beperkte kennis van Krav maga, de fameuze Joodse zelfverdedigingstechniek die ik in mijn jonge jaren op een kibboets in Israël heb geleerd, ook niet zo veel kunnen uitrichten, maar tegen die verwijtvolle blik in die  grote koolzwarte ogen is geen tank bepantserd.

Ik weet zeker dat de hartstilstand die ik kort na de scheiding kreeg, direct verband houdt met die blik. Blikken kunnen doden. Maar ik heb het overleefd, de bypassoperatie waarbij mijn hele borstkas is open gewrikt en als gevolg waarvan er een litteken van mijn lies tot aan mijn sleutelbeen loopt, is volgens de behandelende artsen succesvol verlopen en de batterij aan bloedverdunners en bètablokkers die ik dagelijks naar binnen moet stouwen lijkt te werken.

De grootste moeite heb ik met het niet-roken: meer dan 30 jaar pafte ik dagelijks 2 pakjes Gauloises zonder filter weg, en de artsen hebben mij verzekerd mijn levensverwachtingen bij terugval als extreem futiel moeten worden afgeschreven. Dus loop ik de hele dag rond in een zweverige toestand die me vanaf mijn tenen tot het topje van mijn kruin doet sidderen en uiterst prikkelbaar stemt. Iedere afgetrapte peuk op de straat roept een nauwelijks in toom te houden begeerte in me op en mijn bestaan is nu gereduceerd tot een aanhoudend, zeurend lijden.

***

Ik nam plaats achter mijn bureau aan het raam met uitzicht op een kale bakstenen muur van het aangrenzende hotel waar kortgeleden een Australische rugzaktoerist onder invloed van psychedelische paddo’s uit het raam was komen fladderen en begon met tegenzin aan het openen van de stapel post – de meeste aanmaningen van incassobureaus – die Fatima voor me had klaargelegd.

Fatima bracht me een beker dampende koffie. ‘Ik krijg alleen maar mensen aan de lijn die nog geld van u willen, meneer Dick’, zei Fatima in die zangerige Marokkaans-Amsterdamse tongval waar ik stante pede vrolijk van word. ‘Ik weet echt niet wat ik die mensen nog moet zeggen’.

‘Kop op, meisje’, antwoordde ik, terwijl ik de stapel post met een vloeiend gebaar in een bureaulade veegde en de koffie tot mij nam. ‘Je moet weten, in deze branche heb je te maken met golfpatronen, seizoenfluctuaties, hausse- en baissebewegingen. Nu zijn nu we bijna in de lente, en dat is de beste tijd voor onze bedrijfstak. Het voorjaar kriebelt, de hormonen beginnen te werken, huwelijken wankelen en bij de firma Stein begint de kassa te rinkelen’.

‘Ik hoop het toch zo voor u’, zei Fatima, terwijl ze met een stralende lach haar hagelwitte tanden liet zien.

‘Geen zorgen’, zei ik. ‘Het komt altijd goed’.

En alsof het zo was ingestudeerd rinkelde daarop direct mijn telefoon.

‘Ik spreek met de heer Stein, Dick Stein, de privédetective?’, vroeg de stem aan de andere kant van de lijn.

‘Spreekt u mee’, bevestigde ik. ‘Wat kan ik voor u betekenen?’.

‘U spreekt met Van Tichelen’, vervolgde de beller. ‘Majoor Van Tichelen van de Nationale Veiligheidsdienst’.

‘Zeg het eens, Van Tichelen’, zei ik. ‘Maar hou het kort graag, ik heb razend druk’.

Aan de andere kant werd even bedrukt gezwegen. ‘Nu, ja, ik bel u over een delicate kwestie, ziet u, die ik liever niet aan de telefoon besprak’.

‘Dan zal ik u terugzetten naar het secretariaat’, zei ik. ‘Daar kunt u een afspraak maken voor een eerste consult. Het tarief voor het intakegesprek is 100 euro per uur, vooraf contant te voldoen. 75 als het zonder bon kan’.

De beller werd nu geïrriteerd. ‘Meneer Stein, ik bel u voor een uiterst gevoelige kwestie. Het is van groot belang dat ik u vandaag nog spreek. Heeft u een suggestie?’

‘Beste Van Tichelen, dat gaat zo niet. We hebben hier een drukke praktijk’.

Aan de andere kant van de lijn sloeg majoor Van Tichelen een andere toon aan. ‘Meneer Stein, u weet even goed als ik dat u al sinds tijden geen enkele opdracht van enige betekenis heeft gekregen en dat u door een hartoperatie bijna een half jaar uitgeschakeld bent geweest. Alleen al uw schuld bij de Belastingdienst zou volstaan voor de voltrekking van een onmiddellijk faillissement.  En ik verzeker u dat één telefoontje mijnerzijds volstaat om er voor te zorgen dat die aanvraag vandaag nog de deur uitgaat. Dus ik raad u met klem aan mij fatsoenlijk te woord te staan. Ben ik duidelijk?’

Enigszins uit het lood geslagen gebracht door het tamelijk indringende inzicht in de specifieke dilemma’s in mijn boekhouding die de beller had benoemd, kuchte ik even.

‘Goed dan, Van Tichelen, als je er zo op staat, kan ik misschien toch wel een gaatje voor je maken. Om 16.00 uur in café Dolly op De Dijk, schikt dat?’

‘Uitstekend, meneer Stein’, antwoordde de beller. ‘U kunt mij herkennen aan mijn groene jagersjas met in de linkerzak een exemplaar van NRC-Handelsblad’.

‘Mm, dat wordt nog een harde dobber, Van Tichelen. Zo ziet bijna iedere klant eruit in café Dolly’.

‘Zorg maar dat u op tijd bent’, riposteerde Van Tichelen nijdig voordat hij zonder verder ceremonieel het gesprek beëindigde.

Ik tuurde door het raam naar de blinde muur. Wat zou de NVD van me moeten? Ik deed al jaren geen zaken meer die de interesse zouden kunnen wekken van welke inlichtingendienst dan ook. De jaren dat ik werd ingeschakeld voor andere kwesties dan scheidingen, bedrijfsdiefstalletjes en weggelopen huisdieren, lagen ver achter me. Hier was iets aan het gebeuren, maar ik wist niet wat het was.

Lees ook het tweede deel van het feuilleton ‘De Avonturen van Dick Stein: In Naam van de Koning’, waarin Dick Stein krijgt een opdracht die zijn lot verandert.

Het feuilleton De Avonturen van Dick Stein, privé-detective: In Naam van de Koning is een werk van fictie. Elke overeenkomst met bestaande personen, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten, behalve waar dat zo gemeend is.

Een duit voor Dick!

Als je de avonturen van Dick Stein waardeert en dat wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan!

Mijn gekozen donatie € -

75 jaar bevrijd en nu weer bezet?

In de nieuwe editie van tijdschrift De Republikein veel aandacht voor twee hoofdthema’s: corona en 75 jaar bevrijding.

In zijn redactionele inleiding zoekt hoofdredacteur René Zwaap een verband tussen toen en nu: ‘Zijn er in het koninkrijk der Nederlanden parallellen te trekken tussen de Duitse invasie in mei 1940 en de invasie van het corona-virus in maart 2020? Laten we eens zien hoe ver we komen. In beide gevallen was de gehele natie ondanks alle waarschuwingen toch totaal verrast toen het eenmaal zo ver was. In beide gevallen had het volk eerder van de hoge autoriteiten te horen gekregen dat men rustig slapen kon gaan. In 1940 ging men ervan uit dat het land veilig verscholen was achter de Waterlinie en de Peelstelling, maar hielden die verdedigingswerken het in werkelijkheid nog geen dag uit. Anno 2020 was er iets soortgelijks aan de hand met de verzekering van premier Rutte dat de strategie van de groepsimmuniteit verlossing zou bieden.’

Corona betekent kroon, en dat brengt columnist Manuel Kneepkens op gedachten: ‘Het oranje-virus heeft onze democratie geestelijk besmet zoals het corona-virus thans bezig is dat met ons allen fysiek te doen.’ Nu er een massieve lintjesregen te verwachten valt voor ‘de helden van de zorg’ wordt het tijd dat het Nederlandse decoratiesysteem op de helling gaat. Ook mensen die niet staan te springen om een koninklijke onderscheiding moeten de waardering kunnen krijgen die hen toekomt. Hij komt met het voorstel voor deze categorie een ereboom te planten, een ecologisch verantwoord Ridderbos.

Na D-day lanceerde Wilhelmina het idee om de Duitse bevolking in de grensstreken met Nederland, gezinnen met kinderen niet uitgezonderd, te deporteren naar een of andere verre uithoek. Gelukkig nam geen enkele geallieerde bondgenoot haar serieus. Columnist Gerard Aalders over de waandenkbeelden van Wilhelmina.

Meer dan zes miljoen mensen keken vrijdag 20 maart volgens de Stichting Kijkonderzoek naar de koninklijke coronaspeech. Een week nadat premier Rutte het land had toegesproken werd de tijd rijp geacht voor een toespraak van Willem-Alexander via alle beschikbare kanalen. Maar hoe effectief was dat? En waarom werden negatieve reacties op de facebookpagina van het Koninklijk Huis door de RVD weggecensureerd?

Emeritus-hoogleraar geschiedenis Wijnand Mijhardt licht zijn pleidooi voor eerherstel voor de door de Oranje-geschiedschrijving verdonkeremaande Bataafse Republiek toe. Hij verdiept zich ook in hedendaagse republikeinse ideologieën, zoals het idee voor een Europese republiek van de Duitse politieke filosofe Ulrike Guérot . Mijnhardt: ‘Guérot’s pleidooi voor een republikeins Europa waarin de volkswil gestalte moet krijgen, is een meeslepende vorm van wishful thinking maar vereist nog veel denkwerk om aanvaardbaar te worden. Mooi is wel dat haar bezwaren tegen de natiestaat geen kritiekloze omhelzing van het federale model met zich meebrengen. Guérot’s keuze voor kleine politieke eenheden zoals de stad – ook in het vroegmoderne Nederland de kern van het republikanisme – geeft aan dat zij begrijpt waar de mensheid het meest behoefte aan heeft: een overzichtelijk, lokaal geworteld dagelijks leven.’

De innige band tussen leger en koningshuis wordt ieder jaar op 4 en 5 mei breeduit uitgevent. Het is tijd om in onze democratische rechtsstaat Dodenherdenking te demilitariseren, vindt August Hans den Boef. ‘Het project van Nederland als democratische rechtsstaat blijft onvoltooid zolang de hoogste publieke functie slechts erfelijk is en bovendien voorbehouden aan de leden van één familie. En dan hebben we het nog niet over het perverse misverstand dat al deze leden daardoor zonder enige uitzondering over singuliere eigenschappen beschikken, die hen bij uitstek geschikt maken om niet alleen boven de partijen, maar ook boven de burgers te staan. Maatschappelijk ingrijpender nog dan dit oranjepopulisme is de parallelstructuur met eigen privileges, die slechts voor militaire beroepsgroepen en instituties bestaat’. Sinds 1945 heeft de overheid door allerlei besluiten, van lintjes tot Dodenherdenking, de militaire lobby gefaciliteerd, aldus de auteur. ‘Bezie bijvoorbeeld de hiërarchie van onze koninklijke onderscheidingen. De prijsdieren vormen drie categorieën: staatshoofden, militairen en gewone burgers. Dat is wel even schrikken voor wie meent dat de Nederlandse samenleving egalitaristisch is. De twee hoogste onderscheidingen zijn voorbehouden aan militairen, dan wel aan ons erfelijk staatshoofd zelf en zijn peers‘.

Voor Nederland is 10 mei 1940 de belangrijkste datum in de twintigste eeuw. De Tweede Wereldoorlog was op dat moment al meer dan een half jaar aan de gang, maar gevochten werd er nauwelijks. Tijdgenoten noemden die merkwaardige periode de phoney war, der Sitzkriegdrôle de guerre. Historicus Ries Roowaan over een vergeten pauzenummer van de wereldbrand.

Journalist Rob Bakker publiceerde met het onlangs verschenen Boekhouders van de Holocaust een complete inventarisatie van de medewerking die het Nederlandse ambtelijke apparaat tussen 1940 en 1945 verleende aan de moord op meer dan 100.000 mensen. Desgevraagd omschrijft hij de excuses die premier Rutte daar onlangs voor aanbood als ‘erg mager’. Rob Bakker: ‘Rutte maakte op geen enkele manier duidelijk hoe sterk het gehele ambtelijke apparaat betrokken was bij de registratie en deportaties. De SG’s protesteerden wel tegen de gedwongen Arbeitseinsatz van niet-Joodse Nederlanders, maar niet tegen de deportaties van de Joden. Daarmee werd een gehele bevolkingsgroep willens en wetens afgeschreven en niet meer als deel van het Nederlandse volk beschouwd en behandeld. De Jodenvervolging en deportaties werden als iets beschouwd wat de Nederlandse ambtenaren niet aanging; dat was voor de verantwoording van de Duitsers. Joden werden gezien als een aparte bevolkingsgroep en werden niet gerekend tot het algemene landsbelang, zowel politiek als uit menselijk oogpunt gezien’. Daarnaast aandacht voor het verband tussen de hoge mate van ambtelijke collaboratie en de ongrondwettelijke vlucht van koningin Wilhelmina in mei 1940.

Ko Smit schrijft over het complot tegen generaal Reynders, de opperbevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten, die vlak voor de Duitse inval op aandrang van koningin Wilhelmina het veld moest ruimen. Had dat te maken met de weigering van de generaal om mee te werken aan de vluchtplannen van het koningshuis?

Meer dan drie miljoen bezoekers trok de musical Soldaat van Oranje. De autobiografie van Erik Hazelhoff Roelfzema is daarmee uitgegroeid tot de hoogmis van het Oranje-evangelie. Maar hoe heldhaftig was diens betrokkenheid bij de planning van een naoorlogse staatsgreep in 1947, inclusief een moordaanslag op PvdA-coryfee Koos Vorrink? Bart Gruson kan zich betere vaderlandse oorlogshelden voorstellen.

Tergend langzaam kwam het kabinet-Rutte uit de startblokken voor actie tegen het corona-virus. Kritiek op het beleid wordt als een gebrek aan solidariteit gezien. Maar het wordt tijd de ogen te openen voor de consequenties van wekenlange bestuurlijke lethargie, schrijft Ricus van der Kwast, die zijn hart vasthoudt voor de komende weken. ‘Bang ben ik dat de maatregelen niet alleen twee maanden te laat genomen zijn, maar dat men ook twee maanden te vroeg de teugels weer laat vieren, terwijl de WHO, epidemiologen en andere modelleerders juist voor versoepeling waarschuwen omdat er op dit moment geen enkele aanwijzing is dat al meer dan zeg 10 procent van de bevolking immuun is’.

Voormalig Europarlementariër Els de Groen beschrijft het corona-virus als de ultieme test voor bestuurlijke vaardigheden. ‘Het ontmaskert presidenten die het virus bagatelliseren, ontmaskert premier Orbán die beweert het virus te knechten door de democratie af te schaffen, ontmaskert populisten die er xenofobie mee aanwakkeren’.
Wat Europa – bij uitstek Europa met haar diversiteit, haar cultuur, gewelddadige historie en democratische ambities – kan redden is samenwerking, zo stelt ze. ‘Geen versplintering en verspilling meer, maar saamhorigheid. Dan verslaan we niet slechts corona, maar ook het egoïsme en de visieloosheid die eraan ten grondslag liggen’.

Paul Damen dook in de mortaliteitsgeschiedenis van het Huis van Oranje-Nassau. Veel vertegenwoordigers van de dynastie werden getroffen door het dodelijke pokkenvirus, maar specialiteit van het huis werd toch sterven aan uiterst sneue grillen van het noodlot. ‘Je kan veel van het coronavirus zeggen, maar het doet wél aan diversiteit. Koning, keizer, admiraal, corona pakt ze allemaal. Ooit was dat anders: besmettelijke ziekten roeiden half Europa uit, maar de Oranjes bleven gespaard. Ons latere vorstenhuis vond vaker originelere methoden voor de voleinding van het leven’.

Al 50 jaar geleden waarschuwde het gedistingeerde wetenschappelijke duo Paul R. Ehrlich en Anne H. Ehrlich voor het verband tussen overbevolking, toegenomen mobiliteit, klimaatverandering en nieuwe dodelijke virussen. In hun in 1970 verschenen boek Population, Environment, Resources werd precies voorspeld waar de wereld nu mee kampt. Roel van Duijn over de dovemansoren van de politiek en de machinaties die nu op het wereldpolitieke toneel in het spel zijn om de democratie te beknotten.

De primitiefste levensvorm, het virus, heeft de homo sapiens, de meest ontwikkelde levensvorm, gevonden als een vehikel voor zelfvermeerdering, aldus een analyse van de Sloveense filosoof Slavoj Žižek. De mens blijkt niet minder fragiel dan de ooit uitgestorven dodo of dinosaurus. Is dit dan het echte einde van de geschiedenis, vraagt Raymond van den Boogaard zich af in een beschouwing over ‘de politiek van de angst’.

Dan twee artikelen over de wereld na corona. Het land lijkt in een staat van beleg. In de media is nauwelijks aandacht voor andere onderwerpen dan het coronavirus. De woordkeuze herinnert aan oorlogsverslaggeving, waarbij het verloop van het front en het aantal slachtoffers de belangrijkste onderwerpen vormen. Het houdt ons dag en nacht bezig, maar hoe zal straks de vrede eruit zien? Ries Roowaan tast de mogelijkheden af. ‘Volgens menig commentator is het coronavirus de externe schok die het neoliberalisme naar de schroothoop zal verwijzen. Dat is enigszins voorbarig maar feit is dat er al jaren onvrede over het marktfetisjisme bestaat. Hoe diep dat inmiddels zit, moge blijken uit het gemak waarmee in diverse landen de overheid geld rondstrooit. Elke aarzeling wordt weggewuifd. De hoogste bedragen zijn nog niet hoog genoeg. Of het werkelijk voldoende zal zijn, moeten we overigens maar afwachten’.

Mark Blaisse ziet in dit verband grote gevaren voor de democratische orde. ‘Zorgelijk is de manier waarop democratische regeringen menen van de ene dag op de andere noodmaatregelen te mogen nemen die onze vrijheid ernstig beperken. Dat de noodtoestand om strenge maatregelen vraagt, zoals uitgaansverbod en desnoods een lockdown, is begrijpelijk, maar het gaat wel heel ver als de overheid bepaalt dat alle mobiele telefoons mogen worden gevolgd in naam van de publieke veiligheid. In naam van diezelfde zogenaamde veiligheid gaan grenzen dicht, worden winkels, scholen, theaters en universiteiten gesloten, gaan crèches op slot, maar niemand wordt daarbij geconsulteerd. In sommige Europese landen mogen per decreet niet meer dan twee mensen met elkaar op straat aangetroffen worden. Deze decreten worden zonder parlementaire goedkeuring genomen. De plotseling oppermachtige regering deelt vrijwel alle lakens uit. Wij, de burgers, hebben het nakijken en worden misdadig genoemd als we ons niet schikken.’

Columnist Hans Maessen, voorzitter van het Republikeins Genootschap, buigt zich dit keer over het initiatief om te komen tot de oprichting van de Partij voor de Republiek.

In de rubriek Appeltjes van Oranje dit keer aandacht voor het dubbelspel van Felix Kersten. In 1950 kreeg deze Finse manueel therapeut een hoge onderscheiding uit handen van prins Bernhard vanwege zijn verdiensten voor het Nederlandse volk. ‘Het is moeilijk woorden te vinden voor alles wat u voor het Nederlandse volk gedaan heeft’, sprak Bernhard bij die gelegenheid. Daarbij ging het erom dat Kersten het Nederlandse volk tijdens de bezetting voor deportatie naar Polen zou hebben behoed. Maar er zat een luchtje aan dit lintje. Kersten was tijdens de oorlogsjaren de vertrouweling van SS-chef Heinrich Himmler en na de oorlog spande hij zich in om om Duitse oorlogsmisdadigers uit Nederlandse gevangenschap te krijgen door minister Donker van Justitie te chanteren.

Maurits van den Toorn recenseert het boek Op verzoek van hare majesteit van Frans Becker en Tamara Becker, over SDAP-kroonprins Wiardi Beckman. Kort voor de bevrijding in 1945 kwam deze in Dachau om het leven, na begin 1942 te zijn opgepakt bij een poging om naar Engeland te komen. Daarnaast ook aandacht voor In dienst van de nazi’s. Gewone mensen als gewelddadige collaborateurs van de hand van Paul van de Water.

Thrillerspecialist Gijs Korevaar beveelt drie spannende boeken aan waar een virus de hoofdrol speelt, Quarantaine van Erk Betten. World War Z van Max Brooks en Schone Slaapsters van horrorspecialist Stephen King.

Verluchtigd met illustraties van Joep Bertrams en Gabriel Kousbroek.

Mis geen nummer meer van dit unieke kwartaaltijdschrift en neem een abonnement.

Gonzo in het Witte Huis

//

De gonzo-journalistiek van Hunter Thompson wordt ten node gemist nu Amerika onder Trump aan de rand van een nationale zenuwinzinking staat. Probleem is echter: Trump is de eerste Gonzo-president.

Tekst: Sjoerd de Jong

Hunter Thompson zat niet op Twitter. Hij schoot zichzelf door zijn hoofd in 2005, een jaar voordat het blauwe vogeltje zijn vleugels uitsloeg. Maar stel dat de legendarische gonzo-journalist nog had kunnen twitteren. Had hij dan met een stroom woeste berichten van 180 tekens, getikt in het holst van de nacht en in walmen van drank en hasj, kunnen voorkomen dat Donald Trump president was geworden? Was impeachment dan niet nodig geweest? Had het gekkenhuis waarin Amerika door toedoen van de maniak-president is beland, compleet met geraas en getier over landverraad, spionage en burgeroorlog, kunnen worden voorkomen?

Timothy Denevi lijkt het te geloven. In Freak Kingdom. Hunter S.Thompsons Manic Ten Year Crusade Against American Fascism presenteert hij Thompson als een volwaardige antifascist, die in Trumps voorganger Richard Nixon al zag aankomen wat Amerika nu is overkomen. Zijn boek is in de VS warm onthaald op radicaal-linkse websites, maar ook in bladen als The Atlantic. De cultstatus van Thompson staat nog steeds garant voor welwillende aandacht.

Journalistieke renegaat
De journalistieke renegaat Hunter S. Thompson (1937-2005) werd een held van de jaren zestig en zeventig met zijn bestsellers Fear and Loathing in Las Vegas (1971), een extravagante drugsnovelle, en Fear and Loathing on the Campaign Trail (1973), zijn huid-en-haar-verslag van Nixons herverkiezing in 1972. Hij was openlijk partijdig, brak met de journalistieke conventie om jezelf vooral buiten het verhaal te houden, schreef op wat hij hoorde in de toiletten en lapte in het algemeen de regels van het vak aan zijn laars – vandaar dat ‘gonzo’.

Met die aanpak geldt Thompson als een grondlegger van wat bekend werd als New Journalism, ‘narratieve’ journalistiek met literaire technieken waarin de verslaggever handelingen en gebeurtenissen niet alleen beschrijft, maar ook becommentarieert of zelfs beïnvloedt. Hij inspireerde generaties journalisten, ook Nederlandse, om met durf, flair en humor te schrijven en, for better or worse, het stoffige ideaal van ‘objectiviteit’ los te laten.

Denevi’s boodschap is kort maar krachtig: in de huidige noodsituatie met Trump hebben we meer Thompsons nodig. Zoals de gonzo-man het mes zette in de corrupte leugenaar Nixon, zo zouden journalisten nu de helblonde nep-Mussolini in het Witte Huis veel harder moeten aanpakken.

Die overtuiging berust op een drietal misverstanden. Eén: Trump is geen Nixon. Twee: Trump lijkt juist veel meer op Thompson zelf. En drie: tegen Trump helpt geen gonzo, want hij ís gonzo.

Maar eerst het goede nieuws.

Op zichzelf is Denevi’s boek een nuttige correctie op het clowneske imago dat Thompson door eigen toedoen steeds meer heeft gekregen. Hij werd de belichaming van het met drank en drugs ‘uit je dak gaan’-levensgevoel, een attractie uit de jaren zestig die tegen betaling een wasted praatje kwam houden voor studenten, of die bij zijn huis in de Rocky Mountains bezoekers imponeerde door revolvers en geweren af te schieten. Hij werd een knuffeljunk in het alternatieve circuit die nog maar bij vlagen iets origineels schreef. Liever liet hij zijn brieven, faxen en kattebelletjes bundelen, want de schoorsteen moest toch roken.

Denevi herinnert er terecht aan dat het ooit anders was. Thompson geloofde in de Amerikaanse Droom, die na de moord op Kennedy in 1963 volgens hem de nek werd omgedraaid door cynische politici als Nixon. Thompson, een libertaire individualist, vreesde een police state waarin elke afwijking van kleinburgerlijk conformisme celstraf, verbanning of erger zou betekenen.

Gewelddadige genen
Die bezorgdheid kwam voort uit het levendige besef dat Amerika gewelddadige genen heeft en dat in het land altijd latente agressie huist die op onverwachte momenten tot uitbarsting kan komen. Een hang naar primitieve gekte die door Philip Roth treffend The Great American Berserk is gedoopt. Thompson zag dat monster de kop opsteken op de Republikeinse Conventie van 1964 in San Francisco, waar de ultrarechtse Barry Goldwater werd genomineerd, en vier jaar later tijdens de campagne van George Wallace, de racistische gouverneur van Alabama. De laatste speelde volgens Thompson ‘met de massa alsof hij ze aan een touwtje had; ze lachten, schreeuwden, sloegen elkaar op de rug’. Ze waren klaar ‘om te lynchen’.

Ja, dat zou zo een beschrijving kunnen zijn van een Trump-rally.

Bovendien had Thompson niet alleen een scherp oog voor populisten, maar ook voor de Amerikanen die Hillary Clinton deplorables zou noemen. Het klootjesvolk aan de onderkant, kansloos in een prestatiesamenleving die draait om cultureel en ander kapitaal. Klassiek voorbeeld zijn de Hells Angels over wie Thompson in 1968 zijn eerste succesvolle boek schreef. Ook hen noemde hij ‘fascistisch’, maar intussen was zijn empathie met de lichtgeraakte bruten, die LSD slikten als aspirine en wegspoelden met een six-pack, onmiskenbaar.

Laatste pluspunt: Denevi geeft nieuw inzicht in Thompsons Fear and Loathing in Las Vegas. Dat onweerstaanbare verslag van een destructief uitje naar de gokstad in Nevada, Thompsons melancholieke afscheid van de sixties, blijkt te zijn voortgekomen uit de nood van zijn reisgezel, de latino-advocaat Oscar Acosta, met wie hij werkte aan een reportage over etnische spanningen in Los Angeles. De autoriteiten vermoedden dat Acosta actief betrokken was bij de bomaanslagen van activisten die hij verdedigde en de advocaat vreesde in zijn kantoor te worden afgeluisterd. Tijdens de eenzame rit naar Vegas kon het duo onbezorgd bijpraten. Thompson ging er trouwens van uit dat Justitie wel eens gelijk kon hebben over Acosta, die nauwe banden had met criminelen en jaren later onder nooit opgehelderde omstandigheden verdween.

Dan nu het slechte nieuws.

Het mag leuk klinken, Thompson als antifascist, maar Denevi doet nauwelijks een poging dat idee te onderbouwen met een analyse van zijn werk. Dat moet kennelijk voor zichzelf spreken. Het gevolg is dat Denevi’s boek vooral een – zoveelste – dweepzieke kroniek is van Thompsons hoogtijdagen (1962-1977), grotendeels gebaseerd op boeken, artikelen en eerder gepubliceerde brieven van de man zelf. Dat is jammer, want Denevi’s these is prikkelend, alleen al omdat er zoveel tegenin te brengen valt.

Ik noemde drie misverstanden. Om met het eerste te beginnen: ja, Thompson zou Trump ongetwijfeld een ‘fascist’’ hebben gevonden. Het staat wel vast dat hij uit de heup schietend op de man van de gelijknamige Toren was losgegaan. Daarbij duikt wel meteen een vocabulaireprobleem op. Want welke munitie had Thompson eigenlijk nog over, na zijn tirades tegen Nixon als ‘crimineel’, ‘hyena’, ‘fascist’ en ‘Nazi’? Zijn dubbelloops was al leeggeschoten.

Maar dat terzijde. Wás Nixon een soort Trump?

In zijn veelgeprezen boek Nixonland (2008) beweert de historicus Rick Perlstein dat Nixon met zijn beroep op de ‘zwijgende meerderheid’ het startschot gaf voor de culture wars tussen Amerikaanse progressieven en conservatieven die uiteindelijk Trump aan de macht hebben gebracht. Dat lijkt aannemelijk, maar het is overdreven. Trump heeft zijn overwinning in 2016 eerder te danken aan het ideologische verzet tegen de culturele revolutie en losbandigheid van de jaren zestig, dat in de VS pas goed op stoom kwam onder Reagan en dat werd gestimuleerd door de bittere polarisatie onder Clinton, Bush junior en Obama. Nixon was eerder een man van de Koude Oorlog dan van een cultuuroorlog. Hij wilde vooral zijn handen vrij hebben om in het buitenland met wereldleiders te kunnen praten, en zeker niet in het binnenland de boel op stelten zetten – zoals Trump gretig en bijna dagelijks doet. Ook Nixons inspelen op angst voor ‘zwarte’ criminaliteit was niet impulsief, maar berekenend en strategisch. Het was zijn breekijzer om de Democraten los te wrikken uit het Zuiden.

Ja, Nixon en Trump delen één dubieuze historische eer: tegen beiden heeft het Huis van Afgevaardigden impeachment in gang gezet. Toch opent zich ook hier meteen de diepe politieke en karakterologische kloof die de mannen scheidt. Nixon, een raspoliticus, probeerde zo lang mogelijk de feiten te ontkennen die het hart vormden van de beschuldigingen aan zijn adres. Maar toen zijn eigen Republikeinen begonnen te deserteren, legde hij zich bij de harde realiteit neer en gooide hij de handdoek in de ring. Resultaat: een land dat wakker werd met een kater, in het deprimerende besef dat het onvermijdelijke was gebeurd.

Landverraders en nepmedia
Trump gebruikt een handdoek alleen om zijn voorhoofd te deppen tijdens een Twitter-sessie. Hij denkt geen seconde aan aftreden. Zijn ze nu helemaal gek geworden? In plaats daarvan bluft en briest hij onophoudelijk dat het allemaal leugens zijn van landverraders en nepmedia die Amerika ‘haten’ en zélf achter de tralies zouden moeten verdwijnen. Bovendien, hij beschikt over ‘grote en ongeëvenaarde wijsheid’ dus NOU EN? IK DOE HET GEWOON NOG EEN KEER!! Aftreden? Nooit! Resultaat: een land dat na drie gierende jaren in de achtbaan wankelt aan de rand van een nationale zenuwinzinking.

Al was hij dan uiteindelijk wél een crook, Nixon hield respect voor het politieke systeem waarin hij groot was geworden. Ondanks zijn verspreking dat ‘als de president iets doet, het dús niet illegaal is’. Trump daarentegen geeft geen zier om het politieke systeem. Integendeel, dat is het ‘moeras’ dat hij belooft droog te leggen. Nixons beroep op executive privilege ging te ver en dat wist hij. Maar voor Trump is het idee dat de president niets fout kan doen geen verspreking, het is het uitgangspunt van zijn hele denken en doen.

Er is nog een verschil. Bij Nixon waren veel Amerikanen bang dat achter het fatsoenlijke, verantwoordelijke masker dat hij in het openbaar droeg in feite een onbetrouwbare cynicus school: de échte Nixon. Vandaar dat de bandjes van zijn gesprekken in zijn Witte Huis, doorspekt met vloeken en denigrerende opmerkingen over Joden en zwarten, zo’n onthulling waren. Het masker was afgevallen. Bij Trump ligt dat compleet anders, want deze levenslange bluffer dráágt helemaal geen masker. Waarom zou hij? Hij leeft van de openbaarheid, van het geluid van zijn eigen ego en rinkelend porselein. Juist publiekelijk gaat Trump tekeer als een mythische halfgod, die doet wat in hem opkomt.

Geroutineerde leugenaar
Zelfs in hun leugens en bedrog verschillen ze. Nixon was een geroutineerde leugenaar, die tegen een medewerker met politieke ambities ooit vaderlijk zei: ‘Weet je, Len, je hebt geen schijn van kans in de politiek. Jij weet niet hoe je moet liegen.’ Maar Nixon loog strategisch, nooit om zichzelf te vleien of een eigen fantasiewereld te creëren zoals de reality-tv-president uit New York. Voor Trump zijn leugens zulke dagelijkse kost – de boekhouders van de Amerikaanse pers telden er in drie jaar 13.000 – dat hij ze waarschijnlijk niet eens herkent als leugens. Hij leeft in een ‘alternatieve’ waarheid.

Voorbeelden te over. Bij zijn verklaring over de dood van IS-leider al-Baghdadi meldde Trump vergenoegd dat de terrorist ‘jammerend en jankend’ aan zijn einde was gekomen. Al was er geen militair die dat kon bevestigen. Hij pochte dat de voorzitter van de Amerikaanse Padvinderij hem had bedankt voor zijn geweldige toespraak op de Jamboree. Trouwens, de president van Mexico had hem ook gebeld, om te bedanken voor zijn grenscontrole. Niets van waar.

Maar wat maakt het uit? Voor een narcist tellen verzonnen complimenten ook.

En dan zijn er nog wat andere, frappante biografische verschillen.

Nixon, die zich uit een middenstandsmilieu omhoog knokte, was sociaal gezien de absolute tegenpool van het zondagskind uit New York. Thompson noemde hem eens een ‘scharrelaar’ en een ‘beroepspoliticus’ die de trukendoos van Washington kende, maar geen ‘ziel’ had. Heel wat anders dan Trump, een president in pyjama die lak heeft aan ‘techniek’ en liever zijn achterban op Twitter oppookt dan met ambtenaren overlegt in het Ovalen Kantoor.

Thompsons afkeer van Nixon, denk je dan, was dan ook vooral een kwestie van temperament. De vrijbuiter-journalist walgde van de man Nixon, die leefde op de handrem, billen-samengeknepen bekrompen en burgerlijk. Ongeneeslijk square. Een sociale stijger, die werd geweigerd door een studentenvereniging omdat hij te kleurloos was. Een man die op een feestje de gastvrouw onder vier ogen vroeg om ‘een dubbele sherry’. Sherry!

Dat imago kleefde Nixon levenslang aan. In The Selling of the President (1968) van Joe McGinnis zegt de latere oprichter van Fox News Roger Ailes over Nixon: ‘Mensen vinden hem saai. Ze zien hem als iemand die al 42 was toen hij werd geboren. Andere kinderen kregen een voetbal met Kerstmis, hij een aktentas, en daar was hij blij mee.’ En: ‘Hij ziet eruit alsof iemand hem de hele nacht in een kast heeft gehangen en hij er ’s ochtends met een verkreukeld pak uitspringt en begint te roepen: ik wil president worden!’

O ja, de vrouwen! Trump pronkt met echtgenotes, houdt van bimbo’s, schept op dat hij vrouwen bij hun pussy kan grijpen en zei over zijn dochter bij wijze van compliment dat hij met haar zou ‘uitgaan’ als hij niet haar vader was. Vergelijk dat eens met Nixon, die er door zijn adviseurs aan moest worden herinnerd af en toe naar zijn Pat te glimlachen als ze weer eens achter hem aan dribbelde. Het contrast met Trump is even groot als dat met Kennedy, ook een oversekste rijkeluiszoon, aan wie Nixon een pesthekel had.

Personificatie van de jaren vijftig
‘Tricky Dick’ was dus eerder de personificatie van de jaren vijftig, een kop van Jut voor de alternatieve kringen waarin Thompson zich bewoog. Op clementie hoefde hij dan ook niet te rekenen, toen hij ten val was gekomen. Alleen Neil Young zong in 1976, toen hij de ex-president het ziekenhuis had zien verlaten na een bezoek aan Pat, dat ‘zelfs Richard Nixon een ziel heeft’.

Tot slot dan de tijden. Je zou denken dat het in Amerika niet erger kan dan nu, maar de Nixon-jaren mochten er ook zijn. Het land sidderde van de politieke moorden, rassenrellen, bomaanslagen en plunderingen. Nadat vier studenten in Ohio door de Nationale Garde waren doodgeschoten, staken omstanders triomfantelijk vier vingers de lucht in. ‘Yippie’ Jerry Rubin vroeg studenten op zijn beurt of ze ‘bereid waren hun ouders te doden – letterlijk’. The Weathermen, een terreurgroep vernoemd naar een songtekst van Bob Dylan, pleegden bomaanslagen tot ze zichzelf opbliezen. De Hells Angels boden hun diensten aan in Vietnam, voor ‘missies achter de linies’.

In die chaos trok Nixon trok er een keer in zijn eentje op uit om bij het Lincoln Memorial een gesprek aan te knopen met anti-oorlogsdemonstranten. Niet dat die gediend waren van zijn toffe praatjes over sport en surfen in Californië – altijd square! – maar toch. Zelfs bij zijn beroep op de ‘zwijgende meerderheid’ deed hij een halfbakken poging de jeugd voor zich te winnen. Geen wonder, Nixon was een control freak. Trump gedijt juist bij chaos. Hij heeft maar één reflex: olie op het vuur gooien. Niet voor niets doet hij geen beroep op Nixons silent majority, maar op zijn eigen angry majority.

Kortom, Hunter Thompson mag de eerste echte gonzo-journalist zijn geweest, Donald J. Trump is de eerste echte gonzo-president.

De overeenkomsten tussen die twee zijn even frappant als de verschillen met Nixon. Trump grof en over the top? Lees de afgrijselijke, humorloze necrologie die Thompson in 1994 van Nixon schreef voor Rolling Stone. De overledene was ‘een kwaadaardige klootzak’; ‘een wild beest dat ruggelings om zich heen klauwt’ met ‘de vuile mentaliteit van een Nazi’’, iemand die ‘slecht was zoals alleen zij die in de Duivel geloven kunnen begrijpen’ en wiens lijk ‘zou moeten worden verbrand in een vuilnisbak’.

Lachen? Mij was dat toen al vergaan.

Trump heeft hooguit minder retorisch talent. Het blijft een beetje behelpen met zijn ‘walgelijke media’, ‘zieke mensen’, ‘corrupte Hillary’, ‘Slaperige Joe’, ‘strontputlandjes’ en ‘rattenholen’. Maar de mentaliteit – ongeremde woede als uiting van morele deugd – is vergelijkbaar.

Trump misogyn? Sla de beruchte passage op in Thompsons Hells Angels (1967) over een groepsverkrachting die hij bijwoonde. Ah gossie, hij werd er helemaal ‘ziek’ van, schrijft Denevi braaf. Maar wacht even. Lezen we bij Thompson bij dat voorval niet ook een persoonlijke, filosofische mijmering over verkrachting als een ‘mysterie’? Als iets waar vrouwen als de dood voor zijn, terwijl er toch ook ‘ergens achterin elke baarmoeder’ een ‘rebelse zenuw tintelt van nieuwsgierigheid elke keer als het woord valt’? Ik bedoel maar.

Journaliste E. Jean Carroll, die Trump in een boek ervan beticht haar ooit te hebben aangerand in een Newyorks pashokje, beleefde naar eigen zeggen iets soortgelijks met Thompson. Alleen hém nam ze niks kwalijk. Thompson had haar in een jacuzzi de kleren van het lijf gescheurd, schreef ze, maar hij was nu eenmaal géén ‘afschuwelijke man’. Ach so – natuurlijk.

Tot zover Thompsons vrouwvriendelijke geloofsbrieven.

Racisme dan? Uit Thompsons reportages spreekt een ironische empathie met hippies en marginale misfits als de Hells Angels. Maar solidariteit met de zwarte burgerrechtenbeweging moet je met een zaklantaarntje zoeken. Intussen doorspekt de uit Louisville, Kentucky afkomstige Thompson zijn reportages met niggers en spics – zij het vooral als een vorm van stoer doen of als maniertje om rednecks met namen als Jimbo belachelijk te maken.

Vuurwapengek
Wapens! Trump omarmt het Tweede Amendement, dat het recht van burgers op wapens garandeert, als een pas geboren baby en jaagt het gehoor bij zijn rally’s voortdurend schrik aan dat de ‘krankzinnige’ Democraten die van hen willen afpakken. Thompson was zijn hele leven een vuurwapengek, tot ellende van zijn omgeving. Hij pleegde zelfmoord met een pistool. Zijn laatste wens: dat zijn as zou worden afgeschoten uit een kanon. Très Trumpiaans.

Rockmuziek: ook een constante bij beiden. Nixon hield van klassieke piano en Sammy Davis junior, en wist nauwelijks wie Elvis was. Thompson en Trump zijn beiden producten van de rockcultuur. Thompson hield van Bob Dylan en The Jefferson Airplane. Trump gebruikte Neil Youngs meestamper Keep On Rockin’ In The Free World als campagnelied. Bij een groots jubileumconcert voor Dylan in Madison Square Garden was Trump in 1992 van de partij om de rock-elite backstage schouderklopjes te geven. Bij een show van Crosby, Stills, Nash & Young zat hij in 2006 naast Patti Smith en Salman Rushdie, die geen van beiden kriebel kregen om te verkassen.

Zou het een generatiekwestie zijn?

Goed mogelijk. Want Thompson (1937) en Trump (1946) zijn – in tegenstelling tot Nixon (1913) – gevormd door het libertijnse Woodstock-tijdperk, toen non-conformisme hoog in het vaandel stond en ontremming en ontregeling werden gevierd als persoonlijke en maatschappelijke deugden. Sherry? Wodka en een snuif! Of – ook goed – elke dag de heroïnekick van Fox News en Twitter. Beide mannen zijn belichamingen van Roths American Berserk, de drang om jezelf geen enkele beperking op te leggen, dwars door alle conventies heen te breken en ongebreideld tekeer te gaan – een hysterisch-vitalistische kant van Amerika waar Nederlanders vaak geen oog voor hebben.

Beiden keren zich tegen het ‘corrupte’ establishment vanuit een heilig geloof in de Amerikaanse Droom: de vrijheid om je uit te leven als individu, zonder een bemoeizieke overheid. Thompson vreesde een police state, Trump de deep state. Het verschil is dat de Droom bij hen door andere daders om zeep wordt geholpen: bij Thompson door ‘kleine sjacheraars’ (zoals Nixon), bij Trump door ‘socialisten’ (alle Democraten). Ergens in zijn boek schrijft Denevi terloops: ‘Voor Thompson was de Amerikaanse Droom altijd een kwestie van vrijheid: als je maar jezelf aan je schoenveters omhoog wist te trekken en harder werkte dan alle anderen, dan slaagde je.’

Ja, Trump zou het er van harte mee eens zijn.

Hebben we gonzo-journalistiek nodig om van Trump af te komen, of hem, op zijn minst, met een beetje goed humeur te overleven?

Dat is het derde en laatste misverstand.

Feit is dat Thompson allang school heeft gemaakt, ook in Nederland. Kranten en sites staan bol van journalisten die hun ik beschouwen als het beste knaapje om hun bloedstollende verhaal aan op te hangen. Of die als mini-Thompsons de lezer vergasten op gesjochten ontboezemingen over hun seks- drank- en drugsleven – en over de prangende vraag wie ze een racist, fascist, Gutmensch of gewoon een lul vinden. Zet Twitter op een kier en het gebrul en gejank komt je tegemoet van bloggers die zich als bronstige bavianen op de borst staan te roffelen om zich dan weer jammerend eigenhandig aan het kruis van het vrije woord te spijkeren. Tourette is in die wereld geen aandoening, maar een diploma.
Dus méér gonzo, tegen de Über-gonzo in het Witte Huis? Nee, dank u.

Het zou ook niet helpen. Richard Nixon werd niet ten val gebracht door gonzo-journalisten die halfdronken hun achterste afveegden met alle beroepsregels, maar door geduldig, vasthoudend uitzoekwerk van ‘gewone’ verslaggevers van een gevestigde krant. Zoals verslaggevers van The New York Times en andere Amerikaanse onderzoeksjournalisten, die er met hun jasjes nog steeds uitzien als verzekeringsagenten of boekhouders, bakken vol feiten hebben opgegraven over Trumps bedrijven, bezittingen, buitenlandse besognes, bemoeienis met Oekraïne en tal van andere zaken die hem nu opbreken.

Van dat soort verslaggevers, ja, daar zijn er altijd meer van nodig.

Timothy Denevi: Freak Kingdom. Hunter Thompson’s Manic Ten-Year Crusade Against American Fascism.
PublicAffairs, 396 blz.

Sjoerd de Jong is Ombudsman van NRC Handelsblad en levert regelmatig bijdragen over de rol van de journalistiek aan De Republikein.

Dit artikel verscheen in nr. 4/2019 van De Republikein, tijdschrift voor politiek, cultuur, recht & burgerschap. Voor de gehele inhoud, zie hier. Mis geen nummer meer van dit unieke kwartaaltijdschrift en neem een abonnement.

Column Hans Maessen: zonder revolutie geen republiek

Wij republikeinen hebben afgesproken dat we op democratische wijze streven naar een republiek in Nederland. Dat lijkt logisch, maar is het ook realistisch? Natuurlijk moet een meerderheid van de Nederlanders voorstander zijn van een gekozen staatshoofd, maar is daarmee het pleit beslecht? De Nederlandse Grondwet vormt dan nog een formidabele barrière.

Een Grondwet moet stabiliteit en inspiratie bieden, maar ze moet ook flexibel zijn en veranderingen kunnen faciliteren. Een Grondwet moet een gevoel geven dat ze dienstbaar is aan de burger en dat de burger als kiezer haar kan wijzigen als er een meerderheid is en de tijdgeest erom vraagt. De Nederlandse Grondwet voldoet hier niet aan.
Om de Grondwet te wijzigen is een meerderheid in de Eerste en Tweede Kamer nodig. Daarna moeten er verkiezingen zijn en moet een tweederde meerderheid in beide Kamers weer met de wijzigingen instemmen. Die verkiezingen dienen als een soort bevestiging door de kiezer, maar in de praktijk gaan verkiezingen over heel andere zaken dan een grondwetswijziging. Beter is het als de kiezers direct gevraagd wordt zich over een wijziging uit te spreken in een referendum. Als we Nederland democratisch willen houden moet de invloed van de kiezer op de Grondwet groter en directer worden.

In tegenstelling tot landen als Duitsland en de VS kan een Nederlandse burger geen beroep doen op de Grondwet. Nederland kent geen Hooggerechtshof dat de toepassing van de Grondwet op verzoek van een burger kan toetsen. We moeten het doen met een beroep op Europese verdragen, waardoor de Nederlandse Grondwet steeds meer een dode letter wordt.

Voor een buitenstaander is de Nederlandse Grondwet toch al onbegrijpelijk. Als je de Grondwet letterlijk neemt lijkt Nederland meer op een sultanaat in het Verre Oosten dan op een Europese democratie. Je moet zo veel tussen de regels lezen en interpreteren dat het een inspiratieloze tekst is. Hoe kun je iedereen gelijk verklaren, maar de koning daarvan uitzonderen?

De belangrijkste wijzigingen in de Grondwet kwamen tot stand in tijden van revolutie en crisis. In 1848 smoorde Thorbecke het burgeroproer door de koning grotendeels van zijn macht te ontdoen. In 1917, ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, werd het onderwijs gepacificeerd en het algemeen kiesrecht ingevoerd. Zonder dit soort existentiële druk zijn fundamentele wijzigingen van ons bestel blijkbaar niet mogelijk. Zo verhinderde Wiegel in 1999 het correctief referendum en deed Van Thijn in 2005 hetzelfde met de gekozen burgemeester.
Dat biedt niet veel hoop voor Nederlandse republikeinen. Ik trek zelfs de conclusie dat het binnen een normaal democratisch proces onmogelijk is van Nederland weer een republiek te maken, ook al is een meerderheid van de bevolking daar voorstander van. Zonder revolutie geen republiek. De Grondwet staat de toekomst van Nederland in de weg. Grondwetswijzigingen moeten eenvoudiger kunnen, anders mist de Grondwet haar doel van stabiliteit en inspiratie.

Volgens Johan Remkes is het eenvoudiger de wetten van de zwaartekracht te wijzigen dan de Nederlandse Grondwet. Republikeinen moeten nadenken over hoe Nederland democratischer kan worden buiten de huidige grondwettelijke orde om.
Hans Maessen is voorzitter van het Republikeins Genootschap

Alternatieven voor Duitsland

Tekst: René Zwaap
Illustratie: Joep

2019 is voor Duitsland het jaar van de ronde getallen. Honderd jaar na de oprichting van de republiek van Weimar. Tachtig jaar na het begin van de Tweede Wereldoorlog met de Duitse invasie in Polen. Dertig jaar na de val van de Berlijnse Muur. Dwars door al deze jubilea heen duiken spoken uit het Duitse verleden op die kort geleden nog uitgebannen leken. Met het nakende afscheid van Angela Merkel als kanselier lijkt de politieke doos van Pandora zich te openen. De opmars van de rechtspopulistische Alternative für Deutschland lijkt onstuitbaar, en verontrustend mag worden genoemd hoeveel officieren van de Bundeswehr zich actief inzetten voor deze partij van het ressentiment.

Stephan E., de vermoedelijke moordenaar van CDU-politicus Walter Lübcke, die in rechtsextreme kringen innig gehaat werd vanwege zijn engagement voor asielzoekers, deed in 2016 volgens een bericht in Der Spiegel nog een gift van 150 euro aan de AfD-verkiezingskas onder vermelding van ‘Gott segne euch’. Alarmerend is ook de stormachtige groei van de Reichsbürger-beweging, die in twee jaar tachtig procent meer aanhangers wist te vergaren met een politiek programma dat het bestaan van de Bondsrepubliek Duitsland afwijst. Deze Reichsbürger weigeren belasting af te dragen aan een in hun ogen onwettige staat en beschikken over eigen wapenarsenalen en een ondergronds leger dat niet voor aanslagen terugdeinst.

Honderd jaar geleden is het ook dat in Berlijn Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht werden vermoord. Het lijk van Rosa Luxemburg, de grootste geest in het revolutionaire Duitsland, werd van een brug gesmeten en pas weken later uit het Landwehrkanal gedregd. Nog altijd is de dubbele moord door geheimzinnigheid omgeven. Duidelijk is dat niet alleen extreem-rechts, maar ook de socialistische SPD er een rol in speelde. De socialist Gustav Noske, alias ‘de bloedhond’, de eerste minister van Marine en Leger van de Republiek van Weimar, ging hier een monsterverbond aan met de meest duistere reactionaire krachten om de oude orde te beschermen.

In 1969 schreef de historicus Sebastian Haffner: ‘De moord van 15 januari 1919 was een voorspel – een voorspel van de duizendvoudige moorden van de Noske-tijd, tot de miljoenvoudige moorden in de daaropvolgende decennia van de Hitler-tijd. Het was het startsein van alle andere. En juist deze is nog altijd onopgehelderd, nog altijd onbestraft en nog altijd onverwerkt. Daarom jankt hij nog altijd naar de Duitse hemel. Daarom stuurt hij nog altijd een verzengend licht in het Duitse heden, als een dodelijke laserstraal’.

Die dodelijke laserstraal licht anno 2019 weer op in Duitsland, en heel Europa knippert met de ogen. Tegelijkertijd is dit Duitsland nog altijd drager van de hoop. Neem bijvoorbeeld de utopische vergezichten van de Berlijnse politicologe Ulrike Guérot, die ervoor pleit de Europese Unie om te bouwen tot één grote republiek van gelijkberechtigde wereldburgers waarin voor nationalisme geen plaats meer is. In haar bevlogen boeken klinkt het poëtische humanisme van Rosa Luxemburg nog door. Republikeins Nederland zou er goed aan doen zich bij dat geluid uit Duitsland aan te sluiten.

(Redactionele inleiding van de Duitsland-special van De Republikein nr 3 jaargang 2019).

‘Willem van Oranje had Catalanen en referendum wél gesteund’

Ter voorbereiding van het ‘spektakelstuk’ Willem van Oranje waarmee toneelgroep Nomade momenteel door het land trekt, toog theatermaker Ab Gietelink naar Dillenburg, het Duitse stamslot van Willem de Zwijger.

Ab Gietelink: ‘Tussen 1567 en 1572 woonde Willem op Dillenburg, en het ging hem heel slecht. De opstand leek mislukt. Hij zat financieel aan de grond. Zijn bezittingen in de Nederlanden waren verbeurd verklaard, zijn medestanders de graven van Egmond en Hoorne waren onthoofd, zijn zoon was gegijzeld in Madrid, zijn broers waren omgekomen op het slagveld. Het had erg voor de hand gelegen als hij er het bijltje bij had neergegooid. Dan was de geschiedenis anders gelopen.’
De Duitse edelman had ook nog eens te kampen met een ongelukkig huwelijk. In 1571 beviel echtgenote Anna van Saksen op Dillenburg van een dochter. De vader was echter haar secretaris Jan Rubens, vader van de schilder. Gietelink: ‘Anna werd naar haar familie teruggestuurd en opgesloten in een dichtgemetselde kamer. Rubens kwam goed weg met tien jaar verbanning. Het ware huwelijkse geluk vond Willem pas bij zijn derde vrouw, Charlotte van Bourbon, een ex-non die vanwege haar overgang naar het protestantisme even berooid was als hij.’
In de ogen van Gietelink, die al jaren lid is van het Republikeins Genootschap (‘weldenkende mensen zijn republikein’) moet Willem van Oranje paradoxaal genoeg worden gezien als de grondlegger van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Gietelink: ‘Hij droeg expliciet de soevereiniteit op aan de Staten-Generaal , die daar eigenlijk helemaal geen trek in hadden.’ Die geest van Willem van Oranje zou wat hem betreft meer navolging verdienen. Gietelink: ‘De manier waarop wordt weggekeken van wat de Catalanen wordt aangedaan omdat ze de euvele moed hebben gehad een referendum over hun onafhankelijkheid te organiseren, druist in tegen alles waar de Zwijger voor stond. Puigdemont is een navolger van Willem van Oranje. Hetzelfde geldt voor de manier waarop in Nederland het raadgevend referendum na één tegenvallende uitslag de nek werd omgedraaid. Ik vind het schokkend.’

Het theaterstuk Willem van Oranje is van 19 t/m 21 september te zien op kasteel Doornenburg, op 27 september in Klooster Wittem, van 3 t/m 5 oktober in de Nieuwe Kerk Groningen, van 10 t/m 12 oktober in het Kapucijnerkerk Het Klooster Breda, van 18 t/m 19 oktober in de Grote- of Catharijnekerk Heusden en van 31 oktober t/m 2 november in de Oosterkerk in Hoorn. Info en tickets via theaternomade.nl.

Duitse vorstenhuizen een eeuw later


Door het afschaffen van de monarchie als staatsvorm in Duitsland moesten 22 Duitse vorsten (‘Bundesfürsten’) een eeuw geleden de troon opgeven. Hun families leven nog voort, hoewel er inmiddels ook een aantal zijn uitgestorven. Een kort overzicht van de belangrijkste huizen (en enkele minder belangrijke, gelieerd aan het Nederlandse koningshuis).

Tekst: Titus von Bönninghausen

Het is algemeen bekend dat de Duitse keizer Wilhelm II, tevens koning van Pruisen (uit het geslacht Hohenzollern, 1859-1941), asiel kreeg in Nederland. Hij had Duitsland de Eerste Wereldoorlog in gesleept, waarbij hij gehoor gegeven had aan het advies van de legerstaf. Een nazaat is Georg van Pruisen (geb. 1976). Als chef van de familie kwam hij onlangs in het nieuws omdat hij alsnog goederen claimt van de staat die ooit aan diens Huis hebben toebehoord. De verontwaardiging bij het publiek over deze vordering is groot, maar de Duitse overheid neemt de eis serieus. Anders dan men denkt is genoemde Georg weliswaar hoofd van het Huis Pruisen, maar is hij niet de oudste van het geslacht. Georg wordt echter het meest representatief geacht, door de hoge geboorte van zijn moeder. De oudere takken van het geslacht zijn minder voornaam door huwelijken met burgers.
Naast de Pruisische tak van Hohenzollern is er de katholieke tak van de prinsen van Hohenzollern in Zuid-Duitsland, vroeger Hohenzollern-Sigmaringen geheten. Deze familie was ooit heer van Boxmeer (N-Br) en van het Huys Bergh, waartoe uitgebreide bezittingen behoorden (gem. Montferland, Gld). Er bestaat daarom een speciale band tussen dit geslacht uit Zwaben en de beide Nederlandse plaatsen. Een voorouder, Leopold (1835-1905), stelde zich kandidaat voor de Spaanse troon. In reactie hierop verklaarde Frankrijk aan Pruisen de oorlog (Frans-Duitse oorlog van 1870-‘71). De katholieke Hohenzollerns hadden hun soevereiniteit reeds in 1849 aan de Pruisische tak overgedragen en waren dus nadien niet meer regerend. Toch geniet het Huis nog aanzien. Het heeft in Zwaben niet van het communisme te lijden gehad en daarom zijn deze Hohenzollerns zeer vermogend gebleven. Ze bezitten veel bossen en landerijen die geëxploiteerd worden. Naast bosbouw doet de prinselijke familie aan het produceren van wijn en sekt. Tevens wordt er in onroerend goed gehandeld en van oudsher waren er belangen in de staalindustrie, maar daar is een einde aan gekomen. Verder is het Huis actief in de toeristische sector. Kasteel Sigmaringen staat bijvoorbeeld voor het publiek open. (Het eigendom van kasteel Hohenzollern wordt gedeeld met de andere tak, die van de Pruisische Hohenzollerns).
In de vrijstaat Beieren wekt de voormalige koninklijke familie nog veel sympathie. De leden ervan treden weinig op de voorgrond. Wel geeft het hoofd van de familie – Frans van Beieren (1933) – acte de présence bij culturele en charitatieve projecten. Frans is officieel ‘hertog’, terwijl deze titel sinds de republiek van Weimar (1919) voor het Huis Beieren eigenlijk verloren ging. Aangezien de bevolking Frans toch hertog ging noemen na het overlijden van diens vader in 1996, werd deze historische titel alsnog voor hem geformaliseerd. De familie van Frans was tegen het nationaalsocialisme en heeft eronder geleden.


Aan lager wal

Het Huis van Saksen is gecompliceerd. Er bestaat een katholieke tak die afstamt van Albert, waarvan de koningen van Saksen uit de negentiende eeuw (hoofdstad Dresden) afstammen. Hun voorouders waren ook koning van Polen. Een representant hiervan in de moderne tijd was Albert van Saksen (1934-2012). Omdat hij ongehuwd bleef wenste zijn getrouwde zuster het Huis voort te zetten als Saksen-Gessaphe, via de vrouwelijke lijn dus. Maar Albert had nog een volle neef, de ongelukkige Timo van Saksen (1923-1982). Timo raakte aan lager wal: hij was verslaafd aan drugs, had onwettige kinderen, maar was ook enkele keren getrouwd. Zijn eerste huwelijk was met de dochter van een slager. Uit dat huwelijk werd Rüdiger (1953) geboren, die inmiddels zelf al grootvader is. De toekomst zal uitwijzen of diens kleinkinderen aansluiting zullen vinden bij de beau monde.
De zogenaamde Albertijnse tak had het vorstendom Saksen destijds niet verder opgedeeld onder de erfgenamen. Daarentegen had Ernst dit juist wel gedaan met zijn aandeel in het Saksische territorium. Daardoor ontstonden er meerdere protestante Saksische Huizen. Dat van Saksen-Altenburg is inmiddels uitgestorven, mogelijk staat dit ook het Huis van Saksen-Meiningen te wachten. Stamhouder ervan is Frederik, sinds 2015 ongehuwd vader van zoon Michaël. Op een tragische manier is verder het lot van het Huis van Saksen-Weimar bezegeld, want de enige stamhouder, Georg, verongelukte in 2018 tijdens het paardrijden. Van de Ernestijnse tak is alleen het Huis van Saksen-Coburg zeer uitgebreid. Tot een geheel ander geslacht behoort het Huis van Saksen-Anhalt, dat op termijn overigens zal uitsterven. Het gezin van Eddie van Anhalt (1941) bestaat namelijk alleen uit drie dochters.

Widukind
Het wapen van de vorstelijke Saksische Huizen is gemakkelijk te herkennen door de groene ruitenkrans diagonaal over het schild, die reeds zeer vroeg op zegels voor kwam. Een populair symbool is verder het Saksische ros, dat ook het Twents ros genoemd wordt. Het bestaat uit een steigerend wit paard op een rood veld. Dit is het wapen van zowel de streek Twente als van Westfalen. Er is een legende die zegt dat het om het witte paard gaat van de dappere Saksische aanvoerder Widukind uit de achtste eeuw. De hertogen van Brunswijk beschouwden zich als opvolger van Widukind. Sinds 1361 heeft dit Huis daarom de schimmel aan het wapen toegevoegd. De laatste regerende hertog was Ernst August van Brunswijk (1887-1953, ook genaamd ‘van Hannover’). Hij kreeg een bedenkelijke reputatie door de manier waarop hij zich tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft verrijkt. Zijn kleinzoon, Hendrik van Hannover (1961), neemt als historicus zijn grootvader gedeeltelijk in bescherming.
De koninklijke tak van het Huis van Württemberg, waartoe de Nederlandse koningin Sophia behoorde, is uitgestorven met Paulina (1877-1965; lid NSDAP). Deze tak werd in Stuttgart opgevolgd door de huidige katholieke familie. Voor de verwantschap van beide takken gaat men terug tot in de achttiende eeuw.
Het Huis van Waldeck-Pyrmont stond bijna op uitsterven. De enige stamhouder was Frederik (1865-1946). Berucht werd zijn zoon Jozias, van wie Anke Schmeling in 1993 de biografie Josias Erbprinz zu Waldeck und Pyrmont, der politische Weg eines hohen SS-Führers publiceerde. De familie is heden weer ruim vertegenwoordigd. Het Huis van Mecklenburg-Schwerin stierf in mannelijke lijn uit met Frederik (1910-2001; lid NSDAP en SS). Anders staat het Huis van Mecklenburg-Strelitz ervoor. Borwin is namelijk vader van twee zonen: Alexander en Michaël. Deze tak is katholiek en vooral woonachtig in Zuid-Duitsland. De familie komt in de literatuur ook voor als hertog van Mecklenburg, graaf van Carlow. Bij het Huis van Lippe was Fürst Leopold (1871-1949) weliswaar sympathisant van de NSDAP, maar hij bestemde zijn jongere zoon Armin (1924-2015) tot zijn opvolger van kasteel Detmold, en die was voorheen dienstweigeraar.

Verdwenen vorstenhuizen
Van de 22 vorstenhuizen die voor 1919 regeerden, is een derde deel al uitgestorven of staat dit binnen afzienbare tijd te wachten, althans waar het om de regerende tak gaat. Het Huis van Schwarzburg bestaat niet meer en van het Huis van Reuss eindigde de oudste soevereine tak in 1927 en de jongste in 1953. In het laatste geval ging het om prins Hendrik XLV Reuss (geb. 1895). Hij werd in 1945 door de Russen gevangen genomen en gold nadien als vermist. Daarom is 1953 een fictief jaar van overlijden voor hem. Bij het geslacht Reuss dat nog wel voortleeft gaat het om de staak tot ‘Köstritz’. Voor de samenhang van Reuss-Köstritz met de destijds regerende takken (1918) moet men in de stamboom Reuss ver terug, tot vóór 1700.
En hoe is het tenslotte met de Nederlandse monarchie gesteld? De laatste man uit het Huis van Oranje-Nassau was koning Willem III (1817-1890). In rechte lijn, dus in mannelijke lijn, stamde koningin Wilhelmina (1880-1962) van hem af. Met haar eindigde het Huis van Oranje-Nassau volledig volgens het traditionele adelsrecht. Bij de Nederlandse adel geldt afstamming ‘in rechte lijn’ nog altijd als criterium. De bijzondere regelingen voor het huidige Huis van Oranje-Nassau zijn strijdig met het adelsrecht. Dit heeft als merkwaardige consequentie dat indien men bij een rechtbank komt voor een rechter (die recht spreekt), men gewoonlijk in de rechtszaal een portret aantreft van de koning die níet ‘in rechte lijn’ een prins van Oranje-Nassau is. Naar het klassieke adelsrecht gaat het hierbij ten onrechte om een Oranje-Nassau, of gaat het met een woordspeling om ‘Onterecht Nassau’. De naam van het Huis voor wie recht is in de leer, luidt eigenlijk Van Amsberg. Ook hier geldt dat eenvoud het kenmerk is van het ware.

Titus von Bönninghausen (1957) verzorgt de historische rubriek in Van Adel, Nieuwsbrief van de Nederlandse Adelsvereniging. Daarin is dit jaar het thema Duitsland en Oostenrijk, 1918-1919.

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Met een grotere bijdrage steun je ons nog veel meer. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Mijn gekozen donatie € -
1 2 3 4 5 21